PARASHAT TOLEDOT JITSCHAK

Rabbi Shimon bar Jochai

Zohar, P 140b

In ons Zohar gedeelte hieronder, bespreekt Rabbi Jehoeda de vraag, waarom Abraham en Jitschak honger door hongersnood in hun respectievelijke levens moesten ervaren.

Kom en zie, wanneer de Heilige, geprezen zij Hij, wil schijnen in iemands ziel, Hij raakt het lichaam [om het te verzwakken] zodat de ziel erover zal heersen. Dit is omdat, zolang als de ziel [gelijk in kracht] is in het lichaam, heeft zij geen controle over dat lichaam. Wanneer het lichaam is gebroken, verzwakt, kan zij [de ziel] er over heersen.

Dit is de diepere reden achter ziekte en tragedie in iemands persoonlijke leven. Het is de wijze waarop G’D de verheffing van het spirituele over het fysieke bewerkstelligt. Het verklaart tevens ook de hogere spirituele vermogens van de gehandicapte en verklaart waarom wij vasten. Ascetische praktijken hebben de zelfde uitwerking.

Dit is wat er is geschreven, “G’D test de rechtvaardige; maar de niet rechtvaardige en degene die van geweld houdt, haat Hij [zijn ziel]” Psalm.11:5). Wat betekenen de woorden “G’D test de rechtvaardige”? Dit is wat er is geschreven op een andere plaats: “Zie, Ik leg in Zion een fundatie steen, een geteste, kostbare hoeksteen, een verzekerde fundatie” (Jesaja. 28:16). [Dus “geteste” betekent, uitzonderlijk sterk]. Dit is het zelfde als het testen van de rechtvaardigen. G’D sterkt hem, om als die geteste steen te worden die een kostbare hoeksteen is. Dit is de betekenis van de woorden “G’D test de rechtvaardige”.

Deze stenen waren in feite de stenen in het midden van het gewelf. Zij moesten uitzonderlijk sterk zijn omdat het gewelf het dak ondersteunde en het middelpunt van het gewelf, het centrale punt, alle druk moest weerstaan. De vertaling “hoeksteen” kan enigszins misleidend zijn, men kan denken aan stenen in de hoek van een muur, in plaats van een steen in het midden van een gewelf.

En [het tweede gedeelte van het vers zegt] “…..de slechte en hij die van geweld houdt, hij haat [zijn ziel]”. Wat is de [letterlijke] betekenis van de worden “hij haat zijn ziel”? Verdrijf elke gedachte die bij je opkomt,dat de ziel van G’D [die als enige geheel barmhartig is] slechten haat. Maar van het niveau, waar alle zielen van afhangen [de Shechina] haat de ziel van degene die van geweld houdt en op geen enkele wijze bereid is om zich aan Hem te hechten, hetzij in Deze Wereld of in de Komende Wereld. Om die reden staat er geschreven, dat de slechte en liefhebber van geweld [in het Hebreeuws, “hamas”] zijn ziel haat, in de betekenis van, Zijn ziel [de Shechina].

De heilige Shechina keert zich af van de gewelddadige, die een werktuig is geworden van de “andere zijde”. Wanneer de gewelddadige sterft aan een gewelddadige dood, continueert de afkeer van de heilige Shechina ten gevolge van het versmaden van de heilige Shechina tijdens zijn leven. Er bestaat zelfs een terroristische groep die de naam “Hamas” gebruikt, die gewelddadige handelingen uitvoert en ondanks alles gelooft, dat zij daardoor een bevoorrechte plaats verkrijgen in het hemelse paradijs. Hier leren wij dat het tegenovergestelde waar is.

Een andere interpretatie van de woorden “Hij haat zijn ziel” is dat het betekent: “Zijn ziel [de Shechina] haat de ziel van de slechte”. Zoals is geschreven: “De Eeuwige G’D heeft gezworen bij Zijn Ziel [in het Hebreeuws, “nafsho”]. (Amos 6:8)

Alle ernstige verwensingen zijn in de sefira van Malchoet, welke “nafsho” genoemd wordt. Dit betekent dat Malchoet, ook bekend als de Shechina, de Nefesh is van Hem, waar “Hem” of “Zijn” in een vers wordt aangehaald, is Zeir Anpin. Dus de Nefesh van G’D is de Shechina, Zijn Roeach is Zeir Anpin. Het woord “nafsho” verwijst naar de eenheid van de twee. Deze eenheid is volledig afwezig in de ziel van de slechte.

Daarom worden de rechtvaardigen getest [omdat zij weerstand kunnen bieden aan het geweld van de slechte en, om in staat te zijn, de rechtschapenheid van G’D te laten zien].

