PARASHAT BALÁK

Rabbi Shimon bar Jochai

Zohar, parashat Balak, p.185a

In de Zoharvertaling van deze week verklaart een jong kind aan twee studenten van Rebbe Shimon, Rabbi Jehoeda en Rabbi Jitzchak, het mysterie over het uitspreken van de Zegen Na De Maaltijd over een beker wijn. Deze mysteries staan in contrast tot de magie van Bilaam, wiens enige intentie, met betrekking tot zegeningen en vervloekingen, eigenbelang was.

Zij zeiden tot hem: : Kom en zegen” {de oproep om de dankzegening uit te spreken Na De Maaltijd over een beker wijn wanneer er meer dan drie joodse mannen of meer, tezamen hebben gegeten}.
Hij zei tot hen: “Wat jullie hebben gezegd is zeer goed, omdat de Heilige Naam (de Shechina) alleen gezegend is, in een Dankzegging Na De Maaltijd, die vooraf is gegaan door een invitatie bij degenen die aanwezig zijn.”

De Sefardische rite, die het dichtst bij de bewoording van de Zohar staat, luidt: “Hav lan venavreech LeMalka Ila-ah”- “Kom en zegen de Hemelse Koningin”. De Ashkenasische rite begint met de woorden; “Rabossai nevareech”- “Mijne heren, laat ons de dankzegging uitspreken”.

Hij begint zijn verhandeling met het vers: “Zegenen wil ik de Eeuwige altijd weer; steeds is een lofzang voor Hem in mijn mond”. (Psalm. 34:2)
Wat bracht Koning David er toe, om te zeggen: “Zegenen wil ik de Eeuwige altijd weer”? {als hij G’D wilde zegenen, waarom dan niet onmiddellijk?}
David zag, dat bij het zeggen van Dankzegging Na De Maaltijd, een uitnodiging vereist was [aan de Shechina en aan het gezelschap om te reageren op de zegen].

De Rabbijnen hebben alle zegeningen, die we uitspreken t.a.v. G’D, vastgelegd, met uitzondering van één. Dankzegging Na De Maaltijd is nadrukkelijk vermeld in het Thoravers: “En als je dan genoeg gegeten hebt, dank dan de Eeuwige, je G’D, voor het goede land dat Hij je gegeven heeft.” (Deuteronomium. 8:10)

Hij zei: “Ik wil zegenen” [in de aard van een uitnodiging] aangezien op het moment, als een persoon aan zijn maaltijd zit, de Shechina daar eveneens aanwezig is.

“Daar” wachtend om de vonk van heiligheid te ontvangen die het voedsel in zich draagt, die door de zegening werd vrijgegeven en welke de persoon het vermogen geeft om Thora te leren en het doen van mitzvot.

De “Andere Zijde” staat daar evenzo.

Het fysieke voedsel en het cultisch genoegen van de eters ervan, maakt deel uit van de fysieke wereld en verwijdert elke vorm van heiligheid, vandaar dat het de “de Andere Zijde” wordt genoemd. Invitatie aan de eters is daarom vereist om de Dankzegging Na De Maaltijd te zeggen, en te laten zien dat de eters de intentie hebben om de spirituele bron van het voedsel te zegenen en niet de Andere Zijde.

Wanneer een persoon zichzelf en anderen uitnodigt om de Heilige, geprezen zij Hij [Zeir Anpin] te zegenen, dan brengt deze invitatie de Shechina naar een hoger niveau om zegening te ontvangen [van de sefira van bina]. Wat de “Andere Zijde” gedwee en meegaand maakt.

De uitnodiging verhoogt het bewustzijn van de eters om de bron van alle zegeningen te zegenen en zodoende eenheid tussen de spirituele en fysieke werelden teweeg te brengen.
De bron van de zegen is in het bewustzijn van het G’ddelijke vertegenwoordigd door de sefira van bina of Zeir Anpin de Hogere Moeder geheten, zoals boven vermeld in de Sefardische invitatie.
Dit alles verschuift het fysieke cultische genot van het voedsel en de lust geassocieerd met de jetzer hara (slechte inclinatie) naar een tweede plaats.
Anders gezegd, zonder de voeding van de heilige vonken, is de “Andere Zijde” beroofd van al zijn krachten.

De beker is een reservoir om wijn te ontvangen. Dit representeert de Shechina die als het ware als een reservoir dient om de zegen te ontvangen, gesymboliseerd door de wijn.

De Zohar stelt wijn altijd gelijk aan de sefira van bina. Het maakt een persoon gelukkig, zoals bina, “verstandelijk begrijpen”, welke de bron van geluk is. Het stimuleert ook het verstand, zoals in het gezegde “Wanneer wijn binnendringt, komen de geheimen te voorschijn”. (Rashi, Baba Batra 90b)

Dus wijn symboliseert het G’ddelijke van bina in Zeir Anpin dat neerkomt om de Shechina te dragen.
Dit is de reden waarom de vrouw des huizes de eerste zou moeten zijn om de beker te ontvangen, nadat de zegen er over is uitgesproken. Zij symboliseert de Shechina, zodat zij als eerste de beker ontvangt voor de rest van het gezelschap.

Daarom zijn [de woorden van invitatie] vermeld op een verhullende wijze, omdat de hogere wereld is verhuld.

De Shechina is relatief meer geopenbaard in de fysieke wereld. Daarom is het vasthouden van de beker als aanwijzing genoeg. Dit is niet het geval met de hogere, meer verhulde niveaus van de spirituele wereld. Juist zoals ons eigen bewustzijn en denkproces niet zichtbaar is, zo ook is het bewustzijn van het G’ddelijk niet “zichtbaar”.
Om die reden zeggen we, “Gezegend is Hij van Wiens voedsel we hebben gegeten”. “Hij” is verhuld, maar niet Zijn voedsel!

Er is geen andere specifieke invitatie tot Hem, dan de zegening beker.

De Zohar stelt een algemene regel, die niet de geaccepteerde Halacha (geldend joods recht) is. Het vereiste, dat de invitatie wordt uitgesproken over een beker wijn, is vanwege het mysterie dat het symboliseert.
De geaccepteerde Halacha echter, veroorlooft ons om de “invitatie” te maken zonder een beker wijn.
Een interessante voetnoot daarbij is, dat wanneer er een beker wijn wordt gebruikt in de Sefardische rite, de “invitatie” begint met, “Malka Ila-ah” (symboliserend bina) wat beantwoord wordt met “Shamajiem”, betekenis, “Hemelen” een verwijzing naar Zein Anpin.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT CHOEKAT

 De inzetting     Numeri. 19:1 – 22:1

Likoetei Sichot, vol.4, p. 1058: Het overwinnen van de onzuiverheid van de dood.

