HET HALACHISCH TREURPROCES

HET HALACHISCH TREURPROCES VOOR DE VERWOESTING VAN DE TWEE TEMPELS

De culminatie van Tisha Be’aw in de cyclus van de Joodse kalender biedt een diepzinnige inzicht in de totstandkoming, functie en formulering van Halacha.

Tisha Be’aw ( de 9de Aw ) herdenkt de verwoesting van de Eerste en de Tweede Tempel. In de totstandkoming van de te volgen regels die nodig waren om de harten en zielen van de overlevende Joden, veroordeelt tot verbanning, te engageren stonden de Rabbijnen voor een enorm dilemma ten aanzien van de toekomstige generaties.

Uiteraard treurden de eerste overlevenden met een oprecht sterk verlangen omdat zij de schroeiende impressies van het stervende as en het verlies van de brandende Tempel van nabij hadden ervaren.

Maar wat zou er gebeuren met hun nakomelingen, als de Tempel een ruïne zou blijven? Zouden de komende generaties waarlijk de centralisatie van de Tempel in het leven van Joden kunnen doorgronden? En zeer belangrijk, als Jeruzalem en haar Heilige Tempel waren vergeten, was er een kans om als natie te overleven?

De Joodse historie is het levende bewijs dat de geraamde methode van de Rabbijnen een succes is. Als we het levensgedrag van Joden analyseren gedurende de Drie Weken ( tussen de 17de Tammoez, de dag waarop de muren van Jeruzalem werden doorbroken, en de 9de Aw, toen de Eerste en de Tweede Tempel opgingen in vlammen ) leren we het geheim van het geniaal Rabbijns denken.

Wat we zien zijn fases in het treurproces. De 17de Tammoez doet zijn intrede door een lichte schok, vasten van even voor zonsopgang tot aan het vallen van de avond. Eveneens vanaf deze dag zijn alle festiviteiten van de komende drie weken sterk begrensd. Geen samenkomende festiviteiten of trouwpartijen; het haar laten knippen en ( volgens vele gewoonten ) scheren verboden. De eerste dag van de maand Aw markeert de tweede treurronde. Negen dagen, uitgezonderd Shabbat, wordt er geen vlees gegeten , noch wijn gedronken, kleding wordt niet gewassen en het zwemmen voor plezier is verboden.

Dan gedurende de actuele week in welke het vasten van Tisha Be’Aw valt ( volgens vele gewoonten ) is zich scheren en sociale bijeenkomsten verboden.

De meest intense uitdrukking van treurnis is gereserveerd voor de dag van de 9de Aw zelf, 24 uur niet eten en drinken gelijk aan Jom Kippoer. We dragen geen leren schoenen, geen seksuele omgang.

We brengen de eerste helft van de dag zittend op de grond door of op een laag stoeltje en stellen het aanleggen van Tefillien uit tot het middaggebed, omdat Tefillien wordt gezien als een sierraad, onverenigbaar met treuren. Door ons open testellen voor successievelijk fasen van psychische ontberingen ( de Drie Weken, de Negen Dagen, de week van de vastendag en de vastendag zelf ) hebben de Rabbijnen door de eeuwen heen ons getraind hoe we ons moeten gedragen van een minimale emotionele betrokkenheid naar een intens moment, de immense omvang van de verwoesting van de Tempel, van bewust beleven zelfs tweeduizend jaar later.

De treurprocedure van de Drie weken van Tammoez en Aw in vergelijking met een individueel rouwende over het verlies van een dierbare, ontdekken we, op een kleine uitzondering na, een verbazend parallel. Weeklagen over Jeruzalem voert ons vanuit een schappelijke naar een meer strengere uiting van treuren tot aan de laatste dag, de indrukwekkende dag, waar wij ons zittend op een laag stoeltje bevinden en waarlijk het verlies ervaren van Zion onder gezang van de regelmatig terugkerende melodie van klaagliederen.

Maar met plotseling overlijden, is de treurervaring omgekeerd.

De krachtige uiting van pijn is aan de eerste dagen voorbehouden, de intensiteit neemt daarna in gradaties af. De rouw over een dierbare begint door te zitten op een laag stoeltje en eindigt met het verbod van groepfestiviteiten.

De reden is zeer duidelijk. Het verliezen van een hecht familielid laat een gapende wond na, zo rauw en zo kwetsbaar dat aan de pijn onmiddellijk vorm moet worden gegeven. De verplichting voor gebed en tefillin zijn uitgesteld tot na de begrafenis. Voor de komende zeven dagen ( shiwa ) zit de rouwende op de grond of een laag stoeltje; hij verlaat het huis niet en scheert zich niet.

Na de zeven dagen keert hij terug tot simpele routine buitenshuis, en voor dertig dagen uit zich zijn verdriet door onthouding van scheren en haarknippen. Uiteindelijk, wanneer de maand voorbij is, kan hij zijn fysieke uiterlijk op orde brengen, maar een geheel jaar moet voorbij gaan voordat hij deel kan nemen aan openbare festiviteiten en feestelijk vieringen. De Joodse wet poogt erkentelijkheid te betuigen voor de traumatische schok van de treurende, geeft aan zijn gevoelens de juiste uitingen en vergemakkelijkt hem de weg terug tot de gemeenschap; dit kan niet worden bereikt in een week, of zelfs in een maand, zodat de terugkeer van de treurende in de gemeenschap gradueel is.

Maar treuren over de Tempel, wiens existentie afstandelijk is, van etherisch gehalte, verschilt radicaal met het verdriet van een wees of een weduwe; Halacha poogt ons bewust te maken van de betekenis van het verlies van de Tempel, dit kan alleen bereikt worden door een gradueel proces. Dus van lichtere naar meer moeilijker regels.

Door de twee treurprocessen naast elkaar te plaatsen, kunnen wij begrijpen hoe Halacha penetreert binnen het menselijke gedrag.

Napoleon passeerde eens een synagoge, zegt de legende, waar vanuit klaaggezangen te horen waren, hij wilde weten welke grote tragedie de Joden had overvallen. Zijn adjudanten informeerden hem dat de klaagliederen vanwege de verwoesting van de Tempel in Jeruzalem was, de keizer was zeer verrast dat het nieuws hem nimmer had bereikt. En toen hij bovendien ontdekte dat de gebeurtenis 1800 jaar eerder had plaatsgevonden, was hij uiterst verbaast.

Napoleon commentarieerde toen dat als een natie zo lang kan treuren over een gebouw dat zij nooit hebben gezien, de dag moet komen dat het Joodse Volk de herbouw zal zien—, en in de voetstappen van de Tempel- leerstelling: wereldvrede. Mag dit spoedig het geval zijn.

HEILIGHEID (2)

TWEEDE DEEL ARTIKEL OVER HET BEGRIP ‘HEILIG’ DOOR RABBIJN ADIN STEINSALTZ, HOOFD VAN HET ISRAËL INSTITUUT VOOR TALMOED PUBLIKATIES IN JERUZALEM.

(Literatuur en Verklarende Woordenlijst onderaan het artikel.)

De kringloop van de week is een soort samenvatting van de zeven dagen van de Schepping. Iedere dag van de week is niet alleen een gelegenheid om het bijzondere scheppingswerk van die dag aan te geven, maar ook een kader waarbinnen de bijzondere kwaliteit van het bestaan die met een van de Sefierot overeenkomt, zich manifesteert.

Want zoals blijkt zijn de zeven dagen van de week en het bijzondere, dat, zoals ons in Genesis verhaald wordt, op ieder van deze dagen is geschapen, emanaties in de tijd van de hogere Sefierot.

Daarom zijn er dagen van de week die bij bepaalde daden of gemoedstoestanden behoren en andere die bij andere vormen van ‘zijn’ passen. Dinsdag is bijvoorbeeld de manifestatie van de Sefiera van Tiferet (schoonheid of harmonie) en wordt beschouwd als een dag die geschikt is voor succes en geluk. Terwijl van Maandag, de dag van de Sefiera van Gewoera en van Woensdag gezegd wordt dat ze soms een pijnlijke strengheid hebben.

Ook de uren en de delen van de dag hebben hun ritmische patronen die overeenkomen met de subtiele invloeden van de Sefierot zoals die weerspiegeld worden door de schuine stralen van de zon. De ochtend-uren zijn de gunstigste; de middag staat sterk onder invloed van de Sefiera van Gewoera en die wordt nog sterker bij het naderen van de avond, terwijl in de tijd van middernacht tot het ochtendgloren de mooiere en lieflijke kwaliteiten van Tiferet zich manifesteren.

De Shabbat is niet zomaar een dag van de week, zelfs niet een speciale dag; het is een samenvatting van de week en geeft hieraan betekenis. De weekdagen worden gekenmerkt door de Scheppingsdaden, die altijd weer terugkeren door het afdalen van de goddelijke volheid naar de wereld. En in overeenstemming met dit afdalen is het de taak van de mens gedurende de week de wereld overal waar het verkeerd dreigt te gaan, in het juiste spoor te houden.

Dit betekent in materiële zin om de wereld door werken en daden aan de buitenkant te verbeteren, en in geestelijke zin om de wereld te vervolmaken door het doen van mitswot. Want op het gebied van de menselijke ziel vormt het werken aan zichzelf – het voortdurend rechtzetten van fouten en het aanzetten van zijn innerlijk wezen tot activiteit – een onafgebroken creatieve inspanning.

De Shabbat is de wezenlijke rustdag waarop al het werk en de creatieve inspanning worden onderbroken. En dit geldt zowel voor de geestelijke inspanning om aan zichzelf te werken als voor de lichamelijke inspanning om aan de wereld te werken. De week wordt door arbeid of activiteit gekenmerkt, terwijl de Shabbat op rust is gebaseerd, op het wegcijferen van zichzelf in de stroom van heiligheid. En deze zelfverloochening wordt uitgedrukt door het afwijzen van iedere activiteit, in de materiële betekenis het bezig zijn in de wereld, of in geestelijke zin het zich verdiepen in pogingen om de ziel te verbeteren. In feite komt de eigenlijke kracht om de geestelijke essentie van de Shabbat te ontvangen voort uit de bereidheid en het vermogen zich over te geven zijn menselijke en wereldlijke staat op te geven ter wille van de Hoogste Heiligheid, waardoor alle werelden tot een hoger niveau worden verheven.

De kringloop van weekdagen en Shabbatot is zonder einde. Aan de ene kant bereiden de weekdagen de Shabbat voor door de wereld te verbeteren en er volheid aan toe te voegen en het mogelijk te maken de zaken tot een afsluiting te brengen en hen tot een geschikt hoger niveau te verheffen. Aan de andere kant is de Shabbat de bron van volheid voor alle dagen van de week die op haar volgen. Het overgeven van zichzelf op Shabbat is niet eenvoudigweg een kwestie van niet-actief-zijn maar van het zichzelf openstellen voor de invloed van de hogere werelden, en daardoor de kracht te ontvangen voor alle dagen van de week die volgen.

Net als de heiligheid van een plaats, is de heiligheid van een dag, van een bepaalde tijdseenheid er innerlijk in aanwezig en kan niet op een andere dag worden overgedragen. Niettemin hangt de beleving van deze heiligheid die objectief is, af van iemands geestelijke bereidheid en openheid. Hoe intensiever en oprechter de voorbereidingen gedurende de week in de wereldlijke loop van iemands leven zijn, hoe heiliger de Shabbat is.Hoe hoger het geestelijk niveau van iemand in het algemeen is, hoe vuriger het gevoel wordt van het algemeen opstijgen – en dat geldt voor alle werelden – op deze dag.

Terwijl dus de kringloop van de weekdagen en de Shabbat zich eindeloos herhaalt, is hij nooit dezelfde. Er zijn subtiele verschillen in de stroom van de volheid, net zoals mensen zelf verschillen. En toch is iedere aparte week een archetype, een samenvatting van het oorspronkelijke patroon van Genesis.

