Het Licht – Metafoor

Net zoals de ziel voorziet in een favoriet metafoor, zo vinden we dat de term ‘licht’ bij mystici een gefavoriseerde karakteristiek is voor de verschillende emanaties en manifestaties van het goddelijke. [Ook deze metafoor, net zoals de vorige, komen overvloedig voor in de Talmoedische- Midrashiem en mediëval-filosofische geschriften enz; zie Berachot 17a, 64a enz, (het concept van Ziv HaShechina; de uitstraling van de Shechina); Sifre, en Midrashiem, op Numeri 6:25; Pirkei de R. Eliezer, hfs.3; Leviticus Rabba hfs. 32 in bijzonder deel 6; Numeri Rabba 15:5; enz. enz.

Deze term is zeer zorgvuldig gekozen voor een aantal redenen. R.Joseph Albo ziet in het volgende, een gunstig voordeel om analogische gerelateerd te zijn tot G`D: (i) De existentie van licht is niet te ontkennen. (ii) Licht is niet een lichamelijk ding. (iii) Licht veroorzaakt de mogelijkheid van waarneming en de zichtbare kleuren te laten verlopen van potentialiteit naar realiteit. (iv) Licht verrukt de ziel. (v) Iemand die nog nooit een lichtgevende massa, lichaam heeft gezien in zijn leven, kan geen kleuren ontvangen noch de aangenaamheid en verrukkelijkheid van licht. (vi) En zelfs hij die lichtgevende objecten ziet, kan niet voortdurend staren naar intens licht en als hij het volhoudt te staren boven zijn uithoudingsvermogen, vervagen zijn ogen, zodat hij daarna niet meer kan zien wat normaal zichtbaar is. Door in bezit te zijn van al deze eigenschappen en kwaliteiten draagt licht een grotere overeenkomst tot de dingen welke vrij zijn van materie dan welke andere dingen ook die met zulke vergeleken kunnen worden, vandaar dat zij zijn vergeleken met licht, zodat het de zaak begrijpelijker maakt.

R. Joseph Ergas stelde evenzo een lijst samen met de volgende gunstige eigenschappen: (a) Licht is het meest subtiele van alle zintuiglijke waarnemingen. (b) Licht heeft talrijke karakteristieke eigenschappen van de Goddelijke uitvloeisels, zoals bijvoorbeeld, (i) Licht is afgegeven zonder te zijn gesepareerd van lichtgever. Zelfs wanneer zijn bron is verhuld of ver verwijdert, dus niet langer uitstralend zintuiglijk waarneembaar licht, blijft de voorafgaande straling geen gesepareerde entiteit van de lichtgever maar trekt terug in het.

Dit is een unieke eigenschap van licht welke is niet gedeeld met enig ander essentie. (ii) Licht verspreid zichzelf ogenblikkelijk. (iii) Licht beschijnt alle fysieke objecten en is in staat ongehinderd door alle transparante objecten door te dringen. (iv) Licht vermengt zich niet met andere substanties. (v) Licht perse verandert nooit. De gewaarwording van meer of minder intens licht, of van verschillend gekleurd licht, doet niet af tot enige verandering in het licht perse maar doet af aan externe factoren. (vi) Het ontvangen van licht en het absorberen ervan is relatief aan de capaciteiten van de ontvanger; Enzovoort.

Maar opnieuw, deze term is alleen een homonieme benadering in de zin van metafoor en analogie. Het moet niet geheel in de letterlijke zin genomen worden. R. Joseph Albo heeft alreeds voor gewaarschuwd dat “Niet de foute conclusiegemaakt moet worden, dat intellectueel licht iets is van een lichamelijk object, zoals waarneembaar licht.” R. Moses Cordovero is nog nadrukkelijker in het waarschuwen dat deze metafoor niet te ver mag gaan “Want er is hoe dan ook geen imagovorming mogelijk van iets wat niet lichamelijk is.” En R. Menachem Mendel van Lubavitch laat zien hoe, in bepaalt opzicht, deze analogie klaarblijkelijk ook niet toereikend en haalbaar is. Bijvoorbeeld, het waarneembare uitstralende licht van zijn bron is zelfwerkend en een innerlijke noodzakelijkheid: de lichtgever kan niet het licht onthouden. Het is onnodig te zeggen dat deze restrictieve eigenschap niet kan worden toe geschreven aan de uitvloeiing van de Almachtige.

