DE ESSENTIE VAN DE SCHEPPING EN DE MENS IN VERHOUDING TOT TESJOEWA (3), INLEIDING VAN JOM KIPPOER DOOR KOL-NIDRE

INLEIDING VAN JOM KIPPOER DOOR KOL-NIDRE

Wanneer iemand onder het uitspreken van een eedsformule tegenover G D of tegen over zichzelf een gelofte aflegt of een verplichting op zich neemt, moet hij die ook nakomen. Precies zoals het hem over de lippen is gekomen. ( bemidbar 30, 3; dewariem 23, 22-23 ).

Er kunnen wel eens omstandigheden zijn dat iemand niet instaat is een dergelijke belofte na te komen. Dan is er een aanduiding in de Tora dat men dan een gelofte door een bevoegde instantie nietig kan laten verklaren: Hatarat Nedariem. Een dergelijke gelofte, eed of uitdrukking tegenover zijn medemens valt daar in eerste instantie niet onder. Die kan men alleen ongedaan maken via de betreffende persoon zelf, met diens volledige instemming ( b.t. joma 7, 2 ) .Hetzelfde geldt voor verkeerde handelingen tegenover de medemens. Ook daarbij is het niet voldoende wanneer men G D vergiffenis vraagt.

Voordat wij met Kol-Nidre beginnen leggen we nog een verklaring af. Het kwam wel voor , dat mensen die een zware overtreding hadden begaan die de essentieele principes van het jodendom raakte, door een rabbinaal rechtscollege in de ban werden gedaan. Zij werden uitgesloten uit de gemeente. Maar op Jom-Kippoer mochten ook zij aan de dienst deelnemen. Dit is de betekenis van de tekst Biesjiwa sjel ma la. Dat het woord ” awarjaniem “, overtreders, op de crypte joden, de maranos, zou slaan is zeer twijfelachtig.

Deze verklaringen worden voor de aanvang van het avondgebed van Jom- Kippoer afgelegd.

BIESJIEWA SJEL MA LA

” Met de machtiging van het hemelse gerechtshof en met de machtiging van de aardse gerechtshof .

Met medeweten van de Alomtegenwoordige en met medeweten van de gemeente verklaren wij het voor geoorloofd met overtreders van de Tora te dawenen.”

Deze uitspraak is evenals het Kol-Nidre geen gebed, maar een halachisch-juridisch formulier, gebaseerd op uitspraken van gezaghebbende joodse Torageleerden. Er is een grote literatuur over het voor en het tegen en ook over de formulering van de tekst van Kol-Nidre.

Ik zal er één aanhalen, en wel over de Richter Jiftach ( omstreeks 973 v.d.g.j. ) In hoofdstuk 11 van Richteren lezen wij hoe hij zich tegen over G D verbonden had: Indien Gij de Ammonieten in mijn macht geeft, dan zal hetgeen mij uit de deur van mijn huis tegemoet komt, wanneer ik behouden van de Ammonieten terugkeer, de EEUWIGE toebehoren, en ik zal het ten brandoffer brengen (vers 31).

Hij versloeg de Ammonieten en keerde behouden weer, maar toen hij naar zijn huis te Mitspa kwam zie, zijn dochter ging hem tegemoet met tamboerijnen en reidansen (vers 34). Zij was zijn enig kind. Hij riep uit: Ach, mijn dochter, gij buigt mij diep teneer en gij zijt het, die mij in het ongeluk stort: ik heb tegenover de EEUWIGE een woord gesproken en kan niet terug (vers 35).

Zijn dochter, volgen de traditie Sjeila genaamd, probeerde haar vader te overtuigen, dat hij haar volgens de joodse wet niet als brandoffer zou mogen brengen. Zonder gevolg probeerde zij uit de Tora te bewijzen, dat slechts dieren als brandoffer acceptabel waren.

Nutteloos waren haar pogingen haar vader ervan te overtuigen, dat ook de Aartsvader Ja akow eens aan G D beloofd had Hem een-tiende van al zijn bezittingen te offeren, terwijl geen van zijn twaalf zonen als brandoffer gewijd werd.

Volgens de Torawet was Jigtachs gelofte volstrekt ongeldig. Maar de geleerden uit die tijd waren deze bepaling vergeten en besloten, dat hij zijn gelofte moest houden. Slechts één man wist nog de halacha in een dergelijk geval, de Hogepriester Pinchas. Maar Jiftach achtte het beneden zijn waardigheid als aanvoerder van de stammen van Israël om zich tot deze figuur te wenden. Ook Pinchas vond het beneden zijn waarde zich tot Jiftach te wenden en hem de halacha mee te delen, daar hij als Hogepriester, zoon van een Hogepriester, zich te hoog achtte om zo n ongeletterde al Jiftach te benaderen. (Wajikra Rabba, ed. Wilna 1887 37:4, Midrasj Tanchoema Bechoekotai 5, B.T. Ta aniet 4a e.a).