 Geschriften van Rabbi Jitzchak Luria: Kabbala legt uit dat dood een afwezigheid is van G’ddelijk bewustzijn.

“De Eeuwige sprak tot Mozes en tot Aaron zeggend: ‘Dit is de inzetting (Choekat-statuut) van de Thora die de Eeuwige uitvaardigde. Hij zei: draag de Kinderen van Israël op dat ze je een volkomen rode vaars brengen, zonder gebrek, waarop nog geen juk gelegd is.

Jullie moet die aan de priester El’azar geven en die moet haar naar buiten de legerplaats brengen en men moet haar slachten in zijn bijzijn. De priester El’azar neemt dan met zijn vinger iets van het bloed en spat iets van dat bloed zeven keer in de richting van de voorzijde van de tent der samenkomsten.

Men verbrandt de vaars voor zijn ogen;  men moet de huid samen met het vlees en het bloed en de mest verbranden.” (Numeri. 19:1-5)

Om de grootste vorm van onzuiverheid te kunnen overwinnen, moeten we de logica te boven gaan.

Dit gedeelte van de Thoralezing met betrekking tot de wetten van de as van de Rode Vaars bevat de zinsnede: “. Dit is de inzetting van de Thora”. (Numeri. 19:1)

Alle variaties van onzuiverheid in de Thora en de corresponderende purificerende riten kunnen worden begrepen in termen van de relatieve nabijheid van de dood. Ongetwijfeld en niettegenstaande, is de meest fundamentele vorm van verontreiniging, de absolute volkomen verschijning van dood zelfaan het menselijk lichaam.

Dood is de antithese van heiligheid, want G’D is de herkomst, de bron en de vitaliteit van het leven. Daarom brengtelk contact met de dood of een potentiele dood die rituele onzuiverheid teweeg, weert iemand van het binnengaan van het Tabernakel of later, de Tempel. Het weert iemand van de sfeer van heiligheid.

Door confrontatie met de realiteit van de dood, worden we blootgesteld aan de besmettelijke invloed van de wet van entropie: de natuurlijke realiteit dat alles onderhevig is aan verval en sterfelijk is. De wet geeft richting aan vergetelheid en de zinloosheid van het leven, aan een ontaarding van al wat leven is.

Dit depressieve wereldbeeld is compleet het tegenovergestelde van onze G’ddelijke opdracht, die impliciet aangeeft dat er een doel is in het leven en verzekerd dat het vervullen van deze opdracht mogelijk is.

Om opnieuw toegang te herwinnen in het rijk van het zuivere leven, moet iemand een purificatie proces ondergaan, die dient om zijn depressie (echt of in potentie aanwezig) te genezen en om zo iemand opnieuw terug te brengen naar het doel, het enthousiasme en vitaliteit van heiligheid voor het leven.

Omdat de onzuiverheid van de dood de bron is van alle andere onzuiverheden, is de purificatie rite de meest extreme en de meest mysterieuze in de hele Thora. Zoals we al zeiden, dat de wetten van de natuur inderdaad uitmaken dat vroeg of laten alles en iedereen onderhevig is aan dood is deze wet te weerstaan in het tarten van de logica en daarom is de rite van purificatie van de dood van een niveau van existentie die logica te boven gaat; het is een “statuut”, een schijnbare eigenmachtige expressie van G’D’s Wil, verstoken van rationeel logisch begrip en zelfs strijdig met logica in het geheel.

Geschriften van Rabbi Jitzchak Luria: Kabbala legt uit dat dood een afwezigheid is van G’ddelijk bewustzijn.

Betreffende de essentie van de rite van de rode vaars zei Koning Solomon, zaliger in gedachtenis, “Ik zei: ‘Ik zal wijs worden,” maar het was ver van mij verwijderd” (Prediker. 7:23).  Waarop onze Wijzen in Bamidbar Rabba. 19:3 nader verklaren: “Koning Solomon was de wijste van alle mensen, maar zelfs hij kon niet begrijpen dat, in de rite van de rode vaars, de persoon die de purificatie uitvoerde zelf verontreinigd raakt.

Probeer te realiseren dat het volgende het fundamentele begrip is van de rite van de rode vaars:  namelijk dat Malchoet ontvangt van de achterzijde van de Heilige Namen en niet van de voorzijde.

Aangezien de rite van de rode vaars een staat van realiteit illustreert waarin de G’ddelijke Naam zijn “gezicht” niet laat zien, maar eerder zijn “achterzijde”, ervaren we onszelf in deze context als zijnde verwijderd, of “ver” van G’D’s aanwezigheid. Dit is de reden dat Koning Solomon zijn onvermogen beschrijft; om de werking van de rode vaars rite te doorgronden met “ver” van wijsheid.

Daarom moet de rode vaars rood zijn, om een staat van streng oordeel aan te geven [waar Malchoet onderhevig aan is].

Rood is de kleur van Gevoera, strengheid, striktheid. Iemand die is verontreinigd door contact met de dood, is in een staat van een extreem gelimiteerd G’ddelijk bewustzijn.

De grimmige confrontatie met de realiteit van de dood draagt het zaad in zich van miserabele depressie, geboren uit een nihilistische, fatalistische heidense of absurde houding ten aanzien van leven. De persoon moet daarom zichzelf “purificeren” van deze verontreiniging.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT KÓRACH

Korach                Numeri.  16:1 – 18:32

SHABBAT ROSH CHODESH TAMMOEZ

RABBI SHIMON bar JOCHAI

ZOHAR. P 187a

Korach’s benadering in het scheppen van onenigheid, puur in het belang van zijn eigen politieke agenda, staat streng in tegenstelling tot hoe wij moeten handelen.

Rebbe Elazar stond in de aanwezigheid van zijn vader Rebbe Shimon en vroeg hem uitleg over het vers: “Geniet van het leven met de vrouw die je bemint. Geniet op alle dagen van je leven, die God je heeft gegeven. Het bestaan is leeg en vluchtig en je zwoegt en zwoegt onder de zon, dus geniet van elke dag. Het is het loon dat God je heeft gegeven.” (Geschriften. 9:9)

Dit vers schijnt een persoon te adviseren om van de fysieke genoegens van zijn leven te genieten zo goed als hij kan!

