DE ZEVEN NOACHIDISCHE GEBODEN HOOFDSTUK 3

DEZE STUDIE WORDT GEDONEERD DOOR AÄRON GROENTEMAN

DE ZEVEN NOACHIDISCHE GEBODEN

HOOFDSTUK 3

De noachidische voorschriften als levensoriëntatie en als levensordening
(een nadere specificatie)

1. Een mogelijke onderverdeling

In de inleiding hebben wij gewag gemaakt van de behoefte aan zingeving en vormgeving van het leven zoals die in toenemende mate door velen wordt ervaren en tot uitdrukking wordt gebracht en die blijkt te bestaan zowel bij mensen die geen binding met het christendom meer voelen als bij mensen die nog kerkelijk meeleven. In het voorgaande hoofdstuk hebben wij ons rekenschap gegeven van de rol die de noachidische voorschriften zouden kunnen spelen bij de vormgeving van het leven. Wij hebben ons reeds enigszins georiënteerd in de betreffende literatuur en daarbij’ de verschillende tradities op een rijtje gezet, zonder echter ons te zeer te verdiepen de historisch context en achtergrond van de verschillende redacties van deze voorschriften. Daartoe zullen wij in de laatste twee hoofdstukken van dit boek een poging ondernemen. Hier, op deze plaats, zullen we de inhoud van de noachidische voorschriften nader omschrijven en hun betekenis weergeven.

De ‘noachidische’ geboden omvatten, zoals we gezien hebben, volgens de meeste tradities zeven voorschriften. Dit ondanks het feit dat er nogal wat verschil bestaat tussen de verschillende bronnen. Enerzijds stellen sommige dat er zeven zijn, maar geven er zes, anderzijds lopen wat de invulling van enkele betreft de bronnen enigermate uiteen, zoals te zien valt in het schema in het vorige hoofdstuk. Tegelijk blijkt uit een aantal recente rabbijnse publikaties dat men van mening is dat men ze moet opvatten niet als enkelvoudige geboden, maar als aanduidingen van categorieën van voorschriften of als ‘randvoorwaarden voor waarachtig menselijk leven’. In iedere categorie zouden dan weer meerdere gedetailleerde voorschriften kunnen worden ondergebracht. Of ult elk hoofdgebod zouden dan weer andere meer gedetailleerde voorschriften kunnen worden afgeleid. Dit zou, zoals ook reeds gezegd, naar onze mening het onderwerp moeten zijn van een noachidische jurisprudentie, een taak van op dit terrein geschoolde halachisten. In de volgende hoofdstukken zullen wij proberen ons een beeld te vormen van wat die zeven hoofdgroepen in concreto zouden kunnen inhouden. We kunnen ons daarbij baseren op recente publikaties van joodse zijde, zoals van Lichtenstein, Clorfene en Rogalsky.

Misschien zouden we op het punt van nadere uitwerking en concreet toespitsing kunnen denken aan het model van de 39 soorten werk die op sjabbat verboden zijn die afgegeleld woorden uit Ex 31:12~16 en 35:1-3, waar de werkzaamheden vermeld worden die aan de tabernakel verricht worden en die op sjabbat onderbroken dienen te worden. Deze worden in de joodse traditie opgevat als aanduidingen van categorieën, aangeduid als ‘vader’-werkzaamheden (av-mel’acha, mv. avot-mel’achot), die weer gedifferentieerd worden in ‘afstammeling’-werkzaamheden (toladot). Anders gezegd: waaronder allerlei op welke grond dan ook op sjabbat verboden werkzaamheden geclassificeerd werden.1 (bsjabbat 7b) .

Op dezelfde wijze zouden wij dan de zeven noachidischevoorschriften kunnen zien als ‘avot mitswot’, die dan weer gedifferentieerd en gespecificeerd kunnen worden in ‘toladot mitswot’.

In de Babylonische talmoed, in het traktaat Choellin 92ab, wordt een aantal van 30 voor de noachidische voorschriften genoemd. Wij komen daar later nog op terug. Wellicht hebben we daar te maken met een herinnering aan een dergelijke mogelijkheid van een Jurisprudentiële differentiëring en verfijning van de zeven noachidische voorschriften, vergelijkbaar met de differentiatie die de bovengenoemde auteurs hebben toegepast. Het zou kunnen zijn dat wij, in die lijn, in de 613 mitswot die aan Israël zijn geschonken, aanwijzingen kunnen vinden voor een dergelijke differentiëring en onderverdeling van de hoofdgroepen in subgroepen en specifieke enkelvoudige mitswot voor noachiden. Anders gezegd: voorschriften die wij’ op de wijze van ‘toladot’ onder zouden kunnen brengen in de aanvaarde zeven categorieën van noachidische ‘vader’-geboden. Wij’ zullen in de hoofdstukken 4-7 proberen een beeld daarvan te krijgen.

2. Verankering in de Thora

Evenals de op sjabbat verboden werkzaamheden vinden op hun beurt de zeven noachidische voorschriften weer hun basis in de Thora.2

1. Het voorschrift een rechtsorde te scheppen en daarmee ook het instituut van rechters in het leven te roepen, is gebaseerd op Genesis 18:19, waar staat: “… door gerechtigheid en recht te doen’. Ook wordt verwezen naar Genesis 34:13 waar de zonen van Jakob (om recht te doen) bedrieglijk spraken omdat hun zuster Dina verkracht was.

2. Het verbod van godslastering is gebaseerd op Leviticus 24:16: ‘Wie de Naam des Heren lastert zal zeker ter dood gebracht worden”. (bSanhedrin 56b). We merken op dat het hier om een post-Sinaïtische verwijzing gaat die toch is opgenomen in de noachidische voorschriften.

3. Het verbod van de dienst aan afgoden wordt afgeleid van de tekst: “Zij hebben zich gehaast om af te wijken van de weg die Ik hun geboden heb; zij hebben zich een gegoten kalf gemaakt, waarvoor zij zich hebben nedergebogen en waaraan zij geofferd hebben, terwijl zij zeiden: dit is uw God, Israël, die u uit het land Egypte heeft gevoerd”. (Ex. 32:8; zle bSanhedrin 56b). Ook hier gaat het om een post-Sinaïtische verwijzing die toch noachidisch is (geacht wordt).

4. Het verbod van ontucht is af te leiden uit de instelling van het huwelijk in Genesis 2:22-24 en uit de geschiedenis van Abraham en Abimelech in Genesis 20. Het is voorts te vinden in Leviticus 20:10-21, waar diverse vormen van ontucht en bloedschande streng veroordeeld worden. Ook wordt wel verwezen naar Jeremia 3:1.

5. Het verbod van het vergieten van bloed, gaat terug op Genesis 9:6, waar staat: ‘Wie des mensen bloed vergiet, diens bloed zal door de mens vergoten worden’.

6. Het verbod van diefstal en roof is af te leiden uit de opdracht:

‘(Van alle bomen in de hof moogt gij vrij eten), maar van de boom der kennis van goed en kwaad, daarvan zult gij niet eten.’ Een opdracht die te vinden is in Genesis 2:16-17.

7. Het verbod vlees te eten van een nog levend dier is afgeleid uit Genesis 9:4. Hier wordt gezegd: ‘Alleen vlees met zijn ziel, zijn bloed, zult gij niet eten’. Ook wordt verwezen naar Genesis 2:16, waar staat: “Van alle bomen in de hof moogt gij’ vrij’ eten”. De rabbijnen wijzen erop dat dit een verbod van het eten van vlees inhoudt. De mens mocht datgene eten dat gereed was om te eten. In Genesis 9:3 krijgt de mens verlof ook dierlijk voedsel te gebruiken, maar hij moet er voorzichtig mee omgaan en zich beperken.

3. Betekenis van de noachidische voorschriften

We hebben al opgemerkt dat de zeven noachidische voorschriften hoofdgroepen zijn die hun parallellen hebben in de ‘hoofdgeboden’ die in de rabbijnse traditie voorkomen. Die hoofdgroepen zijn op hun beurt gespecificeerd in een groot aantal voorschriften en consequenties (zie bsanhedrin 56a-60b). We noemen onder andere het brengen van verboden offers, het verbod op tovenarij, het verbod van castratie bij mens en dier, het verbod van het vermengen van zaad. Dit laatste is bijvoorbeeld in onze tijd van belang bij zaken als kunstmatige bevruchting en in vitro fertilisatie. Naar dat model zou elk van de noachidische geboden nader uitgewerkt kunnen worden in een noachidisch-halachische jurisprudentie. Het voorschrift een rechtsorde te scheppen houdt bijvoorbeeld in dat er sociale stabiliteit bestaat. Dit wil echter niet zeggen dat men blind moet gehoorzamen aan de overheid. Het ‘jodendom komt primair op voor de belangen en het recht van de individu.

Onrecht moet worden voorkomen. Dit kan in nadere bepalingen worden gespecificeerd.

Ook het verbod van afgoderij draagt bij tot een goede ordening van het leven. Tevens wordt van iemand die valse goden afzweert diens persoonlijke integriteit en redding benadrukt.3

Het gebod zich te onthouden van wat door afgoden bezoedeld is of aan hen geofferd, is een gebod om zich verre te houden van al wat in contact staat met de wereld der afgoden, met andere woorden van een maatschappelijk leven dat doordrenkt is van heldendom.4 Dit betekent overigens net dat per definitie andere godsdiensten als ‘heidendom’ gebrandmerkt worden. Het jodendom heeft geen behoefte aan verkettering en missionering van de wereld vanuit het gezichtspunt dat zij de enig ware religie zouden zijn.

Het is eerden zo – zoals reeds in vorige hoofdstukken ‘s aangeduid dat andere godsdiensten wegen kunnen zijn tot kennis van de Eeuwige. Wat onder afgoderij valt zijn afgodische praktijken die te kort doen aan de waardigheid van de mens als schepsel en beelddrager van God.

Tot het verbod van diefstal horen ook zaken als militaire veroveringen en oneerlijkheid in het economisch verkeer.5

Maar ook een christen die de Hebreeuwse bijbel als ‘Oude Testament’ annexeert en primair als zijn erfdeel beschouwt, zondigt tegen het noachidische verbod om te roven.6

Een andere – meer aanvullende – benadering van het verbod van bloedvergieten vinden we in de Talmoed: Een schriftgeleerde zegt tot Rav Nachman bar Jitzchaq (Bab. -356): wie in het openbaar zijn naaste beschaamt wordt het aangerekend alsof hij bloed vergiet. Waarop deze opmerkte: dat heb je mooi gezegd, want ik heb het (zulk een schaamte) gezien, het bloed trok weg uit het gelaat en die mens werd dodelijk bleek. (bBaba Metsia 58b. Iemand in het openbaar voor gek zetten, op een zodanige wijze dat zijn zelfrespect wordt ondermijnd, geldt dus als bloedvergieten.

Het eten van een deel van een levend dier betekent ook dat het verboden is het bloed van een levend dier te nuttigen, zegt Rabbi Chanina ben Gamliel (Tann. rond 120) in de Talmoed als aanvulling op de zeven voorschriften (bSanhedrin 56b).

Aantekeningen

1. Zuidema, Willem, Gods Partner. Ontmoeting met het jodendom, Baarn, Ten Have 1988 (5e dr), p97-103, 154.

2. Schwarzschild, Encyclopaedia Judaïca. Keter Publishing House. Jerusalem 19784 . Artikel van Malcolm Schwarzschild, in dl 12, p 1 189, hierna geciteerd: 12:1189; wij geven hier de volgorde van de zeven noachidische voorschriften, zoals bSanh 56a die geeft. Lichtenstein, in The Seven Laws of Noah’ begint met ‘diefstal’, omdat die in de nummering van de 613 mitswot voorop komt en in de Talmoedscholen (jesjivot) als eerste bestudeerd wordt (p19); Clorfenc/Rogalsky beginnen met afgodendienst (p40, 48).

3. Schwarzschild, a.w., 1189.

4. Boon, Rudolf, Messiaanse gemeenschap in eschatologisch perspectief. In: Ter Herkenning 14/1986/1, 16-30, hier: p 22.

5. Schwarzschild, a.w., 1189.

6. Guttmann, M., Das judentum und seine Umwelt. Eine Darstellung der religi�sen und rechtlichen Beziehungen zwischen Juden und Nicht-juden mit besonderer Ber�cksichtigung der talmudischen rabbinischen Quellen 1, Berlin, Philo Verlag 1927, p191-192.

DE ZEVEN NOACHIDISCHE GEBODEN HOOFDSTUK 2b

DE ZEVEN NOACHIDISCHE GEBODEN

HOOFDSTUK 2b

De noachidische voorschriften als levensoriëntatie

(een inventarisatie)

5. Bronnen van de noachidische voorschriften

Wij noemen de bronnen niet in chronologische volgorde, maar naar belangrijkheid voor de ontwikkeling van de latere traditie. De voorschriften voor de noachiden worden in de Talmoed op diverse plaatsen genoemd, vaak bovendien in een verschillende context.15

De voorschriften komen overigens als zodanig niet voor in de Misjna. Dit is opmerkelijk. Zelfs de technische term ‘mitswot benee Noach’ ontbreekt. Guttmann meent dat de noachidische geboden weliswaar niet opgesomd, maar wel voorondersteld worden.16 Hij verwijst daarbij naar mChoellin IX,1, waar staat: Wanneer iemand (een jood) een onrein stuk vee voor een niet-jood slacht en het heeft nog stuiptrekkingen, dan kan het voedsel onreinheid overdragen, maar geen aasonreinheid tot het verstorven is of men de kop van het lichaam gescheiden heeft (mChoellin IX, I).17

Elders heeft een van de auteurs aangegeven dat achter dit Mlsjnavoorschrift echter een andere vraagstelling zit, namelijk niet meer, maar ook niet minder dan hoe een jood die een welomschreven dienst verricht voor een niet-jood, zich in dit geval heeft te gedragen.18

De belangrijkste Talmoed-passage met betrekking tot de noachidische voorschriften is bSanhedrin 56ab, waar de zeven voorschriften, één in positieve en zes in negatieve bewoordingen, worden genoemd:

Onze Rabbijnen leren: zeven voorschriften zijn opgelegd aan de zonen van Noach:

- (het scheppen van een) rechtsorde,

- (zich te onthouden) van godslastering,

- van afgodendienst,

- van bloedschande,

- van bloedvergieten,

- van beroving en

- van het eten van delen van een levend dier.

Rabbi Chanina ben Gamliel (Tann. rond 120): ‘Daaronder valt ook bloed van een levend dier.’

Vervolgens worden de voorschriften uitvoerig becommentarieerd (bSanh 57b, 57ab, 58b, 59ab).

Behalve in de Talmoed vinden we nog op een aantal andere plaatsen verwijzingen naar de noachidische voorschriften. Zo vinden we ook in de Tosefta – die ouder is dan de Talmoed maar ‘jonger dan de Misjna en waarvan elementen hun weg hebben gevonden naar belde Talmoedim, die van het land Israël en die van Babylonië – een opsomming van de zeven geboden.19 In het traktaat tAvoda Zara VIII,4 worden de noachidische voorschriften genoemd: Zeven opdrachten zijn de noachiden opgedragen: met betrekking tot rechtsinstellingen, afgodendienst, godslastering, bloedschande, bloedvergieten en beroving. De zevende wordt opengelaten. Ult het vervolg blijkt dat de aard daarvan op dat moment nog ter discussie stond. In tAvoda Zara VIII,6 vinden we vier aanvullende richtlijnen. Het betreft het verbod van het drinken van bloed van een levend dier, van castratie, van tovenarij en van het uitoefenen van magische praktijken zoals opgesomd in Deuteronomium 18:10-11.

Een derde, belangrijke, bron van de noachidische voorschriften is te vinden in het Nieuwe Testament. In de Handelingen der Apostelen staat in 15:20: ‘… maar hun (de heidenen) aanschrijven, dat zij zich hebben te onthouden van wat door de afgoden bezoedeld is, van hoererij, van het verstikte en van bloed’. Het gaat hier om voorschriften die afkomstig zijn uit de joodse traditie en die van een oorspronkelijk karakter zijn. De apostolische oerkerk accepteerde met betrekking tot de bekering van niet-joden eenvoudigweg, zeggen Flusser en Safrai, de joodse lering.20 Naast deze geautoriseerde tekst, bekend als het decreet van de Apostelen, bestaat nog een andere tekst, de zogenaamde westelijk tekst van de Handelingen der Apostelen. Volgens deze verwante bron wordt aan hen die zich uit het heidendom bekeren, voorgeschreven zich te onthouden van aan de afgoden geofferd vlees, van bloed en van ontucht.21

Vervolgens wijzen Flusser en Safrai op het bestaan van uitspraken van rabbijnen over de zogenaamde kardinale zonden (later: hoofdzonden), die a.h.w. de oudste voorfase van de noachidische geboden zouden zijn. 22 Dit zijn overtredingen die onder geen enkele voorwaarde zijn toegestaan, zelfs niet om het eigen leven te redden. Het gaat om afgodendienst, incest ( inclusief overspel) en moord (bSanhedrin 74a).

Alle andere verboden mochten overtreden worden in het geval dat het eigen leven op het spel stond.

