Beste vrienden

Door ziekte zijn wij helaas niet in staat onze website bij te houden.

Wij hopen dit snel weer te hervatten. In de tussentijd wensen wij u veel leesplezier in het lezen van de al geplaatste artikelen.

Vriendlijke groeten,
Juda Groenteman

CHANOEKA – PARASHAT MIKEETS, SHABBAT CHANOEKA

KABBALISTISCHE MEDITATIE OP CHANOEKA LAAT ZIEN DAT VERLOSSING AFHANKELIJK IS VAN BEWUSTZIJN.

Rabbi Jitzchak Luria

In de volgende meditatie, introduceert de Ari aan ons de mystieke methode hoe wij, in de verdienste van Chanoeka, sublieme heiligheid neerhalen naar de lagere sferen die zelden verbonden is met dergelijk verheven goddelijk licht. Rebbe Nachman van Breslov leert dat de feestdag van Chanoeka, waarvan de naam is geworteld in het Hebreeuwse woord “chinoech”, “educatie” of “wennen”, ons stuurt in onze voortdurende worsteling met de krachten die proberen om ons van G’D te distantiëren, die van de macht van onzuivere verbeelding, of in het Hebreeuws “m’damei”, door onze imaginatieve vermogens te purificeren, zijn we in staat om de primaire kracht achter al onze negatieve karaktereigenschappen en illusies te breken. (Likoetei Halachot Chanoeka 1:1)

Het woord “m’damei”, waarvan de numerieke waarde (89) gelijk is aan het woord “Chanoeka”, is geworteld in de letters dalet enmem, die het Hebreeuwse woord “bloed” vormen. Bloed representeert onder andere, de negatieve krachten van oordeel, onze missie is om het verzachten. Via de 44 (de numerieke waarde van dalet, 4, en mem, 40) lichtjes die we aansteken gedurende Chanoeka (inclusief de shammes) en het opwekkende bewustzijn die zij belichamen, worden de klipot voor ons genullificeerd. [Dit is ook gerelateerd aan de traditie van verhoogd geven van liefdadigheid (“geld”) gedurende Chanoeka, want het Aramese woord voor geld is “Dami” die de zelfde stam letters deelt met “m’damei”]. Zoals wij zo duidelijk in onze tijd getuigen, dat alles lijkt te staan tussen onze huidige situatie en de complete verlossing is onze vastberadenheid en duidelijkheid van onze nationale wil. In het licht van deze inzichten, is Chanoeka, waarin we onze verlossing vieren van vreemde mogendheden die proberen ons te verleiden om onze G’D en Zijn Thora in de steek te laten, een bijzonder gunstig moment voor meditatie, vooral op het licht van de kaarsjes of olie lampjes van de Chanoeka Menora.

De mystieke meditaties die iemand moet hebben voor het aansteken van de [Chanoeka] lichtjes gaat primair om een hemelse en volledig mystieke eenwording genaamd Ner[Hebreeuws voor “kaars”]. Kortom, er zijn drie primaire aspecten van de unificatie Zeir Anpin en NoekvaHavayah [verenigd] metEh – yeh (die een numerieke waarde heeft van 47), Havayah metElo – hiem ( gelijk aan 112), en Havayah met Ado – nai (gelijk aan 91). Soms wordt één aspect verenigt, soms twee en soms alle drie, waarin het bovenstaande wordt helemaal verenigd wordt en [dan] Noekva “Ner heet “, [waarvan de numerieke waarde 250 is], gelijk aan het totaal van de zes bovengenoemde G’ddelijke Namen.

Havayah = 26
Eh-yeh = 21
Havayah = 26
Elo-him = 86
Havayah = 26
Ado-nai = 65
Plus 6, voor elke naam, de kolel,
= “Ner” (250), gespeld noen (50), reish (200)

In de eerste zegen [“……Die ons heeft opgedragen het Chanoekalicht aan te steken”] wordt op alle drie [bovenstaande unificaties] gezinspeeld [in het woord “kaars”].

In de tweede zegen [“……..Die wonderen verricht….”], de tweede unificatie waar op gezinspeld wordt.

En in de derde zegen [“……Die ons leven heeft gegeven….”] de laagste van alle waarop gezinspeeld wordt.

De opdracht om het mirakel van Chanoeka bekend te maken vereist dat we onze menora aansteken op een plaats die zichtbaar is voor voorbijgangers en op een tijdstip niet te laat, zodat zich niemand meer op straat bevindt om het te zien. De boven genoemde termen geven aan, dat de kracht van Chanoeka zo groot is, dat gedurende de feestdag, de meest verheven hemelse niveaus van heiligheid (gerepresenteerd door de bovengenoemde unificaties van de G’ddelijke namen), zelfs toegankelijk zijn in de laagste sferen. Deze minder verheven domeinen worden gerepresenteerd door de term “marktplaats” (in het Hebreeuws, “shoek”, gerelateerd aan het woord voor “dij”, geassocieerd met de sefira van Hod. De achtste sefira van boven), een plaats die gekarakteriseerd wordt door verspreiding, disharmonie en gevoeligheid voor Externe Krachten. Chanoeka laat ons zien dat vonken van heiligheid overal zijn en biedt ons de mogelijkheid om deze vonken te verlossen, om zelfs heilig licht te laten schijnen in de sferen van duisternis.