Hij antwoordt: Kom en zie. Dit vers bevat een mysterie. Een persoon moet altijd “leven” insluiten  [de intellectuele sefirot van chochma enbina] met die positie [malchoet, verwijst eveneens naar de “vrouw”]. Men kan zich niet verplaatsen zonder de andere.

Identiek aan de beslissingen en gedachten van een persoon als hij leven geeft aan zijn ledematen, zo nodig in de spirituele sfeer Zeir Anpin, Malchoet, om de Hogere Wil te actualiseren.

Men zou de eigenschap van de nacht mede insluiten met de eigenschap van de dag en de eigenschap van de nacht binnen dat van de dag.

“Dag” is het licht van Zeir Anpin, m.a.w de emoties, zoals barmhartigheid (chesed).Er zal constant gehamerd moeten worden op het besef, waar een gebrek aan liefde is en een gemis aan bewustzijn, m.a.w “duisternis”.

Dit wordt bedoeld met de woorden”Geniet van het leven [haal neer de overvloed van Zeir Anpin] met de vrouw die je bemint [Malchoet].” [hierdoor breng je éénheid in de wereld.] En wat is de reden om dit te doen? Het is omdat zij [Malchoet] je plaats, je positie is in het leven en leven kan alleen in die positie verblijven.”En in je werk, het werk dat je verricht onder de zon, is zoals het werk dat genoemd wordt in het vers: “Ken Hem in alles wat je doet, dan zal Hij voor jou een weg banen.” (Spreuken. 3:6)

De Ramak verklaart dat dit vers een instructie is om alles te heiligen wat we doen in het leven, met de intentie om spirituele éénheid tot stand te brengen.
Dus als iemand een huis bouwt zal hij zeggen, dit huis is zoals de Shechina en ik bouw dit huis met de intentie om de Shechina te verfraaien met mitzwot m.a.w het ontvangen van gasten en het hebben van kinderen. Dit is alsof de hogere spirituele mens één is geworden met de Shechina.  Idem, wanneer iemand sieraden of mooie kleding koopt voor zijn vrouw, zal zijn intentie het decoreren van de Shechina moeten zijn. Wanneer iemand op deze wijze handelt, heeft dit een meditatieve bedoeling, en G’D maakt deel uit van zijn leven, hij zal de Goddelijke voorzienigheid zien in alles wat hem omgeeft.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT SHELÁCH LECHÁ

Zend jij   Numeri. 13:1 – 15:41

 Verbinden Met Het Land

Het essentiële verschil tussen de supervisie en leiding door G’D in de woestijn en de supervisie en leiding door G’D in het Land van Israël.

In deze parasha wordt aan Mozes gezegd om twaalf verkenners te zenden, Prinsen van Israël [van iedere stam een Prins] om het Land van Israël te verkennen voordat de Israëlieten het binnengaan. De verkenners keerden terug en gaven allen een negatief verslag, uitgezonderd Joshoea Bin Noen en Caleb Ben Yefoeneh die stelden dat de Kinderen van Israël zonder meer in staat waren om binnen te trekken en het te verwerven.

 We moeten de aard van de negatieve houding van de verkenners begrijpen, want ze waren geen eenvoudige mannen maar zeer belangrijke leidinggevende persoonlijkheden nl: “de hoofden van de Kinderen van Israël.” Om het beter te kunnen begrijpen, moeten we ons realiseren dat er een essentieel verschil is tussen de supervisie en leiding door G’D in de woestijn en tussen Zijn supervisie en leiding in het Land van Israël. In de woestijn, was de supervisie en leiding vanuit de Hemel. Het brood, manna, kwam neer van de Hemel, zuiver en puur, zonder de noodzaak om het te verfijnen. De wolk ( als fysieke goddelijke aanwezigheid) beschermde het Volk Israël en hield het in stand ook door de reiniging van hun kleding en zij dronken het water van Miriams bron. Deze generatie wordt de Generatie van het Begrijpen [Da’at] genoemd en het doen van de mitzwot  werd voornamelijk religieus spiritueel uitgevoerd.

Dit was niet het geval in het Land Israël. De supervisie en leiding door G’D is dan  ogenschijnlijk volgens de Natuur en niet volgens een visuele supervisie vanuit de Hemel. Zodra ze daar zijn aangekomen moest het brood en eten verkregen worden door arbeid op het land omdat het vallen van Manna was gestopt. Het doen van de mitzwot in het Land van Israël geschiedt door het fysieke ploegen en planten en oogsten, in het bijzonder de mitzwot met betrekking tot het Land : Shemitah [het zevende jaar in een cyclus waar het land niet wordt bewerkt en Tienden] 

Na het “Breken van de Vaten” vallen de Heilige Vonken tot in de materiële fysieke sferen. We verheffen hen tot Heiligheid door mitzwot en hun zegeningen. Een ander bijzonder effect is dat wanneer iemand het goede zuivert van het kwade en het goede verheft tot Heiligheid, de persoon zelf daarbij ook wordt gezuiverd. De betekenis van het essentiële verschil van de supervisie en leiding van G’d in het land Israël moet nu zo worden  begrepen: men is zelf verantwoordelijk voor de realiteit en moet daar zelf praktische verantwoording voor dragen.

Joshoea Bin Noen en Caleb Ben Yefoeneh waren van zielen verbonden met het land Israël. Ten aanzien van Efraïm is geschreven dat zijn vader, Josef, hem bij de geboorte zo noemde vanwege de uitspraak, “Elokiem heeft mij vruchtbaar gemaakt [Hebreeuws, ‘Hifrani’] in het land van mijn kwelling.” Alle heilzame groei en in het bijzonder vruchtbaarheid wordt verkregen wanneer men inspanning aanwendt om iets te zuiveren en juist niet van wat al was voorbereid. De vorm van dienst in het Land van Israël is Thora en Mitzwot.

Over Caleb schrijft de Arizal dat hij een reïncarnatie was van Eliezer, Abrahams dienaar, die uit Kanaän kwam; om die rede was Caleb ook verbonden met het Land van Kanaän, dat het Land van Israël werd.

Daarom zeiden Joshoea Bin Noen en Caleb Ben Yefoeneh dat het een Land is dat “overvloeit van melk en honing”.

Melk representeert Chessed en Honing representeert Gevoera, in tegenstelling tot Manna, wat “als korianderzaad, zuiver wit” was en representeert  alleen Chessed, dus zonder dienst en inspanning van verfijning.

De rest van de verspieders prefereerde de Hemelse supervisie en leiding zoals die was in de woestijn, zodat ze continu Thora konden leren zonder materiële fysieke zorgen. Zij begrepen niet dat het bestaan in de woestijn aanzet was voor de uiteindelijke dienst van  verhoging van materie en het fysieke  tot Heiligheid door vervulling van de Mitzwot in het Land van Israël. 