Er is een zekere verwantschap tussen het aposteldecreet met zijn joodse oorsprong en de hiervoor genoemde rabbijnse richtlijnen die tijdens de rabbijnse synode in Lydda zijn geformuleerd.”23

Flusser en Safrai beschouwen de twee versies van het aposteldecreet als varianten op de noachidische voorschriften ult de joodse traditie die de status van godvrezende niet-joden met betrekking tot het jodendom regelden. 24 Voor de verschillen tussen beide versies en voor de argumentatie verwijzen we naar het genoemde artikel. Beide versies stammen uit de tijd voordat de in de Talmoed genoemde zeven voorschriften gezaghebbend zijn geworden. Een vierde bron, maar wellicht wel een van de oudste, vormt het Boek der jubileeën, een boek dat tot de zogenaamde apocriefe literatuur wordt gerekend en van oudere datum is dan de Talmoed. De beschrijving in dit boek heeft het karakter van een midrasj (= een rabbijnse, actualiserende vertolking) op Genesis 9. De datering is waarschijnlijk van rond het jaar 100 voor de gewone jaartelling. Deze bron vormt een van de oudste versies van de noachidische voorschriften. In hoofdstuk zeven wordt in de verzen 20 en 21 een opsomming gegeven van zes richtlijnen die aan Noach gegeven zijn:

Men moet zorgen dat er rechtvaardigheid bestaat, de schaamte van het vlees moet men bedekken, men hoort de Schepper te zegenen, zijn ouders te eren, en de naaste lief te hebben. Tenslotte hoort men zich te wachten voor ontucht, onreinheid en alle ongerechtigheid.25

Guttmann spreekt overigens van vijf voorschriften die in het Boek der jubileeën worden genoemd: het gebod van recht en rechtvaardigheid (7:20; 7:23; 7:34), het verbod van ontucht (7:20; 7:21; 7:24), het verbod van bloedvergieten (7:23; 7:25; 7:27-29), het verbod van het nuttigen van bloed van levende dieren (7:28-32; ook: het verbod van het nuttigen van bloed zonder meer), het verbod ongerechtigheid ult te oefenen, van roof (7:23). Het verbod van godslastering en het verbod van afgodendienst ontbreken, maar zij zijn wel af te leiden ult jubileeËn 7:23.26

Een vijfde bron met hierin een verwijzing naar het boek van de jubileeën vindt men in het zogenaamde Damascusgeschrift. Het gaat hier om een in 1897 door Solomon Schechter in de geniza van Fostad (Kairo) ontdekt en in 191 0 door hem gepubliceerd document van een joodse gemeenschap die in de eerste eeuw van de gewone jaartelling haar zetel in Damascus had en die opereerde onder de naam Gemeente van het Nieuwe Verbond. In het Damascusgeschrift wordt eerst een opmerking gemaakt over het zondige verleden (ook) van de zonen van Noach en het nieuwe begin dat met Abraham een aanvang nam. Genoemd worden: ontucht, rijkdom en verontreiniging van het heiligdom (Damascusgeschrift IV,15-20).

Vervolgens worden een aantal gedragsregels gegeven voor een rechtvaardige levenshouding: zich verre te houden van de mannen des verderfs; zich te onthouden van de onreine weelde der verdorvenheid, (verkregen uit geloften en votiefgeschenken om zich zo de rijkdom van het heiligdom toe te eigenen; de arme van Zijn volk niet te beroven; niet toe te laten dat weduwen hun prooi worden en zij de wezen vermoorden; onderscheid te maken tussen onrein en rein; de mensen het verschil bij te brengen tussen heilig en profaan; de sjabbat te houden overeenkomstig de bepalingen en de feestgetijden en vastendagen, overeenkomstig hetgeen besloten is door hen die tot het Nieuwe Verbond in het land van Damascus toegetreden zijn.27

Het is overigens de vraag of wij hier echt te maken hebben met regels voor noachiden dan wel met de regels die golden binnen een groepering die zich afgescheiden hadden van de hoofdstroom van het jodendom en die als eis werden gesteld aan hen die tot die groepering wensten toe te treden.

Een zesde bron vormt de Midrasj. In Beresjiet Rabba XXXIV,8 wordt gezegd dat de kinderen van Noach zich voor zeven zaken dienen te hoeden: afgodendienst, incest, moord, vervloeking van de Goddelijke Naam (godslastering), (geen) wetten voor de burgers (in te stellen), en te eten van een lid dat is afgereten van een levend dier. Er wordt aan toegevoegd dat volgens Rabbi Chanina ook het eten van bloed van een levend dier is verboden; volgens Rabbi L’azar ook kruisbevruchting. En Rabbi Simeon zei: ook tovenarij. Rabbi jochanan zel: ook castratie. Rabbi Issi (Assi) zei: de kinderen van Noach hebben zich te houden aan de volgende passage: Onder u zal er niemand worden aangetroffen, die zijn zoon of dochter door het vuur doet gaan, enz. (Deut. 18:10-11). Een vergelijkbare opsomming is te vinden in de Midrasj Sifra, een midrasj verzameling op Leviticus (Sifra, Lev. 18:4).

Een zevende bron tenslotte, is weer te vinden in de Talmoed. Overigens wordt hier niet uitdrukkelijk over voorschriften voor noachiden gesproken. Het gaat echter wel om verwante richtlijnen. In het traktaat Joma staat:

‘Onze rabbijnen leerden: mijn verordeningen zult gij volbrengen (Lev. 18:4); dit zijn die voorschriften die, als ze niet zouden zijn opgeschreven, eigenlijk opgeschreven hadden moeten worden; dit zijn ze: (de voorschriften die betreffen) afgodendienst (aanbidding van hemellichamen), onzedelijke handelingen en bloedvergieten, diefstal en godslastering’. (bJoma 67b).

Wat in de verschillende kolommen als ontucht danwel als incest wordt weergegeven wordt in de bronnen in het algemeen weergegeven als ‘gilloej arajot’ of kortweg ‘arajot’.

‘Gllloej’ betekent ‘ontbloting’ en ‘arajot’ is meervoud van ‘erwa’ dat geslachtsdeel’ betekent. ‘Gilloej arajot’ is de technische term voor alle verboden sexuele handelingen. Het omvat zo alle verboden relaties en dus ook incest en ontucht.28

Op basis van ons onderzoek zijn de voorschriften die na het zevende voorschrift in de verschillende kolommen worden vermeld naar ons oordeel geen variante mogelijkheden, die de verschillende tradenten hebben voorgedragen, maar deelaspecten van het zevende voorschrift.

6. Afleidingen

De noachidische voorschriften waar de rabbijnse traditie over spreekt hebben een geschiedenis en ontwikkeling doorgemaakt. De oudste vorm ervan is wellicht reeds in de Thora te vinden, namelijk in Genesis 9:1-7.

De rabbijnen merken op dat zes van de zeven voorschriften reeds aan Adam geopenbaard zijn. (Beresjiet Rabba XVI,6; XXIV,5). De zevende richtlijn, het verbod van het eten van vlees dat is afgescheurd van een levend dier, kan eerst bekend zijn gemaakt aan Noach. (id., XXXIV,8).

Voorafgaand aan de grote vloed was het eten van vlees geheel en al verboden. De midrasj vertelt verder dat Abraham vandoen kreeg met acht voorschriften (de besnijdenis), Jacob met negen (het verbod van het eten van de lendespier) en het volk Israël tenslotte met alle (Sjemot Rabba XXX,9).

In Mara (zle Ex. 15:25), zegt de Talmoed, kregen de Israëlieten tien voorschriften. Zeven ervan waren reeds door de nakomelingen van Noach geaccepteerd. In Mara werden toegevoegd: de instelling van sociale wetten en de sjabbat en de plicht de ouders re eren. De toevoeging was nodig vanwege de ordening van het leven en vanwege een goede rechtsorde (bSanhedrin 56b).

De Amora’lm (Talmoedische wijzen in de derde tot de zesde eeuw) vroegen zich af waarom bepaalde voorschriften wel en anderen niet zijn genoemd, zoals de plicht tot voortplanting, de besnijdenis en het verbod van het eten van de lendespier. Immers, zo redeneerden zij, dit zijn toch ook wetten uit de tijd van voor Sinaï. Als verklaring gaven zij dat de afwezigheid van het voorschrift van de besnijdenis en van het verbod van het eten van de lendespier voortkomt uit het feit dat het voor-Slnaïtische regels zijn die niet zijn herhaald op Sinaï en dat de regels die niet zijn herhaald van die tijd af slechts geldig zijn voor joden (bSanhedrin 59ab).31 Voortplanting is volgens Rabbi Jochanan (bar Nappacha, Pal.-279) ook een plicht voor niet-joden (bJevamot 62a;vgl. Gen. 9: 1), maar deze regel is desondanks niet opgenomen bij de noachidische voorschriften.

De noachidische voorschriften, zoals zij uiteindelijk worden opgevat als zeven in getal, moet men niet opvatten als enkelvoudige geboden, maar als hoofdgroepen van voorschriften. Het zijn randvoorwaarden voor waarachtig menselijk leven, merkt Whitlau op.

Uit ledere categorie kunnen weer meerdere gedetailleerde voorschriften worden afgeleid.32 Dit zou naar onze mening het onderwerp moeten zijn van een noachidische jurisprudentie, een taak van op dit terrein geschoolde halachisten. In een van de volgende hoofdstukken willen wij proberen ons alvast een beeld te vormen van wat die zeven hoofdgroepen in concreto zouden kunnen inhouden.

In de Babylonische talmoed, in het traktaat Choellin 92ab, wordt een aantal van 30 voor de noachidische voorschriften genoemd. Wij komen hierop later nog terug. Wellicht hebben we daar te maken met een herinnering aan de mogelijkheid van een jurisprudentiële differentiëring en verfijnlng van de zeven noachidische voorschriften. Het zou kunnen zijn dat wij in de 613 mitswot die aan Israël zijn geschonken, aanwijzingen kunnen vinden voor een dergelijke differentiëring en onderverdeling van de hoofdgroepen in subgroepen en specifieke enkelvoudige mitswot voor noachiden. Wij’ zullen daar in hoofdstuk 4 en volgende proberen een beeld van te krijgen.

Aantekeningen

15. Talmoed-passages, waarin direct of indirect wordt gesproken over de noachidische voorschriften of over de zonen van Noach: Eroevin 62a; joma 67b; jevamot 47b, 48b (2x), 62a; Baba Kamma 92a; Baba Metsia 90b; Sanhedrin 56ab, 57ab, 58b, 59ab, 74b; Avoda Zara 2b, 3a, 5b, 6b, 15a, 24b, 51a, 64b, 71b, 72a; Horajot 8b; Makkot 9ab; Choelhn 90a, 91a, 92ab, 100b, 101b, 102ab, 114b, 121b, 129ab.

16. Guttmann, M., Das Judentum und seine Umwelt. Eine Darstellung der religibsen und rechtlichen Bezichungen zwlschen juden und Nicht-juden mit besonderer Beriicksichtigung der talmudischen rabbinischen Quellen 1, Berlin, Philo Verlag 1927, p100.

17. m – Misjna. Het oudste deel van de Talmoed, ook apart uitgegeven. De hoofdstukken worden met romeinse cijfers aangegeven, de aparte uitspraken (misjna’ot – enkelvoud: mlsj’na) worden aangegeven met Arabische cijfers, bijvoorbeeld: Toharot 1,3. Overigens bevat de misjna Toharot 1,3 cen indirecte, voor ons verder niet van belang zijnde verwijzing met betrekking tot noachiden.

18. Zuldema, Willem, Op zoek naar Tora; verkenningen in de rabbijnse traditie. Baarn, Ten Have 1986, p125-126.

19. t – Tosefta. Apart uitgegeven commentaren van de Tanna’im (Schriftgeleerden) in verband met de Misjna. Guttmann, a.w., 99; Berman, a.w., 12:1190.

20. Flusser, David und Shmuel Safrai, Das Aposteldekret und die Noachitischen Gebote. In: E. Brocke und H.J. Barkenings (Hrsg.) Wer Tora Vermehrt Mehrt Leben. Heinz Kremers zum 60. Geburtstag. Neukirchen, Neukirchener Verlag 1986, p173-195, hier p100. Zie ook Boon, R., Messlaanse gemeenschap in eschatologisch perspectief. In: Ter Herkenning 14/1986/1, p16-30.

21. Flusser-Safrai, a.w., p174-175.

22. Flusser-Safrai, a.w., p178-182,186.

23. Flusser-Safrai, a.w., p175.

24. Flusser-Safrai, a.w., p186.

25. Berman, a.w., 12:1190.

26. Guttmann, a.w., p105.

27. Flusser-Safral, a.w., p183; voorts: Damascusgeschrift, in: H.A. Brongers (vert.), De Gedragsregels der Qoemraan-gemeente. Amsterdam, Proost & Brandt 1958, p19-58, hier: p15-19.

28. Cohn, EJ 14:1207ev.

29. Zie daartoe hieronder hoofdstuk 7G.

30. Berman, a.w., 12:1190; Leibowitz, a.w., 76-77.

Volgens sommige autoriteiten zou het Adam wel toegestaan zijn geweest vlees te eten maar niet zelf te slachten. Wat dus al dood was, door een ongeluk of door een wild dier, mocht hij opeten. Is dit een herinnering aan een tijd dat de mens ook aas at?

31. Berman, a.w., 12:1191.

32. Whitlaul Willem, Over de Noachitische geboden. In: Levend joods Geloof 33/8, Tammoez 5747-juni/juli 1987, 17-18. Zie voor een uitwerking in deze zin: Lichtenstein, Aaron, The Seven Laws of Noah (1981) en: Clorfene, Chaim, and Rogalsky, Yakov, The path of the Righteous Gentile (1987).

DE ZEVEN NOACHIDISCHE GEBODEN HOOFDSTUK 2a

DE ZEVEN NOACHIDISCHE GEBODEN

VOORAFGAANDE AFLEVERINGEN, INLEIDING +HOOFDSTUK 1, ZIE ONZE WEBSITE www.bethhamidrash.org ONDER STUDIES.

HOOFDSTUK 2a

De noachidische voorschriften als levensoriëntatie

(een inventarisatie)

1. De geboden voor de ‘zonen van Noach’

In de inleiding hebben we gesproken over noachidische geboden, noachidische opdrachten, noachidische voorschriften of regels en noachidische richtlijnen. Enige terminologische opheldering is op zijn plaats. Overigens wordt niet alleen het woord noachidisch gebruikt, maar ook – hoewel taalkundig minder juist – noachitisch. Het gaat tenslotte – hoe mythisch dit ook moge zijn – om de ‘nakomelingschap’ van Noach en een ‘noachide’ is een op het grieks gebaseerde aanduiding van een ‘zoon -’ of ‘nakomeling van Noach’. Terwijl ‘noachitisch’ eerder de indruk wekt als zou het gaan om een volks-, een cultuur- of een stamverband. In de term ‘noachide’ wordt de mens aangesproken op zijn gemeenschappelijke afkomst, op het gemeenschappelijke in alle mensen, en niet op een toebehoren tot een beweging of sectie.

In de Talmoed wordt gesproken van de ‘mitswot b’nee Noach’, de opdrachten of geboden van de zonen van Noach.

Het woord ‘mitswa’ (meervoud mitswot) betekent zoveel als (goddelijke) opdracht. Het is een in de Thora beschreven verplichting voor de jood, een gebod waarvan wordt verwacht dat de jood het uitvoert. Zo is het een mitswa een zieke te bezoeken. Het woord ‘benee’ is afkomstig van ‘ben’ dat zoon betekent. Vandaaruit heeft het ook de betekenis van kind en van nakomeling en kan het de betekenis krijgen van lid van een beweging of groepering en van volgeling. Bekeken vanuit de bijbelse geschiedenis horen zowel de joden als de niet-joden tot de zonen van Noach.

Allen zijn we nakomelingen van Noach.1 In de Talmoed wordt dit bijvoorbeeld erkend wanneer over de zonen van Jacob wordt gesproken als ‘zonen van Noach’. (‘b’nee Noach’: bChoellin 100b).

Eerst de gebeurtenissen in Sinaï met het schenken van de Thora en de acceptatie ervan door de Hebreeën hebben dit volk gemaakt tot het verbondsvolk Israël. Sindsdien neemt het Volk Israël een aparte positie in temidden van de geslachten van Noach en daarmee in de geschiedenis van de mensheid.

In Genesis 6:9ev dat handelt over de geslachten van Noach wordt in de letterlijke betekenis van het woord over de zonen van Noach’ gesproken. Er staat daar onder andere: ‘En Noach verwekte drie zonen: Sjem, Cham en Jafet’. De vraag is of, als wordt gesproken over de geboden van de zonen van Noach, (ook) deze drie zonen worden bedoeld. Het antwoord is bevestigend, maar de uitdrukking is tegelijk veel meer omvattend: de geboden van de zonen van Noach hebben immers betrekking op de gehele nakomelingschap van Noach en de gehele mensheid wordt geacht tot die nakomelingschap te behoren. Het gaat dus om voorschriften met een universele betekenis. De extra dimensie is echter dat de geschiedenis van de geslachten van Noach begint met een beschrijving van Noachs rechtvaardigheid (Gen 6:9). Eerst daarna acht de Thora het van belang te spreken over de zonen van Noach (Gen 6: 1 0). Dit betekent dat rechtvaardigheid behoort tot de geslachten van Noach. Niet dat iedereen rechtvaardig is. Zelfs de zonen van Noach handelden niet altijd juist. Maar de mogelijkheid en dienovereenkomstig de opdracht tot rechtvaardig handelen is aanwezig.

De Midrasj Tanchoema ontleent aan het feit dat Noach beschreven wordt als een rechtvaardig man vóórdat zijn zonen worden genoemd, de gedachte dat van een mens die geen zonen maar wel goede daden heeft diens goede daden (ma’asim tovim) zijn werkelijke nakomelingschap zijn. En de Midrasj gaat nog verder door Noachs rechtvaardigheid door te trekken naar zijn nakomelingen, zodat men kan zeggen: Rechtvaardigheid is de werkelijke nakomelingschap van Noach.2

Een andere Midrasj verwijst naar Spreuken 11:13, waar staat: ‘De vrucht van de rechtvaardigen is een boom des levens’. De vraag wordt gesteld: wat is de vrucht van de rechtvaardige? De Midrasj antwoordt: leven, religieuze handelingen en goede daden.3

Noach was, legt de Talmoed uit, rechtvaardig in zijn daden en volmaakt in zijn eigenschappen (bAvoda Zara 6a). Overigens moet men aan deze kwalificaties geen absolute, statische betekenis toekennen, maar moet men ze relateren aan de situatie. ‘In zijn generatie, die zeer verdorven was, sprong Noach er in positieve zin uit.’ En ook zelfs dat kan nog in minder positieve zin worden uitgelegd: ‘Was hij in een andere generatie geboren, die minder verdorven was, dan zou hij er niet uitgesprongen zijn’ (Midrasj Tanchoema-Buber).4

2. Een noachide is een rechtvaardige

Rechtvaardigheid behoort dus tot de primaire nakomelingschap van Noach. Met Noach en zijn nakomelingschap begint de persoon van de noachide gestalte te krijgen. Het begrip ‘ben Noach’,’noachide’ begint een ideële meerwaarde te krijgen. Met de ‘zonen van Noach’ worden de ‘b’nee Noach’, de noachiden bedoeld, d.w.z. degenen die zich aan een bepaalde code houden en door rechtvaardig te handelen uitsteken boven hun omgeving. Aanvankelijk gaat het nog om rechtvaardigen onder alle mensen, naderhand, sinds het joodse volk door de gebeurtenissen in Sinaï een ‘status aparte’ heeft gekregen, worden met noachiden of zonen van Noach de Godvrezenden onder de heidenen bedoeld (bAvoda Zara 51 a). Een vreemdeling die zijn oude heidense levenswijze – afgodendienst in de ogen van de joden – heeft afgezworen, wordt een ‘zoon van Noach’ genoemd (bMakkot 9a).

