PARASHAT TOLEDOT JITSCHAK

De nakomelingen van Jitschak (Genesis 25:19 – 28:9)

De esoterische dimensie van de tienden (afgifte op inkomsten) en de esoterische dimensie van de zegeningen komen voort uit een en dezelfde bron. Dit geeft het vers “Mea Sheariem, honderd poorten” weer, dat Jitschak volbracht. Het nummer honderd is zeer belangrijk, zowel in wettelijk halachisch als in allegorisch opzicht: Menachot 43 verklaart dat iedereen verplicht is om dagelijks honderd berachot ,zegeningen uit te spreken. Dit aantal is gebaseerd op de zegeningen die verleend zijn door G’D aan Jitschak in deze parasha, toen hij honderd maal zoveel oogstte als was verwacht. ( Genesis. 26:12 )

Rekanati schrijft hier over als volgt: Kabbalisten beschrijven dat de “hogere” wereld bestaat uit honderd “poorten”. Elke “poort” is waarneembaar als een fontein van zegeningen. Jitschak janak, zoog, m.a.w. absorbeerde van elk van deze “poorten”. Het Tabernakel had honderd zilveren sokkels (Exodus. 38:27), zij symboliseerden deze honderd bronnen van zegeningen. Elke adén, sokkel, was een vergaarplaats voor hemelse zegeningen. Tot zover Rekanati.

Rabbi Horowitz vermeldt een boek, genaamd sha aré ora, waarvan hij de volgende passage weergeeft over de verwantschap van de sokkels in het Tabernakel tot de hemelse bronnen van zegeningen en de noodzaak om dagelijks honderd zegeningen uit te spreken, en de negatieve uitwerking door het niet te doen.

Dit is wat hij schrijft: “Deze honderd sokkels van de pilaren in het Tabernakel zijn symbolisch voor de honderd zegeningen welke gevuld zijn vanuit het grote beracha, reservoir [ongetwijfeld een dubbele bedoeling die verbonden is met de bron van beracha, zegening]. Deze beracha is genoemd Adonai, G’D [m.a.w. heeft de eigenschap van de naam Adonai en is de bron].

Vandaar dat een persoon dagelijks honderd zegeningen moet uitspreken met de bedoeling om zichzelf te betrekken bij deze honderd verschillende zegeningen.

Midrash Bereeshiet Rabba 1,10 becommentarieert waarom de Thora begint met de letter beth in plaats van de letter alef en noemt een aantal verschillende redenen. De Thora wenst aan te geven dat er twee verschillende werelden zijn, deze wereld en de Olam HaBa, de komende wereld. De letter beth symboliseert beracha, zegening. De letter alef zou ongepast zijn, omdat het de eerste letter is van het woord aroer, vervloekt. Was de Thora begonnen met alef, zouden velen hebben gedacht dat dit het bewijs zou zijn dat het hele gebeuren van de schepping was voorbestemd om te falen, m.a.w. te zijn vervloekt. Met dit als gegeven besloot G’D om het universum te creëren met de letter beth, hopende daarbij dat het universum zou blijven voort bestaan.

We zien dus dat beide, de schepping en de levens van de Patriarchen, tot uitdrukking brengen het concept van beracha, zegening.

Het is daarom passend dat de bron van, of beter gezegd, de sleutel van zegeningen, geplaatst zou moeten worden in de handen van de Patriarchen.

G’D zei dit voor het eerst aan Avraham in vers Genesis 12,2 toen Hij hem letterlijk commandeerde om een bron van zegeningen te worden. Avraham legateerde niet persoonlijk deze zegeningen aan zijn zoon Jitschak, maar wachtte totdat G’D dit zelf deed.

Jitschak erfde deze gift van zijn vader zoals we zien van het vers Genesis 25,11 waar G’D Avraham’s zegen doorgaf aan Jitschak na de dood van Abraham.

De tweestrijd tussen Esau en Ja’akov ging over wie van de twee de zegen zou erven welke G’D had gevestigd in Avraham en vervolgens in Jitschak.

Ja’akov werd de erfgenaam van het vermogen om te zegenen, en hij op zijn beurt legateerde het aan zijn kinderen.

SHABBAT SHALOM