CHAG ORIEM SAMÉACH – GELUKKIGE FEESTDAGEN VAN LICHT

PARASHAT MIKEETS, SHABBAT CHANOEKA

Aan het einde                        Genesis. 41:1 – 44:17

RABBI SHIMON BAR JOCHAI

JOSEF, DE GEZEGENDE RIVIER

ZOHAR I, p. 193bå

In de volgende sectie bespreekt  de Zohar  Farao’s droom, in welke hij zeven vette koeien uit de rivier ziet komen,  die vervolgens werden verslonden door zeven magere koeien. Toen zag hij zeven korenaren  uit één halm, voldragen en mooi, welke werden verzwolgen door zeven magere verlepte korenaren.

Kijk, er komen uit de rivier zeven koeien naar boven, prachtig om te zien en vol in hun vlees, die in het oevergewas gingen weiden.” (Genesis. 41: 2)

Het enige beeld in Farao’s droom dat niet geïnterpreteerd werd door Josef was de rivier.

Met rivier wordt de Nijl bedoeld, welke de bron van levensonderhoud was voor Egypte.

Rabbi Elazar zei: “Uit de rivier….

In de vragende zin, “Wat is de betekenis van de rivier in Farao’s droom?”

Het is de rivier die op alle niveaus is gezegend, omdat deze rivier neerwaarts gaat om te irrigeren en om allen te voeden. Josef is de rivier waarmee heel Egypte werd gezegend.

Met andere woorden, de rivier die alle lagere niveaus draagt is de eigenschap van Josef, de sefira van yasod van de wereld van Atziloet, welke wateren  van Atziloet neerhalen tot in Beriya.

Meer technischer gezien, in da’at van Berya, van welke de zevenmidot van chesed naar malchoet zich verspreiden.

Kom en zie: zeven niveaus [de zeven midot zoals boven vermeld] zijn geïrrigeerd en gezegend door hem. Zij zijn degene over wie men zegt, “[Zij waren] prachtig om te zien en vol in hun vlees”.

Die in het oevergewas gingen weiden.

Het Hebreeuws voor oevergewas [riet] “ba’achoe“, heeft dezelfde stam als het woord “broederschap”, “b’schava“.

[Parallel duid op ] hun wederzijdse verbinding en overeenstemming, er is geen separatie tussen hen.

En daarom hebben zij deze loffelijke eigenschappen [van éénheid].

Al deze zeven niveaus die wij genoemd hebben, zijn een mystieke waarheden , zoals is geschreven, “

“Zij kreeg zeven kamermeisjes tot beschikking uit het huis van de koning” (Ester. 2:9).

Dat waren de zeven dienstmeisjes die aan Koningin Ester werden gegeven door Koning Achasjwerosh.

Om die reden verwijzen zij naar de “zeven koeien van prachtig om te zien” [refererend aan de zeven sefirot van de zijde van heiligheid].

In tegenstelling tot degene waarover het vers verklaart: “….de zeven eunuchs die de Koning in nabijheid diende” ( Ester. 1:10).

Deze verwijzen naar de zeven magere koeien. Zij duiden op de sefirotvan de niet heilige domeinen.

Op een dieper niveau, zijn de sefirot van heiligheid feitelijk de sefirotvan de wereld van Tikoen, terwijl de sefurot van de niet heilige kant desefirot zijn van de wereld van Tohoe. Het Joodse Volk zou moeten afdalen naar Egypte om de heilige vonken te verheffen die in de fysieke wereld waren gevallen toen de wereld van Tofoe werd versplinterd. Dit is wat aan Josef werd duidelijk gemaakt in de dromen van Farao. (Ramaz)

Rabbi Jizchak was het oneens met de voorafgaande analyse. Volgens hem zag Farao niet de sefirot van de wereld van Beriya. Hij zei: “de zeven koeien” verwijzen naar die niveaus boven desefirot van de wereld van Asiya. En “de zeven magere koeien” zijn de zeven ander niveaus daar onder.

Dit verwijst naar de zeven niveaus van Kelipa.          (Mikdash Melech)

De eerste zeven zijn van de kant van heiligheid, en de zeven andere van het aspect van spirituele onzuiverheid.

Rabbi Jehoeda [ het eens zijn met Rabbi Jitzchak] zei: de eersten waren goed, aangezien zij van de rechterzijde zijn [van de kant van heiligheid], welke aangaande is geschreven, “[G’D zag] dat het goed was” (Genesis.1:4). En de slechten zijn beneden      [inKelipa].

De zeven schoven zijn van de zijde van zuiverheid; de anderen zijn van de zijde van onzuiverheid. Deze niveaus existeren als één boven de ander, als twee tegenovergestelde. Farao zag ze allemaal in zijn droom.

Zei Rabbi Yaisa: werd dit alles getoond aan de slechte Farao?

Rabbi Jehoeda antwoordde: Hij zag alleen hun gelijkenis, want er zijn niveaus op niveaus, sommige tegenover elkaar, en sommige boven elkaar. Hij zag alleen die niveaus onder elkaar.

Hieruit leren we, dat dingen die zichtbaar worden in iemands dromen naar gelang hij is als persoon. Wanner hij slaapt, stijgt zijn ziel op om kennis te verkrijgen, ieder gelang zijn eigen niveau.

Zo zag Farao alleen wat voor hem passend was om te zien, en niets meer.