SHABBAT SHALOM

PARASHAT CHAYEE SARA

Het is een grote mitzwa om de doden te begraven en te eren en zich speciaal veel moeite te geven in het eren en loven van een Thorageleerde en te treuren over zijn heengaan. Abraham leert ons dit zoals de Thora weergeeft: “wejawo avraham lispod lesara welivkotá,” “Abraham kwam om te weeklagen over Sara en om haar te bewenen. (Genesis. 23,2)
Dit ondanks het feit dat deze opdracht niet als een separaat positief gebod deel uitmaakt van de 613 geboden, is het mede opgenomen in het algemene gebod, “wehalèchet bidragav” “trachten G’D’s wegen te evenaren”; juist zoals Hij de doden begraaft (aanhalend het begraven van Mozes door G’D) zo wordt ook aan jou opgelegd om de doden te begraven.

Het hele thema van begraven is verbonden met Genesis 3,19: “kie-afar àtá weèl-afar tashoev,” “want stof ben je en tot stof zul je terugkeren.”
Adams origine was stof van aarde. Onze wijzen karakteriseren de handeling van G’D als het nemen van aarde van de plaats die beschreven is in Exodus. 20,21: “mizbach adama taàsè-lie,” “Maak voor Mij een altaar van aarde” (Talmoed Jeroeshalmi, Nazir 7,2).
De wijzen beschrijven eveneens dat G’D een beetje stof nam, van elk deel van de wereldbol, zodat, waar dan ook een mens kwam te overlijden, de plaatselijke aarde zijn overblijfselen niet zou weigeren, aangezien hij daar deel van uitmaakt (Rashi, Genesis 2,7).
Beide verklarende uitspraken zijn accuraat en wijzen in dezelfde richting.
Het is algemeen geaccepteerd dat Adam, alle opeenvolgende generaties van de mensheid in zich verenigt, want hun existentie was enkel en alleen door hem. Onze wijzen beschrijven de latere opéén volgende mensheid als zijnde gerelateerd aan Adam door zijn hoofd, zijn ogen, zijn haar, etc. [In huidige termen betekent dit, dat onze genen deel uitmaakten van de genen van Adam.]
Zelfs in de dood is de mens niet volledig gescheiden van Adams origine; Adam was gecreëerd van heilige grond, grond,vanuit de plaats van het altaar van aarde. Dat brok aarde op zijn beurt, bevat aarde van alle delen van de wereld, aangezien die plaats, de plaats is waarvan de gehele aarde zijn voeding ontvangt.
Had Adam zich niet negatief gedragen, zou hij voor eeuwig hebben geleefd. Maar omdat hij zich negatief had gedragen, werd hij verdreven uit de Tuin van Eden, omdat G’D hem wilde weerhouden te eten van de boom van het eeuwige leven en daardoor voor eeuwig zou leven. Hij werd sterfelijk.
Het ervaren van de dood wanneer het gaat om het sterven van een Zijn toegewijde, is iets zeer kostbaars in de ogen van G’D (Psalm. 116,15), want het stelt de mens in staat om terug te keren naar zijn verheven plaats in Gan Eeden, Tuin van Eden, om voor eeuwig te leven. Eenmaal daar, zal zijn ziel stijgen naar immer hogere niveausferen. De reden dat Adam was begraven in de grot van Machpela is, omdat zij een opening is naar Gan Eden. De Zohar op Chayee Sara, pagina 28 van de Soellam editie zegt: Abraham herinnerde zich een verborgen teken in de grot nadat hij had gezien dat Adam en Chava daar waren begraven.
Hoe kon hij dat weten? Per slot van rekening, had hij ooit Adam en Chava gezien?
Hij had een visioen van Adam die een deur opende naar Gan Eden. Adam had in Gan Eden een bepaalde tijd geleefd, het was daarom passend dat hij daar aangrenzend werd begraven. De Zohar vervolgt dat iedereen die een visioen heeft van Adam onmiddellijk zal sterven. Abraham echter, zag een geestelijke verschijning van Adam en overleefde. Hij hield het licht in de grot in stand door het branden van één kaars. Vanaf dat moment had hij het verlangen om eveneens daar begraven te willen worden. Tot zo ver de Zohar.
Ofschoon we hebben verklaard dat alle opéén volgende generaties na Adam elementen van hem in zich dragen, is de link naar Adam er alleen via de patriarchen, die als het ware als een soort tussenpersoon fungeerden.
Abraham, Izaak, Ja’akov zijn de enige mensen die, awot, vaderen, Patriarchen, worden genoemd. Het zelfde geldt voor de Matriarchen. Alleen Sara, Rebecca, Rachel en Lea worden imahot, moeders, Matriarchen genoemd.
Wij worden als hun kinderen beschouwd, aangezien zij de wortels, de stam, zijn en wij de takken.
Maar dit proces nam zijn aanvang primair met Adam en Chava, die beide tezamen adam, mens, genoemd worden.