SHABBAT SHALOM         

PARASHAT BEHA’ALÓTCHA

Wanneer je ontsteekt Numeri. 8:1 – 12:16

Rabbi Shimon bar Jochai

Het geheim van de lamp

Zohar, p. 151a

De parasha van deze week begint met de voorschriften over de zevenarmige kandelaar [Menora] die Aaron in het tabernakel in de woestijn aansteekt. De beschrijving van de Menora wordt herhaald, evenals de wijze waarop deze moet worden aangestoken. Deze dingen werden reeds behandeld in de wekelijkse Thoralezing van Teroema en Tezave. Deze herhaling leidt naar de volgende verhandeling door de zoon van Rebbe Shimon, Rabbi Elazar.

Rabbi Elazar stelt met betrekking tot de herhaling in deze parasha, beschrijvend de bewerking en het gebruik van de Menora en alles wat ermee verbonden is, de vraag. Waarom wordt het herhaald op een ander tijdstip?

De reden hiervoor is dat de prinsen van de stammen hun offergaven hadden gebracht bij de inwijding van het altaar [ zoals beschreven in de parasha Bemidbar, twee weken geleden] zowel als al hun andere offergaven en nu gaat de tekst ons duidelijk maken [opnieuw] over het functioneren van de Menora, welke werd gedaan en uitgevoerd door Aaron [ dus aantonend dat het belangrijker was dan alle andere offers].

Dit omdat Boven [in de wereld van Atziloet] de Menora [die wijsheid vertegenwoordigt verlichtend de sefira van Malchoet] al de lichten op zijn armen [die de sefirot representeren] alles verlicht door de verrichtingen van Aaron.

Aaron steekt de Menora aan bij dageraad. Dit is de tijd van Chesed, aangezien goedhartigheid is geassocieerd met overdag. Het licht van de zon is een goedheid van G’D aan de mensheid, welke ons in staat stelt de wereld om ons heen te zien, vegetatie toestaat om te groeien en de wereld te laten functioneren. Aaron representeert de sefira van Chesed. Zijn aansteken van de Menora is een fysieke meditatieve handeling, om een stroom van overvloed van de wereld van Atziloet te weeg te brengen van de hogere sefirot aan deze wereld, welke wordt gerepresenteerd door elke olie lontje afzonderlijk in elke arm van de Menora.

Kom en zie. Het externe altaar werd opgedragen en op de juiste wijze voorbereid door de twaalf prinsen, zoals we dit hebben uitgelegd.

De opstelling van de twaalf stammen onder hun vlag in de woestijn representeren de 12 verschillende combinaties van de vier – letterige naam van G’D. Deze vier letters en vier hoofdvlaggen representeren de vier richtingen, Noord, Zuid, Oost en West. Nu stelt de Zohar “Kom en zie” omdat het visualiseren van de Sefirot boom iemand helpt te begrijpen, dat deze vier richtingen in de fysieke wereld op hun beurt de vier hoofd sefirot van Chesed, Gevoera, Tifert en Malchoet weergeven.

Elk van deze vier hoofd sefirot zijn verbonden met elke andere in de sefirot boom, bestaande uit drie lijnen. Deze drie lijnen representeren de drie verschillende richtingen van invloedstroom en laat zien hoe zij samenkomen en onderling reageren met de ander sefirot. Op het moment dat de prinsen van de stammen het externe altaar hadden opgedragen was het geschikt als een representatie van de sefira van Malchoet. Elke prins bracht van zijn opgedragen “richting”, representerend het koninkrijk van de Koning der Koningen.

Aaron de Hoge priester was aangesteld om de zeven lontjes van de Menora aan te steken, allen op de wijze van [de spirituele wereld] Boven.

De olie in de Menora representeert de sefira van Chochma. Zoals men kan zien aan het diagram van de sefirot, de eerste van de zeven “emotionele” in het ontvangen van het licht van wijsheid is Chesed. Aaron representeert Chesed, de sefira direct onder Chochma. Hij heeft vrede en Chesed lief, en streeft er naar om disputen op een vriendelijke wijze bij teleggen. Het was daarom gepast om hem te benoemen voor het aansteken van de olie/wijsheid en er over te mediteren, het gevoel op zich te nemen van alle zeven “lichten” van menselijke emoties, gerepresenteerd door de zeven sefirot van Chesed, Gevoera, Tiferet, Netzach, Hod, Yesod en Malchoet. In de wereld “Boven” worden deze sefirot, Zeir Anpin genoemd. De heilige Ari verklaart dat wierrook alle tien sefirot van Zeir Anpin verbind door het bewustzijn van Bina/Imma. De olie van de Menora representeert het bewustzijn van Chochma/Abba. Dit was de reden om wierrook aan te steken van op de zelfde tijd als de Menora, aangezien zij samen het neerwaarts halen van de hogere niveaus van bewustzijn in eenheid representeren.

Het bestaan van de Menora was op zichzelf en de wijze waarop het gevormd was een groot mirakel, zoals [in parashat Teroema] wordt uitgelegd.

De Menora was gemaakt toen Mozes een kikar (een maat) goud wierp in een oven en tot G’D bad om het te vormen.

Het verscheen onmiddellijk geheel in zijn vorm. Dit verbindt de Menora verder met de sefira van Chochma.

En het interne altaar en de Menora stonden samen om allen vreugde te geven, zoals staat geschreven: “Olie en wierrook verheugen het hart.” (Spreuken. 27:9)

Het tabernakel, en later de Tempel, had een intern binnenhof waar de Menora en het Wierrook altaar stond en een extern binnenhof waar het buitenste altaar was geplaatst. Olie representeert wijsheid dat altijd wordt begrepen wanneer woorden worden gesproken op een vreedzame en rustige wijze. Dit is weergegeven in fysieke realiteit, waar olie kalmeert en lawaai stopt. Wierrook representeert Bina, zoals wordt aangeduid door de Hebreeuwse en Aramese naam, “Ketoret“. In het Aramees staat de letter “t” vaak voor de letter “s” in het Hebreeuws; dus “Ketoret” kan als “Keshoret” worden gelezen, betekenend, “verbinden”. Bina verbindt al de lagere sefirot om de gekozen functie in realiteit uit te voeren. Deze twee “verborgen” sefirot van Chochma en Bina zijn daarom vertegenwoordigd in het interne binnenhof, of “brein”van de Tempel, terwijl het externe binnenhof werd vertegenwoordigd door de sefira van Malchoet. De sefira van Malchoet wordt “het hart”genoemd, omdat het alle voeding van de andere sefirot/organen ontvangt. Iemand is waarlijk gelukkig wanneer hij ziet dat de realiteit wordt bedekt met het begrip van wijsheid en glorie van het G’ddelijke.