Het oude gebruik Kol Nidre is echter gehandhaafd. De wonderschone melodie en de ernst van de dag hebben daar zeker toe bijgedragen. Een zeer groot gedeelte van de gemeente is aanwezig, ieder voelt de spanning van de heilige dag. De chazzan heeft zijn plaats voor de amoed, (de lessenaar), ingenomen en twee van de aanzienlijken der gemeente staan aan zijn zijde. Deze drie vormen een rechtscollege, die in het openbaar deze verklaringen drie keer afleggen. De chazzan begint met een zachte stem: hij is huiverig voor de verantwoordelijke taak om de tolk van de gemeente te zijn. De tweede keer voelt hij zich al iets zekerder en doet het luider en de derde keer durft hij zijn stem in een fortissimo te laten horen.

KOL NIDRE

ALLE ONTHOUDINGEN EN VERPLICHTINGEN DIE WIJ TEGENOVER ONSZELF ONDER EDE OF MET EEN UITDRUKKING VAN GELIJKE STREKKING OP ONS ZOUDEN NEMEN VANAF DEZE* JOM KIPPOER TOT -BIJ LEVEN EN WEL ZIJN – DE JOM KIPPOER VAN HET VOLGEND JAAR, DAARVAN VERKLAREN WIJ REEDS NU, DAT WIJ DAAR BEROUW VAN HEBBEN. ZIJ WORDEN ALLE NIETIG VERKLAARD, ONTBONDEN, GEANNULEERD EN VAN NUL EN GENER WAARDE, ZONDER RECHTSKRACHT

OF RECHTSGROND. DEZE PERSOONLIJKE GELOFTEN ZIJN GEEN GELOFTEN. ALLE ONSZELF OPGELEGDE ONTHOUDINGEN EN ALLE VERPLICHTINGEN DIE WIJ ONSZELF HEBBEN OPGELEGD ONDER EEN OF ANDERE EEDSFORMULE, ZIJN GEEN EED.

* Sommige lezingen luiden: op ons genomen hebben vanaf de vorige Jom Kippoer tot deze Jom Kippoer of op ons zouden nemen enz.

Jom Kippoer, het sluitstuk van de ontzagwekkende dagen, zoals de Nederlandse rabbijn De Vries het uitdrukt. In de Talmoed, traktaat Joma, heet het De Dag. De dag dat de hogepriester de dienst deed en door zijn dienst reiniging en verzoening bemiddelde voor het gehele Joodse volk. Deze dienst van de hogepriester nu wordt in z’n geheel genoemd in het moesafgebed, het toegevoegde gebed op Jom Kippoer. We brengen de hele dag in de synagoge door en we vasten. De dag begint bij het vallen van de avond ervoor en gedurende 25 uur eten en drinken we niet. Er wordt absoluut niet gewerkt en er wordt geen leren schoeisel gedragen.

En zoals het woord Jom Kippoer het uitdrukt, is het een geweldige feestdag. U denkt: “Een vastendag en toch een geweldige feestdag ??” Als je Jom Kippoer letterlijk zou vertalen, zegt het een dag te zijn zoals Poeriem. Poeriem is een van de meest uitbundige feestdagen in de Joodse traditie. De traditie wil dat men zelfs dronken mag worden. Op Jom Kippoer, na Rosj Hasjana en de tien dagen van Tesjoewa, is er verzoening en verinniging met G D. Die verzoening, die verinniging, maakt Jom Kippoer tot een enorme vreugdevolle dag. Maar Tesjoewa en verzoening is alleen mogelijk door je medemens.

In het ontroerende gebed ” Oenetane Tokef zeggen wij : De mens, zijn afkomst is stof en zijn einde is stof “. Tegenover de Almachtige word de mens daar als onbetekenend voorgesteld. Deze eenvoudige, maar aangrijpende vergelijking wil ons op het hard drukken dat wij als individuen met al onze morele gebreken een massa van scherven zijn, die alleen als gemeenschap verbonden een geheel vormt en alleen als zodanig naar volmaking kan streven. Dit is de boodschap van de hoge feestdagen,Rosj Hasjana en Jom Kipoer. Deze dagen zeggen ons, dat wij alleen niets zijn, maar dat we niet alleen zijn. Wij behoren tot een gemeenschap en een gemeenschap is in staat tot waardevolle prestaties. Het jodendom heeft weinig waardering voor het individu – ook al is deze nog zo volmaakt – wanneer het zich van de gemeenschap afzondert . Een ieder van ons bepaal mee het lot van de gemeenschap en is daarvoor verantwoordelijk. Het verheven doel van de Hoge Feestdagen is, dat het individu over de enge grenzen van zijn eigen ik heen stapt, dat hij de sleur overwint en de kracht vindt om zijn dagelijks leven te hervormen. Dit is de taal van de sjofar, die ons met zijn woordeloze klanken uit onze onverschilligheid als enkeling die zijn verantwoordelijkheid als lid van de gemeenschap niet beseft, wakker schudt.