De cycli van de maand en het jaar zijn enigszins verschillend, omdat zij gebonden zijn aan de gebeurtenissen in de natuur, zoals de bewegingen van de zon en de maan, of aan sociaal-nationale gebeurtenissen die een betekenis hebben gekregen die buiten het historische ligt. De joodse maand is bijvoorbeeld een maancyclus, die alleen maar betrekking heeft op de standen van de maan: de wassende maan vormt het begin van de maand en de afnemende maan het laatste deel. De meeste feestdagen vinden plaats bij volle maan of bijna volle maan. Tegelijkertijd neemt de eerste dag van de maand, als het nieuwe maan is, een speciale plaats in in de cyclus van het jaar. De jaarlijkse cyclus van de zon steunt echter vanwege zijn heiligheid op de feestdagen en heilige dagen, waarop een vermeldenswaardige gebeurtenis uit het historisch verleden en de goddelijk bepaalde toekomst ritueel verbonden zijn met het heden.

Op deze wijze zijn heilige dagen verbonden met belangrijke historische gebeurtenissen zoals de Uittocht uit Egypte op Pesach (Pasen), het ontvangen van de Thora op de berg Sinaď op Sjawoeot (Pinksteren) of de tocht van de kinderen Israëls door de woestijn op Soekkot (Loof-huttenfeest). Deze heilige dagen zijn niet eenvoudigweg bedoeld als gedenkdagen om de herinnering aan de gebeurtenis levend te houden, het zijn goddelijk vastgestelde tijden, gewijd aan een vernieuwing van dezelfde openbaring die eens op dié dag van het jaar heeft plaatsgehad, een herhaling en een herstel van dezelfde krachten. Hierdoor is de wijding van de heilige dagen niet alleen afgeleid van een oorspronkelijke goddelijke openbaring, maar ook van het voortdurend opnieuw heilig verklaren door Israëlvan deze openbaring, door de manier waarop het deze dagen heilig houdt.

Behalve de feestdagen die een of andere oorspronkelijke openbaring in de geschiedenis herhalen, zijn er ook heilige dagen die de tijd of het jaar zelf moeten heiligen. Nieuwjaarsdag is, bij wijze van spreken, de eerste dag van de mens in de geschapen wereld. Op dezelfde manier is jom Kippoer, Grote Verzoendag, de dag waarop de Hoogste Heiligheid wordt geopenbaard en de mens boven alle werelden uitstijgt. Dit wordt mogelijk gemaakt door de goddelijke vergeving en kwijtschelding van zonden, die de neerwaartse druk van krachten die uit overtredingen en schaamtevolle gedachten voortkomt overwint en een onmetelijke nieuwe zuiverheid van de relatie van de mens tot God teweegbrengt.

Omdat de heiligheid van een feestdag niet is afgeleid van de historische gebeurtenissen die hij gedenkt, maar uit de openbaring die erachter ligt, verdienen bepaalde historische gebeurtenissen het helemaal niet dat ze eeuwig als heilige dagen voortduren. Daarom kan een historische gebeurtenis alleen als gedenkdag worden herdacht met een treurige of een vreugdevolle inhoud, maar hoeft geen deel uit te maken van de orde van eeuwig geheiligde dagen. De gedenkdagen van bepaalde dieptragische gebeurtenissen zoals de verwoesting van de Tempel, worden generaties lang tot rouwdagen gerekend. Pas als de wereld een bepaalde mate van verlossing zal hebben bereikt, mogen deze dagen in vergetelheid raken. Tot dan toe worden bepaalde dagen van het jaar, zoals het eerste deel van de maand Av, beschouwd als treurdagen en minder gunstige dagen, waarop vaak rampen voorkomen of opnieuw geschieden, waardoor droevige herinneringen worden versterkt.

Behalve de feest- en vastendagen die aan het volk in zijn geheel toebehoren, markeren andere dagen belangrijke gebeurtenissen uit het leven van bijzondere persoonlijkheden die op alle mensen of op een deel ervan invloed hebben gehad, en er zijn dagen waarop gebeurtenissen uit de geschiedenis van bepaalde families of individuen worden herdacht. De sterfdagen van grote mannen (in het jodendom zijn alleen heiligen groot) worden bijvoorbeeld voor het merendeel niet als rouwdagen beschouwd, maar als vreugdevolle dagen ter herinnering aan de heiligheid van de man en zijn uiteindelijke geestelijke overwinning in de dood. Ook verjaardagen of andere dagen van persoonlijk belang worden dikwijls tot een deel van de individuele cyclus van het jaar gemaakt. Waar het om gaat is dat alleen die dagen waarlijk heilige dagen zijn, die hun wijding aan God ontlenen – dat wil zeggen dat op een bepaalde datum in de loop van de tijd de goddelijke overvloed geopenbaard wordt en zichzelf ieder jaar blijft openbaren.

Een derde aspect van heiligheid is dat van de menselijke ziel, de heiligheid van de mens. En zelfs deze heiligheid komt niet uit de mens zelf voort. Iemand kan groot en wijs zijn en de beste eigenschappen bezitten; hij kan zelfs een tsaddiek en een Chassied zijn; maar het wezen van heiligheid komt alleen tot hem voorzover hij met God, de bron van het heilige, is verbonden. Iemand kan op verschillende manieren met de bron van heiligheid verbonden zijn. Er bestaat een overgeërfde heiligheid, die aan de familie behoort, die door God gegeven is aan degenen die Hem op een bepaalde manier dienen.

Hieronder kan men de heiligheid van Israël als een geheel verstaan of dat van de zoons van Aaron, het erfelijke priesterschap. Dan is er de meer betekenisvolle heiligheid die voortkomt uit de verbinding van de mens met God, die bijvoorbeeld door de mitswot bereikt kan worden. Als de mens zich volledig houdt aan de heilige voorschriften voor zijn gedrag en zich geheel van slechte daden onthoudt, wordt hij gehuld in een voortdurende en onophoudelijke verbinding met God. Daarboven bestaat de meer intellectuele vereniging met de goddelijke heiligheid door de bestudering en kennis van de Thora. Als iemand met zijn hele ziel en zaligheid de Thora leert en zichzelf grondig vertrouwd maakt met de wetten en geboden, raakt hij nauw verbonden met de Thora, die een van de manifestaties is van de Hoogste Heiligheid. Nog hoger is het vermogen van de mens zich over te geven, zijn eigen wil te laten varen en Gods wil te zijn. Als een mens dat niveau van zelfverloochening bereikt, bereikt hij ook een niveau van heiligheid dat zich op verschillende manieren in overeenstemming met zijn geestelijke bekwaamheden openbaart.

Soms geeft een mens zich alleen binnen het gebied van de Thora en de mitswot aan de goddelijke heiligheid over. En als hij dan nog verder probeert te komen, kan hij een bepaalde identificatie bereiken met iets, dat hij slechts kent in termen van hogere wijsheid.

Als hij een eenheid met zo’n grote kracht zou bereiken, is hij in staat op goddelijke invloed te reageren en zal hij worden overspoeld door een openbaring van de Heilige Geest en zijn hele leven zou dienovereenkomstig veranderen. Dit niveau is inderdaad door de geschiedenis heen door vele grote mannen bereikt, doordat zij zich aan de mitswot en de Thora hielden, en door hun hele manier van leven. En boven dit niveau zijn er nog een paar uitverkorenen, die van tijd tot tijd in de menselijke geschiedenis het voorrecht hebben zó ontvankelijk te zijn voor de goddelijke volheid dat zij profetische kracht gekregen hebben. En zelfs bij profetische kracht kan men verschillende niveaus onderscheiden. Er zijn profeten die een voorbijgaand visioen hebben: zij voelen zich alsof een hogere macht hen dwingt en beelden en gedachten in hen voortbrengt. Op een hoger niveau spreekt de Sjechiena die hem ‘de woorden in de mond legt’. Dit gebeurt als de profeet zijn hele leven in een of andere verbinding tot de goddelijke wil staat en hij zelf als een instrument ter openbaring dient. Op het hoogste niveau van heiligheid staan die mensen die een staat bereikt hebben, waarin hun hele persoonlijkheid en al hun daden onverbrekelijk met de goddelijke heiligheid verbonden zijn. Van deze mensen wordt gezegd dat zij een wagen’ voor de Sjechiena geworden zijn en net als de Wagen zijn zij volledig overgegeven aan Hem die op de plaats van de bestuurder zit, de troon van glorie. Zelfs terwijl zij net als alle andere mensen van vlees en bloed zijn, maken zij deel uit van de troon van glorie zelf.

Het leven van een heilig mens wordt voor iedereen een voorbeeld en een model om na te volgen. Een heilig mens kan een grote koning of een vrome tsaddiek zijn, een wijze of een leider van zijn generatie. Maar hij kan ook een van de verborgen heiligen zijn, wiens heiligheid door de mensen onopgemerkt blijft. Maar op welke wijze de heiligheid zich vertoont en onverschillig hoe verbonden het kan zijn met iemandpersoonlijkheid, het blijft toch afhankelijk van zijn verbinding met de goddelijke volheid.De gewone mens die contact met een heilige heeft gekregen, wordt daardoor in een bepaald contact met ware heiligheid gebracht. In deze zin geldt dat hoe hoger het niveau van heiligheid van een vroom mens is, hoe meer hij is als een engel (en in zekere zin zelfs meer dan een engel), waar hij optreedt als een drager van heiligheid die de goddelijke volheid van de ene wereld naar de andere overbrengt. Door zijn zegeningen, zijn daden en gebeden schenkt hij deze volheid aan wie hij uitverkiest. De mens die innerlijk contact maakt met zo’n heilige door hem liefde en toewijding te tonen, steunt daarbij de stroom van goddelijke volheid in de wereld. Dit wordt in de joodse traditie sinds onheuglijke tijden bedoeld wanneer aan diegenen toewijding wordt betoond die superieur in heiligheid zijn of een uitstraling van heiligheid hebben. Dergelijke gezegende mensen bezitten de gave een soort band te scheppen die hen nader tot elkaar brengt, waarbij het niets uitmaakt, of de heilige persoon verbonden is met God doordat hij een groot geleerde van de Thora is of omdat hij alleen maar een vroom mens is. Het is een mitswa op zichzelf om de heilige te eren, in eerbied tegen hem op te zien en hem lief te hebben. Bovendien is het een middel tot direct contact met heiligheid. En net zoals een innerlijke verbinding met de heiligheid van plaats of tijd iemand wijding geeft en verheft, doet de heilige mens dit ook, hoewel de bijkomende factor van het bewust overdragen van gelukzaligheid dit contact stellig tot het meest ontroerende en belangrijkste van alle menselijke relaties maakt.

——

Verklarende Woordenlijst:

Biena - inzicht Chogma - wijsheid Da’at - kennis, weten De’a - kennis
Emanatie - uitvloeiing van de totale werkelijkheid uit een hoger principe
Gemieloet chassadiem – het doen van weldaden
Gnosticisme - verzamelnaam voor religieuze stromingen,voornamelijk in de 1e eeuw na Chr.
Halacha – (letterl. het gaan) de wet, de wetsregels in de joodse traditie.
Jom Kippoer - Grote Verzoendag
Kabbala – (letterl. traditie) mystieke stroming in het jodendom.
Kadosh-
heilig
Kiddoesh – de inwijding van de Sjabbat en de feestdagen.
Ma’arziev - avondgebed
Mincha - middaggebed
Mitswa – gebod, plicht, goede daad
Pesach – Paasfeest
Rosh Hashana - Nieuwjaarsfeest
Sefiera - wezen
Shachariet - ochtendgebed
Shawoe’ot - Pinksterfeest
Shechiena - aanwezigheid van God
Soekkot - Loofhuttenfeest
Talmoed - (letterl. Studie) verzameling commentaren en diskussies. Er bestaat een Palestijnse en een Babylonische Talmoed. Misjna en Gemara vormen samen de Talmoed.
Tefila - gebed
Tesjoewa – inkeer
Tora - de leer, onderwijzing, instructie. De eerste vijf boeken van de Hebreeuwse Bijbel.
Tsaddiek - rechtvaardige

Literatuur:

R.C. Musaph-Andriesse. Wat na de Tora kwam. Ten Have, Baarn I973.

