Aanbevolen Kabbalistische werken

Aanbevolen Kabbalistische werken door Rabbi Moshe Yaakov Wisnefsky voor Beth Hamidrash

De volgende is een bibliografie van basis-werken in het Engels (jammer genoeg niet in het Nederlands) over Joods mysticisme, inclusief Kabbala, Chassidisme en Joodse meditatie. Deze bibliografie bevat alleen werken die wij betrouwbaar en bevoegd vinden (ofschoon zelfs veel van deze boeken enige tekortkomingen zijn te constateren). Er zijn nog meer acceptabele werken dan die hier worden genoemd; maar deze zijn naar onze mening de meest bruikbare.

Vele boeken op de markt interpreteren Judaïsme verkeerd, soms onschuldig, soms met opzet en in het bijzonder boeken met betrekking tot Joodse mystiek. Om die reden moet men zeer precies en selectief zijn in het kiezen van leesmateriaal over dit onderwerp.

Bijvoorbeeld, geen enkel boek van Gershom Scholem of Martin Buber is op onze lijst vermeld. Ondanks het succes wat deze auteurs hebben gehad in het populariseren van Joodse Mystiek, zijn hun werken vol van onnauwkeurigheden en bezaaid met misvormingen, welke onvermijdelijk zijn als de auteur alleen maar academisch betrokken is met het onderwerp en los staat van het praktiseren ervan.

Bibliografie

DE BAHIR (tweetalig). Rabbi Nehuniah ben HaKanah (1e eeuw CE).
Vertaald door R. Aryeh Kaplan.
New York: Weiser, 1979, 244 blz.
ISBN: 1568213832

  • Een mystieke bespreking van het Hebreeuwse alfabet, het eerste vers van de Bijbel, de sefirot, en de ziel.
  • Bestellen bij Amazon UK: Hardcover of Paperback

SEFER YETZIRAH IN THEORIE EN TOEPASSING (tweetalig). Rabbi Akiva (2e eeuw CE).
Vertaalt door R.Aryeh Kaplan. New York: Samuel Weiser, 1990.
ISBN: 0877286906

  • Een complete vertaling van dit vruchtafwerpende werk in Kabbala in al zijn drie bestaande versies. De tekst beschrijft en verklaart de Schepping en dient tevens als een meditatieve gids, welke gebaseerd is op standaard commentaren en niet gepubliceerde manuscripten. Met historische introductie en toevoegingen.
  • Bestellen bij Amazon UK: Hardcover of Paperback

DE GRONDSLAG VAN JOODSE MYSTICISME: HET BOEK VAN DE SCHEPPING EN ZIJN COMMEMTAREN (Sefer yetzira, tweetalig). Vertaald door Leonard R. Glotzer. Northvale, NJ: Jason Aronson, 1992, 258 p.
ISBN: 0876684371

ZOHAR. Rabbi Shimon bar Jochai en leerlingen ( 2e eeuw CE ).
Vertaald door Rabbi Moshe Miller. Morristown, NJ: Fiftieth Gate Publications, volume 1, 2000, 3666 p.

ISBN: 0970089406

  • Bestellen bij Amazon UK: Zohar (Hardcover)

DE PALMBOOM VAN DEVORAH (Tomer Devorah; tweetalig). Rabbi Moshe Cordovero (1522 – 1570).
Vertaald door Rabbi Moshe Miller. Southfield, Michigan: Targum Press, 1993, 209 p.
ISBN: 1568710275

  • Een ethische verhandeling verbonden aan een Kabbalistisch begrijpen van de geboden en verboden om op G’D te lijken. Met inbegrip van verhelderende uitleg en noten.
  • Bestellen: Amazon.co.uk (Hardcover) of Feldheim

SHNÉ LOECHOT HABRIET (De Twee Stenen Tafels van het verbond). Rabbi Jishajahoe Horowitz (1565 – 1630).
Vertaald door Elijahoe Munk, Brooklyn, NY: Lambda, 1992, 3 delen, 1262 p. met toevoegingen.
ISBN 9657108071

DERECH HASHEM: DE WEG VAN G’D (tweetalig). Rabbi Moshe Chayiem Luzzatto (1707-1746).
Vertaald door Rabbi Aryeh Kaplan. New York: Feldheim, 1983, 107 P.

ISBN: 087306769X

VERHANDELINGEN OVER VERLOSSING. Rabbi Moshe Chayiem Luzzato.
Vertaald door Avraham Sutton. Jeruzalem, 73p.
www.geulah.org.

PENINEI AVIR YA’AKOV: Thora Overdenkingen en Parelen van Wijsheid. Rabbeinoe Yaakov Abuchatzeira.
Vertaald door M.Steinberger en E.Linas. Jeruzalem: Jeshiva Ner Yitzhak 490p.

  • Een plaatselijke geordende anthologie verzameld uit 12 boeken van de meest beroemde Marokkaanse kabbalist van allen, Rabbi Yaakov Abuchatzeira (1807-1880), grootvader van Baba Sali – Rabbi Yisrael Abuchatzeira. Helaas is de hoge maat van kabbala inhoud van het origineel aanzienlijk gereduceerd.
  • Online: Peninei Avir Ya’akov – Torah thoughts and pearls of wisdom

In the Shadow of the Ladder. Rabbi Yehudah Lev Ashlag.IN DE SCHADUW VAN DE LADDER: INTRODUCTIES OP KABBALA.
Rabbi Jehoeda Lev Ashlag.
Vertaling en bijgevoegde verklarende hoofdstukken door Mark en Yedidah Cohen. Safed, Israël: Nehora Press, 2002, 272p. nehorapress.com.

ISBN: 9657222087

  • Een indrukwekkend heldere vertaling van de introductie van de auteurs commentaar op de Zohar, de Soelam (“Ladder”),en zijn uitleg van de leringen van de heilige Ari, Talmoed Esser Sefirot. Aangevuld met veel historische achtergronden en belangrijke definities, evenzo met oprechte persoonlijke getuigenissen wat betreft de inhoudelijke baat van de leringen.
  • Bestellen: In the Shadow of the Ladder: Introductions to Kabbalah, Bol.com of Nehorapress

DE BRON VAN LEVEND WATER: PASSAGES UIT DE GESCHRIFTEN VAN DE LERAREN. Avraham Sutton. Jeruzalem, 108p. www.geulah.org.

———

DE ZEVEN NOACHIDISCHE GEBODEN HOOFDSTUK 3

DEZE STUDIE WORDT GEDONEERD DOOR AÄRON GROENTEMAN

DE ZEVEN NOACHIDISCHE GEBODEN

HOOFDSTUK 3

De noachidische voorschriften als levensoriëntatie en als levensordening
(een nadere specificatie)

1. Een mogelijke onderverdeling

In de inleiding hebben wij gewag gemaakt van de behoefte aan zingeving en vormgeving van het leven zoals die in toenemende mate door velen wordt ervaren en tot uitdrukking wordt gebracht en die blijkt te bestaan zowel bij mensen die geen binding met het christendom meer voelen als bij mensen die nog kerkelijk meeleven. In het voorgaande hoofdstuk hebben wij ons rekenschap gegeven van de rol die de noachidische voorschriften zouden kunnen spelen bij de vormgeving van het leven. Wij hebben ons reeds enigszins georiënteerd in de betreffende literatuur en daarbij’ de verschillende tradities op een rijtje gezet, zonder echter ons te zeer te verdiepen de historisch context en achtergrond van de verschillende redacties van deze voorschriften. Daartoe zullen wij in de laatste twee hoofdstukken van dit boek een poging ondernemen. Hier, op deze plaats, zullen we de inhoud van de noachidische voorschriften nader omschrijven en hun betekenis weergeven.

De ‘noachidische’ geboden omvatten, zoals we gezien hebben, volgens de meeste tradities zeven voorschriften. Dit ondanks het feit dat er nogal wat verschil bestaat tussen de verschillende bronnen. Enerzijds stellen sommige dat er zeven zijn, maar geven er zes, anderzijds lopen wat de invulling van enkele betreft de bronnen enigermate uiteen, zoals te zien valt in het schema in het vorige hoofdstuk. Tegelijk blijkt uit een aantal recente rabbijnse publikaties dat men van mening is dat men ze moet opvatten niet als enkelvoudige geboden, maar als aanduidingen van categorieën van voorschriften of als ‘randvoorwaarden voor waarachtig menselijk leven’. In iedere categorie zouden dan weer meerdere gedetailleerde voorschriften kunnen worden ondergebracht. Of ult elk hoofdgebod zouden dan weer andere meer gedetailleerde voorschriften kunnen worden afgeleid. Dit zou, zoals ook reeds gezegd, naar onze mening het onderwerp moeten zijn van een noachidische jurisprudentie, een taak van op dit terrein geschoolde halachisten. In de volgende hoofdstukken zullen wij proberen ons een beeld te vormen van wat die zeven hoofdgroepen in concreto zouden kunnen inhouden. We kunnen ons daarbij baseren op recente publikaties van joodse zijde, zoals van Lichtenstein, Clorfene en Rogalsky.