We hebben al eerder uitgelegd dat er twee altaren zijn. Één altaar binnen om vreugde voort te brengen en één buiten waarop offers werden gebracht. Het binnen altaar verspreidt zijn werking naar het buitenste altaar.

Vanuit het interne altaar (Bina), dat wordt gerepresenteerd door de naam Havayah, vloeit G’ddelijke zegen en overvloed naar het externe altaar (Malchoet) dat wordt gerepresenteerd door de naam Ado-nai.

En iemand die kijkt en mediteert [hierop] zal de hogere wijsheid realiseren, dat is het mysterie van de naam Ado-nai Elo-hiem.

Door heel de Tenach, waar ook deze twee namen verschijnen worden zij uitgesproken zoals boven geschreven. De naam Elo-hiem is geassocieerd met de sefira van Bina en de tekens passend aan de naam worden gebruikt om te laten zien hoe de vier – letterige naam moet worden uitgesproken. Het associeert daarbij Bina met Malchoet.

Daarom werd het wierrook offer alleen geofferd op het tijdstip waarop de olie van de Menora werd aangestoken.

Dit garandeerde dat er eenheid was tussen de intellectuele sferen van Chochma, Bina en Malchoet.

Nu kunnen we de innerlijke – reden begrijpen voor het gezegde “korbanot” als onderdeel van de ochtend dienst. Wierrook en Menora worden eerst genoemd en dan de afzonderlijke typen van offers. Dit verbindt Chochma en Bina met Malchoet, zoals we hebben uitgelegd, en rectificeert de wereld van Asiya.

Een laatste belangrijke noot is dat Chochma in het diagram boven de sefira van Chesed is. Dit impliceert dat wijsheid (Chochma) alleen met handelingen van goedheid en barmhartigheid is geassocieerd, zoals wordt gesymboliseerd bij Aaron. Dit verklaart waarom kwaad nimmer zegeviert, het heeft eenvoudig geen manier om de wijsheid te ontvangen die wordt vereist om zijn opponenten te overwinnen.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT BEMIDBÁR

 IN DE WILDERNIS

 Het was passend dat het Geven van de Thora plaatsvond in niemandsland, te midden van de verlaten eenzaamheid van de wildernis. Hier kon geen tijdelijke koning claimen dat hij gastheer zou zijn van het gebeuren, en daarbij een speciaal aandeel in de glorie opeisen. De Kinderen van Israël werden uitgekozen om de Thora te ontvangen, niet omdat zij de meest glorieuzen waren, maar omdat hun harten waren gebroken door verbanning en slavernij. Want de enige manier om de Thora te ontvangen is door nederigheid en bescheidenheid, symboliserend de lage Berg Sinai. Na te zijn aangesteld als de hoeders van de Thora, was de taak van de Kinderen van Israël deze van de Sinai naar het Beloofde Land te brengen, om van daaruit uit te stralen naar alle bewoners van de wereld. Genesis volgt en beschrijft de oorsprong van de Thora en de zielen van Israël die haar dragers zijn, Genesis is dus het “hoofd” van de Thora. Exodus de handen, ze beschrijft hoe G’D de Kinderen van Israël bevrijdt van slavernij in Egypte “met een machtige arm” en hen tot een uniek volk maakte door het geven van de Thora en de aanwezigheid van Zijn Heiligdom in hun midden als het centrum van hun nationaal leven. Leviticus is het “hart” van de Thora, formulerend de meest belangrijke voorschriften in alle facetten van het leven.

DE STAMMEN VAN ISRAEL

 De Zohar verklaart dat de vorm van het Heiligdom correspondeert met het          werkingsmechanisme van de Schepping. Dus de talrijke verschillende domeinen die tezamen de binnenplaatsen en gebouwen van de Tempel uitmaken, corresponderen met de verschillende “werelden” besproken in Kabbala, (zoals wordt uitgelegd in “Miskeney Elyon”, door Rabbi Moshe Luzzatto, de Ramchal).

De orde van de Twaalf Stammen in vier kampementen rond het Heiligdom corresponderen met de “vier kampementen van de G’ddelijke Aanwezigheid” en de “vier kampementen van Engelen” die de stroming van G’ddelijke ondersteuning in de wereld kanaliseren. Deze zijn aspecten van de Merkawah (“voertuig”) gezien door de Profeten, representerend het systeem van Voorzienigheid waarmee G”D de wereld regeert en beïnvloed. De vier kampementen corresponderen met de vier essenties van de Schepping (Goedheid, Oordeel, Begaanheid en hun manifestaties in realiteit, Koningschap) en de vier elementen (Water, Vuur, Lucht en Aarde, die het vat, de houder is van de drie). De talrijke verschillende Namen in Numeri die de beschrijving van onze parasha van de volkstelling van de Twaalf Stammen uitmaken, bestaat uit codes en cijfers die zijn verbonden met de krachten van oorsprong in de spirituele werelden.

De moeilijkheid die velen ondervinden in verband met onderdelen aangaande de verschillende stammen en hun namen en aantallen  wordt verergerd door het feit dat heden ten dage de meerderheid is afgescheiden en zelfs vervreemd van hun eigen “stam” oorsprong na duizenden jaren van ballingschap en omzwerving. Oorspronkelijk was het stam bewustzijn verwantschap onder de Kinderen van Israël, zeer sterk, zoals duidelijk zichtbaar is aan het eind van Parashat Emor, waar de episode van blasfemie werd veroorzaakt toen leden van de stam van Dan weigerden de zoon van de Egyptische toe te laten tot hun kampement omdat zijn komaf was besmet.

Heden ten dage echter weten slechts weinige Joden van welke stam zij komen, hoewel de meerderheid (met uitzondering van de Kohaniem en de Leviten)  aannemen dat zij van de stammen van Juda en Benjamin afstammen, de enige twee die niet zijn verdwenen toen de Tien Stammen in verbanning gingen voorafgaande aan de destructie van de Eerste Tempel. (Sommigen geloven dat de Sefardische gemeenschappen  van Spanje en Morocco kwamen van de stam van Juda, terwijl de Ashkenazische gemeenschappen van Duitsland en Oost-Europa van de stam van Benjamin kwamen. Dit is aangehaald door Rabbi David Kimchi, de Radak, in zijn Thora commentaar.