G.G. Scholem. Kabbala. Keter, Jerusalem, I 974.

G.G. Scholem. Major Trends in Jewish MYstz’cz’sm. Schocken, New York, 1961.

G. G. Scholem (ed.). Zohar. Schocken, New York, I949.

A.Steinsaltz. The essential Talmud. Bantam Books, New York, I 976.

H. Weiner. The Kabbala Today. Collier Books, New York, 197I.

HEILIGHEID (1)

EEN TWEEDELIG ARTIKEL OVER HET BEGRIP ‘HEILIG’ DOOR RABBIJN ADIN STEINSALTZ, HOOFD VAN HET ISRAËL INSTITUUT VOOR TALMOED PUBLIKATIES IN JERUZALEM.

(Literatuur en Verklarende Woordenlijst onderaan het artikel en in Notities)

In de heilige taal is de grondbetekenis van het concept van ‘het heilige’ de scheiding: het sluit in dat iets apart staat en afgezonderd is. Het heilige is datgene wat buiten de grenzen ligt, onaanraakbaar en volkomen buiten bereik; het kan niet begrepen of zelfs omschreven worden, omdat het zo geheel anders is dan al het andere. Heilig-zijn betekent: wezenlijk anders zijn.

Er is veel in de wereld dat groot, goed, edel of mooi kan zijn zonder dat het noodzakelijkerwijs iets van de essentie van het heilige in zich heeft, want het heilige kan niet worden gekwalificeerd. Het kan in feite op geen enkele andere manier worden omschreven dan door de allerhoogste aanduiding – ‘heilig’. De aanduiding zelf is het verwerpen van alle andere namen en titels.

Hieruit volgt dat de enige die heilig genoemd kan worden God is; en de Heilige, Gezegend Hij, de Allerhoogste en Heilige, is anders dan al het andere, omdat Hij onmeetbaar ver is, verheven en transcendent. Niettemin spreken we van de uitstrooiing van heiligheid over de wereld, over alle werelden, in overeenstemming met hun niveaus en zelfs over onze wereld met alle delen waaruit hij bestaat – tijd, plaats en ziel. En in feite zijn wij zelfs in staat onze ontvankelijkheid voor heiligheid te vergroten door onszelf open te stellen voor zijn invloed.

De heiligheid van plaats wordt gemanifesteerd als een reeks concentrische cirkels, waarvan het centrum het Heilige der Heilige is dat in Jeruzalem staat. De Heilige Tempel is op zichzelf slechts een soort ‘geestelijk werktuig’, nauwkeurig gebouwd overeenkomstig de aanwijzingen van de Thora en de

woorden van de profeten met het doel om heiligheid te helpen verankeren in de stoffelijke wereld – dat wil zeggen om als brandpunt te dienen in het contact tussen de onbereikbare Allerhoogste Heiligheid en de plaatselijke werkelijkheid. Het totale ontwerp van de Tempel, met alle details van de buitenhoven tot de rituele objecten en vaten, is een soort projectie van de hogere wereld op de onze. Ieder deel van de Tempel kan, vanuit een bepaald gezichtspunt bezien, als homogeen worden beschouwd met een heel systeem van werelden buiten ons. Of, om het anders te zeggen, de Tempel is in al zijn details een symbolisch model van de Wagen. En het Heilige der Heilige is de plaats van de openbaring van de goddelijke glorie, het aanrakingspunt of kruispunt tussen de verschillende werelden en tussen het ene bestaansniveau en het andere.

Het Heilige der Heiligen is derhalve een punt dat tegelijkertijd in onze wereld én in andere werelden gesitueerd is. Als zodanig is het een plaats die onderworpen is aan de wetten van alle werelden en daarom buiten de gewone wetten van tijd en plaats staat. Daarom was het Heilige der Heiligen voor iedereen verboden met uitzondering van de korte tijd dat de hogepriester van Israël er eens per jaar, op Grote Verzoendag, binnen mocht gaan.

Zoals men kan vermoeden, wordt de heiligheid van deze plaats alleen manifest wanneer alles is zoals het moet zijn, wanneer de Tempel op de daartoe bestemde plaats staat en wanneer alles in de Tempel zo volmaakt geordend en gerangschikt is dat hij vervuld is van de SHechiena. Omdat echter de plaats die (door profetische openbaring) gekozen is de enige plaats in de ruimte is waar een dergelijke goddelijke verbinding ten alle tijde gelegd kan worden, blijft de heiligheid van de plek bestaan zelfs wanneer de Tempel er niet langer staat. Zodat zelfs terwijl deze heiligheid nu niet manifest is, de mogelijkheid van zijn manifestatie eeuwig aanwezig is. Van de plaats van de Tempel strekken de cirkels van heiligheid zich steeds verder in de ruimte uit, waarbij zij zwakker worden wanneer zij terugwijken van het Heilige der Heiligen naar de Binnenhof van de Tempel en van de Binnenhof naar de Heilige Stad Jeruzalem, van de Heilige Stad Jeruzalem naar het hele Heilige Land en dan natuurlijk daarbuiten.

Ieder van deze begrensde ruimten houdt een grote reeks verplichtingen en voorrechten in. Hoe heiliger de plaats is, hoe strikter de algemene verplichting zich hiertoe op een bepaalde manier te verhouden -daarbij komen nog de meer specifieke verplichtingen die zijn opgelegd aan degenen die in een geheiligd gebied leven of, zoals de priesters, er werken.

Alhoewel de mogelijkheid tot heiligheid altijd aanwezig is, is het zo dat de heiligheid van het land van Israël niet op juiste wijze gemanifesteerd kan worden tenzij alle samenstellende delen van de cirkels van heiligheid die uitstralen van het centrum in Jeruzalem op hun juiste plaats zijn. Dus als de Tempel niet op de juiste plaats staat, worden alle aspecten van heiligheid die eruit voortkomen vaag en onzeker, waarbij sommige in een toestand van latente heiligheid verzinken en slechts een mogelijkheid en een beginpunt aanduiden. De heiligheid van het Heilige Land heeft niets te maken met wie de bewoners zijn of wat zij doen; het is een keuze van bovenaf, die het menselijk begrip te boven gaat.

De heiligheid van een plaats is objectief, het is iets dat op zichzelf staat. Maar om zich bewust te zijn van deze heiligheid, moet men zich verwaardigen een bepaalde beleving te ondergaan. Want heiligheid wordt zelden uiterlijk zichtbaar in de materiële wereld. De plaatsen waar het wordt herkend, worden dikwijls gebruikt om met de meest grote inspanningen de Hoogste Bron van volheid aan te roepen. De openbaring van heiligheid heeft evenmin op een bepaalde plaats altijd een volledig positief effect, want om op de goede manier ontvankelijk te zijn voor heiligheid, moet men een hoge graad van zuiverheid hebben bereikt. Als bewustzijn en zuiverheid ontbreken, kan het gevoel van heiligheid worden verduisterd of zelfs nauwelijks worden begrepen en als gevolg daarvan kan het effect precies het tegenovergestelde zijn van een wijding. De krachtige stimulerende roep die uitgaat van een heilige plaats wordt dikwijls in evenwicht gehouden door gevoelens die juist heiligheid ontkennen en er tegen in opstand komen. Want overal waar heiligheid is zijn er ook parasiterende krachten die onweerstaanbaar tot heiligheid worden aangetrokken en proberen ervan te leven en tegelijkertijd proberen het te vernietigen. Alleen wanneer het hele apparaat van openbaring vaststaat en volmaakt is geordend, kan een heilige plaats zich aan iedereen zonder onderscheid openbaren, zonder rekening te houden met de subjectieve geestestoestand van een mens of van de aanwezigheid van parasiterende, vernietigende krachten.

De heiligheid van een plaats zou dus inhouden dat er op een bepaald punt in de natuurkundige ruimte een of andere openbaring van de Hoogste Heiligheid is geweest, dat verkozen was om drager te zijn van de goddelijke volheid. Er zijn ook andere gewijde plaatsen, plaatsen die niet in deze volledige betekenis van het woord heiligheid bereikt hebben, maar niettemin onder de invloed zijn gekomen van een of andere heilige gebeurtenis of persoonlijkheid. De graven van heiligen en wijzen bijvoorbeeld, of de plaatsen waar zij gedenkwaardige daden hebben verricht, kunnen grote geestelijke waarde krijgen. Maar dergelijke plaatsen zijn niet van dezelfde orde en mogen niet verward worden met de ware verbinding tussen God en de plaats die geopenbaard is in de stralende heiligheid van de Heilige Tempels.

Heiligheid wordt ook in de tijd gemanifesteerd en er zijn gewijde dagen in de week, in de maand en in het jaar. Het begrip tijd is in het joodse denkmodel niet een lineaire stroom. Tijd is een proces waarin verleden, heden en toekomst met elkaar verbonden zijn, niet alleen door oorzaak en gevolg, maar ook als een harmonisatie van twee bewegingen: vooruitgang en een tegenbeweging naar achteren, elkaar omcirkelend en terugkerend. Het lijkt meer op een spiraal die uit de Schepping opstijgt. Er is altijd een bepaalde terugkeer naar het verleden; het verleden is nooit een toestand die voorbij is gegaan en niet meer bestaat, maar meer een toestand die voortdurend terugkeert en op een of ander belangrijk punt, waarvan de betekenis steeds verandert door de wisselende omstandigheden, opnieuw begint. Er vindt dus een voortdurende terugkeer naar grondpatronen van het verleden plaats, hoewel het nooit mogelijk is van ieder moment een nauwkeurige tegenpool te hebben.

De reikwijdte van deze terugkeer naar het verleden is verschillend; er is een cirkelende, elkaar kruisende en in elkaar grijpendebeweging. De oercyclus is die van dag en nacht; daarna komen de week, de maand, het jaar, de cyclus van de halve eeuw van het jubeljaar en de grote cycli van duizend jaar en zevenduizend jaar.

WOENSDAG 5 JUNI TWEEDE GEDEELTE.

—-

Verklarende Woordenlijst

Biena - inzicht
Chogma - wijsheid
Da’at - kennis, weten
De’a - kennis
Emanatie - uitvloeiing van de totale werkelijkheid uit een hoger principe
Gemieloet chassadiem – het doen van weldaden
Gnosticisme
- verzamelnaam voor religieuze stromingen,voornamelijk in de 1e eeuw na Chr.
Halacha – (letterl. het gaan) de wet, de wetsregels in de joodse traditie.
Jom Kippoer - Grote Verzoendag
Kabbala – (letterl. traditie) mystieke stroming in het jodendom.
Kadosh- heilig
Kiddoesh – de inwijding van de Sjabbat en de feestdagen.
Ma’arziev
- avondgebed
Mincha - middaggebed
Mitswa – gebod, plicht, goede daad
Pesach – Paasfeest
Rosh Hashana - Nieuwjaarsfeest
Sefiera - wezen
Shachariet - ochtendgebed
Shawoe’ot - Pinksterfeest
Shechiena - aanwezigheid van God
Soekkot - Loofhuttenfeest
Talmoed - (letterl. Studie) verzameling commentaren en diskussies. Er bestaat een Palestijnse en een Babylonische Talmoed. Misjna en Gemara vormen samen de Talmoed.
Tefila - gebed
Tesjoewa – inkeer
Tora - de leer, onderwijzing, instructie. De eerste vijf boeken van de Hebreeuwse Bijbel.
Tsaddiek - rechtvaardige

Literatuur

R.C. Musaph-Andriesse. Wat na de Tora kwam. Ten Have, Baarn I973.

G.G. Scholem. Kabbala. Keter, Jerusalem, I 974.

G.G. Scholem. Major Trends in Jewish MYstz’cz’sm. Schocken, New York, 1961.

G. G. Scholem (ed.). Zohar. Schocken, New York, I949.

A.Steinsaltz. The essential Talmud. Bantam Books, New York, I 976.