Misschien zouden we op het punt van nadere uitwerking en concreet toespitsing kunnen denken aan het model van de 39 soorten werk die op sjabbat verboden zijn die afgegeleld woorden uit Ex 31:12~16 en 35:1-3, waar de werkzaamheden vermeld worden die aan de tabernakel verricht worden en die op sjabbat onderbroken dienen te worden. Deze worden in de joodse traditie opgevat als aanduidingen van categorieën, aangeduid als ‘vader’-werkzaamheden (av-mel’acha, mv. avot-mel’achot), die weer gedifferentieerd worden in ‘afstammeling’-werkzaamheden (toladot). Anders gezegd: waaronder allerlei op welke grond dan ook op sjabbat verboden werkzaamheden geclassificeerd werden.1 (bsjabbat 7b) .

Op dezelfde wijze zouden wij dan de zeven noachidischevoorschriften kunnen zien als ‘avot mitswot’, die dan weer gedifferentieerd en gespecificeerd kunnen worden in ‘toladot mitswot’.

In de Babylonische talmoed, in het traktaat Choellin 92ab, wordt een aantal van 30 voor de noachidische voorschriften genoemd. Wij komen daar later nog op terug. Wellicht hebben we daar te maken met een herinnering aan een dergelijke mogelijkheid van een Jurisprudentiële differentiëring en verfijning van de zeven noachidische voorschriften, vergelijkbaar met de differentiatie die de bovengenoemde auteurs hebben toegepast. Het zou kunnen zijn dat wij, in die lijn, in de 613 mitswot die aan Israël zijn geschonken, aanwijzingen kunnen vinden voor een dergelijke differentiëring en onderverdeling van de hoofdgroepen in subgroepen en specifieke enkelvoudige mitswot voor noachiden. Anders gezegd: voorschriften die wij’ op de wijze van ‘toladot’ onder zouden kunnen brengen in de aanvaarde zeven categorieën van noachidische ‘vader’-geboden. Wij’ zullen in de hoofdstukken 4-7 proberen een beeld daarvan te krijgen.

2. Verankering in de Thora

Evenals de op sjabbat verboden werkzaamheden vinden op hun beurt de zeven noachidische voorschriften weer hun basis in de Thora.2

1. Het voorschrift een rechtsorde te scheppen en daarmee ook het instituut van rechters in het leven te roepen, is gebaseerd op Genesis 18:19, waar staat: “… door gerechtigheid en recht te doen’. Ook wordt verwezen naar Genesis 34:13 waar de zonen van Jakob (om recht te doen) bedrieglijk spraken omdat hun zuster Dina verkracht was.

2. Het verbod van godslastering is gebaseerd op Leviticus 24:16: ‘Wie de Naam des Heren lastert zal zeker ter dood gebracht worden”. (bSanhedrin 56b). We merken op dat het hier om een post-Sinaïtische verwijzing gaat die toch is opgenomen in de noachidische voorschriften.

3. Het verbod van de dienst aan afgoden wordt afgeleid van de tekst: “Zij hebben zich gehaast om af te wijken van de weg die Ik hun geboden heb; zij hebben zich een gegoten kalf gemaakt, waarvoor zij zich hebben nedergebogen en waaraan zij geofferd hebben, terwijl zij zeiden: dit is uw God, Israël, die u uit het land Egypte heeft gevoerd”. (Ex. 32:8; zle bSanhedrin 56b). Ook hier gaat het om een post-Sinaïtische verwijzing die toch noachidisch is (geacht wordt).

4. Het verbod van ontucht is af te leiden uit de instelling van het huwelijk in Genesis 2:22-24 en uit de geschiedenis van Abraham en Abimelech in Genesis 20. Het is voorts te vinden in Leviticus 20:10-21, waar diverse vormen van ontucht en bloedschande streng veroordeeld worden. Ook wordt wel verwezen naar Jeremia 3:1.

5. Het verbod van het vergieten van bloed, gaat terug op Genesis 9:6, waar staat: ‘Wie des mensen bloed vergiet, diens bloed zal door de mens vergoten worden’.

6. Het verbod van diefstal en roof is af te leiden uit de opdracht:

‘(Van alle bomen in de hof moogt gij vrij eten), maar van de boom der kennis van goed en kwaad, daarvan zult gij niet eten.’ Een opdracht die te vinden is in Genesis 2:16-17.

7. Het verbod vlees te eten van een nog levend dier is afgeleid uit Genesis 9:4. Hier wordt gezegd: ‘Alleen vlees met zijn ziel, zijn bloed, zult gij niet eten’. Ook wordt verwezen naar Genesis 2:16, waar staat: “Van alle bomen in de hof moogt gij’ vrij’ eten”. De rabbijnen wijzen erop dat dit een verbod van het eten van vlees inhoudt. De mens mocht datgene eten dat gereed was om te eten. In Genesis 9:3 krijgt de mens verlof ook dierlijk voedsel te gebruiken, maar hij moet er voorzichtig mee omgaan en zich beperken.

3. Betekenis van de noachidische voorschriften

We hebben al opgemerkt dat de zeven noachidische voorschriften hoofdgroepen zijn die hun parallellen hebben in de ‘hoofdgeboden’ die in de rabbijnse traditie voorkomen. Die hoofdgroepen zijn op hun beurt gespecificeerd in een groot aantal voorschriften en consequenties (zie bsanhedrin 56a-60b). We noemen onder andere het brengen van verboden offers, het verbod op tovenarij, het verbod van castratie bij mens en dier, het verbod van het vermengen van zaad. Dit laatste is bijvoorbeeld in onze tijd van belang bij zaken als kunstmatige bevruchting en in vitro fertilisatie. Naar dat model zou elk van de noachidische geboden nader uitgewerkt kunnen worden in een noachidisch-halachische jurisprudentie. Het voorschrift een rechtsorde te scheppen houdt bijvoorbeeld in dat er sociale stabiliteit bestaat. Dit wil echter niet zeggen dat men blind moet gehoorzamen aan de overheid. Het ‘jodendom komt primair op voor de belangen en het recht van de individu.

Onrecht moet worden voorkomen. Dit kan in nadere bepalingen worden gespecificeerd.

Ook het verbod van afgoderij draagt bij tot een goede ordening van het leven. Tevens wordt van iemand die valse goden afzweert diens persoonlijke integriteit en redding benadrukt.3

Het gebod zich te onthouden van wat door afgoden bezoedeld is of aan hen geofferd, is een gebod om zich verre te houden van al wat in contact staat met de wereld der afgoden, met andere woorden van een maatschappelijk leven dat doordrenkt is van heldendom.4 Dit betekent overigens net dat per definitie andere godsdiensten als ‘heidendom’ gebrandmerkt worden. Het jodendom heeft geen behoefte aan verkettering en missionering van de wereld vanuit het gezichtspunt dat zij de enig ware religie zouden zijn.

Het is eerden zo – zoals reeds in vorige hoofdstukken ‘s aangeduid dat andere godsdiensten wegen kunnen zijn tot kennis van de Eeuwige. Wat onder afgoderij valt zijn afgodische praktijken die te kort doen aan de waardigheid van de mens als schepsel en beelddrager van God.

Tot het verbod van diefstal horen ook zaken als militaire veroveringen en oneerlijkheid in het economisch verkeer.5

Maar ook een christen die de Hebreeuwse bijbel als ‘Oude Testament’ annexeert en primair als zijn erfdeel beschouwt, zondigt tegen het noachidische verbod om te roven.6

Een andere – meer aanvullende – benadering van het verbod van bloedvergieten vinden we in de Talmoed: Een schriftgeleerde zegt tot Rav Nachman bar Jitzchaq (Bab. -356): wie in het openbaar zijn naaste beschaamt wordt het aangerekend alsof hij bloed vergiet. Waarop deze opmerkte: dat heb je mooi gezegd, want ik heb het (zulk een schaamte) gezien, het bloed trok weg uit het gelaat en die mens werd dodelijk bleek. (bBaba Metsia 58b. Iemand in het openbaar voor gek zetten, op een zodanige wijze dat zijn zelfrespect wordt ondermijnd, geldt dus als bloedvergieten.

Het eten van een deel van een levend dier betekent ook dat het verboden is het bloed van een levend dier te nuttigen, zegt Rabbi Chanina ben Gamliel (Tann. rond 120) in de Talmoed als aanvulling op de zeven voorschriften (bSanhedrin 56b).

Aantekeningen

1. Zuidema, Willem, Gods Partner. Ontmoeting met het jodendom, Baarn, Ten Have 1988 (5e dr), p97-103, 154.

2. Schwarzschild, Encyclopaedia Judaïca. Keter Publishing House. Jerusalem 19784 . Artikel van Malcolm Schwarzschild, in dl 12, p 1 189, hierna geciteerd: 12:1189; wij geven hier de volgorde van de zeven noachidische voorschriften, zoals bSanh 56a die geeft. Lichtenstein, in The Seven Laws of Noah’ begint met ‘diefstal’, omdat die in de nummering van de 613 mitswot voorop komt en in de Talmoedscholen (jesjivot) als eerste bestudeerd wordt (p19); Clorfenc/Rogalsky beginnen met afgodendienst (p40, 48).