Wij zouden het voorlopig zo kunnen formuleren: Een noachide is dus een niet-jood die niet alleen rechtvaardig leeft, maar die ook een oriëntatie in zijn leven heeft gevonden. Een noachide is iemand die de Thora en de traditie tot uitgangspunt en richtlijn voor zijn leven heeft genomen. De rechtvaardige levenswijze wordt ondersteund door studie van de Thora en de joodse traditie. De Thora en – sinds haar ontstaan – de joods traditie vormen dus de levensoriëntatie van de noachide.

In het voorgaande is impliciet ook de relatie van joden met niet-joden aan de orde. Het jodendom heeft zich sterk bezonnen op zijn relaties met de niet-joodse wereld. Het heeft echter nooit de behoefte gehad zijn visies op missionaire wijze uit te dragen. Aan de andere kant dwong zowel het leven onder niet-’oden in de diaspora als het leven in eigen land tezamen met niet-joden van ver voor het begin van onze jaartelling tot in de jongste tijd het jodendom zich rekenschap te geven van die relaties. Die konden naar gelang van de groepering waar deze niet-joden deel van uitmaakten nogal van kwaliteit verschillen. Het had dus zin zich in die verschillen te verdiepen. Een noachide, d.w.z. een ‘ben Noach’ (zoon van Noach), was in het oude Israël een ‘geer-tosjav’, een inwonen vreemdeling: (bAvoda Zara 64b; vgl. Lev. 25:35 en bChoellin 114b).5 De noachidische voorschriften werden geacht van toepassing te zijn voor de heidenen (= niet-Joden) die destijds woonden in het land Israël en zich in hun levenswijze lieten leiden door de opvattingen van de Thora en de traditie. Naderhand werd de term ‘ben Noach’ ook gebruikt voor anderen (buiten Israël) die leefden overeenkomstig de zeven voorschriften. Noachiden zijn dus blijkbaar onder meer mensen die zich met het jodendom verwant voel(d)en. De minimum verplichting bestond hierin dat zij de geboden hielden die de zonen van Noach op zich hadden genomen.

Het houden van de noachidische geboden werd beschouwd als een minimum-voorwaarde wanneer men juridisch (halachisch) erkend wilde worden als zoon van Noach. Deze erkenning vond plaats doordat de niet-jood voor een joods gerechtshof van drie leden verklaarde zich niet met afgodendienst af te geven.6 Een noachide valt, zo is in de Talmoed de opvatting van Rabbi Meir (Tann. rond 150), onder de jurisdictie van de joodse traditie. Maar de ‘wijzen’, aanduiding voor de tannaïetische geleerden (tot 200) waren het niet met Rabbi Meir eens en namen een minder streng standpunt in dan Rabbi Meir. Zij stelden dat een noachide iemand is die de zeven opdrachten op zich heeft genomen (bAvoda Zara 64b). En het standpunt van de ‘wijzen’ is bepalend.

Het strengere standpunt is mogelijk het gevolg van bittere ervaringen die men had opgedaan met proselieten en inwonende vreemdelingen die al te gemakkelijk de weg naar het Christendom hadden gevonden.

De uitdrukking zonen van Noach of noachiden is voor de rabbijnen de terminus technicus geworden die betrekking heeft op de als zodanig halachisch erkende rechtvaardigen onder de niet-joden (oorspronkelijk de gerim-tosjavim, noachiden in strikte zin). De uitdrukking wordt in ruime zin ook gebruikt voor alle mensen die zichzelf als rechtvaardigen beschouwen. Belde groepen moeten echter onderscheiden worden van de ‘geree tsédeq’, de ‘rechtvaardige vreemdelingen’, d.w.z. diegenen die halachisch als jood worden beschouwd.7

3. Drie categorieën niet-joden

Volgens de jongste halachische jurisprudentie8, die zich overigens baseert op de grote autoriteiten van het verleden, dient men te onderscheiden tussen drie typen van niet-joden: de geer-tosjav, de noachide en de afgodendienaar.

1. De geer-tosjav, de ‘in- of bijwonende vreemdeling’. Het woord ‘geer’ wordt niet helemaal terecht ook wel eens met ‘proseliet’, d.w.z. ‘hij’ die naderbij komt’, vertaald. Een proseliet is iemand die tot het jodendom toetreedt. Volgens de Halacha is zo iemand een jood. (vgl. bJevamot 48b). In zekere, maar zeer beperkte mate is dat maar het geval met de geer-tosjav. Hij blijft niet-jood, maar hij neemt officieel voor een rabbinaal gerechtshof de verplichting op zich naar de zeven noachidische geboden te leven.9 Hij wordt dus met betrekking tot de naleving van deze geboden beschouwd ‘alsof’ hij een jood is, maar niet met betrekking tot de overige van de 613 mitswot. Maimonides (Mosje ben Maimon, 1135~1204) in zijn Misjnë Thora, Hilchot Melachim Regels voor Koningen) 8: 1 1 zegt: leder die de zeven geboden op zich neemt en zich erop richt ze te houden hoort tot de vromen uit de volkerenwereld (Chassidei Oemot ha’Olam) en hij heeft deel aan de toekomstige wereld; dit wil zeggen dat hij ze op zich neemt en ze doet omdat God ze in de Thora bevolen heeft en ons heeft bekend gemaakt aan Mozes onze leraar omdat ze aan de zonen van Noach altijd al bevolen zijn. Maar als hij ze doet op grond van logische overweging, dan is hij niet slechts een geer tosjav en evenmin een van de vromen uit de volkerenwereld, maar zelfs een van hun wijzen.10 ” Volgens Rasji (naar de beginletters van zijn naam Rabbi Sjlomo ben Jitzchaq, 1040-1105) op bAvoda Zara 64b is de geer~tosjav verplicht de shabbat te onderhouden. Volgens Rabbi Aqiva (ong. 50-135) in bkeritot 9a is een geer-tosjav niet verplicht de shabbat te onderhouden. Volgens Rabbi Jeroecham Perlow bedoelt Rabbi Aqiva daarmee dat hij slechts verplicht is op shabbat die dingen na te leven waartoe een jood verplicht is op de zogenaamde ‘Chol haMo’ed’, de weekdagen van een feest.11 In Israël betekent dit dat er ruimte ontstaat voor niet-joden om op shabbat toch bepaalde werkzaamheden te doen en bijvoorbeeld op zondag niet te werken.

2. De ben-noach, de ‘zoon van Noach’ oftewel de noachide. Dit is degene die wel de zeven noachidische voorschriften onderhoudt maar zich daar niet officieel toe verplicht heeft door middel van een verklaring voor een rabbijnse rechtbank. Noachiden zijn geen afgodendienaars, maar zij hebben zich aan de andere kant ook niet formeel voor een rabbijnse rechtbank verplicht tot de naleving van de noachidische geboden en staan dus niet onder rabbijnse jurisdictie. Volgens sommige Thora-autoriteiten mogen noachiden bepaalde voorschriften niet naleven, omdat ze specifiek alleen maar voor Israël gelden:

a. De sjabbat houden zoals de joden die houden;

b. De joodse feestdagen vieren zoals joden dat doen;

c. De Thora bestuderen op die punten die niet van toepassing zijn op de noachiden;

d. Het schrijven van een Thorarol, of het opgeroepen worden voor de Thora;

c. Vervaardigen, schrijven of dragen van gebedsriemen;

f. Bevestigen van een Mezoeza aan hun deurposten of zijkanten van hun poorten.12

3. De ovdei avoda zara, ‘degenen die avoda zara (= afgodendienst) plegen’, kortweg afgodendienaars. Een afgodendienaar is iemand die aan enig menselijk wezen of natuurverschijnsel goddelijke eer bewijst. jezus is voor joden een mens. Hem goddelijke eer bewijzen staat dus gelijk aan afgoderij. Toch wordt in het jodendom deze conclusie niet algemeen getrokken.

Er wordt namelijk onderscheid gemaakt tussen avoda zara (afgodendienst) en sjittoef (polytheïsme of samenwerking; hier: het associëren van God met een sterfelijk wezen). Maimonides die leefde in een moslim-omgeving is zeer streng op dit punt. Christenen zijn volgens hem afgodendienaars, maar de moslims, die immers streng monotheïstisch zijn, niet.13 Meïri (Menachem Ben Silomo Meïri, 1249-1316) die in een christelijke omgeving leefde, is veel gematigder. Volgens hem is sjittoef geen afgoderij. Volgens Maimonides, zo is de consequentie van diens opvatting, mag men de shabbat niet ontheiligen om het leven van een christen te redden, volgens Meïri wel. De laatste stelt de christenen bijna gelijk aan de gerim-tosjavim.14

Toch gaat Maimonides in de praktijk niet zover dat hij hulp aan christenen uitsluit. In zijn Misjné Thora, Hilchot Melachim (= Regels voor de Koningen) 10, 12 stelt hij op basis van bGittin 61a dat men vanwege de ‘darkei sjalom’ Wegen des Vredes, vreedzame coëxistentie) de zieken van de afgodendienaars moet verzorgen, hun doden begraven en hun armen moet helpen.

4. Verfijningen in de onderscheidingen

De onderscheidingen die wij hierboven getekend hebben, worden in de halachische jurisprudentie nog verfijnd doordat men de bepaling of een niet-jood in een bepaalde categorie ondergebracht moet worden, relateert aan bepaalde verboden en geboden die aan het jodendom zijn opgelegd met betrekking tot hun verhouding tot niet-joden. Bijvoorbeeld: mag men wijn kopen van een niet jood? Een jood mag wel wijn verhandelen met een moslim, omdat een moslim met betrekking tot wijn geldt als een geer-tosjav. Een moslim mag ook tussen joden wonen (‘verblijf’) om dezelfde reden. Dergelijke detailleringen hebben in het verleden vreedzame coëxistentie in het land Israël mogelijk gemaakt.

Het is interessant dat het collectieve engagement met betrekking tot de Tien Geboden in de christelijke wereld soms bijna de Juridische waarde krijgt van een officiële verklaring voor een rabbinaal gerechtshof, dit ondanks het feit dat zij volgens de rabbinale jurisprudentie eigenlijk niet het recht hebben de eerste drie geboden (in de rabbijnse telling) als op zichzelf betrekking hebbend te onderhouden.

Toch zijn er (ook nu nog) stemmen die zeggen dat christenen met betrekking tot ‘wijn’ en tot ‘verblijf’ de status hebben van afgodendienaars.

Aantekeningen

1.Vgl. ook de verklaringen van Rasji op bAvoda Zara 5 1 a. Met betrekking tot wijze van citeren van beide talmoedim zij verwezen naar aantekening 1 van de inleiding.

2. Midrasj Tanchoema (ed. Lublin 1893), parasjat Noach II, 8b; zie: Zlotowitz, Rabbi Meir & Scherman, Rabbi Nossom, A traditional commentary on the Books of the Bible. Artscroll Series, Vol.I, Bereshis. New York, Mesorah Publications Ltd., 1977, p222. Hier verder aan te halen als ‘Artscroll’. Vgl. ook: Leibowitz, Nehama, Studies in Bereshit (Genesis). Jerusalem, World Zionist Organisation, Department for Torah Education & Culture in the Diaspora, 1976, p59-66.

3. Beresjiet Rabba XXX,6. – De Midras’ Rabba bestaat uit een verzameling aggadische (= verhalende) literatuur op de vijf boeken van de Tora (Beres)’let, Sjemot, Waj’jiqra, Bamidbar, Devarim) en op de vijf Megillot (de zgn. ‘rollen’: Roct, Ester, Sjier hasjlerim, Kohelet, Eecha).

4. Midrasj Tanchoema, ed. Buber, Wilna, z.’., Repr. Jerusalem 1964, p31; vgl. Artscroll, p222-224.

5. Op deze talmoedplaatsen is echter geen sprake van de technische term ‘Ben Noach’, (noachide). Wel is sprake van ‘geer’ (vreemdeling), kennelijk in de zin van ‘geer- tosjav’ (inwonende of bijwonende vreemdeling van niet-joodse huize, en dus noachide).

6. Flusser, David, Het schisma tussen jodendom en Christendom. In: id., Tussen oorsprong en schisma. Artikelen over jezus, het jodendom en het vroege christendom. B. Folkertsma-stichting voor Talmudica. Hilversum 1978 4, p327; Elke Morgen Nieuw. Inleiding tot de joodse gedachtenwereld aan de hand van het Achttiengebed. B. Folkertsma- stichting voor Talmudica. Hilversum 1978, p277.

7. Berman, Encyclopaedia Judaica. Keter Publishing House. Jerusalem 19784. Artikel van Saul Berman, in dl 12, p1190/91, hierna geciteerd: 12:1190/91.

8. Gershuni, Yehuda, Minority Rights in Isra21. In: Crossroads, Halacha and the Modern World. Zomet, Torah and Science Research Teams, Alon Shvut-Gush Etzion. Jerusalem 1987, p19-34.

9. Rabbi jomtov ben Avraham Isibili (Spanje, 1250-1330), de Ritva, in zl’n kommentaar op bMakkot 9a).

10. Aldus R. Avraham van Wllna, geciteerd door Gershuni, a.w..

11. In: Sefer hamitswot leRasag, Mitswot As@ 35~37.

12. Vgl. Clorfene & Rogalsky, p41,42; zie hieronder aantekening 31.

13. In: Mlsj’n6 Tora, Hilchot Avoda Zara (= Regels met betrekking tot afgodendienst).

14. M6iri, geciteerd door Gershuni, a.w..

HOOFDSTUK 1B

DE ZEVEN NOACHIDISCHE GEBODEN

VOORAFGAANDE AFLEVERINGEN, INLEIDING 1+2 + HOOFDSTUK 1a ZIE ONZE WEBSITE www.bethhamidrash.org ONDER STUDIES.

HOOFDSTUK 1B

7. Prometheusen Adam

Hoe groot het verschil in fundamentele attitude is met betrekking tot mens en de wereld tussen joodse traditie enerzijds en de op het griekse denken gebaseerde westelijke wetenschap anderzijds moge blijken ult enkele verhalen uit de griekse mythologie en in contrast daarmee uit de bijbel. Door de vergelijking van die verhalen wordt ook duidelijk welke houding men vanuit de Halacha zou kunnen aannemen ten opzichte van wat de griekse cultuur ‘hubris’, overmoed, heeft genoemd.

Een klassiek verhaal uit de griekse mythologie is dat van Prometheus. Prometheus en Epimetheus waren broers. Prometheus betekent zoveel als ‘die vooruitdenkt’, Epimetheus ‘die achteraf denkt’. Prometheus en Epimetheus waren de zonen van Titan, die tegen Zeus gestreden had. Prometheus was de mensen goedgezind en wilde hun het vuur verschaffen dat Zeus de mensen onthouden had omdat hij en zijn broer onder hen leefden. Hij steelt het vuur in een rietstengel. Zeus is razend. Hij stuurt Pandora met een doos met onheilen naar Epimetheus, die weliswaar gewaarschuwd was door zijn broer geen geschenken aan te nemen maar voor haar charmes bezwijkt. Hij neemt Pandora bij, zich in huis. Maar Pandora is nieuwsgierig: zij kijkt stiekem in de doos en alle onheilen, ziekten en rampen stormen eruit en verbreiden zich onder de mensen. Alleen de hoop bleef in de doos. Prometheus wordt voor straf aan de Kaukasus geketend en op gruwelijke manier gemarteld. Elke dag wordt zijn lever door een adelaar uit zijn lijf gescheurd, elke nacht groeit die weer aan.

Het verhaal is ontleend aan de griekse dichter Hesiodos en is duidelijk een uitgewerkte metafoor. Prometheus en Epimetheus zijn typologieën van de mensheid. Prometheus is het type van de geleerde, de wetenschapsman; Epimetheus van de mens die te laat nadenkt of helemaal met nadenkt bij wat hij doet, de zorgeloze mens. Pandora is het type van de bevallige, nieuwsgierige vrouw, maar ook van de mens die zich door geheimen tot onderzoek uitgedaagd voelt. Samen vertonen zij trekken die aan de mensheid eigen zijn. Wat in het verhaal van Hesiodos, zoals in vele griekse mythen, opvalt is de vijandschap tussen goden en mensen. De goden staan voor de natuur, maar ook voor de kosmische krachten. Vuur staat voor cultuur. Cultuur is datgene wat de mens op de chaos verovert. Maar met dat de mens zijn veroveringen doet groeit in hem de onzekerheid of hij dat wel mag. Hij voelt zich bedreigd. Hij beleeft de kosmische krachten, de krachten van de natuur als afgunstig. Zeus is de vader der goden, maar ook de projectie van alles waarvoor de mens in een in koortsfantasieën eindeloos uitgegroeide vaderfiguur bang is. Hij vertegenwoordigt de WET die de mens beperkt, waaraan de mens zich kan onderwerpen of waartegen hij in opstand kan komen wil hij uitgroeien tot volwassenheld. Maar dat kan vader Zeus – in de kinderlijk narcistische beleving van de mythenverteller – niet tolereren. Hij straft de menselijke overmoed op genadeloos wrede wijze.