Dit in tegenstelling tot Josef, die dit onderwerp op een veel dieper niveau  begreep. Daarom is er geen meningsverschil tussen de twee opinies, Rabbi Elazar’s uitleg is van toepassing op wat Josef begreep van Farao’s dromen, terwijl Rabbi Jitzchak en Rabbi Jehoeda uitleggen wat Farao zelf zag.

SHABBAT SHALOM, CHANOEKA SAMEACH

PARASHAT WAJISHLÁCH

Zohar pagina 165b:

wajishlách ja’akov mal’achiem levánáv el- ésav achiev arsta se’ier sedé èdom,”

“Ja’akov zond engelen voor zich uit naar zijn broer Esav, naar de rode velden van het land Se’ier.” (Genesis. 32:4)

Rabbi Jehoeda opent zijn verhandeling met vers: “Want voor u geeft Hij Zijn engelen opdracht over u te waken op al uw wegen.” (Psalm. 91:11)
Dit vers is door de mede geleerden verklaard met de betekenis dat, wanneer een persoon in deze wereld komt, de jetzer hara al op hem wacht.

“Kwade Inclinatie” is de meest kenmerkende vertaling van “jetzer hara.” De stam van het woord “jetzer” is “veroorzaken, teweegbrengen “en refereert aan hoe iemands instinctieve dierlijke driften op bepaalde tijden vragen om aan zijn”behoeften” te voldoen.
De jetzer hara is voortdurend bezig een persoon te strikken om kwaad te doen en als aanklager te dienen in de spirituele wereld. Dit is de betekenis van het vers: “De zonde [Hebreeuws, chatat] ligt voor de deur op de loer, klaar om aan te vallen.” (Genesis. 4:7)
Wat is het, wat loert, wat wacht, om zich te storten op een persoon die het lichaam van zijn moeder verlaat en in deze wereld komt?

Het is de Jetzer Hara, Koning David verwijst eveneens naar de Jetzer Hara als “Chatat”, als hij zegt: “En mijn zonde [Hebreeuws, chatati] me steeds voor de geest staat”. (Psalm. 51,5)
De Jetzer Hara staat voortdurend klaar, elke dag, om een persoon ertoe te brengen verkeerde dingen te doen in de ogen van G’d en verlaat hem niet vanaf het moment dat hij geboren is.

Daarentegen komt de Jetzer Tov [Goede Inclinatie] in een mannelijk persoon, wanneer hij de leeftijd van dertien jaar heeft bereikt, bij meisjes bij twaalf, welke de leeftijd is die een persoon in staat stelt zichzelf te purifiëren en te verbinden met zijn spirituele wortels bij het uitvoeren van mitzwot.

Op die leeftijd, wanneer een persoon verplicht is om mitzwot te doen, komt de Jetzer Hara om hem te assisteren en de twee inclinaties fuseren met de persoon, de Jetzer Tov aan zijn rechterzijde en de Jetzer Hara aan zijn linkerzijde. Deze twee inclinaties zijn eigenlijk in feite engelen, puur spirituele krachten, die belast zijn met de bescherming van de persoon voor alles dat hem zou kunnen schaden. Nooit en te nimmer verlaten zij een persoon.
Wanneer hij besluit om zichzelf te purifiëren en terugkeert naar zijn spirituele wortels [teshoewa], zwicht de Jetzer Hara voor de Jetzer Tov, en de goede inclinatie heerst over de kwade. Beide verenigen zich in een wederzijdse overeenkomst om de persoon op de weg die hij gaat te behoeden om slecht te doen.

Daarom zegt het vers: “Hij geeft opdracht aan Zijn engelen, bij jou, om op je te passen en zich om je te bekommeren, waar je ook gaat. De engelen verwijzen naar de twee inclinaties en wanneer een persoon besluit om zijn goede inclinatie sterker te laten zijn dan zijn kwade inclinatie, zegt de kwade inclinatie, zelfs tegen zijn wil in: “Amen”.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJEETSÉE

En hij vertrok (Genesis 28:10 – 32:3)

Het symbool in de droom van de ladder, beschrijft dat er een directe verbinding is, tussen wat gebeurt in de hemel en wat er gebeurt hier in deze wereld. Het geeft aan dat de Heilige Tempel het centrum van het universum is, en geeft weer zijn constructie, verwoesting, en eventuele herbouw in een meer perfecte wereld. En er is een directe aanwijzing dat dit alles de taak is van het Joodse Volk en dat het Joodse Volk zal bestaan uit twaalf stammen.

Midrash Bereeshiet Rabba 68,11, op Genesis 28,11: “wajikach méawnée hamakom” “Hij nam de aanwezige stenen van de plaats” becommentarieert dat Ja’akov een test deed. Hij nam 12 stenen en zei tot zichzelf,aangezien noch Avraham noch Jitschak de twaalf stammen hebben gevestigd, als nu deze twaalf stenen samensmelten, betekent dit dat ik, Ja’akov, degene ben. Toen hij ontwaakte zag hij dat de stenen versmolten waren. De Thora schrijft 28:18: “Morgens vroeg nam hij DE STEEN die hij als hoofdkussen had gebruikt, richtte die op als gedenksteen en goot er olie overheen.

Hierdoor was hij ervan overtuigd dat hij de stichter van de Joodse Natie zou worden.

