DE ESSENTIE VAN DE SCHEPPING EN DE MENS IN VERHOUDING TOT TESJOEWA (2), DE TIEN DAGEN VAN INKEER

DE TIEN DAGEN VAN INKEER

Lezing: Juda Groenteman, elloel 5759, september 1998-99 te Antwerpen.

DE ESSENTIE VAN DE SCHEPPING EN DE MENS IN VERHOUDING TOT TESJOEWA.

De ontzagwekkende dagen, Rosh Hashana, Tien dagen van Inkeer, Jom Kippoer.

Op Rosj Hasjana hebben wij de nadrukkelijke wens dat G.d ons zegent met een goed en zoet komend jaar in gezondheid en inkomen. Door onze dienst in de tien dagen van tesjoewa hebben wij zoals de Gemara het uitdrukt : “het weldadige en overvloedige van Zijn hand”. Wat houdt dienst in ? Dienst houdt in:

Tesjoewa, Tefilla, Tsedaka.

We gaan niet alleen in op de achtergronden van deze drie woorden, maar ook op de puur taalkundige betekenis ervan.

Tesjoewa wordt doorgaans vertaald met berouw. Dat is geen tesjoewa, omdat berouw in het Hebreeuws charata is. Niet alleen zijn deze twee termen niet synoniem, ze zijn elkaars tegengestelde. Charata houdt in: wroeging of een schuldgevoel over het verleden en de intentie om zich in de toekomst anders te gaan gedragen. De persoon wenst of beslist een herboren of een nieuw mens te zijn.

Tesjoewa betekent terugkeren naar het oude, naar de natuurlijke origine van iemand. Grondprincipe van het concept tesjoewa is: het feit dat elk mens in essentie goed is. Begeertes, verlangens en verleidingen kunnen hem tijdelijk afbuigen van zijn eigen wezen. Maar zijn essentie blijft waarheidsgetrouw. Het slechte wat hij doet is niet een deel van hem of doet niet af aan zijn zuivere natuur. Tesjoewa is terugkeren naar jezelf, terwijl berouw inhoudt het verleden verdringen en opnieuw starten.

Tesjoewa betekent teruggaan naar je Goddelijke oorsprong, je innerlijke oorsprong die Goddelijk is en te beseffen je ware ik. Bijvoorbeeld een tsaddiek, een totaal rechtvaardig mens, die geen strijd meer in zichzelf hoeft te voeren, die een en al goed is, die alleen maar in dienst staat van G.d en medemens, zo’n mens heeft geen reden tot berouw. En een zondaar die niet in staat is om berouw te hebben, maar beiden kunnen tesjoewa doen. De zondaar om terug te keren en de tsaddik om meer goed te doen. De rechtvaardige, ofschoon hij geen zonden doet, streeft constant naar zijn innerlijk, naar G.d. En de zondaar, hoe ver dan ook verwijderd van G.d, kan altijd terug keren, omdat tesjoewa is niet iets nieuws creëren, alleen opnieuw ontdekken het goede dat altijd al aanwezig was in jezelf.

Tefilla, bidden ??? Bidden is in het Hebreeuws niet Tefilla, maar  bakasja en opnieuw zijn deze termen tegenstrijdig. Bakasja betekent bidden, verzoeken, verlangen in de vragende wijze. Tefilla betekent zich hechten, zich verbinden met. Met het bidden vraagt de persoon of G.d hem voorziet in zijn behoefte en gebrek. Als hij niet behoeftig is of geen verlangen voelt voor een gift van boven, dan wordt bidden, bakasja , overbodig. Maar in Tefilla: de persoon streeft er naar zich te hechten, naar hechting aan G.d, zich kleven aan G.d. Het is een beweging van iemand van beneden, reikend naar G.d. En dit is iets wat geschikt en bereikbaar is voor iedereen , op elk tijdstip. De menselijke ziel heeft een band met G.d, maar die huist ook in een lichaam. Door zijn hoofdbezigheid in deze materiële wereld, kan die band verzwakken. Daarom is het nodig die band constant te verstevigen en vernieuwen. Dat is de functie van Tefilla en het is een absolute noodzaak voor elk mens. En een mens die niet behoeftig is en het niet nodig vindt een bede te doen aan G.d, heeft evenzeer die hechting aan G.d nodig, te kleven aan de Bron van het leven.

Tsedaka, is dat liefdadigheid ??? Het Hebreeuwse woord voor liefdadigheid is niet Tsedaka, maar chesed. En opnieuw: twee woorden , twee tegenovergestelde begrippen. Chesed, liefdadigheid, houdt in dat de ontvanger geen recht heeft op de gift en de gever niet verplicht is om te geven. Hij geeft grootmoedig vanuit de goedheid van zijn hart. Zijn handeling is meer een deugdelijke goede eigenschap, dan een plicht. Tsedaka daarentegen, gerechtigheid, rechtvaardigheid, dat de donor geeft omdat het zijn plicht is.

Vooreerst: waarom is het een plicht ? Omdat alles in deze wereld uiteindelijk behoort aan G.d. De mens zijn vermogen, zijn bezittingen, is eigenlijk niet echt zijn bezit, integendeel, het is aan hem toevertrouwd. Bij G.d is een van de condities van dat vertrouwen dat hij zal geven aan diegenen die in nood zijn.

Ten tweede: een mens heeft de plicht te handelen naar de ander toe, zoals hij G.d vraagt te handelen tegenover hem. En zoals wij vragen G.d om Zijn zegen, is Hij ons niets verschuldigd en niets verplicht. Wij zijn verplicht in gerechtigheid te geven aan diegenen die ons vragen, al zijn we compleet niets aan hun verschuldigd. In die weg worden we ook beloond, maat naar maat, wij geven vrijelijk, G.d ook.

Dit zijn de drie wegen die leiden naar een jaar dat bezegeld is met al het goede, tesjoewa, terugkeer naar ons diepste innerlijke ik; Tefilla, en ons hechten en verbinden met G.d; Tsedaka, de verdeling van ons bezit in rechtvaardigheid.