Want het is in de griekse visie ‘hubris’, overmoed om het geluk, het succes of de kundigheld van de goden te benaderen. Nemesis, de wraakgodin is de personificatie van de wraakzucht van de goden als een mens te gelukkig, te succesvol of te kundig wordt. Een totaal ander beeld treffen wij aan in de bijbel. In de eerste plaats ontbreekt hier ten enenmale die afgunst en die vijandschap van de goden ten opzichte van de mensen die zo sterk aanwezig is in de griekse mythe. Maar er is een tweede aspect dat hier voor een goed verstaan van waar het in de halacha om gaat, aan de orde moet komen, een aspect dat te maken heeft met het westers-christelijke verstaan van de scheppingsverhalen.

De negentiende-eeuwse christelijke exegese heeft bedacht dat het boek Genesis ult verschillende bronnen moet samengesteld zijn, enerzijds vanwege het voorkomen van verschillende godsnamen in verschillende verhalen anderzijds doordat er hier en daar parallelle verhalen voorkomen. Zo worden vergelijkbare verhalen verteld over Abraham en over Isaak. En zo zijn er ook twee scheppingsverhalen. Bovendien komt in het zo-genaamde eerste scheppingsverhaal uit Gen 1 de godsnaam ELOHIM ( spreek uit ELOKIM, bhm) voor, in het tweede de combinatie JHWH ELOHIM (spreek uit: Adonaj ELOHIM) (spreek uit: HASHEM ELOKIM, bhm). Dat er twee scheppingsverhalen zijn was de rabbijnen ook al opgevallen, dat de godsnamen erin verschillen ook. Maar is het dan nodig een ‘scheikundige behandeling’ in de zin ‘van een bronnentheorie’ erop toe te passen?

De rabbijnse traditie kent de exegetische formule: ‘davar acheer’, ‘een andere zaak’ of ‘een andere benadering’. Als er van een bepaalde tekst meer dan een uitleg bestaat dan worden de ‘andere benaderingen’ of variante uitleggingen opgevoerd met de woorden ‘davar acheer’. Maar rabbijnse technieken en methoden zijn niet zomaar uit de lucht komen vallen. Zij hebben een lange voorgeschiedenis in de bijbel. 9

Het is heel goed mogelijk dat wij in Genesis 1 en 2 een voorbeeld voor ons hebben van wat in later tijd met ‘davar acheer’ aangeduid zou worden.In feite biedt een grote orthodoxe rabbijnse autoriteit uit onze dagen, Rav Joseph Baer Soloveitchik ult de Verenigde Staten ons in een opstel ‘De eenzame gelovige’ (The lonely man of faith) 10 een dergelijke interpretatie van beide scheppingsverhalen. Hij windt er geen doekjes om: er is sprake van twee verschillende scheppingsverhalen. Hij historiseert de verhalen niet en hij speelt ze niet uit tegen deontwikkelingen in de wetenschap. Hij verklaart met zoveel woorden: ‘Ik ben nooit ernstig verontrust geweest door het vraagstuk van de bijbels scheppingsleer versus het wetenschappelijke verhaal van de evolutie op zowel kosmisch als organisch niveau. 11Beide verhalen hebben hun eigen functie en betekenis. Het gaat om een tweevoudige typologie van de mens. Wat Soloveitchik in feite doe is belde verhalen als metaforen Iezen, waarbij ‘teken’ en ‘betekende’ niet persé hoeven samen te vallen en meestentijds niet samenvallen. Het teken verwijst naar het betekende.12

Adam verwijst naar ons. Wat in Adam leeft, leeft in ons. Soloveitchik spreekt over ‘Adam de eerste’ en ‘Adam de tweede’ en laat zelfs zien dat ook het gebruik van de verschillende godsnamen volledig functioneel is. Het gaat in het eerste scheppingsverhaal om een ander aspect van de mens dan in het tweede.

Gen 1:26-28:

En ELOHIM zei: Laat Ons een mens maken naar Ons beeld en Onze gelijkenis en zij zullen heersen over de vissen der zee en over het gevogelte van de hemel en over het vee en over de hele aarde en over al het kruipend gedierte dat op de aarde kruipt. En ELOHIM schiep de mens naar Zijn beeld, naar het beeld van ELOHIM schiep Hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen. En ELOHIM zegende hen en ELOHIM sprak tot hen: Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u en vervult de aarde en verovert haar en heerst over de vissen der zee en over het gevogelte van de hemel en over al het wild gedierte dat kruipt over de aarde.

Gen 2:7:

En JHWH (spreek uit: Adonaj) ELOHIM boetseerde de mens uit stof van de aardbodem en Hij blies in zijn neusgaten de levensadem en de mens werd tot een levend wezen.

Gen 2:15:

En JHWH ELOHIM nam de mens en plaatste hem in de hof van Eden om die te dienen (bewerken) en te onderhouden (bewaren).

Gen 2:18-22:

En JHWH ELOHIM zei: Het is niet goed dat de mens alleen is; Ik zal voor hem een hulp tegenover hem maken. En JHWH ELOHIM boetseerde uit de aardbodem al het wild gedierte van het veld en al het gevogelte van de hemel en hij bracht ze tot de mens om te zien hoe hij die ging noemen. En zoals de mens elk levend wezen zou noemen zo zou diens naam zijn.

Maar voor zichzelf vond hij geen hulp tegenover hem. Toen deed JHWH een diepe slaap op de mens vallen en toen hij sliep nam Hij een van zijn ribben (of: zijden) en sloot de plaats ervan met vlees. En JHWH ELOHIM bouwde de rib (of: zijde) die Hij van de mens genomen had tot een vrouw en Hij bracht haar tot de mens.( …)

Het is duidelijk dat beide verhalen elkaar op wezenlijke punten lijken te weerspreken. Wij noemen er enkele:

a. In Gen 1 brengen de elementen de dieren voort maar neemt ELOHIM de schepping van de mens voor zijn rekening. In Gen 2 boetseert JHWH ELOHIM de mens en de dieren uit (het stof van) de aardbodem.b. In Gen 1 wordt de mens mannelijk en vrouwelijk geschapen,in Gen 2 wordt de vrouw niet geboetseerd maar uit een zijde of rib van de man gebouwd.

c. In Gen 1 krijgt de mens de opdracht vruchtbaar te zijn en zich te vermenigvuldigen en de aarde te veroveren en over de dieren te heersen. In Gen 2 plant God een hof en plaatst de mens daarin en geeft hem de opdracht die te dienen en te onderhouden, anders vertaald: te bewerken en te bewaren.

In de lijn van Rav Soloveitchik is het niet nodig daar absolute tegenstellingen van te maken. Het gaat in belde verhalen om polaire aspecten in het mens~zijn zelf. Hij meent dat het in Gen 1 gaat om de majestueuze mens, geroepen om te heersen en om zijn kundigheden te ontplooien. In Gen 2 gaat het om een ander aspect, het relationele: mens en mens zijn op elkaar aangelegd (de sociale dimensie) en God en mens gaan op intieme voet met elkaar om (de religieuze dimensie).In Gen 1 klinkt als het ware: Het is niet goed als de mens alleen werkt en daarom wordt de mens niet alleen geschapen. Hij moet medewerkers hebben. In Gen 2 wordt gezegd: Het is niet goed dat de mens alleen is.

8. Halacha als intoming van de menselijke hubris

Gen 2 is dus een aanvulling en een correctie op Gen 1. De mens is meer dan uit Gen 1 zou kunnen blijken. Vandaar dat de bijbel in Gen 2:4, 5 – als het ware – zegt: ‘ ‘Davar acheer’ (= ‘nu een andere kant van de zaak’ of ‘nu een andere benadering’): Dit is de geschiedenis van de hemel en de aarde toen zij geschapen werden ten tijde dat JHWH de aarde en de hemel schiep. (…) En er was nog geen mens om de aardbodem te dienen (of: bewerken)….’En dan komen onder meer de bovengeciteerde verzen. Soloveitchik legt er de nadruk op dat het zowel in Gen 1 als in Gen2 om een goddelijke opdracht én een menselijke mogelijkheid gaat.Ook het majesteiteitelijke, de verovering van nieuwe werelden en de heerschappij over de schepping – dat wil zeggen alles wat daarmee samenhangt als de ontplooiing van de wetenschap. het beleid van een regering, de handel, enz. behoort geheel en al tot een door God gewilde zijde van de mens, waarvan Gen 1 zegt: Zie het was zeer goed.

Maar als het daarbij blijft voldoet de mens niet aan zijn totale goddelijke opdracht. Hij verschraalt, hij vermaterialiseert. Vandaar ‘davar acheer’: de aanvulling en correctie van Gen 2. De verovering moet tot dienen leiden en het heersen moet bewaren worden. In Gen 2 blijkt de mens niet alleen te zijn. Niet alleen is daar de vrouw, de partner van de mens. Daar is ook God die de vrouw aan de mens voorstelt en die zich als de gevende openbaart. Hij schenkt (BARA = scheppen = schenken) mens en schepping aan elkaar en man en vrouw aan elkaar. De naam van God in Gen 2 verwijst naar de openbaring op Sinaï. JHWH (spreek uit: Adonai) is zijn verbondsnaam. Het gaat in Gen 2 om een verbond: tussen mens en mens en tussen God en mens. God is hier niet de vijand, de afgunstige, maar vader en vriend. De relatie met God behoort tot de gegeven (geschapen, geschonken) mogelijkheden: de mens heeft het in zich om naar die mogelijkheden te leven. De weg daartoe is – zoals in de inleiding gezegd – voor de joodse mens de halacha. Want halacha is dienen en bewaren. In de halacha wordt de wandel van de mens (HaLaCH = wandelen) tot dienst aan God, mens en wereld.

Adam is niet de bijbelse Prometheus en God niet de bijbelse Zeus. Het mag zijn dat er trekken van overeenkomst zijn tussen Gen 3 en het verhaal van Pandora. In Gen 3 weet de slang Eva’s nieuwsgierigheid op te wekken en daar leidt Adams zwakheid tot hun zonde, maar wellicht ook tot hun volwassenheid: vanaf dat moment hebben zij de keuze tussen goed en kwaad, tussen goddelijk gebod en ongehoorzaamheid. Gen 3 zou men kunnen Iezen als een metafoor voor het verlies van de kinderlijke onschuld.

Maar bij Pandora ligt het anders: zij is de belichaming van de wraak van de goden. Het plan was van Zeus, en Hephaistos, ziin zoon, boetseerde haar uit klei, Athene, zijn dochter, gaf haar inzicht in de weefkunst, Aphrodite schoonheid en de zucht om te behagen, en zo werd zij de val van de domme Epimetheus.

En de oorzaak van deze keten van gevolgen is de menselijke overmoed, de hubris, die daarin bestaat dat de mens het kunnen en het geluk der goden durft te evenaren.

Men kan zeggen: Ook in Gen 1 en 2 is het element van ‘hubris’ aanwezig, maar die is alleen daar waar de mens slechts veroverend en heersend wil bezig zijn. Gen 2 voegt het element van dienen en bewaren toe. De mens naar Gods bedoeling is niet alleen de majesteitelijke, maar ook de dienende. En daarom heeft hij correct nodig. Hij moet leren de Juiste keuzes re maken. Dat is de weg van de halacha. De halacha leert de mens niet alleen te heersen over de schepping maar vooral ook over zichzelf. Dat is meer dan ‘wie zichzelf overwint is sterker dan die een stad inneemt’. Halacha is een continue training in het volgen van de juiste prioriteiten. Halacha staat dus niet tegenover wat Rav Soloveitchik ‘majestas’ noemt, de ontwikkeling van de wetenschap en de verovering van nieuwe werelden, maar normeert die. De halacha veronderstelt de ‘majestas’ en behoedt die voor een karikaturale uitgroei als gevolg van een ongeremde narcistische expansie. Halacha is intoming van de menselijke hubris, wanneer hubris zoveel is als overmoed en narcistische expansie. Halacha helpt de mens ongewenst gedrag af te leren en gewenst gedrag aan te leren. En dat met name in relatie tot wereld, medemens en God.

9. Een halacha voor noachiden

Het Christendom is de enige, of althans een van de zeer weinige godsdiensten, waar de centrale religieuze concepten niet onmiddellijk vertaald worden in gedrag. Ook dat is een griekse erfenis.13 Maar dat is niet altijd zo geweest. Het oudste Christendom was nog sterk halachisch gericht. Men hoeft er de brieven van Paulus maar op na te Iezen om te weten hoezeer het daarin op handelen, normatief handelen aankomt. Het oudste ‘kerkelijke’ besluit (Hand. 15) is evenzeer halachisch van aard en niet primair gericht op een geloofsinhoud zoals het christendom van na de tweede eeuw.

Een toenemend aantal mensen is tegenwoordig minder in traditionele geloofsinhouden geïnteresseerd. Zij zoeken meer naar een orthopraxie (juist handelen) dan een orthodoxie (juist belijden). De milieu crisis heeft daartoe bijgedragen, maar ook het falen van het christendom in de grote crises van deze eeuw: de beide wereldoorlogen, de verschillende genocides, de holocaust van de Armeniërs en die van de joden en die van de christelijke volken in Voor-Azië en Afrika. Om van de rest maar te zwijgen. Veel mensen zoeken naar een normering van het handelen.

Het rabbijnse jodendom kende de zogenaamde ‘Mitswot B’nee Noach’, de ‘opdrachten van de nakomelingen van Noach’ oftewel noachidische voorschriften. De regels en voorschriften waarnaar het oudste christendom leefde en die voor een deel bij Paulus terug te vinden zijn, verbonden met een stuk discussie over hun geldigheid, zijn op zijn minst sterk verwant daarmee.

Het is niet ondenkbaar – maar daar zou hard aan gewerkt moeten worden – dat men vanuit de halachische wortels van het oudste christendom probeert te komen tot het ontwikkelen van een noachidische halacha. Een keuze voor een autoloze zondag zou daarin niet ondenkbaar zijn. Het is duidelijk dat de regelgeving niet een arbitraire zaak mag zijn en evenmin een zaak waar men zich aan mag houden als men daar zin in heeft. Er zullen afspraken gemaakt moeten worden die bindend zijn voor de betrokkenen, contracten die nageleefd worden. Afspraken en contracten maken een belangrijk deel uit van de halacha. Waarom dan met van een noachidische halacha? De wereld zou er wel bij varen. Misschien moeten wij opnieuw kiezen tussen Prometheus en Adam. Niet tegen ethiek maar voor halacha.

Aantekeningen

9. Zie: ‘Op zoek naar Thora’, hfdst 4, 5, blz 43-65, waar de auteur verslag heeft gedaan van eigen onderzoek op dit gebied en ver-wezen heeft naar andere publikaties op dit punt.

10. Soloveitchik, Joseph B., ‘De creativiteit van de Halacha’, inleiding

en samenstelling Reinier Munk, Hilversum, Gooi&Sticht, 1989.

11. a.w., blz 39.

12. Zie hiervoor: ‘De vergeten taal van het verhaal’, waarin uitvoerigstilgestaan wordt bij het verhaal van Genesis 1 en getoond wordt uit welke elementen dit verhaal is opgebouwd (blz 68-77). Zie voorts over metaforen en parabels als verhalen in beeldtaal: blz 19ev, 38. Dit bock beschrijft een door een van beide auteurs aan de Theater-school in Kampen ontwikkelde methode om verhalen en metaforen re verstaan en ermee te werken.

13. Zie in dit verband: ‘Gods Partner,, blz 2lev., 57.

DE ZEVEN NOACHIDISCHE GEBODEN HOOFDSTUK 1a

DE ZEVEN NOACHIDISCHE GEBODEN

VOORAFGAANDE AFLEVERINGEN, INLEIDING 1+2 ZIE ONZE WEBSITE www.bethhamidrash ONDER STUDIES.

HOOFDSTUK 1a

Halacha als regulering van gedrag en als intoming van de menselijke overmoed

1. Wat Is ‘halacha’?

Om maar met de deur in huis te vallen: Halacha is geen ethiek.

Halacha houdt zich bezig met het beschermen van belangen en dus met het definiëren ervan en met het reguleren van menselijk gedrag in functie daarvan.

Halacha is z’n zekere zin een gedragswetenschap, die zich bezig houdt
met afleren van ongewenst gedrag en het aanleren van gewenst gedrag.

Halacha is ook juridisch en jurisprudentieel van karakter. Het woord ‘halacha’ komt van het werkwoord ‘HaLaCH’, dat zoveel als ‘wandelen, lopen’ betekent en heeft onder meer betrekking op de ‘levenswandel’.

‘Onder meer’ inderdaad, want de halacha houdt zich ook bezig met de betrekkingen tussen mensen, tussen mens en God, mens en dier, mens en omgeving en dus ook mens en natuur. Wat de betrekkingen tussen mensen betreft vallen ook contracten eronder, dus ook het huwelijk en de huwelijksverplichtingen van gehuwden tegenover elkaar. Maar ook oorlogsbepalingen en werkgever-werknemerverhoudingen en bepalingen ten aanzien van hoe men te handelen heeft ten aanzien van de sociaal zwakken.

Op het punt van de relatie mens-God bepaalt de halacha bijvoorbeeld de gebedstijden, maar ook de bewoordingen van de gebeden en de vraag wanneer de mens tegenover God in schuld staat en hoe die schuld voldaan kan worden. Inzake de relatie tussen mens en dier houdt de halacha zich onder meer bezig met het boerenbedrijf.

En met betrekking tot de relatie mens-natuur/mens-omgeving definieert de halacha onder meer de regels voor het kappen van bomen en dus ook de bosbouw. En voorts bepaalt de halacha in de relatie mens-mens bijvoorbeeld ook de houding van de mens in medische situaties, zoals met betrekking tot geboorteregeling, abortus, euthanasie, en prioriteiten ten aanzien van intensive care.

2. Ethiek ls vormend, niet bindend

Datgene wat men in het Westen verstaat onder ethiek is een filosofische of theologische discipline en hoort in het jodendom niet onder de halacha maar onder de Aggada thuls. De Aggada omvat alles wat geen halacha is binnen de joodse traditie.