Nachmanides [ Rabbi Mosje ben Nachman ] beschrijft de betekenis van de droom volgens Rabbi Eliezer als volgt: Dit visioen is gelijk aan het visioen van Avraham bij de ervaring van het Beriet been Habetariem [Verbond tussen de stukken] Genesis 15,10-18, waar G’D aan Avraham de vier koninkrijken toonden welke zouden heersen over Israël in verbanning.
De opkomst en verval van deze koninkrijken is te vergelijken met het opgaan en neerdalen van de engelen op de ladder. ( zie ook Daniël 10,20 )
G’D beloofde dat Hij met Ja’akov ( het Joodse Volk ) zou zijn in hun tijdelijk verblijf en hen zou beschermen en redden van deze koninkrijken. G’D toonde Ja’akov de opkomst van deze vier koninkrijken en daarna hun verval.
Evenzo toonde Hij hem dat de engel die Babylon representeerde zal stijgen tot aan de zeventigste sport op de ladder om vervolgens weer neerwaarts te keren, ( zeventig jaar verbanning ) , terwijl de engel representerend het koninkrijk van Meden honderd en tachtig treden zou stijgen om vervolgens weer neerwaarts te keren.Toen de engel, die Edom representeerde, alleen opstijgend getoond werd en niet neerdalend, vroeg Ja’akov aan G’D hem in het graf te storten.
G’D reageerde dat zelfs als Edom hemelhoog zou stijgen, Hij hem persoonlijk zou neerhalen ( Ovadiah 1,4 ).

De toekomstige Tempel is hier aan Ja’ákov aangeduid als “….Beet Elokiem wezé sha’ar hashamajiem” “Hoe geweldig is deze plaats, dat kan niet anders dan een huis van G’D zijn en hier is de poort van de hemel.” (Genesis 28,17) Dit in aanmerking genomen kunnen wij begrijpen dat de Midrash zegt dat Ja’akov zag dat de Tempel werd gebouwd, verwoest en herbouwd. De interval tussen de verwoesting van de eerste Tempel en de herbouw van de derde Tempel wordt beschouwd als één ononderbroken periode van destructie, met als doel Israël aan te moedigen om zich te ontdoen van zonde doormiddel van inkeer.
Na het zien van de ladder in zijn droom, begreep Ja’akov een aantal dingen zeer goed; o.a. de betekenis van de vier verbanningen en de uiteindelijke verlossing. Daarom zei hij: “acheen jeesh Hashem bamakom hazè…” “Inderdaad, de Eeuwige is op deze plaats aanwezig en ik wist het niet.” (Genesis 28,16) Hij realiseerde zich dat “op deze plaats” uiteindelijk leidt naar De Derde Tempel en “Ik ben onder hen”.
Deze bewustwording was het gevolg van “wajishkach bamakom hazè” “En legde zich op die plaats te rusten.”
Deze toekomstige periode wordt door de profeten omschreven als: “Op die dag is de Eeuwige EEN en Zijn Naam is EEN” [ Zacharia. 14,9 ].

SHABBAT SHALOM.

PARASHAT TOLEDOT JITSCHAK

Rabbi Shimon bar jochai

Zohar, P 134b

“En dit zijn de generaties van Jitschak.” (Genesis. 25:19)

Rabbi Chiya opent zijn verhandeling met het vers “Wie kan door woorden de machtige handelingen beschrijven; wie kan al zijn uitspraken verklaren?” (Psalm 106:2).
Kom en Zie. Toen voor de Heilige, geprezen zij Hij, het verlangen opkwam om de wereld te scheppen keek Hij in de Thora en creëerde het van daaruit.

Dit betekent dat Hij keek naar de 22 letters en 10 klinkers die de 10 gezegden vormden door welke Hij de wereld schiep, en alle generaties van levens zag binnen de “blauwdruk” van de Thora.

Hij keek in de Thora en creëerde daaruit ieder en elk afzonderlijk.

Deze 22 letters en 10 klinkers werden de 32 paden waaruit Wijsheid (chochma) neerwaarts vloeide om de wereld te creëren door de 32 keer dat de naam Elo-hiem optreedt ten opzichte van de Schepping.

Zoals is geschreven: “Toen was ik als een klein kind [in het Hebreeuws, amoen] met Hem, en ik was Zijn vreugde, elke dag opnieuw.” (Spreuken. 8:30) Lees niet “amoen” (een klein kind); maar lees “oman” [wat een “handwerksman” betekent, exact de zelfde spelling].

Op het moment, voordat Hij de mens creëerde, zei de Thora: “Als U de mens creëert, die vervolgens zal gaan zondigen, aangezien hij zal eten van de Boom van Kennis van Goed en Kwaad, dan zal U over hem minachtend gaan oordelen, waarom creëert U dan überhaupt, het leidt toch tot niets?”

De Heilige, geprezen zij Hij antwoordde; “Voordat ik de wereld creëerde, creëerde Ik berouw.” Bovendien, op het tijdstip dat Hij de mens creëerde zei G’D: “Universum, O universum! Jij en je structuurlijke orde existeerde alleen bij de gratie van de Thora [sinds ook jij bent gecreëerd door haar letters]; Ik heb de mens gecreëerd om binnen jouw structuurlijke orde te leven, zodat hij zich bezig kan houden met leren. Als hij dat niet doet, breng Ik jou terug tot de staat van chaos en vormeloosheid.” Om die reden is alles geschapen ten behoeve van de mensheid, welke wordt bevestigd door het vers; ” Ik heb de aarde geschapen, en Ik heb daarop de mens gecreëerd.” (Jesaja 45:12) En elke dag roept de Thora de mensheid op met de verordening, om zich in haar te verdiepen [studeren], niemand neigt hun oor om te luisteren.