Concluderend, zoals de mystici onvermoeibaar blijven zeggen, het kan niet vaak genoeg aan gehaald worden dat alle termen en concepten gerelateerd aan het Goddelijke ontdaan moeten worden van alle tijdelijke, ruimtelijke en lichamelijke bijbetekenissen en begrepen moet worden in een strikt spirituele zin.

De Mens – Metafoor

In de discussie, Goddelijke relativiteit ten opzichte van het Universum, is de favoriete metafoor van de mystici (ook vele filosofen) de analogie tot de mens. Theologische concepten en de G`D-wereld verhouding, zijn vaak uitgelegd in termen van ziel-lichaam verhouding, en in het bijzonder met de vergelijking van de verschillende ziel-gaven, hun eigenschappen, functies en manifestaties. De ‘bewijstekst’ voor dit taalgebruik is het vers ‘Vanuit mijn vlees voorzie ik G`D’ (Job 19:26) en de Rabbijnse analogie “Juist zoals de ziel doordringt het hele lichaam. ziet maar is niet gezien……ondersteund het hele lichaam…..is zuiver…..verblijft in de binnenste omgeving……is uniek in het lichaam….doet niet eten noch drinken…..geen mens weet waar zijn plaats is…… Dat de Heilige die Een is, geprezen zij Hij…” Ook dit in bepaalde zin volgt het bovengenoemde principe van een ‘aards-bovennatuurlijke overeenkomst’.

Maar zelfs als tijdelijk begrippen van de ziel behulpzaam zijn om kwesties te begrijpen die gerelateerd zijn aan het Goddelijke, dan is dit maar een antropomorfistische benadering welke niet te ver mag gaan, zo nodig beperkt.

Het moet onthouden worden, zoals R. Schneur Zalman karakteriseert, dat in sommige opzichten de analogie instort en compleet ontoereikend is: “Deze parallel is alleen ter bevrediging van het oor. In werkelijk echter, heeft de analogie geen enkele overeenkomst tot het vergelijkbare oogmerk. Want de menselijke ziel… is geaffecteerd door de accidenten van het lichaam en zijn pijn. terwijl de Heilige die Een is, geprezen zij Hij, niet, de Hemel verbied, is geaffecteerd door de accidenten van de wereld en zijn veranderingen, noch door de wereld zelf; zij bewerkstelligen geen enkele verandering in HEM…..”. Evenzo, “De ziel en het lichaam zijn in werkelijkheid verschillend van elkaar, van uit hun absoluut bron gezien, want de bron van het lichaam en zijn essentie komen niet in tot– zijn–vanuit de ziel…”. Dus terwijl het lichaam volledig ondergeschikt mag zijn aan de ziel, zijn er, niettegenstaande, twee verschillende entiteiten. In contrast, “in relatie tot De Heilige die een is, geprezen zij Hij, die alles tot existentie brengt ex nihilo, is alles absoluut genullificeerd, net zoals het licht van de zon is genullificeerd in de zon zelf”. M.a.w. licht is niets vergeleken tot zijn bron.

Kabbala & Chassidisme – VOORWOORD “DE MYSTIEKE TRADITIE”

Uitgelicht

De mystieke dimensie van Judaïsme is de absolute ziel van de Thora.

De Existentie van een mystieke dimensie en traditie in Judaïsme is een voldoende bewezen en een reeds lang gevestigd feit. Echter, geeft de algemene gedachte allerlei verschillende voorstellingen weer.