3. Schwarzschild, a.w., 1189.

4. Boon, Rudolf, Messiaanse gemeenschap in eschatologisch perspectief. In: Ter Herkenning 14/1986/1, 16-30, hier: p 22.

5. Schwarzschild, a.w., 1189.

6. Guttmann, M., Das judentum und seine Umwelt. Eine Darstellung der religi�sen und rechtlichen Beziehungen zwischen Juden und Nicht-juden mit besonderer Ber�cksichtigung der talmudischen rabbinischen Quellen 1, Berlin, Philo Verlag 1927, p191-192.

ZOHAR GENESIS (8)

HET IS HOOGST AAN TE BEVELEN OM PARALLEL AAN DEZE STUDIE, DE CONCEPTEN EN DOCTRINES VAN KABBALA TE BESTUDEREN OP ONZE WEBSITE: WWW.BETHHAMIDRASH.ORG IN HET ARCHIEF ONDER KABBALA EN CHASSIDISME.

KLEIN-CURSIEF GEDRUKTE TEKST IS EEN VERKLARING VAN DE ZIN WAAR IN HET STAAT, DE TEKST VAN DE ZOHAR VERVOLGT ZICH IN DE NIET CURSIEF GEDRUKTE LETTER.

ZOHAR GENESIS

1:24 WAJOMER ELOKIEM TOTSÉ HAÁRETS NEFESH CHAJA LEMINA: EN G’D ZEI, “LAAT DE AARDE LEVENDE WEZENS VOORTBRENGEN NAAR ZIJN SOORTEN

Rabbi Abba zei: Van de woorden “nefesh chaja” (letterlijk “levende ziel,” in het enkelvoud, eerder dan in het meervoud) je kun zien dat alle zielen in de wereld aanvankelijk man en vrouw incorporeren. Maar toen zij voortkwamen m.a.w. toen zij geboren werden in deze wereld, gingen zij of als man of als vrouw, hun eigen weg de mannelijke ziel in een mannelijklichaam, en de vrouw in een vrouwelijklichaam. Als zij waardig zijn, zullen zij worden verenigd in het huwelijk. Dan is de vrouwelijke ziel terug gevoerd tot de mannelijke ziel als zielsverwant zij vormen dan tezamen in elk opzicht een eenheid in ziel en lichaam. Dit is de betekenis van het vers, “LAAT DE AARDE VOORTBRENGEN LEMINA CHAJA NEFESH”, letterlijk, “levende ziel elk volgens zijn aard.” Wat betekent “elk volgens zijn aard”? Dat het zich verenigd met die ziel waar het oorspronkelijk mee was verbonden. En wat is de betekenis van “De Aarde” brengt voort in het vers? De betekenis is, zoals een ander vers verklaard: “Ik ben gevormd in het diepste der aarde” (Psalm 139:15) verwijzend naar de eigenschap van malchoet, de laagste van de tien sefirot. Het laatstgenoemde vers is duidelijke parallel aan, “De Aarde zal voortbrengen,” want het is vanuit deze eigenschap dat de levende ziel voortkwam. We hebben reeds eerder verklaard dat, “de levende ziel” refereert aan de ziel van Adam. Het is te wijten aan Adam en Eva’s zonde van de Boom van Kennis van Goed en Kwaad, welke het kwaad in de wereld bracht en separatie veroorzaakte die daarvoor eveneens niet aanwezig was, toen zielen voortkwamen van boven, dat zij werden de vrouwelijke en mannelijke aspecten gesepareerd, totdat de Heilige, geprezen zij Hij, het geschikt vond om hen te herenigen. Echter, dit hangt van de persoon zelf af. Als hij het waardig is, zal zijn zielsverwant hem gegeven worden. Zo niet, zijn zij gesepareerd en zij zal aan een andere man gegeven worden en zij zal kinderen baren welke niet “passen.”

MITSWA 5

SEFER HAMITSWOT VAN DE RAMBAM (MAIMONIDES)

Een gedetailleerde studie van de 613 geboden en verboden opgelegd door de Thora aan het Joodse volk.

Aanbevolen wordt om ook, parallel aan deze STUDIE, “De Introductie tot de Talmoed” hoofdstukken 1 t/m 4 van VAN MAIMONIDES, RABBI MOZES ben MAIMON te lezen op onze website www.bethhamidrash.org onder studies en Archief.

MITSWOT ASE

DE POSITIEVE GEBODEN

MITSWA 5

DE VERHEVENE TE DIENEN – dit gebod wordt verschillende malen herhaald, namelijk (Exodus 23:25): “Hem moeten jullie dienen”, (Deuteronomium 13:5): “Hem moeten jullie dienen”, (Ibid 6:13): “Hem moeten jullie dienen “, ( Ibid 11:13 ): “Hem te dienen.”

Ofschoon dit gebod een algemeen gebod is, is er iets specifieks aan, en wel, het gebod voor gebed, zoals onze geleerden hebben verklaard (Sifré, Deuteronomium 11:13): “En Hem te dienen, dat is gebed “, en: “En Hem te dienen, dat is Thora studie.” En in de Mishna van R.Eliezer, de zoon van R.Jossi Haglili, is verklaard: “Waar zien we de institutie van gebed binnen het kader van de Mitswot? In het vers (Deuteronomium 6:13): Voor de Eeuwige, je G’D, moet je ontzag hebben, Hem moet je dienen“, en: “Dien Hem met Zijn Thora: dien Hem in Zijn Heiligdom” dit is, trachten in Zijn Heiligdom te bidden of je er naar te richten, zoals Salomon uitlegt (Koningen 1 8:23).

DE ZEVEN NOACHIDISCHE GEBODEN HOOFDSTUK 2b

DE ZEVEN NOACHIDISCHE GEBODEN

HOOFDSTUK 2b

De noachidische voorschriften als levensoriëntatie

(een inventarisatie)

5. Bronnen van de noachidische voorschriften

Wij noemen de bronnen niet in chronologische volgorde, maar naar belangrijkheid voor de ontwikkeling van de latere traditie. De voorschriften voor de noachiden worden in de Talmoed op diverse plaatsen genoemd, vaak bovendien in een verschillende context.15

De voorschriften komen overigens als zodanig niet voor in de Misjna. Dit is opmerkelijk. Zelfs de technische term ‘mitswot benee Noach’ ontbreekt. Guttmann meent dat de noachidische geboden weliswaar niet opgesomd, maar wel voorondersteld worden.16 Hij verwijst daarbij naar mChoellin IX,1, waar staat: Wanneer iemand (een jood) een onrein stuk vee voor een niet-jood slacht en het heeft nog stuiptrekkingen, dan kan het voedsel onreinheid overdragen, maar geen aasonreinheid tot het verstorven is of men de kop van het lichaam gescheiden heeft (mChoellin IX, I).17

Elders heeft een van de auteurs aangegeven dat achter dit Mlsjnavoorschrift echter een andere vraagstelling zit, namelijk niet meer, maar ook niet minder dan hoe een jood die een welomschreven dienst verricht voor een niet-jood, zich in dit geval heeft te gedragen.18

De belangrijkste Talmoed-passage met betrekking tot de noachidische voorschriften is bSanhedrin 56ab, waar de zeven voorschriften, één in positieve en zes in negatieve bewoordingen, worden genoemd:

Onze Rabbijnen leren: zeven voorschriften zijn opgelegd aan de zonen van Noach:

– (het scheppen van een) rechtsorde,

– (zich te onthouden) van godslastering,

– van afgodendienst,

– van bloedschande,

– van bloedvergieten,

– van beroving en

– van het eten van delen van een levend dier.

Rabbi Chanina ben Gamliel (Tann. rond 120): ‘Daaronder valt ook bloed van een levend dier.’

Vervolgens worden de voorschriften uitvoerig becommentarieerd (bSanh 57b, 57ab, 58b, 59ab).

Behalve in de Talmoed vinden we nog op een aantal andere plaatsen verwijzingen naar de noachidische voorschriften. Zo vinden we ook in de Tosefta – die ouder is dan de Talmoed maar ‘jonger dan de Misjna en waarvan elementen hun weg hebben gevonden naar belde Talmoedim, die van het land Israël en die van Babylonië – een opsomming van de zeven geboden.19 In het traktaat tAvoda Zara VIII,4 worden de noachidische voorschriften genoemd: Zeven opdrachten zijn de noachiden opgedragen: met betrekking tot rechtsinstellingen, afgodendienst, godslastering, bloedschande, bloedvergieten en beroving. De zevende wordt opengelaten. Ult het vervolg blijkt dat de aard daarvan op dat moment nog ter discussie stond. In tAvoda Zara VIII,6 vinden we vier aanvullende richtlijnen. Het betreft het verbod van het drinken van bloed van een levend dier, van castratie, van tovenarij en van het uitoefenen van magische praktijken zoals opgesomd in Deuteronomium 18:10-11.