Het woord ‘Aggada’ kan men het beste verstaan vanuit de betekenis van het werkwoord ‘lehaggied’ dat ‘vertellen, zeggen, aankondigen, openbaren, bekendmaken’ betekent. En men komt de betekenis van het woord dan nog een stapje nader wanneer men bedenkt wat ‘Maggied Katoev’ in de Talmoed (de normatieve traditie codex) betekent,nl. De Bijbel wil zeggen’, of ‘Wij leren uit de Bijbel…,.De uitdrukking ‘Maggied sjé…’ betekent daar zoveel als ‘Wij leren (uit de Talmoed) dat…’. Dat betekent: alles wat de Traditie te leren biedt en wat niet ‘halachisch’ is in de zin van het formuleren van gedragsregels en afspraken, dat is Aggada en daar valt ethiek in onze zin van het woord dus ook onder. Dat betekent niet dat ethiek niet belangrijk is en dat men zich in het ‘jodendom met voor ethiek’ interesseert. Integendeel, in de Talmoed komen veel ethische uitspraken en beschouwingen voor en daar wordt toewijding op geleerd’. Alleen hebben deze niet de binden de kracht van de halacha. Ethiek is wel vormend maar niet bindend. Halacha is normatief én bindend.

Ethiek houdt zich wel met normen bezig maar is niet normatief. Wat de ethiek wel kan, juist doordat zij tot de Aggada behoort, is betekenissen opsporen en bewust maken. Ethiek draagt bij tot de bezinning over normen en waarden. De halacha konkretiseert die normen en waarden in bindende regels.

Ethiek kan een belangrijke kritische functie hebben. Zij kan de mensen bewust maken van wat wel en niet aanvaardbaar is en waarom. De ethicus Bonhoeffer heeft al heel vroeg velen bewust gemaakt van de gevaren van het opkomende nazisme. In die kritische bewustmaking ligt de kracht en de beperking van de ethiek.

3. Halacha of ethiek?

Er bestaat ook een joodse ethiek: een uitspraak als ‘Houd van de arbeid, haat hoge ambten en probeer met op goede voet te komen met de autoriteiten’ (Plrqé Avot I 10) is een ethische maxime maar heeft geen enkele uitwerking gekregen in de halacha in de zin dat het halachisch strafbaar zou zijn niet van werken te houden, graag een hoge functie te verwerven en op goede voet te verkeren met ministers en staatssecretarissen. Maar wat die uitspraak wel heeft gedaan, evenals bijvoorbeeld het boek Qohélet (Prediker), is de mensen bewust maken van wat het hebben van macht inhoudt, hoe men met het gezag om moet gaan, dat wil zeggen met mensen die het gezag vertegenwoordigen of die macht hebben. Ethiek schrijft niet voor maar geeft meningen en overwegingen en kaders om te kiezen. Men Ieze maar eens Qohélet (Prediker) 9:13 – 10:20; bijv. 10:4:

Indien de geest van een machtige zich tegen u verheft, beweeg u
dan niet van uw plaats, want kalmte voorkomt grote misstappen.

Dat wil zeggen: met macht moet men behoedzaam omspringen. Het is heel belangrijk te onderkennen wat het betekent geen macht te hebben en welke’ houding men moet aannemen tegenover mensen die wel macht hebben. Met nederigheid of kruiperigheid komt men dan niet ver, maar met arrogant gedrag evenmin. Een rustige, wijze zelfbewustheid is het meest op zijn plaats. Vandaaruit weet men ook op tijd te zwijgen en niet de toorn van de machthebber over zich heen te halen. Wat wel halachisch is, is het voorschrift uit Ex 22:27: ‘De ELOHIM ( in deze context ELOKIM, bhm ) zul je niet vervloeken en een vorst onder je volk zul je met verwensen.’ Daar is wel halachische jurisprudentie over. Dat voorschrift is halachisch zo uitgewerkt, dat ELOHIM ( in deze context ELOKIM, bhm ) zowel ‘rechters’ kan betekenen als ‘God’ en dus op beide slaat.’ Het voorschrift eist geen onderworpenheid maar een houding van respect en het heeft tot een hele jurisprudentiële discussie geleid over wat er nu precies afgewezen wordt en wat niet.Wat dus strafbaar is en wat niet. Daar heeft de passage uit Qohélet niet toe geleid.

Wie zich dus een beeld wil vormen van de laatbijbelse ethiek zoals die verworteld is in de bijbelse wijsheidsliteratuur, die kan daarvoor onder meer terecht in de boeken Prediker en Spreuken in de Bijbel, wie zich voor de oudste lagen in de halacha interesseert, die onderzoeke de boeken Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium en als hij dan de wetten en voorschriften daaruit bekijkt, zal hij ontdekken dat daaronder wel ethische overwegingen liggen maar dat die niet beslissend zijn. Wat beslissend is is dat de regels uitvoerbaar moeten zijn. De regels zijn niet bedoeld als een inspiratiebron voor ethisch denkende mensen maar als handvatten voor rechters en rechtbanken. Daarom heeft het ethische denken van latere (nabijbelse) tijd, rond het begin van onze jaartelling zijn neerslag gevonden in een ethisch traktaat als ‘Plrqé Avot’, het halachische denken heeft zijn uitwerking gekregen door de arbeid van Leerscholen en Academies die tegelijk rechtscolleges waren. Die uitwerking vond plaats in een halachische jurisprudentie, die uiteindelijk zijn neerslag vond in de Misjna (rond 200) en de Talmoed (rond 500).

4. Willekeur?

Ethiek is altijd afhankelijk van het theologische of filosofische systeem waaraan ze haar beginselen ontleent. Halacha is niet afhankelijk van een theologisch of filosofisch systeem maar kan wel filosofisch of theologisch doordacht en beargumenteerd worden: in verschillende tijden hebben denkers van velerlei richtingen gepoogd een motivatie voor de halacha te ontwerpen; dat nam echter nooit weg dat niet de filosofie de constante was maar de halacha. Elk filosofisch of theologisch systeem heeft daarentegen zijn eigen ethiek. In de klassieke oudheid hadden de platonische en aristotelische filosofie hun eigen ethiek die echter hemelsbreed verschilde van de stöische en van de epicureese ethiek. En in onze tijd in het Westen verschilt demarxistische ethiek in vele opzichten van de katholieke, de lutherse, de doopsgezinde, de calvinistische en humanistische ethiek. Dat geeft aan ethiek iets willekeurigs. Ook bij de halacha kan zich een element van schijnbare willekeur voordoen. Men spreekt wel van ‘halachische decisoren . Dat zijn mensen die op basis van hun kennis van de halacha in staat zijn om halachische beslissingen te nemen.

Zo’n beslissing hangt in sterke mate af van de precedenten of modellen die de halachist hanteert en naar analgie waarvan hij zijn beslissing neemt. Ook in dat opzicht lijkt de halacha op bijvoorbeeld de Nederlandse jurisprudentie. Op basis daarvan kunnen verschillende rechters tot verschillende beslissingen komen, waarbij’ dan steeds in laatste instantie de uitspraak van het hoogste rechtscollege geldt. Wie echter bij de halacha als hoogste rechtsautoriteit geldt hangt in sterke mate af van het gebied waarop men een uitspraak wenst.

Op het gebied van de medische halacha zijn bijvoorbeeld Opperrabbijn Immanuel Jakobovits van Engeland, Rabbijn J. David Bleich ult Amerika en vooral Rabbljn Eliezer Wallenberg ult Israël grote autoriteiten. Zij zijn het beslist niet op alle punten met elkaar eens. Wil nu een dokter een uitspraak dan mag hij ze niet een voor een langsgaan en dan diegene volgen die hem het beste uitkomt. Hij moet weten wie hij vragen wil. Door te vragen bindt hij zich, zich aan diens uitspraak te houden. Het element van willekeur wordt onderkend en ondervangen door de keuze die men maakt en door de discipline die men zich oplegt.

5. Halachische jurisprudentie

Wij hebben aan het begin van dit hoofdstuk gezegd:

‘Halacha houdt zich bezig met het beschermen van belangen en dus met het definiëren ervan en met het reguleren van menselijk gedrag in functie daarvan.

Halacha is dus in zekere zin een gedragswetenschap, die zich bezighoudt met afleren van ongewenst gedrag en het aanleren van gewenst gedrag. Halacha is ook juridisch en jurisprudentieel van karakter.’ Dat betekent dat zij niet statisch van karakter is. De jurisprudentie is de dynamische zijde van het recht. In de jurisprudentie openbaart het recht zich als bij de tijd. Zo blijft de halacha ook niet op een bepaald punt staan. Zij giet haar inzichten niet onvergankelijke en onveranderlijke vaten als zouden het boventijdelijke geloofswaarheden zijn.

Daarom verklaart de halacha ook geen teksten maar zij interpreteert ze. Interpreteren is wezenlijk anders dan verklaren. Bij een interpretatie kan de oorspronkelijke betekenis van een tekst slechts relevant zijn in zoverre deze op dit moment aanhechtingsmogelijkheden voor nieuwe interpretaties biedt. De oorspronkelijke betekenis kan echter ook volledig schuilgaan achter innovatieve jurisprudentiële betekenissen die men eraan toekent. Bij een interpretatie stelt men zich de vraag: Welke betekenis kunnen wij nu, op dit moment, aan deze tekst geven om hem te kunnen laten functioneren naar de behoeften van het moment in een actueel rechtssysteem.

Een bekend voorbeeld daarvan ‘s het begrip ‘geer’.

Als in Lev 19:33, 34 staat – en let daarbij op het voorkomen van de stam G-R in de tekst -: ‘Wanneer een vreemdeling (geer) bij u in uw land vertoeft (jagoer), dan zult gij hem niet onderdrukken. Als een onder u geboren Israëliet zal u de vreemdeling (geer) gelden die bij u vertoeft (ha-gar itchem), en gij zult hem liefhebben als u zelf, want gij zijt zelf vreemdelingen (gerim) geweest in het land Egypte. Ik ben Adonaj ( HaShem, bhm) uw God!’, dan heeft dat jurisprudentieel niets met vreemdelingenliefde (xenofilie) te maken, maar alles met hoe men zich dient te gedragen tegenover de proseliet, de jodengenoot. Want ‘Geer’ is de technische term geworden voor iemand die de stap heeft genomen over te gaan naar het jodendom met alle halachische consequenties vandien.2 Uit dat woord ‘geer’ zijn dan ook allerlei Juridische termen ontwikkeld: ‘lehitgayyeer’ (= overgaan tot het ‘jodendom); ‘giyyoer’ (= procedure van de overgang), etc.

Een ander voorbeeld ontlenen wij aan de medische halacha, waar men het woord ‘rodeef’ (iemand die een ander achtervolgt met het oogmerk die ander te doden) toepast op een foetus dat een gevaar betekent voor het leven van de moeder, in welk geval therapeutische abortus is toegestaan.3 Dat is interpreteren en dus niet verklaren of uitleggen. Het is meer ‘eisegese’ (Inlegkunde) dan ‘exegese’ (uitlegkunde).

6. Een fundamentele keuze

Nu wij hebben stilgestaan bij de vraag wat bet begrip ‘Halacha’ als gedragswetenschap en als jurisprudentieel proces inhoudt is het van belang helder te krijgen welke fundamentele keuze aan de Halacha ten grondslag ligt.

Er wordt weleens gezegd dat ‘het hebreeuws niet over een abstracte terminologie beschikt’ omdat de rabbijnen een voorkeur hadden voor verhalen.4 Het zij ons vergund hier met grote nadruk te verklaren dat dit baarlijke nonsens is. Men kan dit zo op deze wijze niet stellen. Het hebreeuws beschikt wel degelijk over een abstracte terminologie op verschillende gebieden. Weliswaar niet over een abstracte filosofische terminologie, wel echter over een abstracte jurisprudentiële terminologie en evenzeer over een abstracte argumentatie theoretische terminologie. Reeds in de oudste traditieverzamelingen (Misjna, Tosefta en halachische Midrasjim) kan men de ontwikkeling daarvan opmerken. En in de belde Talmoedim zijn ze tot volle ontplooiing gekomen.

Bovendien blijkt er onder de rabbijnen van het land Israël rond het begin van onze jaartelling tot aan de periode van de afsluiting van de Talmoed Jeroesjalmi, de talmoed van het land Israël (rond 400) een gedegen kennis van het grieks en van de griekse filosofie bestaan te hebben, zodat men mag aannemen dat als zij de ontwikkeling van een abstracte filosofische taal in het hebreeuws en/of aramees gewenst of noodzakelijk gevonden hadden, zij die zeker ter hand genomen zouden hebben. AI was het maar door het invoeren van griekse leenwoorden op filosofisch gebied in het hebreeuws en aramees. De joodse massa’s waren in die mate met de griekse taal vertrouwd dat griekse leenwoorden in het hebreeuws voorkwamen op alle terreinen van het leven in Israël. Vergelijkbaar met het engels in onze tijd.5

Bepaalde formules uit de grieks-romeinse wetgeving waren onder het volk populair in de taal van hun oorsprong. Als men er dus geen behoefte aan had een eigen hebreeuws-filosofisch abstract jargon te ontwikkelen, zoals men dat in de middeleeuwen gedaan heeft (Maimonides e.a.) maar wel een abstracte jurisprudentiële terminologie, dan lijkt daaraan een keuze ten grondslag gelegen te hebben. En deze keuze had iets te maken met het verschil in relatie met de werkelijkheid tussen de griekse en de joodse cultuur.

Zoals elders aangetoond6 is de binding met de werkelijkheid in het ‘jodendom bijzonder groot. Daarmee hangt ook de voorkeur samen die men heeft voor concrete termen. De Misjna is in zes delen verdeeld, die achtereenvolgens heten: Zaden (niet: Landbouw), Feesttijd (niet: Kalender), Vrouwen (niet: Relaties), Schadegevallen (met: Strafrecht), Heilige Zaken (niet: De problematiek van Heilig en Onheilig), en Reinheden (niet: Het stelsel van Rein en Onrein). Onder die hoofden groepeerde men alles wat er zakelijk mee verwant was.

Er bestaat in de rabbijnse literatuur geen Scheppingstheorie, er zijn wel scheppingsverhalen. (Wij komen daar in het vervolg nog op terug.) Het begrip ‘schepping’ verwijst niet primair naar een theorie over het ontstaan van de aarde, maar naar de werkelijkheid die als door God gegeven wordt beleefd. De belangrijkste connotatie van het begrip BaRA, ‘scheppen’ is ‘schenken’: de werkelijkheid wordt als gave beleefd en vandaaruit is het zich bewustworden van het ‘gave’-karakter van de werkelijkheid tegelijk het aangaan van een relatie met de Gever.

Deze sterke binding aan de werkelijkheid blijkt ook ult de bepaling van de gebedstijden: Men mag het ochtendgebed pas doen als men heeft kunnen constateren dat het licht geworden is, het avondgebed als men heeft kunnen vaststellen dat de schemering is ingevallen, het middaggebed na de hoogste stand van de zon. Het maanjaar wordt zodanig gecorrigeerd door periodieke afstelling op het zonnejaar dat de binding met waarneembare zaken als oogst en zomer gehandhaafd blijft. Met deze zin voor het concrete hangt ook een natuurlijk gevoel voor metaforen samen. Als men een abstract gegeven duidelijk wilde maken greep men naar een metafoor.

Rabbijnse verhalen zijn vaak uitgewerkte, uit het leven gegrepen metaforen. Een goed gekozen metafoor is vaak veelzeggender dan een goedsluitend logisch betoog.7 Uitvloeisel van die attitude is ook de keuze voor het concrete in de regelgeving van de Halacha. De grote aandacht van de halachische autoriteiten, de hiervoor genoemde ‘decisoren’, gaat naar de heel precieze definiëring van een probleemgeval of -situatie, een heel precieze analyse van de bronnen en van moeilijke precedenten daarin of van gevallen die analoog lijken en/of vanwaaruit men een transpositie kan maken. In leder geval moet de halachische uitspraak die gedaan wordt ‘naadloos’ op het probleem passen.

Als men zich nu afvraagt welke de keuze is die aan deze voorkeur voor concrete regelgeving ten grondslag ligt, dan kan men vaststellen dat het ‘jodendom, in het dilemma beheersing van de natuur versus beheersing van de krachten in de mens de voorkeur aan het laatste heeft gegeven: Halacha is als regulering van gedrag gericht op intoming van de menselijke overmoed. De mens moet leren zichzelf te beperken, in te tomen, om niet te vervallen in een narcistische egomanie die de hele wereld beleeft als een geweldige uitbreiding van zichzelf en daaraan ongelimiteerde rechten ontleent. De relatie tussen mens en wereld wordt dan als die tussen een baby en zijn moeder waarbij de moeder er volledig is en dient te zijn voor de behoeftebevrediging van het kind. Als daar van buitenaf grenzen aan worden gesteld door een uitwendige WET reageert het kind met onlustgevoelens. Deze wet wordt ervaren als een ‘verbod’, precies omdat hij een inbreuk betekent op het narcisme, dat spontaan en anarchistisch zijn weg gaat zonder naar links of rechts te kijken (… ).’ Burggraeve, in zijn boek over Levinas en de psychoanalyse, zegt hierover: ‘Het narcisme zoekt in feite een permissieve vader, die alle verlangens van het kind onmiddellijk en volledig inlost.’8 Is die vader niet van zins permissie te reageren dan resten nog slechts ofwel onderwerping ofwel opstand in de zin van het overtreden van de vaderlijke wet en van de kant van de vader een strenge, in de fantasie van het ‘kind’ soms zelfs genadeloze be- of afstraffing.

Aantekeningen

1. Men zie hiervoor het overzicht van de positieve en negatieve Mitswot – zoals die uit de Thora zijn afgeleid in een halachische jurisprudentie van meer dan vijfentwintig eeuwen – dat Willem Zuidema heeft weergegeven in een Aanhangsel bij de vijfde druk van zijn ‘Gods Partner, Ontmoeting met het jodendoom’, Baarn, Ten Have 1988, blz 242-271, en dan hier in het bijzonder de verboden 315, 316.