Om de verwarring compleet te maken, als je zou vragen aan de meeste Joden heden ten dage de verschillende componenten die deel uitmaken van het volk op te sommen, is het antwoord niet de twaalf stammen, maar eerder, de ultra orthodoxen, orthodoxen, traditionelen, conservatieven, liberalen, seculair rechts, seculair links,  etc. etc.

Onze fragmentatie en wanorde in de zogenaamde tegenwoordige ontwikkelde “geciviliseerde” wereld, is in erbarmelijk contrast met de orde van de kampementen in de onbeschaafdheid van de woestijn, die onze staat van geboorte aanschouwde. Misschien moeten we een nieuwe zienswijze ontwikkelen ten aanzien van de verschillende typen die het Volk van Israël uitmaken, in termen van de orde vastgelegd in BEMIDBAR: hoe dicht zijn zij bij het Heiligdom-Tempel idee of hoe ver verwijderd.

SHABBAT SHALOM    

PARASHAT BEHÁR / BECHOEKOTAI

Op de berg / In Mijn inzettingen (Leviticus 25:1 – 26:2 / 26:3 – 27:34)

In een dubbele Thoralezing, worden de twee met elkaar verbonden aan het begin van de 4e aliya ( van de zeven gedeelten van de wekelijkse lezing ) wanneer de verzen worden gelezen van het einde van de eerste parasha en het begin van de tweede, zonder enige interruptie. De Lubavitcher Rebbe legt uit, dat we de boodschap van elk afzonderlijk en hun gezamenlijke betekenis. ook zo moeten zien.
Ten eerste, Behar, letterlijk “Op de berg”, vertelt ons, boven de inspanningen van deze wereld uit te reiken. Ondanks het feit dat wij “minder talrijk zijn onder de volkeren”(Deuteronomium. 7:7), verheft de Thora ons, wij moeten daarom niet toelaten dat de wereld een affect heeft op ons.

Parashat Bechoekotai opent met het vers”Wanneer jullie je levenswandel richt naar Mijn wetten en jullie je stipt houden aan Mijn geboden door die in praktijk te brengen” (Leviticus 26:3) wat een verwijzing is naar alle Thorageboden. Waarom dan, tot nu toe, gebruikt de Thora het specifieke woord “choekiem” voor geboden en niet de algemeen gebruikte term “mitzwa”?
“Choekiem” verwijst gewoonlijk naar de geboden die niet logisch of ogenschijnlijk te beredeneren vallen, zoals b.v kashroet (voedselwetten), of het niet dragen van kleding die is geweven uit een combinatie van wol en linnen.
Juist zoals we deze geboden in acht nemen alleen omdat G’D ze ons heeft opgelegd, zonder hun reden te begrijpen, zo ook moeten we alle geboden in acht nemen, zelfs degenen die ogenschijnlijk rationeel zijn, enkel en alleen omdat G’D ze gebiedt.

Ten tweede, moeten we ons zelf niet bedriegen door te geloven dat wij eerst elk detail in Judaïsme moeten begrijpen om volgens Thoranormen te kunnen leven. Integendeel, we moeten de geboden vervullen op een wijze van “eerst doen en dan begrijpen.” Door volharding, zullen wij uiteindelijke de level bereiken waar het aspect van Behar is gedaan op de manier van Bechoekotai, de uitdagingen van de wereld te boven komen omdat G’D het gebiedt; en Bechoekotai op de manier is uitgevoerd van Behar, alle geboden van G’D met vertrouwen en naar vermogen uitvoeren.

“Wanneer jullie je levenswandel richt naar Mijn wetten en jullie je stipt houden aan Mijn geboden door die in praktijk te brengen, dan geef Ik op de juiste tijd de regen die jullie nodig hebben zodat het land zijn opbrengst geeft en de bomen van het veld hun vruchten dragen.” ( Leviticus. 26:3-4 )
Waarom benadrukt de Thora deze fysieke beloningen? Zou het niet beter zijn om zich te richten op de spirituele beloningen in het hiernamaals? Rebbe Michal van Zlotshuv is zelfs meer verbaasd over het feit dat G’D ons überhaupt iets belooft. Is het bovendien niet zo dat wij de Almachtige moeten dienen zonder enige verwachting van tegen-beloning ( zie Spreuken de Vaderen, 1:3 )? Als we G’D dienen zonder enige beloning, doet het er niet toe wat er wordt beloofd, het dienen moet oprecht zijn en alleen worden gedaan voor Zijn belang.
Beloften verwarren alleen maar de situatie. Misschien is het beter om helemaal geen belofte in het vooruitzicht te stellen, daarmee worden waarschuwingen overbodig om G’D alleen maar te dienen met de intentie van beloning.
Zegeningen komen vanzelf voor diegenen die ze verdienen.
Als iemand ook maar iets van eigenbelang in gedachten heeft, zal hij of zij geen enkele vorm van beloning ontvangen, omdat hij of zij alleen maar het eigenbelang dient. Dit is de betekenis van de woorden: “Wanneer jullie je levenswandel richt naar Mijn wetten en jullie je stipt houden aan Mijn geboden.” Als je G’D dient op de juiste wijze, zal dat resulteren in een teken, een indicatie, dat de regen zal vallen op de juiste tijd en de aarde vruchten zal dragen. Je zult zien dat de zegeningen komen als resultaat van het doen van de geboden op de juiste manier, m.a. w alleen in het belang van de Hemel. Zoals een jonge vrouw in mijn studiegroep zei, “het is belangrijk te weten dat G’D luistert.”

Deze week was Lag B’Omer, de dag viert het einde van de plaag die de studenten van Rabbi Akiva overviel, wegens gebrek aan liefde en respect voor hun mede-Joden. Rebbe Shmuel Shmelke van Nicholsberg legt uit hoe men van een medepersoon kan houden die je kwaad heeft aangedaan. Wij allen zijn één integrale entiteit, omdat we allen een klein deel zijn van de organieke ziel van Adam, de eerste mens.
We kunnen vergeleken worden met delen van één lichaam. Één is een deel van de hand , en één van de neus,etc. Soms doet iemand iets zonder bedoeling, iets morsen op zijn voet of in een plas water lopen. Als we dan een stok nemen om wraakzuchtig het zondige lichaamsdeel te slaan, zouden we echt in pijn hebben. Zo is het ook met iemand die je kwaad heeft aangedaan. Het is alleen omdat er een gebrekkig begrip is, hoe wij allen met elkaar zijn verbonden.
Als we zouden reageren op de zelfde wijze, doen wij onszelf meer schade aan.
Eerder moeten wij ons zelf er aan herinneren dat we verdienen wat wij krijgen en de Almachtige heeft vele boodschappers.
En als dit niet toereikend is, moeten wij proberen te mediteren over het idee dat de ziel van de andere persoon, letterlijk een deel van G’D, zo diep is gezonken in het doen van onplezierige dingen, dat wij barmhartigheid zouden moeten tonen voor Zijn heilige vonk.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT EMÒR

Zeg (Leviticus 21:1 – 24:23)

De omertelling is een voorbereiding op het geven van de Thora. Om die reden, meteen na de 49 dagen van de omer, vieren we Shavoe’ot (Wekenfeest), de feestelijke viering van de gebeurtenis op de Berg Sinaï.