Een derde, belangrijke, bron van de noachidische voorschriften is te vinden in het Nieuwe Testament. In de Handelingen der Apostelen staat in 15:20: ‘… maar hun (de heidenen) aanschrijven, dat zij zich hebben te onthouden van wat door de afgoden bezoedeld is, van hoererij, van het verstikte en van bloed’. Het gaat hier om voorschriften die afkomstig zijn uit de joodse traditie en die van een oorspronkelijk karakter zijn. De apostolische oerkerk accepteerde met betrekking tot de bekering van niet-joden eenvoudigweg, zeggen Flusser en Safrai, de joodse lering.20 Naast deze geautoriseerde tekst, bekend als het decreet van de Apostelen, bestaat nog een andere tekst, de zogenaamde westelijk tekst van de Handelingen der Apostelen. Volgens deze verwante bron wordt aan hen die zich uit het heidendom bekeren, voorgeschreven zich te onthouden van aan de afgoden geofferd vlees, van bloed en van ontucht.21

Vervolgens wijzen Flusser en Safrai op het bestaan van uitspraken van rabbijnen over de zogenaamde kardinale zonden (later: hoofdzonden), die a.h.w. de oudste voorfase van de noachidische geboden zouden zijn. 22 Dit zijn overtredingen die onder geen enkele voorwaarde zijn toegestaan, zelfs niet om het eigen leven te redden. Het gaat om afgodendienst, incest ( inclusief overspel) en moord (bSanhedrin 74a).

Alle andere verboden mochten overtreden worden in het geval dat het eigen leven op het spel stond.

Er is een zekere verwantschap tussen het aposteldecreet met zijn joodse oorsprong en de hiervoor genoemde rabbijnse richtlijnen die tijdens de rabbijnse synode in Lydda zijn geformuleerd.”23

Flusser en Safrai beschouwen de twee versies van het aposteldecreet als varianten op de noachidische voorschriften ult de joodse traditie die de status van godvrezende niet-joden met betrekking tot het jodendom regelden. 24 Voor de verschillen tussen beide versies en voor de argumentatie verwijzen we naar het genoemde artikel. Beide versies stammen uit de tijd voordat de in de Talmoed genoemde zeven voorschriften gezaghebbend zijn geworden. Een vierde bron, maar wellicht wel een van de oudste, vormt het Boek der jubileeën, een boek dat tot de zogenaamde apocriefe literatuur wordt gerekend en van oudere datum is dan de Talmoed. De beschrijving in dit boek heeft het karakter van een midrasj (= een rabbijnse, actualiserende vertolking) op Genesis 9. De datering is waarschijnlijk van rond het jaar 100 voor de gewone jaartelling. Deze bron vormt een van de oudste versies van de noachidische voorschriften. In hoofdstuk zeven wordt in de verzen 20 en 21 een opsomming gegeven van zes richtlijnen die aan Noach gegeven zijn:

Men moet zorgen dat er rechtvaardigheid bestaat, de schaamte van het vlees moet men bedekken, men hoort de Schepper te zegenen, zijn ouders te eren, en de naaste lief te hebben. Tenslotte hoort men zich te wachten voor ontucht, onreinheid en alle ongerechtigheid.25

Guttmann spreekt overigens van vijf voorschriften die in het Boek der jubileeën worden genoemd: het gebod van recht en rechtvaardigheid (7:20; 7:23; 7:34), het verbod van ontucht (7:20; 7:21; 7:24), het verbod van bloedvergieten (7:23; 7:25; 7:27-29), het verbod van het nuttigen van bloed van levende dieren (7:28-32; ook: het verbod van het nuttigen van bloed zonder meer), het verbod ongerechtigheid ult te oefenen, van roof (7:23). Het verbod van godslastering en het verbod van afgodendienst ontbreken, maar zij zijn wel af te leiden ult jubileeËn 7:23.26

Een vijfde bron met hierin een verwijzing naar het boek van de jubileeën vindt men in het zogenaamde Damascusgeschrift. Het gaat hier om een in 1897 door Solomon Schechter in de geniza van Fostad (Kairo) ontdekt en in 191 0 door hem gepubliceerd document van een joodse gemeenschap die in de eerste eeuw van de gewone jaartelling haar zetel in Damascus had en die opereerde onder de naam Gemeente van het Nieuwe Verbond. In het Damascusgeschrift wordt eerst een opmerking gemaakt over het zondige verleden (ook) van de zonen van Noach en het nieuwe begin dat met Abraham een aanvang nam. Genoemd worden: ontucht, rijkdom en verontreiniging van het heiligdom (Damascusgeschrift IV,15-20).

Vervolgens worden een aantal gedragsregels gegeven voor een rechtvaardige levenshouding: zich verre te houden van de mannen des verderfs; zich te onthouden van de onreine weelde der verdorvenheid, (verkregen uit geloften en votiefgeschenken om zich zo de rijkdom van het heiligdom toe te eigenen; de arme van Zijn volk niet te beroven; niet toe te laten dat weduwen hun prooi worden en zij de wezen vermoorden; onderscheid te maken tussen onrein en rein; de mensen het verschil bij te brengen tussen heilig en profaan; de sjabbat te houden overeenkomstig de bepalingen en de feestgetijden en vastendagen, overeenkomstig hetgeen besloten is door hen die tot het Nieuwe Verbond in het land van Damascus toegetreden zijn.27

Het is overigens de vraag of wij hier echt te maken hebben met regels voor noachiden dan wel met de regels die golden binnen een groepering die zich afgescheiden hadden van de hoofdstroom van het jodendom en die als eis werden gesteld aan hen die tot die groepering wensten toe te treden.

Een zesde bron vormt de Midrasj. In Beresjiet Rabba XXXIV,8 wordt gezegd dat de kinderen van Noach zich voor zeven zaken dienen te hoeden: afgodendienst, incest, moord, vervloeking van de Goddelijke Naam (godslastering), (geen) wetten voor de burgers (in te stellen), en te eten van een lid dat is afgereten van een levend dier. Er wordt aan toegevoegd dat volgens Rabbi Chanina ook het eten van bloed van een levend dier is verboden; volgens Rabbi L’azar ook kruisbevruchting. En Rabbi Simeon zei: ook tovenarij. Rabbi jochanan zel: ook castratie. Rabbi Issi (Assi) zei: de kinderen van Noach hebben zich te houden aan de volgende passage: Onder u zal er niemand worden aangetroffen, die zijn zoon of dochter door het vuur doet gaan, enz. (Deut. 18:10-11). Een vergelijkbare opsomming is te vinden in de Midrasj Sifra, een midrasj verzameling op Leviticus (Sifra, Lev. 18:4).

Een zevende bron tenslotte, is weer te vinden in de Talmoed. Overigens wordt hier niet uitdrukkelijk over voorschriften voor noachiden gesproken. Het gaat echter wel om verwante richtlijnen. In het traktaat Joma staat:

‘Onze rabbijnen leerden: mijn verordeningen zult gij volbrengen (Lev. 18:4); dit zijn die voorschriften die, als ze niet zouden zijn opgeschreven, eigenlijk opgeschreven hadden moeten worden; dit zijn ze: (de voorschriften die betreffen) afgodendienst (aanbidding van hemellichamen), onzedelijke handelingen en bloedvergieten, diefstal en godslastering’. (bJoma 67b).

Wat in de verschillende kolommen als ontucht danwel als incest wordt weergegeven wordt in de bronnen in het algemeen weergegeven als ‘gilloej arajot’ of kortweg ‘arajot’.

‘Gllloej’ betekent ‘ontbloting’ en ‘arajot’ is meervoud van ‘erwa’ dat geslachtsdeel’ betekent. ‘Gilloej arajot’ is de technische term voor alle verboden sexuele handelingen. Het omvat zo alle verboden relaties en dus ook incest en ontucht.28

Op basis van ons onderzoek zijn de voorschriften die na het zevende voorschrift in de verschillende kolommen worden vermeld naar ons oordeel geen variante mogelijkheden, die de verschillende tradenten hebben voorgedragen, maar deelaspecten van het zevende voorschrift.

6. Afleidingen

De noachidische voorschriften waar de rabbijnse traditie over spreekt hebben een geschiedenis en ontwikkeling doorgemaakt. De oudste vorm ervan is wellicht reeds in de Thora te vinden, namelijk in Genesis 9:1-7.

De rabbijnen merken op dat zes van de zeven voorschriften reeds aan Adam geopenbaard zijn. (Beresjiet Rabba XVI,6; XXIV,5). De zevende richtlijn, het verbod van het eten van vlees dat is afgescheurd van een levend dier, kan eerst bekend zijn gemaakt aan Noach. (id., XXXIV,8).

Voorafgaand aan de grote vloed was het eten van vlees geheel en al verboden. De midrasj vertelt verder dat Abraham vandoen kreeg met acht voorschriften (de besnijdenis), Jacob met negen (het verbod van het eten van de lendespier) en het volk Israël tenslotte met alle (Sjemot Rabba XXX,9).