2. Zie: ‘Gods Partner’, de positieve mitswa 207 (blz 252).

3. Misjna Sanhedrin VIII 7; Maimonides, Mlsjné Thora, Hilchot Rotzeach 1, 9; vgl. Feldman, Rabbi Dr David M., Marital Relations, Birth Control and Abortion in Jewish Law, New York, Schocken Books 1988, blz 275. Het voorschrift met betrekking tot de achtervolger is door generalisatie uit onder meer Deut 22:27 ontwikkeld: men mag eigen of andermans leven redden door de vervolger te doden mits men deze – indien mogelijk – gewaarschuwd heeft.

4. Zie het verweer tegen deze voorstelling van zaken in Willem Zuidema, ‘Op zoek naar Thora’, verkenningen in de rabbijnse traditie, Baarn, Ten Have 1986, blz 37vv, en de referenties op blz 42.

5. Het moet ons van het hart dat wij de engelse overheersing niet alleen maar als positief beleven: onze straten zien er soms uit als die van een engelse kolonie! Een van de ministers ging enige tijd terug in zij’n subkoloniale attitude zelfs zover dat hij het engels tot voertaal aan de universiteiten wilde maken. Voor de oorlog wisten de Duitsers het al:’Holland annexiert sichselbst!’

6. Op zoek naar Thora, t.a.p.

7. Zie voor dit fenomeen in de bijbel, in de joodse en andere verhaal- culturen Willem Zuidema, ‘De vergeten taal van het verhaal’, Baarn, Ten Have, 1989, passim.

8. Zie voor dit aspect: Burggraeve, Roger, ‘Van zelfontplooiing naar verantwoordelijkheid, een ethische Iezing van het verlangen, ontmoeting tussen psychoanalyse en Levinas’, Leuven/Amersfoort, Acco, 1981, blz 30 et passim.

DE ZEVEN NOACHIDISCHE GEBODEN INLEIDING 2

6. Leren is dialogeren

Dit boek heeft niet de presentie een nieuw ‘gelijk’ te bewijzen. Het is slechts een handreiking voor denken en praten over een nieuwe en onbekende, maar in feite reeds oude weg, die van de noachiden. Een ‘handreiking’, geen ‘handleiding’! Reeds Paulus had blijkbaar last van mensen die gelijk wilden hebben, want hij schrijft (1 Kor 11:16): ‘Indien iemand onder ons het erom te doen is gelijk te hebben, wij hebben die gewoonte niet, en evenmin de gemeenten Gods (=joodse gemeenten).’

Dat wil met zeggen dat wij niet van discussiëren en argumenteren houden. Maar dan eerder in de zin dat wij de inzichten, ervaringen, commentaren en kritiek van de ander nodig hebben om zelf tot dieper inzicht te komen. Op dat punt vertelt de joodse traditie een ontroerend verhaal.

Van Rabbi Jochanan, een geleerde uit het land Israël uit de derde eeuw en samen met zijn zwager Res’ (= Rabbi Sjimon ben) Laqisj, hoofd van de leerschool in Tiberias, vertelt de Babylonische Talmoed (bBaba Metsia 84a) dat hij buitengewoon knap was:

‘Op een dag was hij aan het baden in de Jordaan, en Resj Laqisj (toen nog een gladiator) zag hem (en werd op slag verliefd op hem, denkende dat Rabbi Jochanan een vrouw was; hij droeg kennelijk geen baard!) en dook hem na in de Jordaan. Zei Rabbi Jochanan tot hem: ‘Jouw kracht zou in dienst van de Thora moeten staan!’, waarop Resj Laqis’ antwoordde: ‘Jouw schoonheid zou die van vrouwen moeten zijn!’Waarop Rabbi Jochanan zei: ‘Als jij terugkeert (tot de Thora), dan zal ik je mijn zuster (tot vrouw) geven; die is nog schoner dan ik!’ Hij nam op zich ommekeer te doen en wilde toen teruggaan naar zijn wapenrusting (als gladiator) maar die paste hem niet meer (hij was kennelijk in een oogwenk afgevallen of er lag toch enige tijd tussen!). Hij (Rabbi Jochanan) leerde hem bijbel en misjna en maakte van hem een groot man.’

- De talmoed vertelt dan dat er op een dag een scherp dispuut was in het leerhuis over de vraag wanneer een wapen onreinheid kon oplopen. Resj Laqisj heeft daar een deskundige opinie over en Rabbi Jochanan reageert dan zuur: ‘Meneer de rover weet van wanten!’ Waarop Resj Laqisj’ pareert met: ‘Dat heb ik aan jou te danken; toen was ik een meester onder rovers, nu hier.’ ‘ja, door jou onder de vleugels van de Thora re brengen.’

De discussie was zo persoonlijk en zo venijnig geworden dat Rabbi Jochanan ziek werd en als gevolg daarvan ook Resj Laqisj, zo zelfs dat hij, stierf. Rabbi Jochanan treurde diep over hem.

De rol van Resj Laqisj werd overgenomen door Rabbi El’azar ben P’dat. Een buitengewoon intelligente man, die bij elke uitspraak van Rabbi Jochanan wel een bewijs wist uit de tannaïetische literatuur (tot 200). -

‘Sprak Rabbi Jochanan: Ben jij als de zoon van Laqisj? De zoon van Laqisj, als ik een uitspraak deed, bracht hij vierentwintig tegenwerpingen, waarop ik vierentwintig antwoorden gaf. En zo verdiepte zich de halachische discussie. Maar jij weet alleen een bewijs (voor mijn gelijk!) te leveren uit de tann�ietische literatuur!

Er bestaat nogal wat belangstelling voor verhalen in de joodse traditie en in de joodse literatuur. Wat is de bedoeling daar nu van? Wat wil de verteller daar nu eigenlijk mee?

Bovenstaand verhaal is te vinden in het traktaat Baba Metsia van de Babylonische Talmoed, op bladzijde 84a. Het werd kort geleden op sappige en humoristische wijze verteld op een gastcollege aan de Rijksuniversiteit Utrecht, door de grote talmoedgeleerde, rabbijn en hoogleraar, Louis Jacobs, schrijver van een aantal belangrijke boeken op dat terrein. Iedereen lachte, maar iedereen begreep ook de pointe van het verhaal. Het is niet zomaar een anekdote. Het is een verhaal dat iets wil overbrengen op een zodanige manier dat de luisterende talmoedleerling die pointe nooit meer vergeet. Wat is de bedoeling van het bovengenoemde verhaal? Ons historische informatiegeven? Ons een blik gunnen in de leerscholen van de derde eeuw? Ons achtergrondinformatie geven over Resj’ Laqlsj’ en Rabbi Jochanan? Of wordt hier duidelijk gemaakt dat het ten diepste met moet gaan om ons gelijk, omdat we dan onvermijdelijk altijd weer in een machtsstrijd komen? En daar heeft juist het christendom zijn ongelofelijke verdeeldheid aan te danken, ondanks Paulus’ waarschuwing.

Het grappige is dat Louis Jacobs de nadruk erop legde dat men buitengewoon op zijn hoede moet zijn met het historiseren van de informatie van de Talmoed. Sommige stukken zijn architectonisch zo ongelofelijk knap geredigeerd, dat het ondenkbaar is dat het de hoofdbedoeling van de redacteur was een historisch beeld te schetsen. Ze wilden iets overbrengen. En wil men dat op het spoor komen dan moet men die architectuur nauwkeurig ontleden, want dan komt men erachter waarop de redacteur nu precies de nadruk wilden leggen. Elk onderdeeltje van het gebouw is functioneel in het geheel, maar er uitgelicht zegt het iets anders dan de redacteur bedoelde. Iets van die architectuur zullen wij ook laten zien in de hoofdstukken die de noachidische voorschriften meer in detail behandelen (hoofdstuk 4-7).

7. Halacha

Hierboven was sprake van ‘halacha’. Dat woord komt van een Hebreeuws werkwoord dat ‘wandelen’ betekent. Halacha heeft met levenswandel te maken, maar met nog veel meer.

De halacha is een systeem van bindende afspraken op alle terreinen van het leven, afspraken waaraan men elkaar houdt en die teruggaan op de Thora. ‘Thora’ betekent onderwijs’. De Thora zijn de eerste vijf boeken van de bijbel, die volgens het jodendom Gods onderwijs omvatten, dat Hij via Mozes op de berg Sinaï aan Zijn volk Israël heeft geschonken. De basis van de halacha ligt in de Thora. Maar de uitwerking vindt plaats in een rabbijnse jurisprudentie. Dat wil zeggen dat in de loop van de eeuwen voortdurend is nagedacht over de wijze waarop een bepaald voorschrift uit de Thora moet worden geïnterpreteerd om als een bindende afspraak te kunnen gaan functioneren. Deze afspraak heeft ook een verbindende werking binnen een gemeenschap, zodat mensen op elkaar aankunnen en de gemeenschap niet uit elkaar valt. Een consequentie is ook dat (rabbijnse) rechtscolleges in gevallen van overtreding, twijfel of geschillen er uitspraken over kunnen doen.

De idee dat de noachidische voorschriften in zekere mate bindend zouden moeten en kunnen zijn kan onder christenen nogal wat bezorgdheid oproepen. Daarvan getuigt ook de volgende anekdote:

Een spreker hield ergens een voordracht. Hij sprak over de betrekkingen tussen jodendom en christendom en over de plaats van de Thora in het leven van de jood. In de pauze werden vragen ingezameld en daaronder was er een over ‘de noachidische geboden’. De spreker probeerde daarop zo goed en zo kwaad als het ging een antwoord te geven. Een dame uit het publiek raakte duidelijk geëmotioneerd en zei: ‘Maar dan worden we toch juist weer gevangen in de Wet waarvan wij juist door Christus bevrijd zijn?’De spreker vroeg aan de dame: ‘Rijdt u zelf auto? En bent u van ver?’De dame antwoordde: ‘ja ik woon hier twintig kilometer vandaan. Maar wat heeft dat ermee te maken?’De spreker zei: ‘Rijdt u dan straks eens die twintig kilometer van begin tot einde aan de linkerkant van de weg!’ ‘ja, dat kan natuurlijk niet, want dan maak ik ongelukken.’ De spreker reageerde: ‘En dat is nu precies de functie van de Thora en van de noachidische regels. Verkeersregels zijn afspraken waaraan we ons naar de mate van het mogelijke houden om ongelukken te voorkomen. De noachidische voorschriften hebben het karakter van bindende afspraken die wij als niet-joden zouden kunnen maken. Maar wat ons dwars zit is de angst voor de wet, waarmee Paulus in zijn tijd geconfronteerd werd. Maar dat was niet de Thora. Dat was de romeinse ‘Lex’ of een Thora die door de mensen tot een romeinse ‘Lex’ gemaakt was. Maar als je de Thora tot een romeinse ‘Lex’ maakt, dan kan de Thora geen leven meer geven. En dat is wat de Thora wil: leven schenken en leven zijn. ‘Thora Chajjiem’ betekent:

‘De Thora is leven’ en ‘Thora Chajiem’ houdt in: ‘De Thora geeft leven

8. De opzet van het boek

In de eerste drie hoofdstukken willen wij proberen een beeld te schetsen van de fundamentele keuze die aan de halacha ten grondslag ligt. Daartoe is het nodig wat uitvoeriger aan te geven wat ‘halacha’ nu eigenlijk is en wat het (ook inhoudelijke) verschil is met ethiek. Daarna zullen wij trachten een beschrijving te geven van de keuze mogelijkheden dienaangaande waarvoor het talmoedische jodendom stond en staat. In dat verband willen wij ook toelichten wat wij onder het begrip ‘overmoed’ in de titel van het hoofdstuk verstaan. Vervolgens zullen wij enige aandacht schenken aan enkele bijbelse noties. En tenslotte zullen wij ingaan op de gevolgen voor mens en milieu die een vergelijkbare keuze als welke het talmoedische jodendom gemaakt heeft op dit moment zou kunnen hebben.

Daarnaast wordt ook door onderzoekingen als van Flusser en Safrai – in ons land geen onbekenden – duidelijk dat binnen het oudste christendom voor niet-joden is gedacht aan een soort ‘noachidisch statuut’. De beslissingen van het apostelconvent die als beleidslijn voor Paulus zouden gelden, en die in twee redacties in het boek Handelingen (15:28, 29; 21:25) voorkomen, zijn naar vorm en inhoud gelijk aan de noachidische voorschriften in een bepaalde fase van hun ontwikkeling.5

Het lijkt erop dat het oudste oosterse christendom in zijn voorpaulijnse fase een groepering binnen het jodendom is geweest dat aan niet-joden niet de verplichting wilde opleggen eerst jood te worden om christen te kunnen worden. In feite correspondeerde de houding van het oudste, oosterse christendom in dat opzicht met de houding van het jodendom toen en sindsdien, namelijk in dat opzicht dat men het toejuicht wanneer niet-joden leven naar de noachidische code, maar dat het geloofsovergangen naar het jodendom niet alleen niet stimuleert, maar zelfs probeert te ontmoedigen. Het jodendom is geen missionaire godsdienst. Dat het toch altijd een grote aantrekkingskracht op niet–oden heeft gehad, bijkt onder meer uit het aantal grafstenen van proselieten op de antieke joodse begraafplaats in Rome. Een proseliet is iemand die wel overgegaan is en die in alle opzichten geldt als een geboren jood, een jood in volle rechten.

De geschetste problematiek vraagt dus duidelijk om bezinning. Met dit boek willen we een aanzet tot deze bezinning geven.

Daarom ook willen wij in de hoofdstukken 4, 5, 6 en 7 proberen ons een beeld te vormen wat het leven naar de zeven noachidische voorschriften concreet zou kunnen inhouden.

Daartoe benaderen wij de noachidische voorschriften als ‘hoofdvoorschriften’, die gedifferentieerd kunnen worden in een aantal nauwkeuriger omschreven detailvoorschriften. Het is niet ondenkbaar dat de plaats in de Talmoed waar sprake is van dertig noachidische voorschriften (bChoellin 92a-b) te maken heeft met een jurisprudentiële uitwerking van de zeven hoofdgeboden. Wij komen in navolging van een aantal joodse geleerden tot een iets hoger totaal.

De idee de noachidische voorschriften zo te benaderen is beslist niet nieuw. Afgezien van de talmoedische indicaties in die richting zijn daar uitspraken als in het 13e eeuwse geschrift Sefer haChinoech (eind 13e E), dat toegeschreven wordt aan R. Aharon halevi van Barcelona (1235-1300), en dat gebaseerd is op en een uitwerking geeft van de 613 mitswot:

‘Evenzo met betrekking tot Afgodendienst hebben zij (de noachiden) één gebod, dat uiteenvalt in vele delen.6

Dat wij bij onze poging tot nadere detaillering ons, in navolging van auteurs als Lichtenstein en Clorfene/Rogalsky, hebben laten leiden door de formuleringen van Maimonides in zijn weergave van de 613 Mitswot en zijn Misjnee Thora, is geen nieuwe vorm van annexatie. Wij zijn er van overtuigd dat de uitspraak van de traditie ‘De Thora is op Sinaï gegeven’ inhoudt dat zij aan het Volk Israël is gegeven en dat het wel annexatie is als wij zouden pretenderen dat zij ook aan de niet-joodse wereld zou toebehoren. Maar wij kunnen de ’613 Mitswot’ wel zien als een model, dat ons kan helpen bij de formulering van een mogelijke uitwerking van de noachidische voorschriften. Die uitwerking is een zaak van een noachidisch~halachische jurisprudentie. En elke hulp daarbij van joodse zijde is meer dan welkom.

Daarnaast is het echter zinvol aan de noachidische voorschriften, ook wel genoemd de geboden voor (van?) de noachiden of de ‘zonen van Noach’, een plaatsbepaling te geven.

Dat is de achtergrond van de laatste hoofdstukken. Hierin wordt, vanuit de vraag welke historische achtergronden daarbij een rol hebben gespeeld, uitvoeriger dan in de voorgaande hoofdstukken ingegaan op de verhouding van de verschillende versie reacties die van de zeven noachidische voorschriften bestaan.

Deze hoofdstukken zijn een bewerking van een voordracht die een van beide auteurs in 1978 heeft gehouden op een Colloquium van het institutum Iudaicum in België en die geen andere pretentie had dan een bescheiden bijdrage te willen zijn aan de discussie over de noachidische geboden in het raam van dat Colloquium. De vraag die eraan ten grondslag ligt is, of het wellicht mogelijk is het beschikbare traditiemateriaal te plaatsen binnen het halachische proces voorzover dit betrekking had op de relaties tussen jodendom en niet-joden in de Tweede Tempelperiode en daarna tot de afsluiting van de Talmoed, en binnen die periode dan vooral van rond 150 voor tot 300 na het begin van onze jaartelling. De vraag die methodisch daarmee samenhangt) is dan of van daaruit wellicht ook iets te zeggen valt over de datering van bepaalde teksten. Wij hebben ons dus geconcentreerd op die teksten die een belangrijke rol hebben gespeeld in de procesmatig ontwikkeling van de halacha op dit punt.

Een laatste terminologische verduidelijking is op zijn plaats. In de volgende hoofdstukken, met name hoofdstuk 4 tot 7 zullen wij nogal eens het woord ‘soegia’ laten vallen.

Het woord ‘soegia’ stamt uit het talmoedisch aramees en kan ‘wandeling’ betekenen, maar vandaaruit ook ‘halacha’ (van HaLaCH = wandelen). En vervolgens ook studie of les, met name een min of meer afgesloten Talmoedgedeelte dat zich met één halachische probleem bezighoudt.

Een ‘soegia’ kan relatief lang zijn, zoals in hoofdstuk 6 zal blijken, maar ook heel kort. De lengte bepaalt echter niet het belang, al wordt deze vaak wel bepaald door de hoeveelheid materiaal dat in verband met een probleem is overgeleverd.

Wat belangrijk is, is het onderkennen van de methodische opbouw van een ‘soegia’, de architectuur ervan.