SHABBAT SHALOM

OPGEDRAGEN TEN NAGEDACHTENIS VAN LEVI BEN JEHOEDA.

PARASHAT WAJERA

En Hij verscheen   Genesis.18:1 – 22:24

Sodom en Gomorra belichamen de gevallen versie van het Licht van Tohoe

 En G’D liet het regenen over Sodom en over Gomorra, zwavel en vuur van G’D uit de Hemel en bracht deze steden en de gehele vlakte ten onder met alle bewoners van de steden en de vegetatie van de grond. (Genesis. 19:24)

“Zwavel en vuur van G’D uit de Hemel en bracht deze steden”…..: Alle steden van de vlakte gingen ten onder, maar alleen Sodom en Gomorra werden vernietigd met zwavel en vuur. De steden Admah en Tzvaim werden primair bestraft voor hun kwaadaardigheid jegens G’D, terwijl Sodom en Gomorra primair werden gestraft voor hun kwaadaardigheid jegens G’D en de mens, G’D vernietigde Sodom en Gomorra volkomen. De wereld van Tohoe werd vernietigd zodat de wereld van Tikkoen kon worden opgebouwd uit haar ruïnes.

In Kabbala, belichamen Sodom en Gomorra de gevallen versie van de Lichten van Tohoe, intens en afzonderlijk denkende G’ddelijke energieën die niet konden worden begrensd en vastgehouden en niet gelijktijdig konden bestaan. Dit  afzonderlijk denken wordt gereflecteerd in het egoïsme van Sodom. Dus Sodom en Gomorra moest geheel worden verwoest, net zoals de wereld van Tohoe was verwoest, zodat de wereld van Tikkoen, de wereld met minder intense Lichten en meer concrete vaten, kon worden opgebouwd uit haar ruïnes.

De ultieme ervaring is dan wanneer de oneindige lichten van Tohoe zijn opgenomen in de eindige vaten van Tikkoen. Dus wanneer Ezechiël profeteert (Ezechiël. 16:53) dat in het Messiaanse tijdperk deze steden zullen worden gerehabiliteerd, refereert hij ook aan de Lichten van Tohoe, die uiteindelijk zullen worden geïntegreerd in de vaten van Tikkoen.

Shabbat Shalom      

PARASHAT LECH LECHA

Ga jij (Genesis 12:1 – 17:27)

Dit Thoragedeelte bevat de positieve mitswa, gebod, dat mannen besneden moeten zijn.
De Thora zegt: “zot beritie asher tishmeroe bénie oewénéchem oewén zar acha acharècha himol lachèm kol-zachar” Dit is Mijn verbond met jullie en jullie nakomelingen, waaraan jullie je moeten houden: Besneden wordt bij jullie, al wat van het mannelijke geslacht is. (Genesis. 17,10) Dit gebod wordt herhaald in Parashat Tazria waar de Thora zegt: “oewajom hashminie jimol besar arlato” Op de achtste dag moet hij aan de voorhuid van zijn lichaam besneden worden. ( Leviticus. 12,3 ) Veel geboden worden in Thora twee maal herhaald. Er is altijd een noodzakelijke reden voor, zoals onze wijzen hebben aangetoond.