In Mara (zle Ex. 15:25), zegt de Talmoed, kregen de Israëlieten tien voorschriften. Zeven ervan waren reeds door de nakomelingen van Noach geaccepteerd. In Mara werden toegevoegd: de instelling van sociale wetten en de sjabbat en de plicht de ouders re eren. De toevoeging was nodig vanwege de ordening van het leven en vanwege een goede rechtsorde (bSanhedrin 56b).

De Amora’lm (Talmoedische wijzen in de derde tot de zesde eeuw) vroegen zich af waarom bepaalde voorschriften wel en anderen niet zijn genoemd, zoals de plicht tot voortplanting, de besnijdenis en het verbod van het eten van de lendespier. Immers, zo redeneerden zij, dit zijn toch ook wetten uit de tijd van voor Sinaï. Als verklaring gaven zij dat de afwezigheid van het voorschrift van de besnijdenis en van het verbod van het eten van de lendespier voortkomt uit het feit dat het voor-Slnaïtische regels zijn die niet zijn herhaald op Sinaï en dat de regels die niet zijn herhaald van die tijd af slechts geldig zijn voor joden (bSanhedrin 59ab).31 Voortplanting is volgens Rabbi Jochanan (bar Nappacha, Pal.-279) ook een plicht voor niet-joden (bJevamot 62a;vgl. Gen. 9: 1), maar deze regel is desondanks niet opgenomen bij de noachidische voorschriften.

De noachidische voorschriften, zoals zij uiteindelijk worden opgevat als zeven in getal, moet men niet opvatten als enkelvoudige geboden, maar als hoofdgroepen van voorschriften. Het zijn randvoorwaarden voor waarachtig menselijk leven, merkt Whitlau op.

Uit ledere categorie kunnen weer meerdere gedetailleerde voorschriften worden afgeleid.32 Dit zou naar onze mening het onderwerp moeten zijn van een noachidische jurisprudentie, een taak van op dit terrein geschoolde halachisten. In een van de volgende hoofdstukken willen wij proberen ons alvast een beeld te vormen van wat die zeven hoofdgroepen in concreto zouden kunnen inhouden.

In de Babylonische talmoed, in het traktaat Choellin 92ab, wordt een aantal van 30 voor de noachidische voorschriften genoemd. Wij komen hierop later nog terug. Wellicht hebben we daar te maken met een herinnering aan de mogelijkheid van een jurisprudentiële differentiëring en verfijnlng van de zeven noachidische voorschriften. Het zou kunnen zijn dat wij in de 613 mitswot die aan Israël zijn geschonken, aanwijzingen kunnen vinden voor een dergelijke differentiëring en onderverdeling van de hoofdgroepen in subgroepen en specifieke enkelvoudige mitswot voor noachiden. Wij’ zullen daar in hoofdstuk 4 en volgende proberen een beeld van te krijgen.

Aantekeningen

15. Talmoed-passages, waarin direct of indirect wordt gesproken over de noachidische voorschriften of over de zonen van Noach: Eroevin 62a; joma 67b; jevamot 47b, 48b (2x), 62a; Baba Kamma 92a; Baba Metsia 90b; Sanhedrin 56ab, 57ab, 58b, 59ab, 74b; Avoda Zara 2b, 3a, 5b, 6b, 15a, 24b, 51a, 64b, 71b, 72a; Horajot 8b; Makkot 9ab; Choelhn 90a, 91a, 92ab, 100b, 101b, 102ab, 114b, 121b, 129ab.

16. Guttmann, M., Das Judentum und seine Umwelt. Eine Darstellung der religibsen und rechtlichen Bezichungen zwlschen juden und Nicht-juden mit besonderer Beriicksichtigung der talmudischen rabbinischen Quellen 1, Berlin, Philo Verlag 1927, p100.

17. m – Misjna. Het oudste deel van de Talmoed, ook apart uitgegeven. De hoofdstukken worden met romeinse cijfers aangegeven, de aparte uitspraken (misjna’ot – enkelvoud: mlsj’na) worden aangegeven met Arabische cijfers, bijvoorbeeld: Toharot 1,3. Overigens bevat de misjna Toharot 1,3 cen indirecte, voor ons verder niet van belang zijnde verwijzing met betrekking tot noachiden.

18. Zuldema, Willem, Op zoek naar Tora; verkenningen in de rabbijnse traditie. Baarn, Ten Have 1986, p125-126.

19. t – Tosefta. Apart uitgegeven commentaren van de Tanna’im (Schriftgeleerden) in verband met de Misjna. Guttmann, a.w., 99; Berman, a.w., 12:1190.

20. Flusser, David und Shmuel Safrai, Das Aposteldekret und die Noachitischen Gebote. In: E. Brocke und H.J. Barkenings (Hrsg.) Wer Tora Vermehrt Mehrt Leben. Heinz Kremers zum 60. Geburtstag. Neukirchen, Neukirchener Verlag 1986, p173-195, hier p100. Zie ook Boon, R., Messlaanse gemeenschap in eschatologisch perspectief. In: Ter Herkenning 14/1986/1, p16-30.

21. Flusser-Safrai, a.w., p174-175.

22. Flusser-Safrai, a.w., p178-182,186.

23. Flusser-Safrai, a.w., p175.

24. Flusser-Safrai, a.w., p186.

25. Berman, a.w., 12:1190.

26. Guttmann, a.w., p105.

27. Flusser-Safral, a.w., p183; voorts: Damascusgeschrift, in: H.A. Brongers (vert.), De Gedragsregels der Qoemraan-gemeente. Amsterdam, Proost & Brandt 1958, p19-58, hier: p15-19.

28. Cohn, EJ 14:1207ev.

29. Zie daartoe hieronder hoofdstuk 7G.

30. Berman, a.w., 12:1190; Leibowitz, a.w., 76-77.

Volgens sommige autoriteiten zou het Adam wel toegestaan zijn geweest vlees te eten maar niet zelf te slachten. Wat dus al dood was, door een ongeluk of door een wild dier, mocht hij opeten. Is dit een herinnering aan een tijd dat de mens ook aas at?

31. Berman, a.w., 12:1191.

32. Whitlaul Willem, Over de Noachitische geboden. In: Levend joods Geloof 33/8, Tammoez 5747-juni/juli 1987, 17-18. Zie voor een uitwerking in deze zin: Lichtenstein, Aaron, The Seven Laws of Noah (1981) en: Clorfene, Chaim, and Rogalsky, Yakov, The path of the Righteous Gentile (1987).

ZOHAR GENESIS (7)

HET IS HOOGST AAN TE BEVELEN OM PARALLEL AAN DEZE STUDIE, DE CONCEPTEN EN DOCTRINES VAN KABBALA TE BESTUDEREN OP ONZE WEBSITE: WWW.BETHHAMIDRASH.ORG IN HET ARCHIEF ONDER KABBALA EN CHASSIDISME.

KLEIN-CURSIEF GEDRUKTE TEKST IS EEN VERKLARING VAN DE ZIN WAAR IN HET STAAT, DE TEKST VAN DE ZOHAR VERVOLGT ZICH IN DE NIET CURSIEF GEDRUKTE LETTER.

ZOHAR GENESIS

1:14 WAJOMER ELOKIEM JEHIE ME’OROT BIRKIA HASHAMAJIEM LEHAFDIEL BEEN HAJOM WEBEEN HALAILA: G’D ZEI: “LATEN ER LICHTEN ZIJN AAN HET HEMELGEWELF, OM ONDERSCHEID TE MAKEN TUSSEN DE DAG EN DE NACHT.”

“LICHTEN” In het meervoud verwijzen naar de Schriftelijke en de Mondelinge Thora welke het licht van G’D openbaren, separerend dag (goed) en nacht (kwaad)

ZOHAR GENESIS (6)

HET IS HOOGST AAN TE BEVELEN OM PARALLEL AAN DEZE STUDIE, DE CONCEPTEN EN DOCTRINES VAN KABBALA TE BESTUDEREN OP ONZE WEBSITE: WWW.BETHHAMIDRASH.ORG IN HET ARCHIEF ONDER KABBALA EN CHASSIDISME.

KLEIN-CURSIEF GEDRUKTE TEKST IS EEN VERKLARING VAN DE ZIN WAAR IN HET STAAT, DE TEKST VAN DE ZOHAR VERVOLGT ZICH IN DE NIET CURSIEF GEDRUKTE LETTER.

ZOHAR GENESIS

1:6 WEJOMER ELOKIEM JEHIE RAKI’A BETOCH HAMAJIEM WIEHIE MAFDIEL BEEN MAJIEM LAMAJIEM G’D ZEI: “ER MOET EEN VLAK GESPANNEN WORDEN MIDDEN IN HET WATER, DAT EEN SCHEIDING ZAL MAKEN WATER EN WATER.”

Rabbi Jose bar Chalafta zei tegen Rabbi Shimon bar Jochai, “Waarom wordt niet �en het was goed’ vermeld op de tweede dag,” in tegenstelling tot alle andere dagen van de schepping waar het is vermeld?