In het hoofdgebed op de Hoge Feestdagen worden in het eerste gedeelte enkele stukken uitgesproken die de almacht van G D schetsen en waarin het tijdperk bescheven wordt, waarop alle mensen de heerschappij G D s zullen erkennen Op dit gedeelte met een duidelijk universeel karakter volgen stukken die op het joodse volk betrekking hebben, stukken die aan het eind weer met de woorden ” Gij zult regeren over al Uwe werken” sluiten.

De strekking van dit hoofdgebed is de idee, dat de weg tot de Messiaanse toekomst van de verzoening der volkeren, met de gedachten en het geloof aan de enige G D, via de loutering van ons volk gaat, via onze gemeenschap, die voor alles haar opdracht te vervullen heeft.

Het volk bestaat uit enkelingen en daarom is ieder van ons zowel voor zijn eigen geestelijk welzijn als voor dat van de anderen verantwoordelijk

Tot deze permanente inspanning roepen ons de Hoge Feestdagen op, tot dit streven willen ons de gebeden in het Oenetane Tokef van deze dagen aansporen. Weliswaar is de weg van de gebroken scherf tot de grote idealen in dit gebed een lange en een moeizame, maar wat zou het leven waard zijn zonder het streven naar volmaaktheid, zonder het zich onophoudelijk inspannen om zich te verbeteren, zonder de gedachte van Tesjoewa ?

De echte Tesjoewa is het juiste bewustzijn van de plaats van de enkeling te midden van de gemeenschap. Daarom ook luiden de woorden van de profeet Hosjea die we op de Sjabbat tussen Rosj Hasjana Jom Kipoer lezen : ” Sjoewa Jisraeël ” welk woord Jisraeël zowel het joodse individu als het joodse collectief aanspreekt en welk woord de onderlinge relatie van beiden tot uitdrukking brengt.

De leerlingen van R. Jehoeda Zwi van Stretyn vroegen hem of er een mystische kracht of een tovermiddel bestond om een mens te helpen liefde voor G D te voelen. ” Ja zei hij, ” het beste hulpmiddel om tot de liefde voor G D te komen is – de liefde tot de mens ”

R. Mendel merkte graag op :” Een mens moet verdraagzaam voor anderen zijn, zelfs als zijn opvattingen verschillen van die van een ander. Moet een mens soms kwaad op zijn buurman zijn, omdat hij een ander gezicht heeft dan hij? Net zoals gezichten van elkaar verschillen, verschillen ook opvattingen.

Elk mens is verschillend, man en vrouw zijn verschillend, volkeren zijn verschillend, maar het erkennen van elkaars verscheidenheid en gelijkwaardigheid en daar tussen een harmonie aan brengen, dat is de weg naar verzoening.

Van de zeer onmenselijke en verschrikkelijke gebeurtenissen, die een onuitwisbaar stempel gedrukt hebben op deze eeuw en de gehele geschiedenis van de mensheid, leeft de generatie die getuige was, nog steeds onder ons. Het was naar aanleiding van een persoonlijke ontmoeting die ik had met de heer Simon Wiesenthal, die sprak over de ervaring die hij had met de honderden processen die gevoerd waren tegen natie-beulen en specifiek over de verhouding tussen beul-beklaagde en slachtoffer-getuige. De enorme moed van het slachtoffer om te getuigen in zo’n proces, omdat het verwerken van hun ervaringen voor velen niet mogelijk bleek. Wat zij hebben gezien en meegemaakt, die impressies, die emoties, waren zo gigantisch, dat een mens niet is geschapen om die in zich op te nemen, laat staan te verwerken. De geestelijke schade is enorm en bij het zien van zijn beul, de beklaagde, voelt hij maar één behoefte. Niet direct een doodwens, wraakgevoelens, natuurlijk wil hij wel gerechtigheid, maar in essentie, wat hij primair wil zien, is menselijkheid. En het enige medicijn om zijn leven leefbaarder te maken, is menselijkheid. Dat de beul zegt: “Ja, ik was fout, ik was een compleet verkeerd mens, hoe heb ik dat in G d s-hemelsnaam kunnen doen en laten gebeuren. Vergeef me !” Op dat moment herkent het slachtoffer getuige: menselijkheid. En de beul-beklaagde voelt zich weer mens.

En van dit alles kunnen we alleen maar leren dat we met al onze energie, ook met onze negatieve energie, die we omzetten in het goede door tesjoewa te doen, proberen een beetje mens te zijn. Zoals we in het Jiddisch zeggen, en ik denk dat veel talen het zelfde wille uiten,

ZEI EIN MENSCH, ZEI MENSCH.