H. Weiner. The Kabbala Today. Collier Books, New York, 197I.

DE KIDDOESH PLECHTIGHEID

De vrijdagavond is niet alleen het begin van de rustdag, maar heeft ook zijn eigen bijzondere betekenis. Ieder uur van de eraan voorafgaande middag geeft een ander niveau aan van een emotioneel sterk geladen overgang van de zes werkdagen van de week naar de Sjabbat. De avond die voorafgaat aan de heilige dag is daardoor op zichzelf zowel een hoogtepunt als een uiteindelijk overgangsstadium naar de volle betekenis van de dag, als een afsluiting van de week en als een overgang naar een hoger bestaansniveau dat uitstijgt boven de zes dagen van aktie, boven de tijd.

Dit hogere niveau van de Sjabbat is verbonden met de goddelijke verschijning in de Sefiera van Malchoet (koninkrijk) [zie studie Kabbala en Chassidisme op deze website], dat de Sjechiena (aanwezigheid van God) vertegenwoordigt en evenals de totaliteit, het ontvangststation dat alles opneemt wat gebeurt en ook verbonden is met de eerste Sefiera,de kroon. Daardoor kan de kwaliteit van de vrijdagavond, die de opsomming is van het werk en de gebeurtenissen in de tijd, ook een voorbereiding zijn voor de verschijning van de Sjabbat als de kroon en het begin van de tijd. De Sefiera van Malchoetof de Siechiena vertegenwoordigt de goddelijke macht zoals die in werke-lijkheid wordt geopenbaard en in een oneindige verscheidenheid van wegen en middelen werkzaam is. Hij heeft zeventig namen, die ieder een ander aspekt uitdrukken, een ander gezicht van deze alles omvattende Sefiera. Want Malchoet is de zevende van de lagere Sefierot enomvat, als de laatste, in zichzelf alle tien Sefierot. Met andere woorden: het drukt alle Sefierotuit, ieder in zeven verschillende vormen.

Daardoor is zeventig het sleutelgetal voor het ontvouwen van het ritueel van de avond die gewijd is aan Malchoeten aan de Sjechiena dieMalchoet vertegenwoordigt.

Alle verschijningen van de Sjechiena hebben gemeen dat zij een bepaald aspekt van het vrouwelijke vertegenwoordigen. Als gevolg daarvan zijn de symbolen en de inhoud van vrijdagavond altijd op het vrouwelijke gericht, met de nadruk op de vrouw zowel in haar universele betekenis als met betrekking tot het joodse gezin.

Als men op vrijdagavond een huis binnengaat, kan men zien hoe het woonhuis in een heiligdom is veranderd. De tafel met de challebroden en de brandende kaarsen roept de Tempel in herinnering, met de Menora en de toonbroden. De tafel herinnert ons aan het altaar in de Tempel, want het eten kan en moet een offerdaad worden. Anders gezegd: de relatie tussen de mens en het voedsel dat hij eet, wat tot uitdrukking komt in de bedoeling die achter het eten van voedsel ligt, komt overeen met de kosmische verbinding tussen het stoffelijke en het geestelijke zoals dat bij ieder offer op het altaar tot uitdrukking komt. Dit geldt in het bijzonder voor de Sjabbat wanneer het Sjabbatfeest het karakter krijgt van een heilige daad, een gemeenschappelijk samen-zijn, bij het doen van de mitswavan de eenheid van de ziel, het lichaam, het voedsel en de essentie van het heilige. Daarom staat tijdens de maaltijd altijd een zoutvaatje op tafel precies zoals zout op het heilige altaar moest staan als een teken van het verbond van zout. De kaarsen die door de vrouw des huizes worden aangestoken, benadruk-ken het licht van de Sjabbat, de heiliging van de dag en de speciale taak van de vrouw als vertegenwoordigster van de Sjechiena van Malchoet.Er zijn twee speciaal gevlochte witte broden, de challes (in sommige gezinnen worden twaalf challot gebruikt), die met een kleedje bedekt worden. Dit herinnert ook aan het manna, het brood dat uit de hemel kwam, dat op Sjabbat in een dubbele portie naar beneden viel, bedekt met een laagje dauw.

Als onderdeel van de voorbereidingen voor de Kiddoesh ceremonie (heiliging), zingen of zeggen de leden van het gezin een stuk uit Spreuken waarin de ‘esjet chajil’ bezongen wordt, ‘Een geweldige vrouw, wie zal haar vinden?’ (31, 10-31). Het lied waaruit waardering voor de vrouw, de moeder, de vrouw des huizes spreekt, heeft op deze vrijdagavond een dubbele betekenis, als lofzang op de vrouw des huizes en als verheerlijking van de Sjech’ena van Malchoet,die in zekere zin de moeder, de huishoudster van de wereld is. Hierna wordt Psalm 23 gezegd, waarin het vertrouwen in God wordt uitgedrukt. Daarna is men gereed voor de eigenlijke Kiddoesh plechtigheid.

Volgens de Halacha is de Kiddoesh de uitvoering van het vierde van de Tien Geboden: ‘Gedenk de Sjabbatdag door hem wijding te geven’. Aan het begin van de Sjabbatdag moet er een of andere daad van scheiding, van wijding plaats vinden om daarmee het verschil tussen de werkdagen en de heilige dag te benadrukken en om de ziel de gelegenheid te geven in een staat van innerlijke rust en geestelijke ontvankelijkheid over te gaan. Daarbij komt dat de woorden van de wijding ook bij het avondgebed en andere gelegenheden gezegd worden. Maar in het jodendom bestaat een algemeen principe dat abstrakte gebeurtenissen, processes en alles wat daartoe behoort zoveel mogelijk verbonden moeten worden met specifieke en duidelijk omschreven daden. Zo is de wijding van de Kiddoesh verbonden met het drinken van wijn, dat op zijn beurt weer een deel van een plechtigheid vormt die verbonden wordt met de Sjabbat wijnoffers van de Tempel.

————

De Kiddoeshbeker symboliseert het vat waaruit en waarin de zegenspreuk komt. De numerieke waarde van de letters in het woord voor beker (kos)is gelijk aan die van de letters in de naam van G`d die de G`ddelijke openbaring in de wereld, in de natuur en in de wet uitdrukt. In de beker wordt de overvloed uitgeschonken, de wijn die de macht van de zegening van het woord ‘wijn’ vertegenwoordigt. De getalswaarde ervan is zeventig en dat is ook de getalswaarde van de vrijdagavond. Wijn roept de overvloed op, de grote volkomenheid en macht. Rode wijn brengt in het bijzonder een bepaald aspekt van de Sefiera van Gewoeratot uitdrukking, dat ook een aspekt van strengheid en rechtvaardigheid heeft. Nadat men het grootste deel van de wijn in een beker heeft geschonken, wordt er wat water aan toegevoegd, symbool van dankbaarheid en liefde, om zo de juiste vermenging of harmonie te krijgen tussen Chessed en Gewoera. Nadat de beker, die nu het vat van wijding is dat de G`ddelijke overvloed bevat, gevuld is, neemt men de beker op een zodanige manier in de rechterhand dat de gekromde vingers die hem omsluiten lijken op en doen denken aan een roos met vijf bloembladeren. Want een van de symbolen van Malchoetis de roos. De wijnbeker, die de Sjechienauitdrukt, staat in het midden van de handpalm en wordt vastgehouden door de bloembladeren van de roos. Nu is de tijd aangebroken voor het reciteren van het eigenlijke Kiddoeshgebed.

De Kiddoesh bestaat uit twee delen. Het begint met dat deel uit de Thora (Genesis 2, 1-3), waarin de Sjabbat voor het eerst wordt genoemd. Daarna volgt een gebed dat door de wijzen speciaal is samengesteld voor Kiddoesh en waarin de verschillende betekenissen van de Sjabbat poetisch en nauwkeurig worden opgesomd. Tussen de twee delen in staat de zegen over de wijn of druivensap. In beide delen staan precies 35 woorden, in totaal 70, het getal voor de vrijdagavond. Voordat de eerste woorden uit de Thora gedeclameerd worden, worden er twee woorden toegevoegd – de laatste woorden van het voorgaande vers: ‘de zesde dag’ – omdat zij passen bij het reciteren van ‘Zo werden de hemel en de aarde voltooid . . . ‘ en omdat de eerste letters van deze woorden de afkorting vormen van de Heilige Naam. In dit eerste deel wordt de Sjabbat behandeld als de dag waarop de Schepping voltooid was en waarop G`d rustte. Het tweede deel dat door de wijzen uitgekozen is geeft uitdrukking aan een ander aspekt van de Sjabbat, de imitatie van G`d door Israel.

Voor het zegenen van de wijn wordt de aanwezigen met twee aramese woorden gevraagd klaar te zijn voor de zegening. De volgende woorden van de Kiddoeshdrukken de primaire elementen van de Sjabbat uit en de bijzondere relatie tussen de Sjabbat en het volk. Eerst komt de verklaring ‘Gezegend zijt Gij … door wiens gebeden wij geheiligd zijn’. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat de mitswaeen manier is om een niveau van heiligheid te bereiken, een weg tot G`d. Daarna vertelt het gebed over de uitverkorenheid van Israel en dit heeft tot gevolg dat Israel meer dan alle andere volkeren de taak op zich moet nemen de daad van de Schepping en de daaropvolgende rust en heiligheid voort te zetten. Daarna wordt de uittocht uit Egypte genoemd volgens de versie van de Tien Geboden in Deuteronomium (5, I 5). Daar herinnert de Sjabbat, als rustdag, aan de tijd van de slavernij in Egypte en wordt op een lijn gesteld met de G`ddelijke daad van bevrijding uit de slavernij en het verkrijgen van de verlossing. Daarom is de Sjabbat ook de wekelijkse dag van de vrijheid, waarbij de vrijlating en de uittocht uit Egypte wordt gevierd, evenals de opvatting van de verlossing die, als het einde der tijden, de Sjabbat van de wereld is.

Uit deze nadruk op de G`ddelijke keus en liefde en omdat het noodzakelijk is te begrijpen dat de mens tegenover G`d verplicht is door te gaan met scheppen en in staat moet zijn om uit te stijgen boven de schepping tot aan de Sjabbatrust, sluit het Kiddoeshgebed af met de relatie van het joodse volk tot de Sjabbat. Zo wordt de cirkel van de relatie tussen God en de mens gesloten. Daarna drinkt degene die het Kiddoesh gebed gezegd heeft zelf uit de beker, waarbij hij deelneemt aan de vereniging van het stoffelijke met het geestelijke, dat de essentie van ieder ritueel is. Dan nemen alle tafelgenoten een slokje uit dezelfde beker. Op deze wijze neemt iedereen deel aan de betekenisvolle daad van het beginnen van de Sjabbat, die vertegenwoordigd wordt door het bloeien van de roos. Dat is de beker van de verlossing van het individu, van het volk en van de gehele wereld.

Volgende plaatsing : KASJROET

SHABBAT 4: HET MAKEN VAN SHABBAT

HET MAKEN VAN SHABBAT

Refererend aan het eerder genoemde vers, “En de Kinderen van Israel zullen Shabbat houden (v`shamroe), door de Shabbat te maken (la`asot),…enz.”, verklaren onze wijzen dat v`shamroe verwijst naar al de voorschriften die betrekking hebben op het staken van werk en op alles wat wij niet mogen doen op Shabbat: daarin tegen verwijst la`asot naar alle dingen die wij hebben te doen om Shabbat te maken, door het te eren, behagen in te scheppen en het te voorzien van heiligheid door gebed en studie. (Talmoed Shabbat 218a/b; Rambam, Hilchot Shabbat 30)

Joden maken de Shabbat en Shabbat maakt het Joodse Volk.

Dit wordt bedoeld bij het refereren aan de Shabbat en het Joodse Volk als echte levensgezellen, zoals eerder aangehaald. En inderdaad, meer dan het Joodse Volk hield de Shabbat, want de Shabbat verenigd het Joodse volk in de gehele wereld meer dan enig iets anders.

Het Joodse Volk was altijd een minderheid onder de volkeren van deze wereld en meestal omgeven door vijandigheid. Maar door het houden van de Shabbat, participeerde het Joodse Volk in de oneindige sterkte van de Schepper: zoals de Shabbat zelf is “Gezegend” en “Heilig” is het Joodse Volk door het houden van de Shabbat gezegend en heilig en blijft onder de directe bescherming van G`D zelf.