Het verband tussen Shavoe’ot en de omertelling benadrukt het feit dat beide relateren naar elke Jood afzonderlijk. De Talmoed (Menachot 65b) beklemtoont dat de omertelling rust op elke individuele Jood ( in contrast met de Smemita en Jowel [Shabbatjaar en Jubeljaar], die worden geteld door het Joodse gerechtshof ).

Op een vergelijkbare manier is het ten aanzien van het geven van de Thora, de openbaring was niet enkel voor het Joodse Volk als een geheel, maar voor elk individuele Jood afzonderlijk. Dit is weergegeven in het vers: “Anochie HaShem E-lokecha” “Ik ben de Eeuwige, je G’D (Exodus 20,2), welke de enkelvoudige vorm van de term “jullie” gebruikt, want G’D geeft de Thora als het ware aan elke individuele Jood afzonderlijk. Hij maakt tegen ieder persoon afzonderlijk duidelijk, de verplichting om Thora te leren, en om de 613 mitswot in acht te nemen. Hij legt deze verplichting op vanuit de naam E-lokiem, welke associeert met G’D’s vermogen als “De Meester van sterkte en macht” (Shoelchan Aroech, Orach Chajiem 5:1)

Baserend op de connectie tussen de omertelling en Shavoe’ot, legt de Alte Rebbe (Rabbi Shneur Zalman van Liadi 1745-1812) de ogenschijnlijke contradictie uit tussen het gebod: “ Tot de dag volgend op de zevende week moeten jullie vijftig dagen tellen”(Leviticus 23,16) en het praktische feit dat we alleen maar negenenveertig tellen. Door de negenenveertig dagen op die manier te tellen, brengen wij de negenenveertig Poorten van Inzicht (Biena) teweeg en bereiden wij de opening voor van de vijftigste poort, de openbaring die kwam met het geven van de Thora. Want door de openbaring van de vijftigste Poort van Inzicht, werd het niveau van Anochie (de associatie met het geven van de Thora) teweeggebracht. (Talmoed, Rosh Hashana 6b)

Op elke dag van de omertelling, wordt er een andere Poort van Inzicht tot stand gebracht. Dit stelt ons in staat om de woordkeuze te begrijpen die wordt gebruikt tijdens de telling: “een dag…, twee dagen…, drie dagen…,” in plaats van “de eerste dag, de tweede dag, de derde dag.” Want elke dag bevat de vorige dagen en de G’ddelijke energie die zij teweeg hebben bracht. Op de eerste dag, hebben wij toegang tot de eerste Poort van Inzicht, op de tweede dag, hebben wij toegang tot twee poorten, etc.

Echter, de vijftigste poort kunnen wij niet op eigen initiatief openen, want het representeert een vermogen welk niet kan worden bereikt door de gewijde dienst van gecreëerde schepselen.
Desalniettemin, onze inspanning in het teweegbrengen van 49 Poorten van Inzicht creëert een fundering waarop de vijftigste zich op eigen initiatief kan plaatsen. Om die reden wordt het beschouwd als of wij de 50 dagen hebben geteld, want de vijftigste is toegankelijk gemaakt door onze telling van de “zeven perfecte weken.”

De boven genoemde concepten worden weergegeven in onze dienst aan G’D.
De passende dienst voor de omertelling is de verfijning van onze emotionele eigenschappen. We tellen zeven weken, corresponderend met de zeven emotionele eigenschappen en ook 49 dagen (7×7), want elke van deze eigenschappen is aan elkaar gerelateerd.
De doelstelling is, om deze weken, en de corresponderende emotionele eigenschappen, “te perfectioneren.”

Als dan een Jood de verfijning van zijn emotionele eigenschappen heeft beëindigd, wordt aan hem, als een geschenk van boven, de Thora verleend.
Dit hangt compleet van hem zelf af; wat gebeurt met de mensen om hem heen heeft daar geen invloed op. Wanneer hij zijn 49 emotionele eigenschappen heeft gezuiverd en verbeterd, wordt hem de Thora verleend, “de Vijftigste Poort van Inzicht”, zelfs als diegene om hem heen nog niet deze graad van voorbereiding heeft bereikt.

Tegenovergesteld, als zijn persoonlijke zuiveringproces langzamer is, moet hij wachten tot aan het punt dat hij zijn taak heeft volbracht, zelfs als diegenen om hem heen reeds de Thora is verleend.

Maar dit verwijst alleen naar de dimensie van het geven van de Thora welke afhangt van de menselijke dienst aan G’D.
Het ultieme aspect, van het geven van de Thora, overtreft elke menselijke connectie met betrekking tot de dienst aan G’D. De nieuwe dimensie, bij het geven van de Thora, bracht met zich mee, de verbinding tussen de hogere en de lagere sferen. ( Shemot Rabba 12:3 )
Dit niveau is geopenbaard voor iedereen op de zesde dag van de maand Sivan, “de feestelijke periode van het geven van de Thora.”

SHABBAT SHALOM

PARASHAT ACHARÉ MOT – KEDOSHIEM

 Na de dood – Heilig   Leviticus. 16:1 – 18:30, 19:1 – 20:27

LEVEN IN HARMONIE

Gebaseerd op Orh Jisroël, Acharé Mot 5647

De Eeuwige richtte het woord tot Mozes na de dood van de beide zonen van Aharon die, terwijl ze vóór de Eeuwige naar voren waren getreden [brachten een niet geautoriseerd offer], gestorven waren.” (Leviticus. 16:1)

Rabbi Jisroël van Tchorkov neemt stelling tot dit probleem als volgt. De Thora zegt ons, “Alleen jullie die vastgehouden hebben aan de Eeuwige, jullie G’D, jullie zijn vandaag allemaal in leven.” ( Deuteronomium. 4”4)
G’D is de bron van het leven en iemand die G’D zeer dicht nadert, hecht zichzelf aan de bron van het leven. Hoe is het dan mogelijk dat Nadav en Avinoe. “die G’D zeer dicht naderden”, stierven?