Het meest vereenzelvigd opgeroepen beeld van “mystiek” en “Kabbala” is die van magie, amuletten, incantatie, geesten, en anderen niet natuurlijke fenomenen. Deze beelden op zich, brengen verschillende reacties teweeg. Één uiterste is zo gefascineerd, dat zij willen speuren in de geheime wereld van de mystiek, om zich in staat te stellen de natuurlijke orde van dingen te manipuleren, een ander uiterste is die, die onder het voorwendsel van het rationeel zijn, het totale concept afdoen als zijnde primitieve fantasie en bijgeloof, geworteld in onwetendheid en naïviteit.

Om heel duidelijk te zijn, er is zoiets als Kabbala ma’asit “praktische Kabbala“, met een systeem en techniek die transcendentaal uitreikt over de natuurlijke orde. Zijn toetsing echter is onderhevig en afhankelijk aan Kabbala iyunit, de filosofische theorie en perspectief van het Joodse mysticisme, welke op zijn beurt is beperkt tot aan de totale afbakening van de Joodse traditie (pardes, R. Jismael)

Kabbala perse richt zich op het principe van de alomtegenwoordige realiteit van G-D. De authentieke mysticus zoekt naar de ‘aanraking’ van het Goddelijke en daarin te worden geabsorbeerd. Hij zoekt geen macht, nastreving van zelfverheffing en bekwaamheid tot manipulatie is vreemd voor hem.

Zijn doel is om zichzelf weg te cijferen en uit te reiken boven de vergankelijke waarde van materie en tijdelijke realiteit. Kabbala ma’asit in dat opzicht is compleet het tegenovergestelde, daarom wordt vanuit de opinie van de ware mysticus het afgedaan als gevaarlijk en averechts. (zie de strikte waarschuwingen van R.Isaac Luria de Ari in R.Chaim Vital, Sha’ ar Hamitzvot, R.Moshe Cordovero, Pardes Rimonim, R.Josef David Azulay,Petach Einayim).

Kabbala iyunit vertegenwoordigt een compleet (hoewel complex) systeem van zijnsleer, kosmogonie en kosmologie, zoals Tzimtzum, sefirot, Olamot, Orot,

Kelim, Partzufim enz. Deze studie behandeld de algemene natuur en perspectief van de Joodse Mystiek en zijn plaats binnen het normatieve Jodendom, de unieke aspecten die zich onderscheiden van haar niet Joodse tegenhangers en het belang om het doorgeven en begrijpelijk maken aan de volgende generatie.

MYSTIEKE CONCEPTEN
Een introductie van kabbalistische concepten en doctrines.

Deze studie handelt over de fundamentele concepten en doctrines die zijn origine heeft in de basis werken van de Kabbala, zoals Sefer Yetzirah en de Zohar-geschriften. Maar in deze werken verschijnen zij meestal embryonaal en rudiment. Zij namen hun geaccepteerde gezaghebbende vorm aan alleen in de verstandelijke uiteenzettingen en verklaringen van R. Mozes Cordovero en R. Isaac Luria.

Hoofdstuk 1. ANTROPOMORFISME EN METAFORA

1. Antropomorfisme

De terminologie van kabbala, en dus de volgende uiteenzettingen van onze studie, zijn in zeer hoge mate antropomorfistisch. De termen zijn ontleend van menselijke concepten en de empirische wereld. De reden is uiteraard dat zij de enige soort van woorden zijn, die de mens op een zinvolle wijze kan hanteren.

De vormen van het concept ruimte en tijd zijn opgelegd aan de geest van de mens die leeft in een wereld van ruimte en tijd. Het is voor deze uitdrukkelijke rede dat de Thora, de Profeten, en onze Geleerden antropomorfistische taal gebruiken, zoals het is verklaard “De thora spreekt in de taal van mensen.”

Want “Had zij zichzelf gelimiteerd tot abstracte termen en concepten passend aan G`D, zouden wij noch de termen noch de concepten hebben begrepen.