Probeer dit gegeven te vatten, al wie streeft naar het leren van Thora, draagt bij aan de continuerende existentie van het universum, en stelt zowel het micri als het macro in staat om op een gepaste wijze zijn functies uit te voeren.
Bovendien is er een directe samenhang tussen elk van de 248 ledematen van de mens en de verschillende creaturen in de wereld. Juist zoals elk persoon een organisch geheel is, verdeeld in verschillende ledematen, zo ook is de wereld een organisch geheel, verdeeld in verschillende entiteiten. Wanneer de wereld is gerectificeerd, functioneert het als één eenheid.

Vanuit dit gegeven zien we dat de levensenergie die voortkomt uit de mens die Thora leert, welke bestaat uit 22 letters en 10 klinkers, G’ddelijke overvloed teweeg brengt, [als een infuus voor de Schepping]. Goede articulatie van de letters en klinkers brengt teweeg dat deze letters bewegen en schitteren in de spirituele werelden, en dat zij op hun beurt G’ddelijke energie vrijgeven om de wereld te voorzien van spiritueel begrip en levendigheid.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT CHAYEE SARA

De leeftijd van Sara   Genesis. 23:1 – 25:18

 De spelonk en de letter

De spelonk Machpala in Hebron  is een integraal deel van de eenwording van G’D’s Naam.

Likoeté Sichot, vol. 1, p. 34-36, vol. 20, p. 91-99

“Verleen mij de spelonk Machpala………laat hij mij die geven voor de volle pond, als een eigen begraafplaats, als bezit, in uw midden.” (Genesis, 23:9)

In Kabbala refereert het woord “Machpala” aan de letter die twee keer voorkomt in G’D’s Naam. (Zohar I, 129a) De relatie tussen G’D’s Naam, de bron van leven en de begraafplaats van onze Patriarchen en Matriarchen is als volgt: De reden dat de ziel in het lichaam wordt gezonden is om zijn unieke taak te volbrengen om G’ddelijk bewustzijn in deze wereld te verspreiden. Wanneer het zijn taak heeft beëindigd, keert het terug naar “huis”, naar zijn oorsprong in G’D. Deze terugkeer gebeurt stap voor stap telkens wanneer we onze verhouding met G’D vernieuwen, waarbij in de tussen gelegen tijd een toenemende bewustwording van G’D wordt vergaard.De beweegreden om onze verhouding met G’D te vernieuwen hangt af van ons verlangen om onze status te herstellen met Hem na een val of een periode van vervreemding of hangt af van een verlangen om onze verhouding met Hem te intensifiëren.

In het eerste type van terugkeer, is de heroriëntering op ons gedrag (aangeduid door de tweede, of “lagere” van G’D’s Naam) met onze emotionele betrokkenheid (aangeduid door de letter vav) en wordt daarom de “lagere” terugkeer genoemd. In het tweede type van terugkeer, is de heroriëntering op onze mentaliteit (aangeduid door de eerste, of “hogere”, ) met onze pure G’ddelijke inspiratie en inzicht (aangeduid door de letter joed); het wordt daarom de “hogere” terugkeer genoemd.

[Noteer dat: In het Hebreeuws deze aanduiding in werkelijkheid is dat het woord voor “terugkeer” (“teshoeva”) kan worden gelezen als “keer terug (in het Hebreeuws, ‘tashoev’ de hé.”] Dus het proces van terugkeren, die de hoeksteen vormt van onze verhouding met G’D gedurende ons leven, wordt aangeduid door de twee letters  in G’D Naam.  De twee letters worden aangeduid door het woord “Machpala” (hé Machpala, letterlijke betekenis, “dubbele hé”).

De definitieve terugkeer gebeurt niet, zoals we zeiden, voordat de ziel zijn taak in deze wereld heeft beëindigd en het lichaam heeft verlaten. Dus de begraafplaats van Machpala geeft aan de voltooiing van het proces van terugkeer. Dit is de verbinding tussen de twee letters van G’D’s Naam en de begraafplaats van onze Patriarchen en Matriarchen.

VOOR DE VOLLE WAARDE

Ondanks de herhaalde pogingen van de zonen van Cheth en Efron om Avraham het land dathij benodigde gratis te geven, stond Avraham er op om er voor te betalen. Sterker nog, hij weigerde zelfs een gereduceerde prijs, maar drong aan op een betaling van de volle waarde. Dit, ondanks het feit dat hij een legale claim had op het gehele land zelfs zonder een overeenkomst met de inwoners.

We vinden een vergelijkbaar fenomeen, zoals Rashi benadrukt, in de discussie tussen David en Aravna. (Zie Samuel, 24:1, Kronieken, 21:24.) Aravna was koning van de Jebusiten en heerser van Jeruzalem. Toen David Jeruzalem veroverde, bekeerde Aravna zich tot het Jodendom. David werd getoond door een engel dat Aravna’s graanschuur de verheven plek was waarop de Heilige Tempel moest gebouwd worden. Toen Aravna dit hoorde, was hij graag bereid zijn graanschuur te schenken aan David. Ondanks het feit dat het stond op veroverd land en met de toestemming van de eigenaar, stond David er op om Aravna de volle waarde van de graanschuur te betalen.  