Hij antwoordde “omdat het werk niet was voltooid op de tweede dag, iets wat nog niet is voltooid is imperfect en kan daarom niet goed genoemd worden.

Maar toen het was voltooid op de derde dag, verklaart het vers (Genesis 1:10, 12 ) was er twee keer “het was goed” de eerste keer correspondeert aan de voltooiing van het werk op de tweede dag en de tweede maal aan de voltooiing van de derde dag. (Genesis 1:10, 12.)

(Midrash HaNe’elam, Zohar Chadash 9a)

Eens, toen zij reisden door de woestijn, zei Rabbi Jitzchak tot Rabbi Elazar, ” Ik zou je graag deze vraag willen voorleggen…….zou het niet te prefereren zijn voor de Thora om te vermelden �en G’D zag dat het goed was’ vóór de daad van de schepping, omdat, door het te zeggen na de daad, er een implicatie zou kunnen zijn dat Hij niet de ware aard wist vóór de daad en welke vorm en waarde het zou kunnen aannemen? Pas toen de daad was voltooid, wordt het inhoudelijke duidelijk dat G’D het beoordeelt en alleen dan verklaart dat het goed is, zoals is geschreven, �en Hij zag’ en alleen dan verklaart Hij “en het was goed!!! Rabbi Elazar antwoordt, “Dit moet homiletisch ge�nterpreteerd worden, als een lering voor de mens, zoals Rabbi Jehoeda uitlegt: Wanneer een persoon de werken van de schepping bestudeert, betreffende de daden van elke scheppingsdag, moet hij niet zich afvragen �waarom was deze handeling zo’n manier gedaan en in deze vorm en daartegen over een andere dag anders? Want hem is gezegd waarom: �G’D zag dat het goed was’ om het op die wijze te doen! Verder is het eveneens een waarschuwing en een instructie met betrekking tot hoe wij ons op de juiste manier moeten gedragen: De aard en waarde van een daad was Hem uiteraard vóór dat het was uitgevoerd bekend, hij wenste namelijk niet eerder te verklaren dat het goed was voordat het was voltooid. Evenzo is het niet gepast voor een persoon om iets voortijdig (als het nog niet is voltooid) te prijzen, want iets onvolledigs kan zich voordoen, hij wordt ONGELOOFWAARDIG beschouwd.

(Midrash HaNe’elam, Zohar Chadash 12d)

ZOHAR GENESIS (5)

HET IS HOOGST AAN TE BEVELEN OM PARALLEL AAN DEZE STUDIE, DE CONCEPTEN EN DOCTRINES VAN KABBALA TE BESTUDEREN OP ONZE WEBSITE: WWW.BETHHAMIDRASH.ORG IN HET ARCHIEF ONDER KABBALA EN CHASSIDISME.

KLEIN-CURSIEF GEDRUKTE TEKST IS EEN VERKLARING VAN DE ZIN WAAR IN HET STAAT, DE TEKST VAN DE ZOHAR VERVOLGT ZICH IN DE NIET CURSIEF GEDRUKTE LETTER.

ZOHAR GENESIS

1:5 VAJIKRA ELOKIEM LA’OR JOM WELACHOSHEG KARA LAILAI WAJEHIE-EREV WAJEHIE-BOKER JOM ECHAD G’D NOEMDE HET LICHT “DAG” EN DE DUISTERNIS NOEMDE HIJ “NACHT”; EN HET WERD AVOND EN HET WERD OCHTEND: ÉÉN DAG.

In het volgende gedeelte legt de Zohar uit dat het geheim van de G’ddelijke voorzienigheid , wat fundamenteel is in het Joods denken, in dit vers ligt opgesloten. Wanneer wij niet rationele gebeurtenissen ervaren, moeten wij bedenken dat niets zonder reden plaats vindt, niets is zomaar. G’D overziet elk detail van de schepping. ( zie R.Chaim Vital, Or HaChama )

Rabbi Jehoeda leert: Waarom verklaart de Thora na elke scheppingsdag, “Het werd avond en het werd ochtend?” Om ons te informeren dat er geen nacht is zonder dag en geen dag zonder nacht. Alleen als combinatie zijn zij één. Het is echter niet gepast om hen als een gesepareerde entiteit te zien. Daar duisternis en nacht in het algemeen verwijzen naar barheid en kwaad, verwijzen licht en dag naar barmhartigheid en goedheid, zoals al eerder is uitgelegd. Rabbi Jehoeda leert dat men daarom niet moet concluderen dat er twee Godheden zijn.

Rabbi Jose legt uit dat het licht dat was voortgebracht op de eerste dag, alle andere dagen van de schepping heeft begeleid; Van daar dat “Het werd avond en het werd ochtend” bij elke gebeurtenis is geschreven.

Rabbi Shimon bar Jochai legt uit dat de eerste dag alle andere dagen vergezelt en dat de eerste dag alle andere dagen beheerst, om ons te laten zien dat er geen verscheidenheid bestaat in de Heilige, geprezen zij Hij (Bereshiet Rabba 3:8;Rashi, Bereshiet 1:4)

DE ZEVEN NOACHIDISCHE GEBODEN HOOFDSTUK 2a

DE ZEVEN NOACHIDISCHE GEBODEN

VOORAFGAANDE AFLEVERINGEN, INLEIDING +HOOFDSTUK 1, ZIE ONZE WEBSITE www.bethhamidrash.org ONDER STUDIES.

HOOFDSTUK 2a

De noachidische voorschriften als levensoriëntatie

(een inventarisatie)

1. De geboden voor de ‘zonen van Noach’

In de inleiding hebben we gesproken over noachidische geboden, noachidische opdrachten, noachidische voorschriften of regels en noachidische richtlijnen. Enige terminologische opheldering is op zijn plaats. Overigens wordt niet alleen het woord noachidisch gebruikt, maar ook – hoewel taalkundig minder juist – noachitisch. Het gaat tenslotte – hoe mythisch dit ook moge zijn – om de ‘nakomelingschap’ van Noach en een ‘noachide’ is een op het grieks gebaseerde aanduiding van een ‘zoon -‘ of ‘nakomeling van Noach’. Terwijl ‘noachitisch’ eerder de indruk wekt als zou het gaan om een volks-, een cultuur- of een stamverband. In de term ‘noachide’ wordt de mens aangesproken op zijn gemeenschappelijke afkomst, op het gemeenschappelijke in alle mensen, en niet op een toebehoren tot een beweging of sectie.

In de Talmoed wordt gesproken van de ‘mitswot b’nee Noach’, de opdrachten of geboden van de zonen van Noach.

Het woord ‘mitswa’ (meervoud mitswot) betekent zoveel als (goddelijke) opdracht. Het is een in de Thora beschreven verplichting voor de jood, een gebod waarvan wordt verwacht dat de jood het uitvoert. Zo is het een mitswa een zieke te bezoeken. Het woord ‘benee’ is afkomstig van ‘ben’ dat zoon betekent. Vandaaruit heeft het ook de betekenis van kind en van nakomeling en kan het de betekenis krijgen van lid van een beweging of groepering en van volgeling. Bekeken vanuit de bijbelse geschiedenis horen zowel de joden als de niet-joden tot de zonen van Noach.

Allen zijn we nakomelingen van Noach.1 In de Talmoed wordt dit bijvoorbeeld erkend wanneer over de zonen van Jacob wordt gesproken als ‘zonen van Noach’. (‘b’nee Noach': bChoellin 100b).

Eerst de gebeurtenissen in Sinaï met het schenken van de Thora en de acceptatie ervan door de Hebreeën hebben dit volk gemaakt tot het verbondsvolk Israël. Sindsdien neemt het Volk Israël een aparte positie in temidden van de geslachten van Noach en daarmee in de geschiedenis van de mensheid.

In Genesis 6:9ev dat handelt over de geslachten van Noach wordt in de letterlijke betekenis van het woord over de zonen van Noach’ gesproken. Er staat daar onder andere: ‘En Noach verwekte drie zonen: Sjem, Cham en Jafet’. De vraag is of, als wordt gesproken over de geboden van de zonen van Noach, (ook) deze drie zonen worden bedoeld. Het antwoord is bevestigend, maar de uitdrukking is tegelijk veel meer omvattend: de geboden van de zonen van Noach hebben immers betrekking op de gehele nakomelingschap van Noach en de gehele mensheid wordt geacht tot die nakomelingschap te behoren. Het gaat dus om voorschriften met een universele betekenis. De extra dimensie is echter dat de geschiedenis van de geslachten van Noach begint met een beschrijving van Noachs rechtvaardigheid (Gen 6:9). Eerst daarna acht de Thora het van belang te spreken over de zonen van Noach (Gen 6: 1 0). Dit betekent dat rechtvaardigheid behoort tot de geslachten van Noach. Niet dat iedereen rechtvaardig is. Zelfs de zonen van Noach handelden niet altijd juist. Maar de mogelijkheid en dienovereenkomstig de opdracht tot rechtvaardig handelen is aanwezig.