Daar de Shabbat en het Joodse Volk waren bestemd vanaf de Schepping als onafscheidelijke ” levenspartners ” en uniek Joods bleef, is haar universele boodschap voor de gehele mensheid en zeker in deze dagen, meer relevant dan ooit. Het proclameert, als boven genoemd, de soevereiniteit van de Schepper, Zijn constant waken (Hashachah) en de rechtsgeldigheid van de Thora, de drie meest fundamentele waarheden die het Joodse Volk constant bevestigt door het heilig houden van de Shabbat, zoals Nachmanides benadrukt.

De Thora incorporeert ook de zogenoemde Noachidische geboden— de zeven fundamentele morele en ethische basis voorschriften, met al hun onderverdelingen, die G`D bindend heeft opgelegd aan de nakomelingen van Noach (m.a.w. aan de gehele mensheid) [zie Willem Zuidema, En G`D sprak tot Noach en zijn zonen, Ten Have/ Baarn].

Deze G`Ddelijke opgelegde morele voorschriften moet de fundatie vormen van elke menselijke samenleving, wil het een ware menselijke samenleving zijn. Geen door mensen gemaakte wetgeving echter kan deze G`Ddelijk opgelegde morele voorschriften steunen of vervangen, omdat de door mensen gemaakte wetgeving van nature onderhevig is aan allerlei belangen, machten en intressen, zoals de mensheid treurig genoeg door de eeuwen heen heeft getuigd.

Daarvoor is de Shabbat een herinnering aan de gehele mensheid dat het voortdurend moet streven richting de ” Shabbat van alle dagen “–een wereld waar alle naties van de wereld willen erkennen de soevereiniteit van de Schepper en Zijn heerschappij over deze wereld, in welke geen conflict is, noch geweld, noch onrecht, want de geest van de Shabbat vrede zal de gehele wereld doordringen.

Het is de belofte van de Thora dat de eventuele “Shabbat van alle dagen” zeker een realiteit zal worden.

Volgende Plaatsing: De Kiddoesj Plechtigheid

SHABBAT (3): HERINNERING AAN DE UITTOCHT VAN EGYPTE

HERINNERING AAN DE UITTOCHT VAN EGYPTE.

In de Kiddoesh (de inwijding door wijn van de Shabbat en de Feestdagen) gereciteerd op vrijdagavond, danken wij G`D voor het geven van de Shabbat “als een herdenking aan het creëren van de schepping” en ook “als een herinnering aan de uittocht van Egypte.”
Deze twee primaire basis begrippen zijn afgeleid van het vierde gebod in Tien Geboden, welke handelt over Shabbat. In het eerste Decaloog wordt verklaard: “Gedenk de Shabbat dag…………..Want in zes dagen heeft de Eeuwige de Hemel en De Aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is en Hij ruste op de zevende dag; daarom heeft de Eeuwige de Shabbat tot een zegen gemaakt en hem wijding gegeven.” (Exodus 20:8-11) De tekst in de tweede Decaloog zegt: “Houd je strikt aan de Shabbat door hem wijding te geven……………Gedenk dat je een slaaf bent geweest in het land Egypte en dat de Eeuwige, je G`D, je van daar heb weggevoerd met sterke hand en met uitgestrekte arm; daarom gebiedt de Eeuwige, je G`D, je de Shabbat dag te vieren.” (Deuteronomium 5:12-15)
Commentariërend op de verschillende aspecten van Shabbat zoals weergegeven in de Tien Geboden van Exodus en Deuteronomium verklaard respectievelijk, de Ramban (Nachmanides) dat zij geen contradictie zijn, in tegendeel zij zijn ondersteunend en aanvullend. Want als de dag van rust getuigenis is aan de Schepping, breng dat eveneens ook tot gedachte dat het Joodse Volk slaven waren in Egypte waar geen rust plaats vond op die dag; zij hadden te werken op alle zeven dagen van de week. Vandaar dat de Thora benadrukt, “…….noch je slaaf of je slavin, noch je vee, noch degene die een vreemdeling bij je is binnen je poorten.” (Exodus 20:10)
In een diepere zin vervolgt de Ramban, De uittocht van Egypte versterkt en bevestigt ons vertrouwen en zonder twijfel dat G`D de schepper is van dit Universum. Tot aan de uittocht van Egypte kwam het geloof in Èèn G`D tot het Joodse Volk van Abraham, Izaak en Jakob, de voorvaders van de Joodse Natie, voorkomend uit het unieke verbond dat was gevestigd tussen G`D en de Patriarchen en hun nakomelingen. Echter gedurende de eeuwen van slavernij kwam traditie en vertrouwen hevig onder druk. Velen, of misschien wel de meesten van de Joodse slaven moesten getwijfeld hebben aan het zijn van een Opperwezen, Schepper en Meester van de Wereld, of dat zo een Wezen de wereld aan zijn lot had overlaten, of aan de machtige farao`s.
De Uittocht van Egypte, met al zijn wonderen en mirakels, toont zonder enige twijfels dat G`D de ware Schepper is en Meester over deze wereld, aangezien Hij in staat en de wil had om de natuurorde te suspenderen en te veranderen. Vervolgens demonstreert de uittocht van Egypte ook, dat de Goddelijke Hashgacha (voorzienigheid) uitreikt naar elk onderdeel en detail van de gecreëerde orde , zowel naar mensen als naar de lagere orden van dieren en planten en zelfs naar de onbezielde natuur.
Een derde essentieel onderdeel van de Uittocht was de ervaring van openbaring via profetie. Het vestigde het feit dat de Schepper niet alleen aan Mozes de gave van Profetie verleende, maar maakte hem de grootste van alle profeten (achtenveertig mannen en zeven vrouwen volgen onze geleerden Magilla 14a)Het was bij de miraculeuze doortocht van de Jam Soef (de Rode Zee) dat de bevrijde Israëlieten compleet vertrouwen bereikte “En vertrouwde op de Eeuwige en op Zijn dienaar Mozes” (Exodus 14:31 )—betekenend, “in de profetie van Mozes Zijn dienaar@ (Onkolos 14:31 ) Dit absolute vertrouwen in de waarheid van Mozes`s profetie is niet minder fundamenteel in de Joodse Godsdienst dan de twee fundamentele principes zoals boven genoemd, namelijk, de existentie van een Supreme Wezen als Schepper van dit universum en Goddelijke voorzienigheid uitreikend naar het kleinste detail van de natuurlijke orde (Micro en Macro). Want, ofschoon de hele natie getuigen was van de Goddelijke openbaring op de Berg Sinaï en hoorde de Decaloog, was het Mozes die de gehele Thora met al zijn 613 Mitswot door gaf aan de natie; als G`D`s ware profeet, hij fungeerde als G`D`s “spreekbuis” en zijn getuigenis had de zelfde autoriteit en kracht als het direct horen van G`D Zelf.
In de belichting zoals bovengenoemd, geeft de Ramban aan, kunnen we de Talmoedische verklaring realiseren dat de “Shabbat gelijkwaardig is aan alle Mitwot” (Jerushalmi Barachot 1:15 Bavli Nedarim, einde Hfd. 3, Shamot Rabba 25:16) want door het houden van Shabbat getuigen wij alle fundamentele principes van de Joodse Godsdienst: Schepping ex nihilo, Goddelijke Voorzienigheid en Goddelijke Profetie.
Aldus concludeert de Ramban, Shabbat is een herinnering aan Jetziat Mitzraim (de Uittocht van Egypte), terwijl Jetziat Mitzraim op zijn beurt een herdenking is aan de Shabbat van de Schepping. (Ramban op Deuteronomium 5:15)

VOLGENDE PLAATSING: HET MAKEN VAN SHABBAT

SHABBAT (2)

SHABBAT DEEL 2

Deze zijn samengevat door Maimonides ( Mishne Thora, Zemaniem Hilchot Shabbat 30 ) en luiden als volgt:

De Shabbat en het verbod van afgoderij wegen samen op tegen de rest van de geboden van de Thora. De Shabbat is een eeuwigdurend teken tussen G`D en het volk van Israël. Daarom wordt de jood die op enigerlei wijze de andere geboden ontheiligd beschouwd als een schender, terwijl hij die de Shabbat public ontheiligd wordt gezien als een heiden ( het bestaan van G`D ontkennen ). Hij die de Shabbat houdt zo als het moet, haar eert en naar goed geweten behaagd, geeft een beloning aan deze wereld, die ver uit gaat boven de beloning die voor hem is gereserveerd in de Komende Wereld.

Als geen ander gegeven heeft de Shabbat het Joodse Volk, door de eeuwen heen, doen onderscheiden van alle anderen volkeren van de wereld. Want dit was niet zomaar een simpele aangelegenheid, of gewoonte, maar iets fundamenteels van de Joodse Godsdienst en de Joodse manier van leven.
Èèn hele dag van de week (om precies te zijn 26 uur) wordt apart gezet, gedurende welke de jood niet alleen ophoud met werken, sluiten van winkels, fabrieken, ondernemingen en alle werkzaamheden thuis, maar compleet getransformeerd wordt tot een heilig persoon, de tijd weidend aan gebed en studie. En zelfs naar buiten toe wordt deze transformatie duidelijk herkenbaar– aan iemands kleding, voedsel, gaan en spreken.
Duizenden jaren lang konden de volkeren van de wereld deze Joodse Shabbat niet begrijpen. Zij, hadden �berhaupt geen enkele notie van rustdag van de week, het was zeer betreurenswaardig voor een natie om een vrije dag te nemen. Toen Haman zich beklaagde tegenover Koning Achasuerus over �een volk� verstrooid en verspreid onder de volkeren (Ester, 3:8) was het de Shabbat en de feestdagen die hij ridicuul vond.(Ester Rabba 7:14)

Klassieke Romeinse Historici noemden het Joodse volk �lui en ongeciviliseerd� voor hun aanhankelijkheid ten opzichte van de Shabbat.
Toen de Naties van de wereld uiteindelijk de Thora als een heilig boek erkende, noemde zij het �De Bijbel� en adopteerde sommige principes ervan. Zij introduceerde evenzo een Shabbat of een �dag van rust�, zondag in het Christendom en vrijdag in de Islam.
De Shabbat bleef Joods voor de Joden alleen! Men kan hier in duidelijk zien de Hand de Goddelijke Voorzienigheid. Hoewel � imitatie de hoogste vorm is van vleierij �kan de imitatie niet het originele, de Goddelijk opgelegde, heilige Shabbat benaderen en iedereen die eigen is met de wetten van Shabbat en haar betekenis weet dit.

Volgende plaatsing: Shabbat 3, Herinnering aan De Uittocht van Egypte.

SHABBAT (1)

HET UNIEKE KARAKTER VAN SHABBAT

WAT IS HET SPECIALE KARAKTER VAN DIE DAG? WAT BETEKEND SHABBAT VOOR ONS, EN WAT IS HAAR UNIVERSELE BOODSCHAP?