In de Midrash wordt  bevestigd (Bereshiet Rabba, 79:7) dat er drie plaatsen zijn in het Land van Israël waar onbetwistbaar het eigendomsrechtvanhet Joodse Volk is gevestigd: de Spelonk van Machpala in Hebron, de Tempelberg in Jeruzalem en Josefs graftombe in Shechem, in volle waarde, zonder enige schijn van meningsverschil.

Waarom stond Abraham er op om voor de spelonk te betalen, in plaats van het te ontvangen als een gift? Door dit geval te vergelijken met de aankoop van David, zinspeelt Rashi op het antwoord. David zei tot Aravna dat hij het land weigert te accepteren als een gift “want ik wil niets nemen dat wat van jou is om G’D,offers te brengen op land wat gratis is verkregen.” Wanneer iemand een gift accepteert, blijft er altijd iets van een verbinding bestaan tussen de gever en de ontvanger. Zowel Abraham als David wilde elke verbinding tussen het land en de vorige eigenaren verbreken, zodat de heiligheid van deze unieke plaatsen puur en onbevlekt zouden blijven.

Voorts, het huwelijk van Izaäk en Rebecca, is een voorloper op de openbaring van de Thora, alsde algemene openbaring van G’D in de wereld, terwijl de openbaring van G’D in de Tempel en door de Profeten bijzonderheden en details waren van deze algemene openbaring. Eliézers gebed voor het potentiele huwelijkspaar was daarom sneller beantwoord dan de twee andere gebeden.

[In Kabbala is het huwelijk van Izaäk en Rebecca een expressie van de eenwording van twee van de vier manieren van het letter voorletter spellen van G’D’s Naam. Izaäk wordt geïdentificeerd als de Naam van G’D en letter voor letter gespeld is zijn numerieke waarde 45 is en Rebecca wordt geïdentificeerd als de Naam van G’D en letter voor letter gespeld is de numerieke waarde 52 is. Zoals wordt verklaard in Kabbala is de eenwording van deze twee varianten op G’D’s Naam de essentie van onze studie van de Thora en het uitvoeren van de Mitzwot.) 

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJERÁ

RABBI SHIMON BAR JOCHAI

ZOHAR I, p. 72a

Avraham ging ’s morgens vroeg naar de plaats” (Genesis. 19:27)

Kom en zie, vanuit dit vers grondvestte Avraham het ochtendgebed welke correspondeert met chesed, de eigenschap die Avraham verpersoonlijkt en hij maakte zijn Meester bekend in de wereld. Vanuit zijn liefde voor G’D, die voortkomt uit de eigenschap van chesed in de ziel, stond Avraham bereidwillig vroeg in de  morgen op om te bidden. Op die wijze rectificeerde hij op dat tijdstip de eigenschap van chesed  op de juiste manier. Jitzchak vestigde  het middaggebed zoals het vers zegt, “Jitzchak ging uit om in het veld te bidden vlak voor de avond” (Genesis. 24:63 wat correspondeert met de eigenschap van gevoera. Met andere woorden, Jitzchak maakte aan de wereld bekend dat er recht is en dat er een Rechter is, die vergeeft en kwijtscheldt maar ook oordeelt in deze wereld. Jacob vestigde het avondgebed, zoals het vers zegt, “Hij bad op de plaats waar hij wilde overnachten, omdat de zon was ondergegaan”. (De Geleerden Berachot 26b, verklaren dat het woord, vayifga ויפגע  raken, geraakte, ook, “hij bad” betekent).

SHABBAT SHALOM  

PARASHAT LECH LECHA

RABBI SHIMON BAR JOCHAI

ZOHAR I, 77b

De Eeuwige zei tot Abram, “Voor je eigen welzijn [in het Hebreeuws, ‘lech lecha’, de naam van het Thoragedeelte van deze week] ga weg uit je land, van je geboortegrond en uit het huis van je vader…..(Genesis. 12:1)

De woorden “Lech Lecha” betekenen letterlijk vertaalt “Ga naar jou”.

Rabbi Elazar zei: “Lech Lecha” betekent “voor je eigen bestwil, ga weg van hier en verbeter je ziel en verhoog je [spiritueel] niveau.”

G’D instrueerde Abram zijn huidige spirituele koers te verlaten door zich te engageren met mitswot en goede daden en deze ten uitvoer te brengen in het land Israël. Daar zou hij slagen in spirituele hoogten die voorheen onbereikbaar schenen.

“Het is niet passend voor jou om langer hier te zijn, te midden van deze negatieve mensen.”

Alhoewel zij Abram niet konden beïnvloeden om hen te volgen, zei G’D tot hem, dat het kwaad wat hem omringde zijn ziel besmette.

[Zohar I, 77b]

Een alternatieve vertaling van de woorden lech lecha “Ga naar je zelf”:

[Een andere interpretatie:} “Ga….zodat je je zelf leert kennen.”

G’D maakte hem duidelijk, “Begrijp de oorsprong van je ziel, zodat je zelf perfectioneert door de oorsprong van je ziel in deze wereld te openbaren.”