De Midrasj Tanchoema ontleent aan het feit dat Noach beschreven wordt als een rechtvaardig man vóórdat zijn zonen worden genoemd, de gedachte dat van een mens die geen zonen maar wel goede daden heeft diens goede daden (ma’asim tovim) zijn werkelijke nakomelingschap zijn. En de Midrasj gaat nog verder door Noachs rechtvaardigheid door te trekken naar zijn nakomelingen, zodat men kan zeggen: Rechtvaardigheid is de werkelijke nakomelingschap van Noach.2

Een andere Midrasj verwijst naar Spreuken 11:13, waar staat: ‘De vrucht van de rechtvaardigen is een boom des levens’. De vraag wordt gesteld: wat is de vrucht van de rechtvaardige? De Midrasj antwoordt: leven, religieuze handelingen en goede daden.3

Noach was, legt de Talmoed uit, rechtvaardig in zijn daden en volmaakt in zijn eigenschappen (bAvoda Zara 6a). Overigens moet men aan deze kwalificaties geen absolute, statische betekenis toekennen, maar moet men ze relateren aan de situatie. ‘In zijn generatie, die zeer verdorven was, sprong Noach er in positieve zin uit.’ En ook zelfs dat kan nog in minder positieve zin worden uitgelegd: ‘Was hij in een andere generatie geboren, die minder verdorven was, dan zou hij er niet uitgesprongen zijn’ (Midrasj Tanchoema-Buber).4

2. Een noachide is een rechtvaardige

Rechtvaardigheid behoort dus tot de primaire nakomelingschap van Noach. Met Noach en zijn nakomelingschap begint de persoon van de noachide gestalte te krijgen. Het begrip ‘ben Noach’,’noachide’ begint een ideële meerwaarde te krijgen. Met de ‘zonen van Noach’ worden de ‘b’nee Noach’, de noachiden bedoeld, d.w.z. degenen die zich aan een bepaalde code houden en door rechtvaardig te handelen uitsteken boven hun omgeving. Aanvankelijk gaat het nog om rechtvaardigen onder alle mensen, naderhand, sinds het joodse volk door de gebeurtenissen in Sinaï een ‘status aparte’ heeft gekregen, worden met noachiden of zonen van Noach de Godvrezenden onder de heidenen bedoeld (bAvoda Zara 51 a). Een vreemdeling die zijn oude heidense levenswijze – afgodendienst in de ogen van de joden – heeft afgezworen, wordt een ‘zoon van Noach’ genoemd (bMakkot 9a).

Wij zouden het voorlopig zo kunnen formuleren: Een noachide is dus een niet-jood die niet alleen rechtvaardig leeft, maar die ook een oriëntatie in zijn leven heeft gevonden. Een noachide is iemand die de Thora en de traditie tot uitgangspunt en richtlijn voor zijn leven heeft genomen. De rechtvaardige levenswijze wordt ondersteund door studie van de Thora en de joodse traditie. De Thora en – sinds haar ontstaan – de joods traditie vormen dus de levensoriëntatie van de noachide.

In het voorgaande is impliciet ook de relatie van joden met niet-joden aan de orde. Het jodendom heeft zich sterk bezonnen op zijn relaties met de niet-joodse wereld. Het heeft echter nooit de behoefte gehad zijn visies op missionaire wijze uit te dragen. Aan de andere kant dwong zowel het leven onder niet-‘oden in de diaspora als het leven in eigen land tezamen met niet-joden van ver voor het begin van onze jaartelling tot in de jongste tijd het jodendom zich rekenschap te geven van die relaties. Die konden naar gelang van de groepering waar deze niet-joden deel van uitmaakten nogal van kwaliteit verschillen. Het had dus zin zich in die verschillen te verdiepen. Een noachide, d.w.z. een ‘ben Noach’ (zoon van Noach), was in het oude Israël een ‘geer-tosjav’, een inwonen vreemdeling: (bAvoda Zara 64b; vgl. Lev. 25:35 en bChoellin 114b).5 De noachidische voorschriften werden geacht van toepassing te zijn voor de heidenen (= niet-Joden) die destijds woonden in het land Israël en zich in hun levenswijze lieten leiden door de opvattingen van de Thora en de traditie. Naderhand werd de term ‘ben Noach’ ook gebruikt voor anderen (buiten Israël) die leefden overeenkomstig de zeven voorschriften. Noachiden zijn dus blijkbaar onder meer mensen die zich met het jodendom verwant voel(d)en. De minimum verplichting bestond hierin dat zij de geboden hielden die de zonen van Noach op zich hadden genomen.

Het houden van de noachidische geboden werd beschouwd als een minimum-voorwaarde wanneer men juridisch (halachisch) erkend wilde worden als zoon van Noach. Deze erkenning vond plaats doordat de niet-jood voor een joods gerechtshof van drie leden verklaarde zich niet met afgodendienst af te geven.6 Een noachide valt, zo is in de Talmoed de opvatting van Rabbi Meir (Tann. rond 150), onder de jurisdictie van de joodse traditie. Maar de ‘wijzen’, aanduiding voor de tannaïetische geleerden (tot 200) waren het niet met Rabbi Meir eens en namen een minder streng standpunt in dan Rabbi Meir. Zij stelden dat een noachide iemand is die de zeven opdrachten op zich heeft genomen (bAvoda Zara 64b). En het standpunt van de ‘wijzen’ is bepalend.

Het strengere standpunt is mogelijk het gevolg van bittere ervaringen die men had opgedaan met proselieten en inwonende vreemdelingen die al te gemakkelijk de weg naar het Christendom hadden gevonden.

De uitdrukking zonen van Noach of noachiden is voor de rabbijnen de terminus technicus geworden die betrekking heeft op de als zodanig halachisch erkende rechtvaardigen onder de niet-joden (oorspronkelijk de gerim-tosjavim, noachiden in strikte zin). De uitdrukking wordt in ruime zin ook gebruikt voor alle mensen die zichzelf als rechtvaardigen beschouwen. Belde groepen moeten echter onderscheiden worden van de ‘geree tsédeq’, de ‘rechtvaardige vreemdelingen’, d.w.z. diegenen die halachisch als jood worden beschouwd.7

3. Drie categorieën niet-joden

Volgens de jongste halachische jurisprudentie8, die zich overigens baseert op de grote autoriteiten van het verleden, dient men te onderscheiden tussen drie typen van niet-joden: de geer-tosjav, de noachide en de afgodendienaar.

1. De geer-tosjav, de ‘in- of bijwonende vreemdeling’. Het woord ‘geer’ wordt niet helemaal terecht ook wel eens met ‘proseliet’, d.w.z. ‘hij’ die naderbij komt’, vertaald. Een proseliet is iemand die tot het jodendom toetreedt. Volgens de Halacha is zo iemand een jood. (vgl. bJevamot 48b). In zekere, maar zeer beperkte mate is dat maar het geval met de geer-tosjav. Hij blijft niet-jood, maar hij neemt officieel voor een rabbinaal gerechtshof de verplichting op zich naar de zeven noachidische geboden te leven.9 Hij wordt dus met betrekking tot de naleving van deze geboden beschouwd ‘alsof’ hij een jood is, maar niet met betrekking tot de overige van de 613 mitswot. Maimonides (Mosje ben Maimon, 1135~1204) in zijn Misjnë Thora, Hilchot Melachim Regels voor Koningen) 8: 1 1 zegt: leder die de zeven geboden op zich neemt en zich erop richt ze te houden hoort tot de vromen uit de volkerenwereld (Chassidei Oemot ha’Olam) en hij heeft deel aan de toekomstige wereld; dit wil zeggen dat hij ze op zich neemt en ze doet omdat God ze in de Thora bevolen heeft en ons heeft bekend gemaakt aan Mozes onze leraar omdat ze aan de zonen van Noach altijd al bevolen zijn. Maar als hij ze doet op grond van logische overweging, dan is hij niet slechts een geer tosjav en evenmin een van de vromen uit de volkerenwereld, maar zelfs een van hun wijzen.10 ” Volgens Rasji (naar de beginletters van zijn naam Rabbi Sjlomo ben Jitzchaq, 1040-1105) op bAvoda Zara 64b is de geer~tosjav verplicht de shabbat te onderhouden. Volgens Rabbi Aqiva (ong. 50-135) in bkeritot 9a is een geer-tosjav niet verplicht de shabbat te onderhouden. Volgens Rabbi Jeroecham Perlow bedoelt Rabbi Aqiva daarmee dat hij slechts verplicht is op shabbat die dingen na te leven waartoe een jood verplicht is op de zogenaamde ‘Chol haMo’ed’, de weekdagen van een feest.11 In Israël betekent dit dat er ruimte ontstaat voor niet-joden om op shabbat toch bepaalde werkzaamheden te doen en bijvoorbeeld op zondag niet te werken.