DEEL 1

1. De shabbat bruid

De Thora vertelt ons , in het beginne, dat G`D de wereld schiep in zes dagen, en dat aan het einde van de zesde dag de hemel en de aarde met al hun menigten waren voltooid. Toen ruste G`D met alle creatieve activiteiten, “en G`D zegende de zevende dag en maakte hem heilig.” (Genesis 2:1-3)
Dus direct vanaf het begin van de schepping, heeft G`D de shabbat apart geplaatst van de andere dagen van de week, als een heilige dag.
Maar voor wie was de Shabbat bestemd? Wie was om te accepteerde, te waarderen en heilig te houden? Het antwoord is te vinden in de volgende zeer betekenisvolle Midrash:

Rabbi Shimon ben Jochai leerde: Toen G`D de heilige Shabbat schiep, zij het tegen de Heilige Geprezen zei Hij: “Elke dag die U creëerde had een levensgezel. Zal ik de enige zijn die alleen blijft, zonder levensgezel?”. Antwoordt G`D, “Het Joodse Volk zal je levensgezel zijn.” En zo, terwijl het Joodse Volk aan de voet van de Berg Sinai stond om de Thora in ontvangst te nemen en een natie te woorden, verklaarde G`D (in de tien geboden): ” Vergeet niet om de Shabbat te heiligen!” Anders gezegd, “Herinner Mijn Belofte aan de Shabbat dat zij de levensgezellin zal zijn van de Joodse Natie.” (Bereshieth Rabba 11:9)

De Zohar (Tikkoenei Zohar 69a) spreekt over het Joodse Volk en de Shabbat in termen als Bruid en bruidegom, daarom wordt de Shabbat verwelkomd met de woorden, bo`i kalla, bo`i kalla– “Welkom bruid; welkom bruid!” (Bavli, Shabbat 119a). De herhaling, bo`i kalla, verwijst naar de twee grote eigenschappen van de “bruid”, zijnde “gezegend” en “Heilig”, zoals is geschreven, “En G`D zegende de zevende dag en maakte hem Heilig.” (Genesis 2:3 )
Inderdaad, volgens Rabbi Jitschak Arama in zijn Akedat Jitschak, (Bereshit, Shaar 4) het woord L`kadsho– “het heilig houden” — mag vertaald worden als “het verloven”, in de zin van heiliging.
Vanuit deze weg vertellen onze Wijzen dat de Shabbat uniek Joods is, nog exacter, dat het Joodse Volk en de Shabbat niet te scheiden zijn; zij zijn vanaf hun “geboorte” bestemd voor elkaar. Zonder de Shabbat is het Joodse Volk eenvoudig niet denkbaar, juist zoals het Joodse Volk zonder Thora ondenkbaar is. Dit is een van de redenen waarom de Shabbat gelijkgesteld is met al de Mitzwot van de Thora. (Jerushalmi. Bereshit Hfd. 1:5; Shamot Rabba 25:16.)

2. SHABBAT VAN DE SCHEPPING

Zoals al eerder vermeld, is de origine van de Shabbat, aangeduid als Shabbat van de Schepping, aangegeven in het vers beginnend met Wajechoeloe, (Genesis 2:3) welke ook is op genomen in de eerste Amida ( Achttiende gebed ) van de avond van Shabbat (vrijdagavond). De Shabbat wordt niet meer expliciet genoemd in de Thora, tot aan, na de uittocht van Egypte, in verband met het manna. Dit hemelse brood daalde niet neer op Shabbat, maar in plaats daarvan, ontvingen de kinderen van Israël een dubbele hoeveelheid op vrijdag voor Shabbat. Toen vertelde Mosje Rabbijnoe de kinderen van Israël: ” Zie in dat de Eeuwige jullie de Shabbat heeft gegeven.” (Exodus 16:29) De Shabbat was niet iets nieuws voor de kinderen van Israël, want, zoals onze wijzen ons vertellen, zij wisten het al traditioneel vanaf de tijd van Abraham en onderhielden het zelfs in Egypte. Maar bij deze gelegenheid ontvingen zij de eerste Halachische instructies (het geldende recht in joods- wettelijke zin) en enkele weken later ontvingen zij formeel de instructies van Shabbat in de Tien Geboden aan de Berg Sinai. (Exodus 20:8)
Nadat de Thora was gegeven aan het volk, werden de instructies om de Shabbat te onderhouden vele keren herhaald met grote nadruk. De ochtend Amida van Shabbat (het achttiende gebed) bevat een zeer bekende passage over Shabbat:
De Kinderen van Jisrael moeten de Shabbat houden als een eeuwig verbond, door de Shabbat te vieren tot in hun verste geslachten. Tussen Mij en de kinderen van Jisrael is het eeuwig een teken, dat de Eeuwige in zes dagen hemel en aarde maakte, maar op de zevende dag ophield en herademde. (Exodus 31: 16-18)

Hier verteld de Thora de essentie van Shabbat als een levend teken van G`Ds schepping, dat het Joodse volk, door het houden van de Shabbat, hardop proclameert dat G`D de schepper is van hemel en aarde en dat zij bevestigt het eeuwigdurend verbond tussen G`D en het Joodse volk. G`D heeft Zijn schepping gekroond met de Shabbat en heeft deze kroon gegeven aan het Joodse volk. De Geleerden van de Talmoed drukken het zo uit: “Een waardevolle gift– zegt G`D– heb IK in Mijn schatkamer: zij heet Shabbat en IK geef het aan jullie.” (Shabbat 10b) Het dragen van deze kroon is natuurlijk een groot privilege: het maakt het Joodse volk G`Ds getuigen in deze wereld. Maar het plaatst ook op hen een zeer grote verantwoording.

DEEL 2 VOLGENDE PLAATSING.

MITSWOT: GEBODEN EN VERBODEN

De joodse manier van leven of de levensstijl van een jood die zich aan de Tora houdt,wordt voor bijzonder moeilijk gehouden.Volgens de traditie bestaan er in de Tora 613 ge- en verboden.
Maar dit is in een aantal opzichten misleidend. Allereerst hebben vele positieve geboden – dat zijn de mitswot die iemand verplichten bepaalde dingen te doen – evenals vele geboden eigelijk geen betrekking op het leven, maar op de algemene structuur van de hele Tora of op het joodse volk als geheel. Van geen enkele jood kan derhalve verwacht worden zich aan alle geboden te houden. In werkelijkheid heeft maar een klein deel van de mitswot betrekking op het dagelijkse leven. Maar als men aan de formele lijst van mitswot alle kleine details toevoegt die er niet specifiek in zijn opgenomen, komt men niet aan honderden maar aan duizenden dingen die op bepaalde momenten en plaatsen op een bepaalde manier gedaan moeten worden. Het is zeker zo, dat als men de geboden als gescheiden en los van elkaar ziet staan ieder als een afzonderlijke verplichting en belasting – deze ondergeschikte mitswot een uitgebreide en zelfs dwaze verzameling van nietige details lijken. En als ze dan al niet vreesaanjagend zijn, dan zijn ze op zijn minst lastig. Maar wat wij detail noemen zijn slechts delen van grotere eenheden, die op hun beurt langs velerlei wegen weer tot een geheel worden. Het is net als het bekijken van de bladeren en de bloemen van een boom terwijl men overweldigd wordt door de overvloed, de verscheidenheid en de complexiteit van de details. Maar als men beseft dat het allemaal tot een plant behoort, dat het allemaal dezelfde bladeren zijn die de veelvormigheid van die ene boom maken, dan zijn de details niet langer hinderlijk en worden ze aanvaard als iets wezenlijks van de wonderbaarlijkheid van het geheel.

Een grondgedachte van het joodse leven houdt in, dat er geen speciale referentiekaders zijn voor heiligheid. De relatie van de mens tot God wordt niet apart gezet op een hoger niveau, niet ondergebracht in een of andere speciale hoek van tijd en plaats terwijl de rest van het leven zich elders afspeelt. De joodse levenshouding houdt in dat het leven in al zijn facetten, in zijn totaliteit, op de een of andere manier met heiligheid verbonden moet zijn. Deze houding wordt enerzijds uitgedrukt door bewust handelen, door het zeggen van voorgeschreven gebeden en zegeningen, door het opvolgen van voorgeschreven gedragsregels, en anderzijds door het zich houden aan een aantal verboden.

Een mens gaat in het algemeen door het leven in het bewustzijn dat de wereld een bonte mengeling is van verschillende bedoelingen. Hij probeert zijn eigen verbinding te leggen met al deze vele mogelijkheden. Hij is zich misschien minder bewust van het feit dat er, buiten de wereld die hij kent, werelden boven de werelden bestaan, afhankelijk van zijn daden. In het jodendom wordt de mens, met alle kracht van zijn lichaam en ziel, opgevat als de centrale figuur, de hoofdrolspeler op een kosmisch podium. Hij functioneert of treedt op als de oorspronkelijke beweegkracht van de werelden, die gemaakt zijn naar het beeld van de Schepper. Alles wat hij doet sluit een scheppingsdaad in, zowel in zijn eigen leven als in andere werelden die voor hem verborgen zijn. Ieder deel van zijn lichaam en iedere nuance van zijn gedachten en gevoel is verbonden met ontelbare krachten van allerlei aard in de kosmos. Hoe meer hij zich bewust is van deze orde van de dingen, des te betekenisvoller zal hij functioneren als jood.
Het stelsel van de mitswot vormt het ontwerp voor een hangende harmonie, waarbij de afzonderlijke delen de instrumenten van een orkest zijn. De harmonie die door dit orkest geschapen moet worden is zo omvangrijk, dat het de hele wereld omvat en de belofte inzicht heeft van de vervolmaking van de wereld.
Als men de mitswot in dit licht ziet, kan men de noodzaak voor zoveel details begrijpen evenals het ontkennen van elke exclusieve nadruk op welk detail of facet van het leven dan ook. De mitswot als stelsel omvat het hele leven, van het moment dat men ‘s ochtends zijn ogen opendoet totdat men gaat slapen, van de dag van de geboorte tot de laatste ademtocht.
Niettemin kan voor praktische doeleinden het stelsel van de mitswot verdeeld worden in een aantal hoofdgebieden: gebed en zegenspreuken, gedragsregels voor de bijzondere dagen van de week of van het jaar, voedselvoorschriften, wat is toegestaan en wat is verboden, seksueel gedrag en de relatie tot de medemens.
Het dagelijkse leven wordt gekenmerkt door drie hoofdgebeden. De voorgeschreven inhoud is, behoudens kleine verschillen, voor ieder gebed hetzelfde. Sjachariet, het ochtendgebed, wordt aan het begin van de dag gezegd; Mincha, het middaggebed, voordat de zon ondergaat en Maariev, het avondgebed ‘s avonds. De tijden die voor deze gebeden zijn vastgesteld, zijn niet alleen bedoeld om samen te vallen met de verandering in de dag, maar ook als reactie op de subtiele verschillen tussen het licht worden, het donker worden en de duisternis. De gebeden zijn ook verbonden met praktische zaken van de mens. Van het moment dat hij zich ‘s ochtends, geestelijk gesproken, voorbereidt op de activiteiten van de dag, tot de namiddag wanneer hij klaar is met zijn dagtaak. En terwijl hij nog midden in de dag staat, wordt hij eraan herinnerd dat hij het contact met heiligheid moet vernieuwen. Het avondgebed, dat na het beëindigen van het dagelijks werk gezegd wordt, is om verantwoording af te leggen aan zijn ziel, en voor de rust.
Het ochtendgebed, waarbij de gebedsriemen gelegd moeten worden en enkele speciale stukken gezegd worden, duurt langer dan de andere gebeden. De liturgie is in zijn geheel een weerspiegeling van de historische ontwikkeling van het joodse volk, waarbij iedere periode zijn eigen toevoeging kent. Hierdoor bevatten de gebeden naast grote stukken uit de Bijbel, gedichten en gebeden uit de tijd van de Tweede Tempel en de daaropvolgende periodes tot en met de Middeleeuwen en zelfs nog later.