Ergens anders verklaart de Zohar dat elke rechtvaardige (Tsadiek) in Deze Wereld twee zielen heeft; één in Deze Wereld en één boven in de Hogere Werelden. Deze zijn in wezen verschillende niveaus van de ziel, het hoofdgedeelte van de ziel blijft boven, in de Hogere Werelden en de meer uitstralende weerspiegeling daarvan is gehuld in het fysieke lichaam van Deze Wereld.

G’D roept dus vele tsadikiem tweemaal bij hun naam, “Abraham, Abraham”, “Jacob, Jacob”, “Mozes, Mozes”, “Shmuel, Shmuel”, etc. om zo de ziel van boven  neerwaarts te laten komen in de uitstralende ziel beneden. Vanuit dit oogpunt werd Abraham geïnitieerd tot een reis om de oorsprong van zijn ziel zoals die boven is, te openbaren beneden in Deze Wereld.

[Zohar I, 78b]

Ga weg uit je land, van je geboortegrond en uit het huis van je vader.” Waarom deze herhaling?

Was het niet genoeg om te zeggen, “Ga weg uit je land?” G’D sprak echter tot Abrams ziel boven, prior voor zijn neerkomen in het lichaam.

“Ga weg uit je [hemelse] woonplaats, het huis van je Vader [ in De Hemel, naar het fysieke lichaam beneden in Deze Wereld], en van [de schatkamer van de zielen boven, welke ‘Goef’ [‘lichaam’] genoemd wordt.

Dit mag in alternatieve zin worden geïnterpreteerd als een verwijzing naar het spirituele “lichaam” wat reeds eerder werd aangehaald in de Zohar.

[Zohar Chadash, Acharei 46d]

Het Hoofd van de Academie begon zijn verhandeling met het citeren van het vers “ G’D zei tot Abram, ‘Voor je eigen welzijn, ga weg uit je land….’” Want op deze wijze zou het licht hem verhelderen.

M.a.w., G’D maakte hem duidelijk dat hij zijn land en zijn geboorteplaats moest verlaten, omdat hij niet in staat was om daar licht te kunnen ontvangen.

Iemand die er niet in slaagt om in of op een bepaalde plaats iets te bereiken, moet vandaar optrekken en naar een andere plaats gaan waar hij meer succes van slagen heeft.

De geleerden van de Talmoed verklaren eveneens dat het veranderen van plaats een verandering van geluk brengt. (Rosh HaShana 16b; Bava Metzia 75b)

SHABBAT SHALOM

PARASHAT NOACH

RABBI JITZCHAK LURIA

De geschriften van de Ari

Toen Noach, na de vloed, uit de ark kwam dicteerde G’D aan hem de zeven Noachidische geboden. Inhoudend, het verbod om het vlees van een levend dier af te stropen, wat het algemeen onnodig pijnlijden van dieren aangeeft. Ten aanzien van het doden van dieren wordt in de Zohar, 11:68b aangehaald, dat geen enkel creatuur doelloos is geschapen.

Het is [daarom] verboden om dieren doelloos te doden.

De wijzen verklaren: “Alles wat de Eeuwige, geprezen zij Hij, creëert, creëert Hij alleen voor Zijn eer, zoals staat geschreven, Alles wat genoemd wordt in Mijn naam en voor Mijn eer, creëerde Ik, Ik vormde het, Ik maakte het Zelf.” (Avot 6:11; Jesaja 43:7)

We zullen nu zien hoe de Arizal deze verklaring uiterst persoonlijk concludeerde, en ten opzichte hiervan dat zich gedroeg met uiterste piëteit.

Mijn leraar [de Arizal] was uiterst voorzichtig om geen enkel insect te doden, zelfs niet de kleinste en de onaanzienlijkste zoals, vlooien, luizen en dergelijke, zelfs niet als zij hem beten.

We weten wat de Wijzen zeggen, commentariërend op het vers, “Zijn vijanden zullen ook vrede sluiten met hem” (Spreuken 16:7), sommigen zeggen dat dit verwijst naar de hond, anderen zeggen dat dit verwijst naar de slang, en nog anderen zeggen dat dit refereert aan de vlo. Jeruzalem Talmoed, Teroema)

Deze gedachte is het antwoord van Rabbi Elazar aan Rabbi Chizkiya opgenomen in de Zohar ( II:68), waar de mythische betekenis van het vers “Zal de slang bijten zonder gefluister (Prediker 10:11) wordt verklaard.  

Rabbi Elazar en Rabbi Chizkiya wandelden samen en passeerden een slang. Rabbi Chizkiya was van plan de slang te doden, maar Rabbi Elazar zei hem dit niet te doen. Toen Rabbi Chizkiya protesteerde, met het argument dat het een gevaarlijk dier was, citeerde Rabbi Elazar het bovenstaande vers, en interpreteerde het met de betekenis, dat een slang alleen iemand bijt als G’D hem influistert dit te doen.
G’D creëerde slangen om bepaalde mensen te doden om daardoor hen te verhinderen en te weerhouden dat zij kwaad doen. Om zeker te zijn dat wij schepsels niet onnodig doden. Maar zich onthouden van het doden van dieren die een dreigende houding aannemen t.a.v. menselijk leven ( of gevaarlijke ziekten kunnen overbrengen) is strijdig met de Joodse wetgeving en het is te betwijfelen of enig Thora autoriteit dit zou toestaan. Inderdaad is het toegestaan gevaarlijke slangen te doden op Shabbat, wanneer dat normaal gesproken is verboden.