Daartoe zullen wij in de hoofdstukken 4 en 7 ook een poging ondernemen. Door die methodische opbouw te onderkennen komt men ook de betekenis op het spoor en krijgt men ook een inzicht op welke wijze de soegia in de geschiedenis heeft gewerkt.7

Aantekeningen:

5. Zie: Flusser, David en Safrai, Shmuel, Das Aposteldekret und die Noachitischen Gebote, in: ‘Wer Tora vermehrt, mehrt Leben’, Festgabe fair Heinz Kremers zum 60. Geburtstag, herausgegeben von Edna Brocke und Hans-joachim Barkenings, Neukirchen-Vluyn, Neukirchener Verlag, 1986, p173-192. De zgn. westelijke tekst van Hand 15:28-29, waarvan de Codex Bezae de belangrijkste getuige is, stemt niet alleen sterk met 21:25 overeen, maar ook met de zgn. drie hoofdgeboden, die geen jood op straffe des doods, zelfs om zijn eigen leven te redden, mag overtreden. Deze ge-/verboden stemmen op hun beurt weer overeen met een van de oudste varianten van de noachidische geboden. Ze wijzen af wat het jodendom het diepste verafschuwt.

6. Sefer hachinoech, ed. Chavel, Jerusalem, Mosad harav Kook, 1952, p543.

7. Op dit punt zijn wij grote dank verschuldigd aan de grote Talmoedgeleerde Louis Jacobs, die zowel in zijn boeken als ‘The Talmudic Argument, A study in Talmudic reasoning and methodology’, Cambridge, Cambridge University Press, 1984, als ook in de colleges die hij nog dit voorjaar (1990) gaf aan de Universiteit van Utrecht, ons voortreffelijk gereedschap in handen geeft.

DE ZEVEN NOACHIDISCHE GEBODEN – INLEIDING 1

Uitgelicht

INLEIDING EN EERBETOON AAN DE JAMMER GENOEG TE VROEG OVERLEDEN WILLEM ZUIDEMA

De keuze om het boek, En G’D sprak tot Noach en zijn zonen, een joodse code voor niet-joden, te gebruiken als leidraad voor onze cursus De Zeven Noachidische Geboden was geen toeval.

Ik kende Willem Zuidema zeer goed en kan daar van uit stellen dat hij in alle opzichten en naar mijn weten een rechtvaardige noachiet was. Vandaar dat dit boek, wat reeds vele jaren niet meer is te verkrijgen en geschreven is in samenwerking met Jos op ‘t Root, van een uiterst hoog gedetailleerd gehalte is.

De wijze overbrenging van de Joodse Traditie door Willem Zuidema naar een niet-joods publiek is uniek te noemen.

Al dat heeft bijgedragen tot de keuze van dit boek.

Omdat het geboden materiaal zeer uitgebreid is, is elk hoofdstuk in tweeën gedeeld, soms in drie, bestudering wordt anders te veel en te gecompliceerd.

Beth HaMidrash geeft de originele tekst weer, maar geeft naar haar inzicht aanvullende verduidelijkingen, die zij markeert met BHM.

Ik wens u veel studievreugde en hoop door deze studie vele vragen te mogen beantwoorden.

JUDA GROENTEMAN

BETH HAMIDRASH.

Inleiding 1

Geloven of niet-geloven en de behoefte aan vormgeving van het leven.

In dit boek willen wij proberen een antwoord (niet hét antwoord!) te geven op vragen die nogal eens op ons afkomen. Een toenemend aantal mensen beeft het gevoel dat zij met de antwoorden die het westerse christendom hun aanreikte en waarmee men sinds eeuwen beeft kunnen leven, niet meer uitkomen. Het kan zijn dat zij zichzelf niet meer als christenen (willen) zien, terwijl de boodschap van de bijbel hun toch nog wel aanspreekt. Het kan zijn dat zij zich nog wel christenen voelen, maar dat de kerk zoals die onze maatschappij in vele vormen en richtlijnen manifesteert, hun niet meer zoveel zegt. Het kan zijn dat zij nog actief zijn in allerlei’ kerkelijk werk en toch het gevoel hebben iets te missen. En dat iets ligt dan op het vlak van de vormgeving van hun leven. Ze kunnen niet zo goed uit de voeten met wat als (christelijke) ethiek wordt aangeboden, omdat op dat punt het aanbod zo groot is en de verschillende ‘ethieken’ elkaar op allerlei punt lijken te weerspreken.

1. Richting en vorm

Veel mensen zijn op zoek naar iets dat hun leven richting en zin cq. vorm kan geven. Dit geldt voor veel christenen evenzeer als voor veel niet-christenen.

Een aantal van hen tracht tot verdieping te komen door zich te oriënteren op de joodse traditie en het joodse gedachtegoed. Tegen deze achtergrond zijn met name in Nederland op vrij grote schaal leerhuizen ontstaan.

Nu is een leerhuis van oudsher een joods begrip en een joodse instelling. Het instituut leerhuis hangt nauw samen met de geheel eigen wijze waarop het jodendom omgaat met de Hebreeuwse Bijbel. Het leerhuis is een instelling waar ‘geleerd’ wordt. Dit ‘leren’ in historische en traditionele zin omvat niet alleen wat wij tegenwoordig weergeven met ‘memoriseren, discussiëren, op haalbaarheid en uitvoerbaarheid toetsen’, maar ook wat wij tegenwoordig vatten onder bronnenonderzoek, fundamenteel onderzoek en filosofische, zo men wil theologische, ordening. Dit ‘leren’ betreft studie zowel van de schriftelijke (de vijf boeken van Mozes) als van de zogenaamde mondelinge Thora (de traditie).

2. Twee typen leerhuizen

Hoewel in Nederlands-joodse kring de traditie van het Bet hamidrasj (Leerhuis) nog steeds wordt voortgezet, bestaat er een tweede vorm van Nederlands leerhuis werk dat overwegend een zaak van niet-joden is. In een aantal situaties zijn overigens wel joden hierbij betrokken. We kunnen ons echter niet aan de indruk onttrekken dat er bij deze tweede vorm globaal beschouwd twee typen leerhuizen bestaan.

In het ene type wordt binnen de eigen christelijke traditie en met het oog op de eigen verdieping als christen kennis genomen van de ‘joodse wortels van het christendom cq. wordt in de context van wat men leerhuis noemt aan studio van de bijbel gedaan. Het tweede type leerhuis stelt meer expliciet de ‘joodse traditie en het ‘joodse gedachtegoed aan de orde vanuit de optiek van de traditie zelf en vanuit de rabbijnse wijze van werken.

Dit nu roept de vraag op of er, ook weer zeer in het algemeen gesteld, twee typen of groepen mensen zijn die de leerhuizen bezoeken. Het is wellicht juister te spreken van een schaal met twee uitersten. Op de ene helft van de schaal staan de christenen die als christen naar hun joodse wortels zoeken teneinde het eigen geloof meer diepgang te kunnen geven of dit doen als een vorm van heroriëntatie binnen hun christen-zijn. Op de andere helft van de schaal staan de (wat men zou kunnen aanduid als:) randkerkelijkenen en buitenkerkelijken die een oriëntatie in hun leven zoeken. Om deze laatste groep nu gaat het ons niet in de laatste plaats.

Het tweede type leerhuis wordt in een aantal gevallen ook globaal gekenmerkt door een andere wijze van werken: er is geen leraar die een inleiding houdt, aan wie vervolgens vragen kunnen worden gesteld. De lerenden zelf bereiden de stof voor en helpen elkaar kritisch tot verstaan van de bestudeerde tekst te komen.

Vooral aan de lerenden in dit type leerhuis, waarbij beide auteurs zich sterk betrokken voelen, is dit boek in verbondenheid en respect opgedragen.1

3. Een derde weg?

Wat heeft ons ertoe gebracht om dit boek te schrijven, cq. in te gaan op de vragen die op ons afkwamen?

Wij’ hebben ons, op grond van onze ervaringen in het leerhuis, de vraag gesteld of het denkbaar is te spreken van een derde weg of een derde statuut, naast dat van ‘jodendom en christendom, maar wel verbonden met en gelegitimeerd door de Thora en de ‘joodse traditie. Deze gedachte werd mede ingegeven door de overweging dat vóór het begin van de gewone jaartelling en dus voor het ontstaan van het Christendom er mensen of wellicht zelfs gemeenschappen moeten zijn geweest die zich, ofschoon niet-joods, hebben laten lelden door de levensrichting van de joodse traditie. Het gaat dan om mensen en gemeenschappen die zeer dicht bij het jodendom stonden, in elk geval dichter dan het huidige christendom. De volgende vraag was of een dergelijk apart statuut relevant is of relevant zou kunnen zijn voor die mensen die zich momenteel niet meer thuis voelen in de kerk, maar wel in het jodendom oriëntatiepunten vinden voor de vormgeving van hun leven.

Een dergelijke statuut bleek en blijkt inderdaad te bestaan in de vorm van de geboden of voorschriften van (voor???) de ‘zonen van Noach’. De basis van dit statuut is te vinden in de Thora. In de eerste hoofdstukken van Genesis is sprake van voorschriften die gelden voor de hele mensheid, voor Noach en zijn zonen’.

AI eeuwen lang, van vóór het begin van onze jaartelling, blijken mensen contact te hebben gezocht met bet ‘jodendom om nader geïnformeerd te worden op het punt van de vormgeving van hun leven. Zij deden dat door aan te sluiten bij de noachidische voorschriften. Ook de eerste christenen uit de niet-joodse wereld leefden naar de noachidische voorschriften en zij gingen met die voorschriften om zoals het jodendom omgaat met de Thora.

4. Een Thora voor Noach en zijn zonen?

Voor de jood is niet alleen de schriftelijke Thora bindend, maar in nauwe samenhang hiermee ook de mondelinge Thora of traditie die zich – in zekere zin – ult de schriftelijke Thora ontwikkeld heeft. De studie ervan gebeurt met het oog op het leven van alledag. Niet voor niets heeft Franz Rosenzweig (1886-1929) het leerhuis ooit betiteld als het ‘middel- en kiempunt bij’ uitstek van bet joodse leven’.

Het centrum van het dagelijkse leven en van de vormgeving van het leven rond de Thora hebben de ‘joodse traditie doen leven en voortleven. Het is een wijze van leven die tot op de dag van vandaag doorgaat. Er wordt zoveel waarde aan ontleend, dat juist hierin de bestemming van het leven en van het mens-zijn ligt. De Misjna leert: ‘Groot is de Thora, want zij’ geeft leven’ (mAvot VI, 7).

De traditie leert dat Mozes op de berg Sinaï de Thora heeft ontvangen. Op het moment dat de Thora werd geopenbaard moest het volk Israël er al direct mee leven. Op dat moment begon dan ook de interpretatie van de Thora (zie Deut 31:12). Zo ontstonden er twee met elkaar verweven vormen van studie: de actuele vragen van het leven werden en worden voortdurend getoetst aan de Thora, en aan de reeds ontstane, eerdere interpretaties en commentaren en omgekeerd worden de Thora en de literatuur rondom haar voortdurend bestudeerd om het leven en het mens-zijn richting en vorm te kunnen geven. Het weten dat zo tot stand komt wordt de mondelinge Thora of traditie genoemd. Uitgangspunt is dat zonder de mondelinge Thora de schriftelijke niet kan worden verstaan en geleefd. Belde horen bij elkaar en constitueren elkaar tot één Thora.

De auteurs zijn te rade gegaan bij de joodse traditie om zich en beeld te vormen wat een ‘noachidische halacha’ zou kunnen inhouden. Deze oriëntatie leverde al direct een punt van discussie op over de titel van dit boek. Gezien onze vraagstelling is een titel als ‘De Thora spreekt tot Noach en zijn zonen’, of: ‘De Thora spreekt tot heel de mensheid’, of: ‘De Thora spreekt tot de rechtvaardigen onder de mensen’ voor de hand liggend. Immers ‘De (concreet aanwezige) Thora spreekt (tegenwoordige tijd!) geeft minstens zo direct weer waarom het hier gaat als een voor velen niet (meer) concrete God, die ooit, vroeger, heeft gesproken. Maar de Thora spreekt ook vandaag nog als volgt: ‘En God sprak tot Noach en z”n zonen’.

De Thora en de joodse traditie zijn een leerboek van blijvende actualiteit voor heel de mensheid. Voor de joden gelden meer bijzondere en aparte richtlijnen dan voor de niet-joden, maar een relatief groot aantal voorschriften, de noachidische voorschriften, zijn er ook voor de laatsten.

We hebben ons de vraag gesteld of voor de mensen die geen deel uitmaken van een christelijk gemeenschap of gemeente cq. die een marginale positie hierin innemen – op zijn minst voor de eigen beleving – er niet een geheel eigen perspectief zou kunnen bestaan, een perspectief dat wordt aangereikt vanuit de in de Talmoed beschreven, als een eigen-statuut-voor-niet-joden erkende, noachidische opdrachten of geboden (bSanhedrin 56a).2

Het gaat hierbij inzoverre om een belangrijke zaak omdat ook uit de psychotherapie steeds meer geluiden naar voren komen dat kwesties van zinvolheid, zingeving en vormgeving – levensbeschouwelijke dimensies van de bestaansnood – ofschoon van cruciaal belang, al te lang zijn veronachtzaamd.

De noachidische voorschriften als levensoriëntatie bieden mogelijk niet alleen een perspectief voor individuele noachiden, maar ook voor gemeenschapsverbanden van deze ‘zonen van Noach’.

Een utopische cq. idealistische gedachte?

In leder geval lijkt het ons een gedachte die verdere studie en bezinning waard is, temeer waar er reeds voor het begin van onze jaartelling in Noord-Oost Syrië gemeenschappen hebben bestaan die naar de noachidische voorschriften leefden, maar waarvan de leden geen jood wensten cq. meenden te moeten worden. 3

5. Elke theologie haar eigen ethiek

Aan het begin van de christelijke geschiedenis staat de monumentale figuur van Paulus, die in zijn brieven de geniale vertaalslag heeft gemaakt waardoor het christendom de Europese wereld kon veroveren. Echter niet de ‘Semitische’ wereld, die pas in de zevende eeuw met succes door een Semitische’ godsdienst, de Islam, kon veroverd worden, waarbij’ slechts hellenistisch-christelijke ‘eilandjes’ als kopten en maronieten voor het christendom gespaard bleven. Bijgevolg heeft in de europese cultuur de theologie en daarmee de systematische theorie de overhand gekregen en kan methodisch ult elke theologie een ethiek worden afgeleid. Zoals in de oudheid elke filosofie haar eigen ethiek had. In de Hebreeuwse bijbel echter gaat en ook in het oudste christendom ging de halacha als gedragscode altijd aan elke geloofsuitspraak vooraf. En zo werd ook de uitspraak van de Thora (Exodus 24:7) verstaan: ‘Wij zullen het doen (!) en horen’ (niet andersom). Het is zelfs zo dat de halacha de geloofsuitspraken bepaalt.

In onze tijd lijkt aan die alleenheerschappij van de theologie een einde te komen. Dorothee Sölle heeft in haar boek ‘Denken over God’4 duidelijk gemaakt dat de vrijzinnigheid in de negentiende eeuw een reactie was op de orthodoxie. Maar ook al is zij een reactie, zij blijft binnen de door Paulus in aansluiting bij het hellenistische denken gezette kaders. Pas in de radicale theologie – en op dat punt stoot Sölle dan toch als theologe nog te weinig door begint zich iets van een andere wijze van denken te manifesteren, een wijze van denken die spreekt van noodzakelijke veranderingen van gedrag. Mensen willen elkaar herkennen aan hun gedrag. Er ontstaat een behoefte aan gedragsafspraken.

Misschien niet primair met betrekking tot huis, tuin en keuken, maar wel tot menselijke relaties en omgang met de natuur en meer in het algemeen in relatie tot politieke en maatschappelijke keuzes.

We komen met het oude theologie-ethiek schema niet meer uit.

Aantekeningen

1 .Beide auteurs zijn reeds tien jaar werkzaam als begeleiders van leergroepen bij de Stichting Leerhuis Limburg te Maastricht. De thuisbasis van dit leerhuis is de enkele jaren geleden gerestaureerde (voormalige) synagoge re Meerssen. Het leerhuis is gegroeid uit een gedurende enkele jaren in het kader van een Studium Generale door hen beiden geleide en begeleide leergroep aan de Rijksuniversiteit Limburg, waaraan ook de plaatselijke joodse voorganger, wijlen Jaap van Gelder, zichrono liv’racha, deelnam.

2. Met betrekking tot het citeren van Misjna-, Tosefta- en Talmoedplaatsen in dit boek zij het volgende opgemerkt:

m – Misjna; na m volgt de naam van het Misjna-traktaat, vaak in afkorting. De hoofdstukken zijn met romeinse cijfers aangegeven, gevolgd door een komma, waarna de individuele misjnajot zijn aangegeven met Arabische ciifers. Bijvoorbeeld: mBer II,1, d.w.z. Misjna-traktaat Berachot, hoofdstuk II, misjna 1.

t – Tosefta, verder als bij de Misjna.

b – Babylonische Talmoed; na b volgt de naam van het Talmoedtraktaat, vaak in afkorting (bv. bBer = Babyl. Talmoed, traktaat Berachot) met daarna het nummer van het blad met a (= recto) of b(=verso) volgens de zogenaamde Wilna-editie uit 1902, die ook in andere Talmoeduitgaven, zoals o.m. die van Warschau 1863, gehanteerd wordt, evenals in vertalingen van de Talmoed zoals de hier gebruikte Soncino-uitgave.

J – Jeruzalemse Talmoed; na het bladnummer volgt een aanduiding van de kolom (a, b, c of d) in de Zhitomir-edities.

3. Flusser, David, Ontdekkingen in het Nieuwe Testament. Woorden van jezus en hun overlevering. Ten Have, Baarn 1988, 55ev; Wij houden voor aannemelijk dat men in deze kringen leefde naar de Thora, maar dan niet naar de volle 613 mitswot van de Thora omdat die in hun totaliteit de tempeldienst en het land Israël vooronderstellen. Voorzover men zich in deze kringen met als het ‘nieuwe Israël’ zag, maar als gelovigen uit de volkerenwereld, zal men naar die geboden geleefd hebben die golden voor de volkeren- wereld, dat wil zeggen de noachidische voorschriften. Daarmee is de gedachte dat Israëls prerogatief vervallen was, of aan hen toegewezen, zeer wel te combineren (zie ook oc, 59). Het aantal noachidische voorschriften waarnaar zij geleefd zouden hebben zal eerder groter dan kleiner dan zeven geweest zijn. Wellicht zijn de 30 van jAvoda Zara II1/4c,r 22-23 daarvan een late herinnering (zie ook bChoellin 92a-b).