De gebruikte woorden en ideeën zijn dus zodanig aangepast aan de mentale capaciteit van de toehoorder, dat het onderwerp eerst doordringt tot zijn verstand, in de fysieke zin, waarin de concrete termen worden begrepen.

Dan pas kan men verder gaan naar een begrip dat het gepresenteerde alleen een aangeving is en metafoor, en dat de realiteit te subtiel is, te verheven en te ver weg van ons om haar subtiliteit te kunnen doorgronden.

De wijze denker tracht de essentie te ontdoen van de termen van omhulling (m.a.w. haar materialistisch zin) en wil zijn conceptie verhogen, stapsgewijs zodat hij zoveel als mogelijk kennis van de waarheid zal vergaren, tot aan zijn intellectuele bevattingsvermogen.”

Het is dus om in gedachten te houden voor alle tijden, dat de termen en concepten ontdaan moeten worden van alle tijdelijke, ruimtelijke en lichamelijke bijbetekenissen.

Alle antropomorfistische begrippen en concepten, zijn letterlijk, niet toe te schrijven aan het Goddelijke, zoals het Schrift expliciet verklaart: “Met wie wil je G`D vergelijken? Of welke gelijkenis wil je vergelijken met Hem? …..Met wie wil je me vergelijken dat gelijk IK zou zijn, zegt de HEILIGE” (Isaiah 40:18,25). Deze kardinale premisse is geadopteerd door Maimonides als de derde grondregel van de “Dertien fundamentele grondprincipes van het Jodendom”.

Gelijktijdig echter, zou moeten worden aangetekend dat de antropomorfistisch terminologie zoals gebruikt in het Schrift, de mysticus en bij anderen, niet willekeurig is omdat het valt onder de boven genoemde kwalificatie. Integendeel, deze termen zijn zorgvuldig gekozen en bezitten een wijze en diepzinnige betekenis.

De rabbijnse-Midrashtiek en Mystieke schrifturen refereren overvloedig aan het begrip dat de lagere wereld in het algemeen en de mens in het bijzonder, zijn gecreëerd in het beeld van de hogere wereld. Alle gegrondveste categorieën in de lagere wereld en in de mens zijn homonieme representaties van, en toespelingen op, zekere bovennatuurlijke concepten en begrippen aan welke zij corresponderen. Om alle duidelijkheid, er is geen enkele gelijkenis in welke vorm dan ook, tussen G`D en het gecreëerde en op de bovennatuurlijke niveaus van de absolute spirituele sfeer, er zijn geen dingen zoals, ogen, oren, handen, enz. noch activiteiten en affecties zoals horen, kijken, wandelen, praten enz; echter, al deze ruimte-tijd handelingen en concepten, doen symboliseren, en in feite, komt het om die rede tot het ZIJN in correspondentie tot het originele bovennatuurlijke absolute en zuivere spirituele categorieën.

In een wijd en zijd geciteerde passage verklaard R.Joseph Gikatilla passend deze corresponderende- verhouding in de volgende analogische betekenis.

Wanneer een naam van een persoon is geschreven op een stuk papier is er ongetwijfeld geen gelijkenis, verwijzing of verwantschap tussen de geschreven letters of woorden op papier en de fysio-mentale entiteit van de persoon welke zijn naam is genoteerd. Zelfs als dat schrijven een symbool of teken is relaterend aan of oproept de geest en aanduid de volle concrete entiteit van die persoon. En aldus is het zo met antropomorfisme en antroponymische concepten en termen: ofschoon er geen concreet of directe verwijzing of gelijkenissen zijn tussen hun en de betekenissen die zij proberen uit te drukken, zijn er desondanks toch corresponderende tekens en symbolen die gerelateerd zijn aan en verwijzen naar specifieke categorieën, begrippen en concepten van strikt spirituele aard, niet ruimtelijk en niet tijdelijk.

In die zin moet de antropomorfistische terminologie begrepen worden.