Deze gebeden hebben in diepere zin een dubbele betekenis, gemeenschappelijk en persoonlijk. Voor het grootste deel zijn ze algemeen, en geen smeekbeden van iemand die moeilijkheden heeft. Iemand die in nood verkeert, wendt zich vanzelfsprekend tot de bron van heiligheid met zijn eigen individuele verzoek of dankbetuiging, maar de liturgie in zijn geheel voorziet alleen maar in het deelnemen van het individu aan de gebeden van het volk. Daarom hebben de gebeden een vaste volgorde en woordkeus en worden in het algemeen in het meervoud gezegd. Tegelijkertijd wordt binnen deze volgorde een gebed, een vers of een zin of zelfs een hele rij gebeden gezegd die de gevoelens van een individu op een bepaald ogenblik uitdrukken. In het gebed zelf vindt een soort eenwording van alle aanwezige zielen plaats. De mensen die aan het gebed deelnemen, lijken zich van elkaar bewust te worden en zich met elkaar verbonden te voelen, juist als er een gevoel van verbondenheid met het algemeen welzijn wordt uitgesproken. Zo kan de mens die bidt, als hij dat wil, een persoonlijk thema binnen de vastgestelde liturgie invoeren. Er is met opzet voldoende ruimte voor iedereen om de eigen gevoelens tot uitdrukking te brengen. Persoonlijke gebeden worden niet geacht spontane emotionele uitbarstingen te zijn, en er is ook inderdaad geen plaats voor dergelijke uitbarstingen. Er is een bepaalde tijd en een speciale formulering gereserveerd voor een persoonlijk gebed en wanneer men er behoefte aan heeft, kan men daar gebruik van maken. De traditionele liturgie is een steeds terugkerende oefening voor de ziel, vastgelegd in een zorgvuldig gekozen proces, wat door de mensen als een collectief geheel door de eeuwen heen is bepaald. Het omvat verschillende meditatieoefeningen voor en tijdens het gebed en verschaft een mogelijkheid om binnen een gecontroleerde situatie in een hogere bewustzijnsstaat te komen. Zo is gebed niet alleen een prevelen van bepaalde woorden maar ook een sleutel en een soort ladder waarop iemand, wanneer hij werkelijk openstaat voor het wezen van het gebed, steeds een stapje hoger kan komen.
Behalve deze gebeden, waarvan de inhoud min of meer vastligt, bestaan er veel zegenspreuken. Deze zijn in het algemeen vrij kort, en herinneren iemand eraan dat de daden die hij verricht niet zonder meer handelingen zijn, maar dat zij een betekenis en een inhoud hebben. Een dergelijke zegenspreuk wordt bijna voor iedere mitswa gezegd en ook voor bijna alles waarvan men geniet in het leven of het eten en drinken is, een geur of iets prettigs om te zien. De werkelijke functie van de zegenspreuk is iemand eraan te herinneren dat hij moet stoppen met het proces van gewoonte en routine, dat hem altijd naar het gebied van het mechanische en zinloze trekt. Bij elk moment van verandering in de voortgang van het leven moet men met enkele woorden tot uitdrukking brengen dat het bijzondere dat men aan het doen is met voor of van zichzelf is, maar dat het op een zeker punt verbonden is met een hogere wereld. Zo komt men door deze zegenspreuken, verspreid over de hele dag in alle mogelijke situaties, tot een integratie van de gewone alledaagse elementen van het leven en tot een hogere orde van heiligheid.
Behalve de werkdagen met hun eigen dagelijks terugkerende gebeden, bestaan er de langere cycli van de week, de maand en het jaar, ieder met zijn bijzondere dagen: Sjabbatot, feestdagen en gedenkdagen. De gedenkdagen zijn gewoonlijk heilige dagen, vastendagen die aan treurige gebeurtenissen in de geschiedenis van het volk herinneren of vreugdevolle dagen die wonderen en daden van goddelijke genade gedenken. Maar de centrale peilers in de structuur van de joodse kalender zijn de Sjabbat en de feestdagen, waarover in de Tora wordt geschreven. Het thema en het speciale karakter van deze dagen wordt gekenmerkt door feestelijke innerlijke rust. Het zijn dagen waarop geen enkele arbeid of bepaalde activiteit wordt verricht.
De Sjabbat met zijn strenge verbod tegen elke vorm van werken is verbonden met het Scheppingsproces. Zoals de schepping van de wereld in zes dagen plaatsvond, zes dagen waarin de dingen geschapen werden die de materiele wereld vormen, zo worden de zes dagen gewijd aan het werken voor de materiele wereld, het herstel, de opbouw, het op een hoger plan brengen. De Sjabbat die hierop volgt is weer een terugkeer naar het innerlijke leven – net als van de Schepper zelf – naar de hogere werelden, de geestelijke essenties, de onveranderlijke bron van alle verandering. Want om het evenbeeld van God te zijn, moet de mens de oorspronkelijke Schepping voortzetten, aanvullen of herstellen en zich dan in zichzelf terugtrekken, waarbij hij zich afzijdig houdt van lichamelijke activiteit, en de heiligheid die.van rust en volledige vrede uitgaat vernieuwt. De Halacha, de formele structuur die de volgorde van de mitswot bepaalt, schrijft zeer nauwkeurig de vele dingen voor die op Sjabbat verboden zijn. Maar zij zijn allen afgeleid van dezelfde grondgedachte: de Sjabbat is de dag waarop men ophoudt Schepper te zijn in het gebied van de buitenwereld en men zich naar binnen keert naar heiligheid. Deze tweeledige eigenschap van de dag waarop men zich van creativiteit dient te onthouden en tegelijk de creativiteit, in geestelijke termen gesproken, moet voltooien, vloeit vanzelfsprekend uit deze gedachte voort. Tikkoen – het orde op zaken stellen in de wereld, en zelfs het werken aan zijn eigen ziel of het helen van haar wonden -mag niet op de Sjabbat. De Sjabbat moet dienen voor een overzicht van de dingen die gedurende de week verkregen zijn, in een poging hen geestelijk te verheffen en bewust of onbewust de week tot een grotere harmonie te brengen, tot een hoger niveau van vervolmaking. Zo wordt de Sjabbat de voltooiing of bekroning van de week wanneer al datgene van materiele en geestelijke aard, dat gedurende de zes voorafgaande dagen gedaan werd, wordt samengevat en doorleefd. Dat wil zeggen, dat het op een hoger niveau van wijding komt zodat er opnieuw in de daarop volgende week een opstijgen in dezelfde cyclus van dagen kan zijn.
Het rust houden en het afwijzen van de dagelijkse activiteit geldt ook voor de feestdagen, ondanks het feit dat deze dagen niet dezelfde diepe gedachte inhouden: het navolgen van het goddelijke Scheppingsproces van de wekelijkse kringloop. Wel zijn zij verbonden met de cyclus van het jaar, de jaarlijkse herdenking van historische gebeurtenissen in de geschiedenis van het volk, die ook de goddelijke geschiedenis van de mensheid is. Er zijn bepaalde dingen toegestaan om de strengheid van de Sjabbat op feestdagen te vergemakkelijken, niettemin gaat het om het naar binnen gekeerd zijn. Iedere feestdag heeft en bijzonder karakter, een eigen essentie en een eigen spiritualiteit, waardoor de manier van vieren en de houding van de ziel verschillend zijn. De jaarlijkse cyclus loopt van Pasen, wanneer het begin van het leven van de ziel en van het volk herdacht wordt, via het Sjawoeot feest naar het Soekkot feest. Op Sjawoeot wordt herdacht dat weerstanden en obstakels zijn overwonnen en de Tora gegeven is, hetgeen het staan voor de Allerhoogsten betekent. Soekkot is het feest van de rijping, volwassenheid en beloning.
Grote Verzoendag, die ook tot de feestdagen gerekend wordt, is een bijzondere dag. Hoewel het een vastendag is, is het ook de Sjabbat Sjabbaton, een dag van volledige werkonthouding. Deze dag belichaamt een moment in de tijd dat nog boven de Sjabbat uitgaat. Het is de dag in het jaar die verzoening brengt, wanneer de lagere menselijke wereld weer opstijgt, niet alleen boven de cyclus van het stoffelijke leven uit, maar in zekere zin ook boven de allesomvattende factoren die alles in het eigen individuele bestaan bepalen. Het is de dag waarop men niets doet, omdat het scheppend vermogen in de wereld tot stilstand komt. Het is de dag waarop men niets eet of drinkt, omdat vanaf het eerste begin de mens dan uit de schoot van de wereld in een ander rijk komt. Alleen door dit staan voor God, wat de uiteindelijke verlossing van het zwoegen inhoudt en het heengaan uit de wereld komt de mens in aanraking met datgene, dat boven de wereld is, met het goddelijke, het Absolute. Aan Zijn zijde is hij in staat uit te stijgen boven de grenzen van het verleden, boven de daden die hij heeft verricht en het leven dat hij heeft geleefd. Zo kan hij een hoger stadium van ‘zijn’ bereiken, en rust vinden en een nieuw begin op het vlak van de goddelijke vergevensgezindheid.
Nogmaals, alle feestdagen, feesten en gedenkdagen hebben vele kanten, die vaak gezien worden als lastige beperkingen of gewoonten die allen organisch gegroeid zijn uit de fundamentele betekenis van de gewijde dag waartoe zij behoren. Zo moet iemand om de zegen van een bijzondere dag te genieten zijn energie concentreren en zich bewust instellen op deze betekenisvolle gedachte en de symbolische voorstellingen ervan. Hij moet zichzelf afstemmen om de weerklank op te vangen. Dan zullen de talrijke en verschillende details van de geboden geen belasting meer zijn en geheel geaccepteerd worden als een uiterlijke expressie, als de heldere en specifieke relatie van de mens met de fundamentele geestelijke beleving.