Er is geschreven, “Het begin van wijsheid is de vrees voor G’D” (Psalm. 111:10). Evenzo, “Je moet van de Eeuwige, je G’D, houden” (Deuteronomium. 6:5).
Het doel van een Jood is om elk aspect van zijn ziel te zuiveren en te verbeteren, totdat alles in harmonie functioneert, elke karaktereigenschap in de juiste proporties.
Wanneer hij G’D alleen zou dienen door liefde, chessed, kon hij onmogelijk overleven.
De chessed van G’D is eindeloos en zo groot dat niemand in staat is dit te verwerken, zonder te sterven. Idem, wanneer iemand G’D alleen zou dienen door de eigenschap van vrees, gevoera, kan hij ook niet overleven.
G’D is zo “vreselijk”, wie kan vóór Hem staan?
Daarom moeten deze twee eigenschappen in de juiste harmonie met elkaar samenwerken.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT TAZRIA – METZORA

Zij geeft zaad – Melaatse Leviticus. 12:1 – 13:59, 14:1 – 15:33

RABBI SHIMON BAR JOCHAI

Het zuiveren van Adam

Zohar III p. 48a.

Als een mens (in het Hebreeuws, ‘adam’) in de huid van zijn vlees….[ een melaatsachtige infectie heeft] (Leviticus. 13:2)

We hebben geleerd dat mensen [in de Thora] op [vier] verschillende wijze worden verwezen naar: “adam”, “gever”, “enosh” en  “ish”. (Shabbat 54b) [Al deze namen hebben dezelfde betekenis, “een mens”, maar] de meest aanzienlijke onder hen is “adam“, zoals is geschreven: “G’D schiep de mens [“adam‘] naar zijn beeld”(Genesis. 1:27); “Want naar het beeld van G’D heeft Hij de mens [“adam‘]  geschapen” (Genesis. 9:6). Deze versregels hanteren niet de termen ““gever”, “enosh” en  “ish”.  Vanuit deze verzen kunnen wij concluderen dat de titel “adam” verwijst naar een mens van G’ddelijke status.

In feite zijn deze titels coderingen voor de vier niveaus van de ziel en corresponderen zij naar de vier werelden, respectievelijk: “Adam” is het niveau van de ziel die“Chaya” wordt genoemd (aangeduid in de Zohar als “Neshama van de Neshama“), welke zich manifesteert in chochma, en correspondeert met Atziloet; “gever” is het niveau van de ziel die “Neshama“wordt genoemd, welke zich manifesteert in bina en correspondeert met Beriya; “enosh” is het niveau van de ziel die “Roeach” wordt genoemd, welke zich manifesteert in de zes emotionele eigenschappen van Zeir Anpin en correspondeert met Yetzira; ´ish“is het niveau van de ziel wat “Nefesh” wordt genoemd, welke zich manifesteert in malchoet en correspondeert met Asiya.

Adam

Chaya

Chochma

Atzilut

Gever

Neshama

Bina

Beryia

Enosh

Ruach

Zeir Anpin

Yetzira

Ish

Nefesh

Malchut

Asiya

Echter Rabbi Jehoeda zegt: Maar het staat geschreven, “Wanneer een persoon [adam] een verzoeningoffer brengt aan G’D” (Leviticus. 1:2). Schijnt dit de stelling te weerleggen dat “adam” de meest aanzienlijke titel of benaming is voor de mens, omdat, wie moet een verzoenend offer brengen? Een zondaar, en toch wordt de term “adam” gebruikt!

Hoe kan dit van toepassing zijn op een persoon die op het niveau van Chaya-chochma- Atziloet is?

Rabbi Jitzchak antwoordt: De [fysieke] wereld en de hogere en lagere werelden worden allen gedragen door de offergaven, welke een groot genoegen zijn voor de Heilige, Geprezen Zij Hij. Nu, wie is geschikt om een offergave te bieden die G’ddelijk genoegen teweeg brengt? Alleen de meest achtenswaardige persoon die “adam” genoemd wordt! 

M.A.W. alleen een persoon op het hoogste niveau heeft de mogelijkheid om hemel en aarde te dragen.

Rabbi Jehoeda reageert: Maar het vers, “Als een mens in de huid van zijn vlees een lepra-infectie heeft….zal hij voor Aaron gebracht worden” (Leviticus. 13:2) en “Wanneer een mens is getroffen door een lepraplaag zal hij voor een priester worden gebracht”(ibid. 13:9) schijnt dit te weerleggen?

[Rabbi Jitzchak legt uit]: Het is juist zo een persoon wie de Heilige, Geprezen Zij Hij, wenst te zuiveren, meer dan iemand anders. Een persoon op een hoog spiritueel niveau zal niet blijven zoals hij is [zonder rectificatie]. En om die reden verklaart het vers, …”hij zal voor Aaron worden gebracht” en “hij zal voor een priester worden gebracht”. Het zegt niet, “hij zal komen of gaan”, maar eerder, “hij zal worden gebracht” [door anderen]. Want iedereen die zo een persoon ziet is verplicht om hem voor een priester te brengen, aangezien een mens van dit heilige gehalte niet kan blijven in de staat zoals hij is.

Omdat de werelden niet kunnen worden ondersteund zonder zo een persoon, is het in ieders voordeel dat zo iemand zal wordt genezen. De enige vraag die overblijft is hoe een persoon van zo’n hoog spiritueel niveau getroffen worden door melaatsheid? Commentatoren verklaren dat ofschoon zo’n persoon alles binnen zijn mogelijkheid heeft gerectificeerd, er nog altijd kleine hoeveelheden spirituele verspilling overblijf, die een boven natuurlijke infectie veroorzaken in zijn buitenste niveaus, zijn huid. In feite, vóór de infectie is bestempeld door een priester als “onzuiver”, is het een zeer hoog niveau van G’ddelijke illuminatie, ofschoon het aspect bekend is als “ferme strengheid”. Om deze rede moet hij voor de priester worden gebracht, de mens van chesed (barmhartigheid), die de mogelijkheid heeft om harde strengheid te verzachten en het om te zetten in pure goedheid. ( Rabbi Shneur Zalman van Liadi, Likoetei Thora, Tazria 22b)

SHABBAT SHALOM