We mogen aannemen dat de Arizal zich geen zorgen hoefde te maken om het in leven of niet in leven te laten van slangen, omdat hij niet bang hoefde te zijn te worden gebeten om hem beletten te zondigen.
Anderzijds zien we dat hij werd gebeten door insecten en ongedierte. De vraag is hoe de Arizal zich kon onthouden van het doden van slangen en dergelijke en hen toestond een gevaar te zijn voor anderen. Misschien bedoelde de Arizal alleen dat we geen slangen moeten doden in hun natuurlijk wilde leefomstandigheden, maar alleen als zij dicht bevolkte menselijke gebieden in gevaar brengen (of als het mogelijk is hen terug te plaatsen in hun natuurlijke omgeving).

Maar dit alles is enkel gissing. Het kan net zo goed mogelijk zijn dat de Arizal het voorkomen van het doden van creaturen in zijn geheel bepleit, zelfs ten koste van een menselijk leven.

SHABBAT SHALOM

PARASHOT NITSAVIEM – WAJÉLEECH

Israël is een unieke natie in deze wereld. Het is gekroond (uitgekozen) met een kroon bestaande uit twee facetten, m.a.w een algemene en een specifieke.
De gehele natie is als het ware te beschouwen als één persoon; daarom verwijst de Thora naar het volk als nèfesh, persoon (enkelvoud) reeds in de tijd van de nakomelingen van Jacob toen zij afdaalden naar Egypte (Genesis. 46,26). De bijzonderheid ligt in het feit dat “kie chelèk hashem amò” “dat Zijn volk Israël een deel van G’D zelf is” (Deuteronomium. 32,9).
De rest van de mensheid was verdeeld in “zeventig naties,” elk met een vertegenwoordiger in de Celestische Regionen; Want de Eeuwige heeft jullie apart genomen, Hij heeft jullie uit Egypte gevoerd om voor Hem een volk als eigen bezit te zijn. (Deuteronomium. 4.19,20)
De lotsbeschikking van het Joodse Volk wordt niet bestemd door intermediairs zoals b.v. astrologie en andere natuurlijke tekens en fenomenen. De zeventig naties waren van elkaar gescheiden zoals we weten van Deuteronomium. 32,8: “Toen de Allerhoogste de volkeren een erfgoed aanwees, toen Hij de mensenkinderen van elkaar scheidde, stelde Hij voor de volkeren gebieden vast, naar het getal van Jisraëls kinderen.”
Het verwantschap (gemeenschappelijke kenmerk) tussen de “getallen” van Israël en dat van de naties van deze wereld, is dat Israël het getal zeventig vormde voordat zij afdaalden naar Egypte. Het verschil is alleen dat, de zeventig Israëlieten die naar Egypte kwamen werden beschreven als nèfesh, als één enkele persoon.
Elk deel van de Joodse natie staat in vergelijking tot de gehele natie. Omdat Israël een deel van G’D is, heeft het een eeuwige toekomst, zoals wordt benadrukt in de Talmoed, Sanhedrin 90: “Elke Israëliet heeft een aandeel in de Komende Wereld.”
In aanvulling tot deze gemeenschappelijke factor, welke iedere Israëliet met elkaar verbindt en tezamen één geheel vormt, is elke Israëliet een onmiskenbaar individu, wat duidelijk wordt door een verklaring van onze geleerden in Bamidbar Rabba 21,22, gebaseerd op Jasaja 4,5: “ieder rechtvaardig persoon is gebrandmerkt door het vuur dat door G’D is voorzien, als deel van de overhuiving die Hij verleent aan elk rechtvaardig persoon.”
Dit leert dat, ofschoon elke Israëliet een aandeel heeft in de Komende Wereld, iedereen afzonderlijk een eigen plaats bepaalt. Aangaande dit alles zegt Mozes in Deuteronomium. 32,12: “HaShem badaar janchènoe we één imo El néchar” “zo leidt de Eeuwige hem alleen, zonder een vreemde god naast Hem.” Het woord janchènoe in het vers staat in enkelvoud, (leidt hem, niet leidt ons) om aan te geven dat elke Israëliet een individuele eenheid is, een persoonlijkheid. Mozes continueert met: “Hij was niet vergezeld door andere krachten,” dit verwijst naar de sariem en mazalot, vertegenwoordigers in de Celestische Regionen en sterrenbeelden, die bepalend zijn in het leiden van de niet-Joodse bestemming. Geen enkele van deze krachten oefenen controle en invloed uit over het Joodse Volk.
De twee mitzwot in deze drie laatste parashot reflecteren direct aan dit denken.
Het feit dat de mitzwa van Hakel verlangt dat alle vrouwen van Israël en ook de kinderen samenkomen in het binnenhof van de Heilige Tempel om te luisteren naar de voorlezing van de Thora, is gefundeerd op het gegeven dat heel Israël wordt gezien als één enkel lichaam. Vervolgs instrueert de Thora nogmaals aan elke individuele Israëliet afzonderlijk, een kopie van de Thora voor zichzelf te schrijven.

SHABBAT SHALOM