De mitswot en de halachot die voorschrijven wat een jood al dan niet mag eten – wat allemaal met kasj’roet te maken heeft – zijn gebaseerd op het principe dat een mens geen hoger, nobeler geestelijk leven kan leiden zonder dat het lichaam eerst een geschikte voorbereiding ondergaat. Aan de ene kant vormen de voorschriften van wat men wel en niet mag eten een soort heilig dieet, een systeem van instructies die iemands keuze van voedsel bepalen, waardoor hij maximaal kan benutten wat uit de wederzijdse invloed van lichaam en ziel voortkomt. Het eten van verboden voedsel is, in joodse zin, niet alleen een overtreding van het heilige – en derhalve een vereenzelviging met het gebied van het kwade – maar het schaadt ook het netwerk van de relaties van lichaam en ziel. Dit principe gaat er van uit dat voedsel een zaak is van verschillende niveaus, opklimmend in de kwaliteit van `zijn’, zoals het verschil van het niveau van het stoffelijke en het levende met planten, dieren en speciale soorten dieren, waarbij er een steeds groter aantal beperkingen geldt voor de wijze waarop ieder soort voedsel klaargemaakt en gegeten wordt. Dat wil zeggen, dat op het gebied van het stoffelijke niets werkelijk verboden is, omdat dit gebied niet gevoelig is voor het onderscheid tussen het heilige en het niet-heilige. Zelfs wat planten betreft hebben de beperkingen alleen betrekking op wat groeit in Israël. Alles wat buiten het Heilige Land groeit wordt ten allen tijde als eetbaar beschouwd, terwijl het eten van dingen die binnen het land groeien door regels wordt beperkt. Hierbij gaat men ervan uit dat de heiligheid van het land aan de dingen een hoger niveau van ‘zijn’ geeft en de mens gevoeliger maakt voor heiligheid.
Het beginsel wordt duidelijker zichtbaar op het vlak van het dierlijke leven, het eten van vlees. Er zijn vanzelfsprekend verschillende groepen van verboden. In de eerste plaats zijn alle ongewervelde dieren absoluut verboden. De meeste vissen met vinnen en schubben zijn toegestaan, andere vissen niet. Ook is er geen speciale bereiding nodig voor het eten van vis. Wat gevogelte betreft: er is een bepaalde lijst van vogels die men mag eten. Maar zij moeten op en speciale manier worden geslacht, waarbij bepaalde gebeden moeten worden gezegd en zo min mogelijk pijn en leed veroorzaakt mag worden. Ook moet het bloed op en bepaalde wijze wegstromen, zodat het vlees geschikt is om door het menselijk lichaam opgenomen te worden. Voor het eten van hogere dieren bestaan zelfs nog strengere voorschriften – slechts een klein aantal is toegestaan. Het slachten en bewerken voor de bereiding zijn met grote nauwkeurigheid voorgeschreven. Het door elkaar gebruiken van sommige soorten voedsel zoals vlees- en melkproducten is absoluut verboden.
Het mengen van twee stoffen van verschillende aard is een algemeen verbod in de Halacha. Dit gaat verder dan het kasj’roet van de spijswetten. Wij kennen zeker niet in ieder vlak van het bestaan de grenzen van onderscheid tussen het ene voorschrift en het andere, maar in de Tora wordt een aantal met name genoemd, opdat enige zuiverheid gehandhaafd blijft. Het gaat natuurlijk niet om zuiverheid op zich, maar om de noodzaak alle dingen in de wereld tot de staat van Tikkoen of volmaaktheid te brengen, hen op een hoger plan te brengen door ze te verbeteren, te herstellen en ze in de juiste verhouding tot elkaar te plaatsen; om iets te herscheppen door het zo volledig mogelijk te laten bestaan en te verlossen door het volledig tot ontplooiing te laten komen. Op die manier leidt het eten van iets niet tot vernietiging en verwoesting, maar tot een Tikkoen of heiliging van het voedsel. Het eten van onrein of op onjuiste wijze gemengd voedsel maakt neerslachtig en veroorzaakt een vermindering en verlaging van het bewustzijnsniveau.
Daarom ook betekent eten en drinken op Sjabbat en feestdagen meer dan het bevredigen van de normale behoeften. Het is een mitswa op zichzelf, omdat op dergelijke heilige dagen het volk de wereldse zaken beter op een hoger plan kan brengen en heiligen. Zo wordt de feestdag een gelegenheid tot eenwording met de Schepper. Ten tijde van de Tempel was het rituele offer op zichzelf een gelegenheid voor een gemeenschappelijke maaltijd, waaraan de mensen in verbondenheid met de Hogere Macht deelnamen. Tot op de dag van vandaag wordt een gewone tafel beschouwd als een soort altaar waaraan degene die voedsel gebruikt een dergelijke daad vervult, hoe onvolledig ook, waarbij hij het stoffelijke verheft tot het menselijk niveau door het de doeleinden van de mens te laten dienen en door het bepaalde krachten uit de wereld te laten overbrengen naar een gebied waar heiligheid werkzaam is. Er moet daarom met buitengewone zorg worden gelet op wat gegeten wordt en de manier waarop men eet moet in overeenstemming zijn met het doel van de heiliging. Eten is niet zomaar een onverschillig genot zoeken; het is een ceremonie.
Er bestaat ook een dergelijke houding ten aanzien van het seksuele leven. In het jodendom wordt seks nooit beschouwd als iets verkeerds of schandelijks. Integendeel, het wordt als een daad van een hogere orde gezien, die de mogelijkheid in zich heeft de nobelste eigenschappen naar buiten te brengen, niet alleen op het gebied van het individuele gevoel, maar ook op het gebied van het heilige. En het is niettemin juist vanwege deze mogelijkheid dat er strikte beperkingen bestaan. De gehele orde van relaties tussen de verschillende werelden kan worden opgevat in de zin van intieme verbintenissen, als een soort van seksuele relatie tussen de ene wereld en de andere, tussen het ene niveau van ‘zijn’ en het andere. Daarom hebben seksuele relaties een enorme invloed op de ziel. Dit alles maakt duidelijk waarom het noodzakelijk is om een diepe eerbied te hebben voor, en bezorgd te zijn over alles wat het gebruik van de kracht van seks betreft, nog afgezien van, het primaire vermogen ervan – het scheppen van een nieuw leven. In beginsel wordt in het jodendom seksualiteit niet uitsluitend beschouwd als een middel tot voortplanting van het menselijk ras of als middel tot vruchtbaar zijn en vermenigvuldiging. De relaties tussen man en vrouw vormen een organisch netwerk, dat een eigen leven leidt. Het vormt de schepping van een andere eenheid, het gezin, dat de kern van het sociale bestaan vormt. In diepere zin is de gezinseenheid een deel van de integratie van het menselijk individu. Met andere woorden; het niet-verbonden individu is nog niet een volledig persoon; de totale individu is altijd tweeledig, man en vrouw. Zelfs terwijl beide partners verplicht zijn hun eigen werk te doen – lichamelijk en geestelijk – is het toch de soort wederzijdse relatie die hen op het vlak van de mensheid een plaats geeft.
Als gevolg hiervan zijn seksuele relaties buiten het echtelijk verkeer verboden. De verboden op alle andere seksuele relaties zijn ontleend aan het feit dat dergelijke relaties in wezen niet leiden tot het niveau van volledigheid of eenheid die voor een menselijk wezen vereist is. Hoewel het gebod ‘wees vruchtbaar en vermenigvuldig u’ slechts een deel en niet een noodzakelijk deel is van de bedoeling en de betekenis van het seksuele leven, is het een kwestie van principe dat het seksuele leven gebaseerd zou zijn op relaties die tenminste de mogelijkheid tot voortplanting omvatten. Dit principe is op zijn beurt afgeleid van de joodse opvatting, dat heiligheid zo’n levende werkelijkheid is dat het vruchtbaar moet zijn, in staat tot groei, ontwikkeling en het dragen van vrucht. Op dezelfde wijze ligt al datgene wat deze mogelijkheid tot voortplanting en groei niet heeft – wat niet in verband staat met de schepping van een nieuwe vorm – dichtbij het gebied van corruptie, dood en kwaad. De bepalingen die ten aanzien van de seksualiteit bestaan zijn daarom in hoofdzaak bedoeld om het geslachtsverkeer te beperken tot de eenheid die de basis van het gezin vormt, tot de man-vrouw, de mannelijke-vrouwlijke interactie en tot de volledigheid en volmaaktheid die daaruit voortvloeien en het dienovereenkomstig voortbrengen van nieuw leven. Om dezelfde reden wordt erotiek begrensd tot zijn eigenlijke kader. Als seksualiteit en erotiek welig tieren en de levenskracht zonder enige werkelijke innerlijke betekenis nutteloos wordt verbruikt, worden seksuele relaties een onpeilbaar verderfelijk proces in die zin dat grote goddelijke krachten misbruikt en verspild worden. De voorschriften omtrent seksuele reinheid, de regels omtrent seksuele gewoonten en het juiste moment voor geslachtsverkeer binnen het gezin zijn bedoeld om deze levenscyclus te integreren in de grotere bestaanscycli. Tegelijkertijd zijn ze bestemd om de seksuele kracht te gebruiken om op een hoger niveau te komen. Een van de centrale peilers van het joodse denken is altijd de Tikkoen van de maatschappij geweest, de taak om de maatschappij op orde te brengen, hem stevig te laten rusten op een gemeenschappelijke inspanning en zijn individuele leden harmonieus te laten functioneren. De Tora bestaat dan ook uit veel meer dan een nauwkeurige beschrijving van de mitswot en de overtredingen. Niet alleen bestaat er geen algehele terugtrekking uit het leven, maar er wordt zelfs aangedrongen op het handhaven van een bepaalde waakzaamheid ten aanzien van het welzijn van de maatschappij en het werken aan een betere wereld. Vandaar ook het algemene verbod tegen het vernietigen van ieder ding dat gebruikt kan worden en waarde heeft, en het voorschrift om zich bezig te houden met dingen die creatief en nuttig zijn. Als het de maatschappij in zijn geheel aangaat, wordt iedere asociale daad of hij uitdrukkelijk verboden is door de Tora of niet, als een overtreding beschouwd. Iemand moet zich tegenover anderen veel beter gedragen dan tegenover zichzelf. In feite moet de ander op het beeld van God lijken en ieder onrecht dat hem wordt aangedaan is als een onrecht aan het goddelijke beeld in zichzelf. Als men deze gedachtegang volgt is het verboden zijn naaste lichamelijk letsel toe te brengen, evenals liegen, stelen, bedriegen en dergelijke. Vergrijpen zoals belediging, laster en roddel worden in veel opzichten als veel ergere misdaden beschouwd dan specifieke religieuze of rituele overtredingen. Er wordt niet voor niets gezegd dat Grote Verzoendag (Jom Kippoer) verzoening schenkt voor overtredingen die de mens jegens God begaat, maar niet voor overtredingen die men tegenover zijn naaste begaat. Het laatste is dubbel zondig, omdat er kwaad gedaan wordt tegenover de mens en tegenover God. Zolang de overtreder zijn naaste geen verontschuldigingen aanbiedt, kan hij geen vergeving en verzoening van God verwachten.
Sociale verplichtingen omvatten alle familierelaties, zoals de plichten van ouders ten opzichte van hun kinderen en de eer die aan ouders bewezen moet worden. Zij reiken van de noodzaak zich te bekommeren om alle leden van een gezin, tot de zorg voor zijn vrienden en kameraden. Een steeds terugkerende en diep verankerde uitdrukking in de traditie is gemieloet chassadiem (het verlenen van naastenliefde).
Hiermee wordt de algemene mitswa om goed te doen bedoeld en om mensen op alle mogelijke manieren materieel of op andere wijze te helpen. De bedoeling van deze mitswa is dat de maatschappij en zijn leden het kwade van maatschappelijk individueel ongeluk moeten herstellen. Dit voert ons tot een essentieel beginsel in het jodendom; het zelfrespect, een begrip dat uitstijgt boven de persoonlijke waardigheid en de eer van de gemeenschap. Het is afgeleid van het fundamentele gevoel van eerbied en liefde voor de medemens, zoals dit wordt uitgedrukt in de eenvoudigste en de meest formele menselijke relaties en in de noodzaak iedereen die struikelt en valt te helpen zijn evenwicht terug te vinden om weer op eigen benen te kunnen staan. Een noodzakelijke gevolgtrekking van dit principe is het zorgvuldig vermijden van het beledigen van een dode. Dit betekent niet dat er dodenverering bestaat. Het is eerder een directe voortzetting van de eerbied die men iemand tijdens zijn leven toedroeg, eerbied voor het lichaam dat eens tot het goddelijke beeld behoorde.
Bij alle paden die men aldus in het sociale bestaan bewandelt, bestaat er de verplichting zich niet alleen te onthouden van dingen die kwetsend kunnen zijn voor een ander, maar ook om weloverwogen en oprecht te handelen om het leven als geheel te verbeteren en te verheffen. Er bestaat bijvoorbeeld de oude gewoonte een tiende van zijn inkomen af te staan aan liefdadigheid om hiermee anderen te helpen op iedere manier die geschikt lijkt. Hoewel het algemene doel van de ethiek het verbeteren van de maatschappij inhoudt, geldt dit vooral voor ieder individu. Een enkeling wordt beschouwd als een wereld, een totaliteit op zichzelf, en de zorg voor hem moet dezelfde vermenging van liefde en eerbied zijn die men aan een goddelijke verschijning schenkt.
Dezelfde benadering geldt uiteraard voor het volk als geheel. Het joodse volk moet zichzelf als een grote familie beschouwen, als een bijzondere sociale eenheid met nauwe persoonlijke banden. Deze nationale eenheid wordt als een eerste vereiste beschouwd, niet als de som van veel gescheiden delen maar als datgene wat ontstaat uit het opstijgen in niveau van een ziel naar een andere en dat zo’n grote vervolmaking bereikt dat alle zielen van Israël een algemene ziel vormen die de goddelijke verschijning in de wereld is. Daardoor verhouden de verschillende zielen zich tot elkaar als delen van een lichaam.
Vanuit dit gezichtspunt geldt dat hoe hoger iemand opstijgt, hoe meer hij is verbonden met de beproevingen en moeilijkheden van zijn medemens. Want ieder menselijk wezen is een deel van de enkele ziel die de geest is van het gehele universum.

Practisch Joods Recht – DE THORA

Uitgelicht

De Heilige Boeken die beginnen bij de bijbel en de daarop volgende vele verklaringen en commentaren, zoals de Talmoed, de Kabbala en andere geschriften, nemen zo’n centrale en bijzondere plaats in het jodendom in, dat de Hebreeuwse naam voor deze heilige literatuur, Thora niet goed in enige andere taal vertaald kan worden. Zoals iemand het eens juist samenvatte: andere godsdiensten hebben een concept van de heilige Schrift waarbij deze uit de Hemel afkomstig is maar het jodendom schijnt op de gedachte gebaseerd te zijn dat de boeken van de Thora zelf Hemel zijn. Met andere woorden, de Thora van de joden is de essentie van de goddelijke openbaring; het is niet alleen een basis voor het sociale, politieke en godsdienstige leven, maar het is in zichzelf iets van de allerhoogste waarde.
Lees verder