2. De ben-noach, de ‘zoon van Noach’ oftewel de noachide. Dit is degene die wel de zeven noachidische voorschriften onderhoudt maar zich daar niet officieel toe verplicht heeft door middel van een verklaring voor een rabbijnse rechtbank. Noachiden zijn geen afgodendienaars, maar zij hebben zich aan de andere kant ook niet formeel voor een rabbijnse rechtbank verplicht tot de naleving van de noachidische geboden en staan dus niet onder rabbijnse jurisdictie. Volgens sommige Thora-autoriteiten mogen noachiden bepaalde voorschriften niet naleven, omdat ze specifiek alleen maar voor Israël gelden:

a. De sjabbat houden zoals de joden die houden;

b. De joodse feestdagen vieren zoals joden dat doen;

c. De Thora bestuderen op die punten die niet van toepassing zijn op de noachiden;

d. Het schrijven van een Thorarol, of het opgeroepen worden voor de Thora;

c. Vervaardigen, schrijven of dragen van gebedsriemen;

f. Bevestigen van een Mezoeza aan hun deurposten of zijkanten van hun poorten.12

3. De ovdei avoda zara, ‘degenen die avoda zara (= afgodendienst) plegen’, kortweg afgodendienaars. Een afgodendienaar is iemand die aan enig menselijk wezen of natuurverschijnsel goddelijke eer bewijst. jezus is voor joden een mens. Hem goddelijke eer bewijzen staat dus gelijk aan afgoderij. Toch wordt in het jodendom deze conclusie niet algemeen getrokken.

Er wordt namelijk onderscheid gemaakt tussen avoda zara (afgodendienst) en sjittoef (polytheïsme of samenwerking; hier: het associëren van God met een sterfelijk wezen). Maimonides die leefde in een moslim-omgeving is zeer streng op dit punt. Christenen zijn volgens hem afgodendienaars, maar de moslims, die immers streng monotheïstisch zijn, niet.13 Meïri (Menachem Ben Silomo Meïri, 1249-1316) die in een christelijke omgeving leefde, is veel gematigder. Volgens hem is sjittoef geen afgoderij. Volgens Maimonides, zo is de consequentie van diens opvatting, mag men de shabbat niet ontheiligen om het leven van een christen te redden, volgens Meïri wel. De laatste stelt de christenen bijna gelijk aan de gerim-tosjavim.14

Toch gaat Maimonides in de praktijk niet zover dat hij hulp aan christenen uitsluit. In zijn Misjné Thora, Hilchot Melachim (= Regels voor de Koningen) 10, 12 stelt hij op basis van bGittin 61a dat men vanwege de ‘darkei sjalom’ Wegen des Vredes, vreedzame coëxistentie) de zieken van de afgodendienaars moet verzorgen, hun doden begraven en hun armen moet helpen.

4. Verfijningen in de onderscheidingen

De onderscheidingen die wij hierboven getekend hebben, worden in de halachische jurisprudentie nog verfijnd doordat men de bepaling of een niet-jood in een bepaalde categorie ondergebracht moet worden, relateert aan bepaalde verboden en geboden die aan het jodendom zijn opgelegd met betrekking tot hun verhouding tot niet-joden. Bijvoorbeeld: mag men wijn kopen van een niet jood? Een jood mag wel wijn verhandelen met een moslim, omdat een moslim met betrekking tot wijn geldt als een geer-tosjav. Een moslim mag ook tussen joden wonen (‘verblijf’) om dezelfde reden. Dergelijke detailleringen hebben in het verleden vreedzame coëxistentie in het land Israël mogelijk gemaakt.

Het is interessant dat het collectieve engagement met betrekking tot de Tien Geboden in de christelijke wereld soms bijna de Juridische waarde krijgt van een officiële verklaring voor een rabbinaal gerechtshof, dit ondanks het feit dat zij volgens de rabbinale jurisprudentie eigenlijk niet het recht hebben de eerste drie geboden (in de rabbijnse telling) als op zichzelf betrekking hebbend te onderhouden.

Toch zijn er (ook nu nog) stemmen die zeggen dat christenen met betrekking tot ‘wijn’ en tot ‘verblijf’ de status hebben van afgodendienaars.

Aantekeningen

1.Vgl. ook de verklaringen van Rasji op bAvoda Zara 5 1 a. Met betrekking tot wijze van citeren van beide talmoedim zij verwezen naar aantekening 1 van de inleiding.

2. Midrasj Tanchoema (ed. Lublin 1893), parasjat Noach II, 8b; zie: Zlotowitz, Rabbi Meir & Scherman, Rabbi Nossom, A traditional commentary on the Books of the Bible. Artscroll Series, Vol.I, Bereshis. New York, Mesorah Publications Ltd., 1977, p222. Hier verder aan te halen als ‘Artscroll’. Vgl. ook: Leibowitz, Nehama, Studies in Bereshit (Genesis). Jerusalem, World Zionist Organisation, Department for Torah Education & Culture in the Diaspora, 1976, p59-66.

3. Beresjiet Rabba XXX,6. – De Midras’ Rabba bestaat uit een verzameling aggadische (= verhalende) literatuur op de vijf boeken van de Tora (Beres)’let, Sjemot, Waj’jiqra, Bamidbar, Devarim) en op de vijf Megillot (de zgn. ‘rollen': Roct, Ester, Sjier hasjlerim, Kohelet, Eecha).

4. Midrasj Tanchoema, ed. Buber, Wilna, z.’., Repr. Jerusalem 1964, p31; vgl. Artscroll, p222-224.

5. Op deze talmoedplaatsen is echter geen sprake van de technische term ‘Ben Noach’, (noachide). Wel is sprake van ‘geer’ (vreemdeling), kennelijk in de zin van ‘geer- tosjav’ (inwonende of bijwonende vreemdeling van niet-joodse huize, en dus noachide).

6. Flusser, David, Het schisma tussen jodendom en Christendom. In: id., Tussen oorsprong en schisma. Artikelen over jezus, het jodendom en het vroege christendom. B. Folkertsma-stichting voor Talmudica. Hilversum 1978 4, p327; Elke Morgen Nieuw. Inleiding tot de joodse gedachtenwereld aan de hand van het Achttiengebed. B. Folkertsma- stichting voor Talmudica. Hilversum 1978, p277.

7. Berman, Encyclopaedia Judaica. Keter Publishing House. Jerusalem 19784. Artikel van Saul Berman, in dl 12, p1190/91, hierna geciteerd: 12:1190/91.

8. Gershuni, Yehuda, Minority Rights in Isra21. In: Crossroads, Halacha and the Modern World. Zomet, Torah and Science Research Teams, Alon Shvut-Gush Etzion. Jerusalem 1987, p19-34.

9. Rabbi jomtov ben Avraham Isibili (Spanje, 1250-1330), de Ritva, in zl’n kommentaar op bMakkot 9a).

10. Aldus R. Avraham van Wllna, geciteerd door Gershuni, a.w..

11. In: Sefer hamitswot leRasag, Mitswot As@ 35~37.

12. Vgl. Clorfene & Rogalsky, p41,42; zie hieronder aantekening 31.

13. In: Mlsj’n6 Tora, Hilchot Avoda Zara (= Regels met betrekking tot afgodendienst).

14. M6iri, geciteerd door Gershuni, a.w..

MITSWA 4

SEFER HAMITSWOT VAN DE RAMBAM (MAIMONIDES)

Een gedetailleerde studie van de 613 geboden en verboden opgelegd door de Thora aan het Joodse volk.

Aanbevolen wordt om ook, parallel aan deze STUDIE, “De Introductie tot de Talmoed” hoofdstukken 1 t/m 4 van VAN MAIMONIDES, RABBI MOZES ben MAIMON te lezen op onze website www.bethhamidrash.org onder studies en Archief.

MITSWOT ASE

DE POSITIEVE GEBODEN

MITSWA 4

OM TE GELOVEN IN DE VREESACHTIGHEID VAN DE VERHEVENE EN IN ZIJN ONTZAGWEKKENDHEID– niet om zich zeker en gerust te voelen, maar om bestraffing van de GEZEGENDE ogenblikkelijk te voorkomen. Zoals de VERHEVENE heeft gezegd (Deuteronomium 6:13) “Vrees de Eeuwige je G’D.”

Onze Geleerden (Sanhedrin 56a) onderzochten het vers (Leviticus 24:16) ” ‘Wie de naam lastert [nokev] moet gedood worden’– misschien verwijst ‘nokev’ alleen maar naar het noemen van Zijn naam, zoals is geschreven in het vers Numeri 1:17 ‘met name’ [nikvoe], de vermaning zou dan zijn ‘Vrees de Eeuwige je G’D’!”

Misschien refereert het vers simpel en alleen naar het noemen van de naam van de Eeuwige, zonder het te lasteren.

En als je je afvraagt wat is de zonde, zou het antwoord zijn, dat degene daardoor op den duur de vrees annuleert, waardoor een vreesloos gedrag zou kunnen ontstaat voor het niet zinloos noemen van de naam de Eeuwige.

Verder is het zo dit een ase (positieve) aanmaning is, een ase aanmaning wordt niet als een vermaning beschouwd. Je kunt niet “Vrees de Eeuwige je G’D”poneren, want het is een opdracht, een ase is niet hanteerbaar als vermaning.

Het is dus zonder meer duidelijk dat “Vrees de Eeuwige je G’D” een ase is.