4. Dorothee Sölle, Denken over God, inleiding in de theologie. Baarn,Ten Have, 1990 (nederlandse vertaling: Bert van Rijswijk).

Notities

EERBETOON AAN DE JAMMER GENOEG TE VROEG OVERLEDEN WILLEM
ZUIDEMA

De keuze om het boek, En G’D sprak tot Noach en zijn zonen, een
joodse code voor niet-joden
, te gebruiken als leidraad voor onze
cursus De Zeven Noachidische Geboden was geen toeval.
Ik kende Willem Zuidema zeer goed en kan daar van uit stellen dat hij in alle
opzichten en naar mijn weten een rechtvaardige noachiet was. Vandaar dat dit
boek, wat reeds vele jaren niet meer is te verkrijgen en geschreven is in
samenwerking met Jos op ‘t Root, van een uiterst hoog gedetailleerd gehalte
is.
De wijze overbrenging van de Joodse Traditie door Willem Zuidema naar een
niet-joods publiek is uniek te noemen.
Al dat heeft bijgedragen tot de keuze van dit boek.
Omdat het geboden materiaal zeer uitgebreid is, is elk hoofdstuk in tweeën
gedeeld, soms in drie, bestudering wordt anders te veel en te gecompliceerd.
Beth HaMidrash geeft de originele tekst weer, maar geeft naar haar inzicht
aanvullende verduidelijkingen, die zij markeert met BHM.
Ik wens u veel studievreugde en hoop door deze studie vele vragen te mogen
beantwoorden.
JUDA GROENTEMAN
BETH HAMIDRASH.

Aantekeningen

Bij Inleiding 1 + 2
1 .Beide auteurs zijn reeds tien jaar werkzaam als begeleiders van
leergroepen bij de Stichting Leerhuis Limburg te Maastricht. De thuisbasis van
dit leerhuis is de enkele jaren geleden gerestaureerde (voormalige) synagoge re
Meerssen. Het leerhuis is gegroeid uit een gedurende enkele jaren in het kader
van een Studium Generale door hen beiden geleide en begeleide leergroep aan de
Rijksuniversiteit Limburg, waaraan ook de plaatselijke joodse voorganger, wijlen
Jaap van Gelder, zichrono liv’racha, deelnam.
2. Met betrekking tot het citeren van Misjna-, Tosefta- en Talmoedplaatsen in
dit boek zij het volgende opgemerkt:
m – Misjna; na m volgt de naam van het Misjna-traktaat, vaak in afkorting. De
hoofdstukken zijn met romeinse cijfers aangegeven, gevolgd door een komma,
waarna de individuele misjnajot zijn aangegeven met Arabische ciifers.
Bijvoorbeeld: mBer II,1, d.w.z. Misjna-traktaat Berachot, hoofdstuk II, misjna
1.
t – Tosefta, verder als bij de Misjna.
b – Babylonische Talmoed; na b volgt de naam van het Talmoedtraktaat, vaak in
afkorting (bv. bBer = Babyl. Talmoed, traktaat Berachot) met daarna het nummer
van het blad met a (= recto)
of              
b(=verso) volgens de zogenaamde Wilna-editie uit 1902, die ook in andere
Talmoeduitgaven, zoals o.m. die van Warschau 1863, gehanteerd wordt, evenals in
vertalingen van de Talmoed zoals de hier gebruikte Soncino-uitgave.
J – Jeruzalemse Talmoed; na het bladnummer volgt een aanduiding van de kolom
(a, b, c of d) in de Zhitomir-edities.
3. Flusser, David, Ontdekkingen in het Nieuwe Testament. Woorden van jezus en
hun overlevering. Ten Have, Baarn 1988, 55ev; Wij houden voor aannemelijk dat
men in deze kringen leefde naar de Thora, maar dan niet naar de volle 613
mitswot van de Thora omdat die in hun totaliteit de tempeldienst en het land
Israël vooronderstellen. Voorzover men zich in deze kringen met als het ‘nieuwe
Israël’ zag, maar als gelovigen uit de volkerenwereld, zal men naar die geboden
geleefd hebben die golden voor de volkeren- wereld, dat wil zeggen de
noachidische voorschriften. Daarmee is de gedachte dat Israëls prerogatief
vervallen was, of aan hen toegewezen, zeer wel te combineren (zie ook oc, 59).
Het aantal noachidische voorschriften waarnaar zij geleefd zouden hebben zal
eerder groter dan kleiner dan zeven geweest zijn. Wellicht zijn de 30 van jAvoda
Zara II1/4c,r 22-23 daarvan een late herinnering (zie ook bChoellin 92a-b).
4. Dorothee Sölle, Denken over God, inleiding in de theologie. Baarn,Ten
Have, 1990 (nederlandse vertaling: Bert van
Rijswijk).
5. Zie: Flusser, David en Safrai, Shmuel, Das Aposteldekret und
die Noachitischen Gebote, in: ‘Wer Tora vermehrt, mehrt Leben’, Festgabe fair
Heinz Kremers zum 60. Geburtstag, herausgegeben von Edna Brocke und Hans-joachim
Barkenings, Neukirchen-Vluyn, Neukirchener Verlag, 1986, p173-192. De zgn.
westelijke tekst van Hand 15:28-29, waarvan de Codex Bezae de belangrijkste
getuige is, stemt niet alleen sterk met 21:25 overeen, maar ook met de zgn. drie
hoofdgeboden, die geen jood op straffe des doods, zelfs om zijn eigen leven te
redden, mag overtreden. Deze ge-/verboden stemmen op hun beurt weer overeen met
een van de oudste varianten van de noachidische geboden. Ze wijzen af wat het
jodendom het diepste verafschuwt.
6. Sefer hachinoech, ed. Chavel, Jerusalem, Mosad harav Kook,
1952, p543.
7. Op dit punt zijn wij grote dank
verschuldigd aan de grote Talmoedgeleerde Louis Jacobs, die zowel in zijn boeken
als ‘The Talmudic Argument, A study in Talmudic reasoning and methodology’,
Cambridge, Cambridge University Press, 1984, als ook in de colleges die hij nog
dit voorjaar (1990) gaf aan de Universiteit van Utrecht, ons voortreffelijk
gereedschap in handen geeft.

Bij Hoofdtuk 1
1. Men zie hiervoor het
overzicht van de positieve en negatieve Mitswot – zoals die uit de
Thora zijn afgeleid in een halachische jurisprudentie van meer dan
vijfentwintig eeuwen – dat Willem Zuidema heeft weergegeven in een
Aanhangsel bij de vijfde druk van zijn ‘Gods Partner, Ontmoeting met
het jodendoom’, Baarn, Ten Have 1988, blz 242-271, en dan hier in het
bijzonder de verboden 315, 316.
2. Zie: ‘Gods Partner’,
de positieve mitswa 207 (blz 252).
3. Misjna Sanhedrin
VIII 7; Maimonides, Mlsjné Thora, Hilchot Rotzeach 1, 9; vgl.
Feldman, Rabbi Dr David M., Marital Relations, Birth Control and
Abortion in Jewish Law, New York, Schocken Books 1988, blz 275. Het
voorschrift met betrekking tot de achtervolger is door generalisatie
uit onder meer Deut 22:27 ontwikkeld: men mag eigen of andermans
leven redden door de vervolger te doden mits men deze – indien
mogelijk – gewaarschuwd heeft.
4. Zie het verweer
tegen deze voorstelling van zaken in Willem Zuidema, ‘Op zoek naar
Thora’, verkenningen in de rabbijnse traditie, Baarn, Ten Have 1986,
blz 37vv, en de referenties op blz 42.
5. Het moet ons van het
hart dat wij de engelse overheersing niet alleen maar als positief
beleven: onze straten zien er soms uit als die van een engelse
kolonie! Een van de ministers ging enige tijd terug in zij’n
subkoloniale attitude zelfs zover dat hij het engels tot voertaal aan
de universiteiten wilde maken. Voor de oorlog wisten de Duitsers het
al:’Holland annexiert sichselbst!’
6. Op zoek naar Thora,
t.a.p.
7. Zie voor dit
fenomeen in de bijbel, in de joodse en andere verhaal- culturen
Willem Zuidema, ‘De vergeten taal van het verhaal’, Baarn, Ten Have,
1989, passim.
8. Zie voor dit aspect:
Burggraeve, Roger, ‘Van zelfontplooiing naar verantwoordelijkheid,
een ethische Iezing van het verlangen, ontmoeting tussen
psychoanalyse en Levinas’, Leuven/Amersfoort, Acco, 1981, blz 30 et
passim.
9. Zie: ‘Op zoek naar Thora’, hfdst 4, 5, blz 43-65, waar
de auteur verslag heeft gedaan van eigen onderzoek op dit gebied en ver-wezen
heeft naar andere publikaties op dit punt.
10. Soloveitchik, Joseph B., ‘De creativiteit van de Halacha’, inleiding
en samenstelling Reinier Munk, Hilversum, Gooi&Sticht, 1989.
11. a.w., blz 39.
12. Zie hiervoor: ‘De vergeten taal van het verhaal’, waarin uitvoerigstilgestaan
wordt bij het verhaal van Genesis 1 en getoond wordt uit welke elementen
dit verhaal is opgebouwd (blz 68-77). Zie voorts over metaforen en parabels
als verhalen in beeldtaal: blz 19ev, 38. Dit bock beschrijft een door een
van beide auteurs aan de Theater-school in Kampen ontwikkelde methode om
verhalen en metaforen re verstaan en ermee te werken.
13. Zie in dit verband: ‘Gods Partner,, blz 2lev., 57.

Bij Hoofdtuk 2
1.Vgl. ook de verklaringen van Rasji op bAvoda Zara 5 1
a. Met betrekking tot wijze van citeren van beide talmoedim zij verwezen naar
aantekening 1 van de inleiding.
2. Midrasj Tanchoema (ed. Lublin 1893), parasjat Noach
II, 8b; zie: Zlotowitz, Rabbi Meir & Scherman, Rabbi Nossom, A traditional
commentary on the Books of the Bible. Artscroll Series, Vol.I, Bereshis. New
York, Mesorah Publications Ltd., 1977, p222. Hier verder aan te halen als
‘Artscroll’. Vgl. ook: Leibowitz, Nehama, Studies in Bereshit (Genesis).
Jerusalem, World Zionist Organisation, Department for Torah Education &
Culture in the Diaspora, 1976, p59-66.
3. Beresjiet Rabba XXX,6. – De Midras’ Rabba bestaat uit
een verzameling aggadische (= verhalende) literatuur op de vijf boeken van de
Tora (Beres)’let, Sjemot, Waj’jiqra, Bamidbar, Devarim) en op de vijf Megillot
(de zgn. ‘rollen’: Roct, Ester, Sjier hasjlerim, Kohelet,
Eecha).
4. Midrasj Tanchoema, ed. Buber, Wilna, z.’., Repr.
Jerusalem 1964, p31; vgl. Artscroll, p222-224.
5. Op deze talmoedplaatsen is echter geen sprake van de
technische term ‘Ben Noach’, (noachide). Wel is sprake van ‘geer’ (vreemdeling),
kennelijk in de zin van ‘geer- tosjav’ (inwonende of bijwonende vreemdeling van
niet-joodse huize, en dus noachide).
6. Flusser, David, Het schisma tussen jodendom en
Christendom. In: id., Tussen oorsprong en schisma. Artikelen over jezus,
het jodendom en het vroege christendom. B. Folkertsma-stichting voor Talmudica.
Hilversum 1978 4, p327; Elke Morgen Nieuw. Inleiding tot de joodse
gedachtenwereld aan de hand van het Achttiengebed. B. Folkertsma- stichting voor Talmudica. Hilversum 1978,
p277.
7. Berman, Encyclopaedia Judaica. Keter Publishing
House. Jerusalem 19784. Artikel van Saul Berman, in dl 12, p1190/91, hierna
geciteerd: 12:1190/91.
8. Gershuni, Yehuda, Minority Rights in Isra21. In:
Crossroads, Halacha and the Modern World. Zomet, Torah and Science Research
Teams, Alon Shvut-Gush Etzion. Jerusalem 1987, p19-34.
9. Rabbi jomtov ben Avraham Isibili (Spanje, 1250-1330),
de Ritva, in zl’n kommentaar op bMakkot 9a).
10. Aldus R. Avraham van Wllna, geciteerd door Gershuni,
a.w..
11. In: Sefer hamitswot leRasag, Mitswot As@
35~37.
12. Vgl. Clorfene & Rogalsky, p41,42; zie hieronder
aantekening 31.
13. In: Mlsj’n6 Tora, Hilchot Avoda Zara (= Regels met
betrekking tot afgodendienst).
14. M6iri, geciteerd door Gershuni,
a.w..
15. Talmoed-passages, waarin direct
of indirect wordt gesproken over de noachidische voorschriften of over de zonen
van Noach: Eroevin 62a; joma 67b; jevamot 47b, 48b (2x), 62a; Baba Kamma 92a;
Baba Metsia 90b; Sanhedrin 56ab, 57ab, 58b, 59ab, 74b; Avoda Zara 2b, 3a, 5b,
6b, 15a, 24b, 51a, 64b, 71b, 72a; Horajot 8b; Makkot 9ab; Choelhn 90a, 91a,
92ab, 100b, 101b, 102ab, 114b, 121b, 129ab.
16. Guttmann, M., Das Judentum und seine Umwelt. Eine Darstellung der
religibsen und rechtlichen Bezichungen zwlschen juden und Nicht-juden mit
besonderer Beriicksichtigung der talmudischen rabbinischen Quellen 1, Berlin,
Philo Verlag 1927, p100.
17. m – Misjna. Het oudste deel van de Talmoed, ook apart uitgegeven.
De hoofdstukken worden met romeinse cijfers aangegeven, de aparte uitspraken
(misjna’ot – enkelvoud: mlsj’na) worden aangegeven met Arabische cijfers,
bijvoorbeeld: Toharot 1,3. Overigens bevat de misjna Toharot 1,3 cen indirecte,
voor ons verder niet van belang zijnde verwijzing met betrekking tot
noachiden.
18. Zuldema, Willem, Op zoek naar Tora; verkenningen in de rabbijnse
traditie. Baarn, Ten Have 1986, p125-126.
19. t – Tosefta. Apart uitgegeven commentaren van de Tanna’im
(Schriftgeleerden) in verband met de Misjna. Guttmann, a.w., 99; Berman, a.w.,
12:1190.
20. Flusser, David und Shmuel Safrai, Das Aposteldekret und die
Noachitischen Gebote. In: E. Brocke und H.J. Barkenings (Hrsg.) Wer Tora
Vermehrt Mehrt Leben. Heinz Kremers zum 60. Geburtstag. Neukirchen, Neukirchener
Verlag 1986, p173-195, hier p100. Zie ook Boon, R., Messlaanse gemeenschap in
eschatologisch perspectief. In: Ter Herkenning 14/1986/1, p16-30.
21. Flusser-Safrai, a.w., p174-175.
22. Flusser-Safrai, a.w., p178-182,186.
23. Flusser-Safrai, a.w., p175.
24. Flusser-Safrai, a.w., p186.
25. Berman, a.w., 12:1190.
26. Guttmann, a.w., p105.
27. Flusser-Safral, a.w., p183; voorts:
Damascusgeschrift, in: H.A. Brongers (vert.), De Gedragsregels der
Qoemraan-gemeente. Amsterdam, Proost & Brandt 1958, p19-58, hier:
p15-19.
28. Cohn, EJ 14:1207ev.
29. Zie daartoe hieronder hoofdstuk 7G.
30. Berman, a.w., 12:1190; Leibowitz, a.w., 76-77.
Volgens sommige autoriteiten zou het Adam wel toegestaan zijn geweest
vlees te eten maar niet zelf te slachten. Wat dus al dood was, door een ongeluk
of door een wild dier, mocht hij opeten. Is dit een herinnering aan een tijd dat
de mens ook aas at?
31. Berman, a.w., 12:1191.
32. Whitlaul Willem, Over de Noachitische geboden. In: Levend joods
Geloof 33/8, Tammoez 5747-juni/juli 1987, 17-18. Zie voor een uitwerking in deze
zin: Lichtenstein, Aaron, The Seven Laws of Noah (1981) en: Clorfene, Chaim, and
Rogalsky, Yakov, The path of the Righteous Gentile
(1987).

Bij Hoofdtuk 3
1. Zuidema, Willem, Gods Partner. Ontmoeting met het jodendom, Baarn, Ten
Have 1988 (5e dr), p97-103, 154.
2. Schwarzschild, Encyclopaedia Judaïca. Keter Publishing House. Jerusalem
19784 . Artikel van Malcolm Schwarzschild, in dl 12, p 1 189, hierna geciteerd:
12:1189; wij geven hier de volgorde van de zeven noachidische voorschriften,
zoals bSanh 56a die geeft. Lichtenstein, in The Seven Laws of Noah’ begint met
‘diefstal’, omdat die in de nummering van de 613 mitswot voorop komt en in de
Talmoedscholen (jesjivot) als eerste bestudeerd wordt (p19); Clorfenc/Rogalsky
beginnen met afgodendienst (p40, 48).
3. Schwarzschild, a.w., 1189.
4. Boon, Rudolf, Messiaanse gemeenschap in eschatologisch perspectief. In:
Ter Herkenning 14/1986/1, 16-30, hier: p 22.
5. Schwarzschild, a.w., 1189.
6. Guttmann, M., Das judentum und seine Umwelt. Eine Darstellung der
religiösen und rechtlichen Beziehungen zwischen Juden und Nicht-juden mit
besonderer Berücksichtigung der talmudischen rabbinischen Quellen 1, Berlin,
Philo Verlag 1927, p191-192.