Er zijn een aantal zeer diepe esoterische verklaringen op deze mitswa, vooral hoe de Thora de vervulling van deze opdracht relateert aan Israëls bezit van het Heilige Land. G’D zegt namelijk tot Abraham in vers 17,8, direct voor het gebod van de besnijdenis: “Ik geef jou en je nageslacht het land, waar je nu als vreemde vertoeft, het gehele land Kana’an, tot een eeuwig onvervreemdbaar bezit en Ik zal hun tot G’D zijn.”
Onze wijzen becommentariëren, dat G’D tegen Abraham zei: “Als je nakomelingen het gebod van de besnijdenis in acht nemen kunnen zij het Heilige Land binnentrekken; zoniet, kunnen zij het Land niet betreden.” (vergelijk Rashi op Jehoshoewa 5.4)
We zijn dus gewaar van het feit dat het Land van Israël vast verbonden is met de besnijdenis, relevant aan het vers in Het Schrift (Deuteronomium 32,9) kie chèlek HaShem amo ja’akov chèwel nachalato, Want het deel van de Eeuwige is Zijn volk, Ja’akov is Zijn toegemeten erfgoed (het “toegemeten erfgoed” is het Land Israël). G’D nam ons vanuit alle andere volkeren, om G’D voor ons te zijn, Zijn volk. Hij gaf aan de andere zeventig naties hun respectievelijke talen en landen (zie 32,8), allen onder supervisie van de zeventig vertegenwoordigers van het Celestische Hof. Onze taal echter, is een heilig taal. Aan ons gaf Hij het Heilige Land, een land onder direct toezicht van G’D en niet van Zijn vertegenwoordigers.
Dit land is tegenover zijn tegenhanger gesitueerd in de Hemelse Sferen. Wij kunnen dit land niet claimen zonder eerst onze voorhuid te verwijderen, welke klipa, schil, (bron van kwade sensuele menselijke verlangens) representeert, het symbool van de serpentverontreiniging, de invloed van de sitra achra (letterlijk”de andere zijde” het tegenovergestelde van heiligheid en zuiverheid).
Als een jood zou falen in het in acht nemen van dit gebod, G’D verhoede, zou dit beschamend zijn voor het land. Alle studenten van Kabbala zijn zich bewust van eretz jisraël in de Hemels Regionen, m.a.w de sefirot jasod en machoed symboliseren esoterische verwantschap tussen Zion en het aardse Jeruzalem.
Zij zijn omgeven door klipot, bekend als aréliem, onbesneden mensen, aangezien de berg Zion en de berg Moria, de Tempelberg, zijn omgeven door de bergen van Ezau en zijn nakomeling Amalek. Zolang Izaak in leven was, namen Ezau’s nazaten de mitswa van de besnijdenis in acht, maar direct na zijn overlijden werd het reeds opgeheven. (Tanna de Bey Eliyahoe, Hf. 24)
Alle kwade mensen omgaven Jeruzalem, zoals is geschreven: “kol gojiem sewawoenie,” allerlei heidense naties omsingelden mij. (Psalm. 118,10)
Jeruzalem kan vergeleken worden met “Lelie onder de doornen” Koning Salomon’s beschrijving van Israël in Hooglied 2,2.

We kunnen ons de vraag stellen waarom de niet-Joodse volkeren, meer dan alle andere geboden , het gebod van besnijdenis hebben geweigerd.
Het is een glasheldere zaak, dat door het uitvoeren van deze handeling, er een duidelijke onderscheiding getrokken werd tussen Abraham [en later het Joodse Volk] en de rest van de mensheid.
Het thema die de verbinding vormt tussen de heiligheid van het Land Israël en het geven van het Land Israël aan Abraham en zijn nakomelingen, wordt in deze Thoralezing niet minder dan drie keer herhaald.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT NOACH

Noach             Genesis. 6:9 – 11:32

 Thora Ohr 11b, Rabbi Shneur Zalman

 “Laat ons naam maken.” (Genesis. 11:4)

De “Generatie van Verspreiding” wensten zich te laten leren door de Hogere Wereld zonder hun ego’s of begeerten in te tomen of te matigen. Hun plan was om lering te verkrijgen van de Naam Havayah ofschoon zij lering verdienden van de laagste niveaus van de Naam Elo-kiem. Zij wilden verder reiken dan de wet en orde wereld van Tikkoen naar de wereld van Akoediem. Daar waar de structuur van Tikkoen niet existeert.

Het vers: “Laat ons naam maken.kan nu als volgt worden geïnterpreteerd:

“Laat ons zelf een naam maken.”: Laat ons voortgaan met  de Naam Havayah.

“zodat we niet worden verspreid”: Opdat we de laagste niveaus van de Naam Elo- kiem verkrijgen.

Om deze eenheid en samenwerking te bereiken, plannen zij het bouwen van een toren. Zoals de middeleeuwse commentator Rabbi Avraham Ibn Ezra het uitlegt: zij waren herders die vaak ver van elkaar rondzwierven en deze hoge toren zou van uit de verte zichtbaar zijn, zodat zij ernaar konden terugkeren om bijeen te komen.

G’D kon daarom hun plan niet toestaan, aangezien zij inderdaad door eenheid in staat zouden zijn om G’ddelijke weldadigheid te verkrijgen van de Naam Havayah en het te kanaliseren in onzuiverheid. Vergelijkbaar met de geschiedenis van Adam, toen hij zich eenmaal in een negatieve staat had gebracht door het eten van de Boom van Kennis van Goed en Kwaad, kon G’D hem niet toestaan te eten van de Boom van het Leven om onsterfelijkheid te verkrijgen; zodoende duurt de negatieve energie voor eeuwig.

 SHABBAT SHALOM

SJEMINIE ATSERET – SIMCHAT THORA, PARASHOT HABERACHA / BERESHIET

SJEMINIE ATSERET – SLOTFEEST, SIMCHAT THORA – VREUGDE DER WE

Soekot en Simchat Thora staan bekend als ‘De tijd van onze vreugde’. Een periode die overstroomt  van zuiver geluk, dat we met emmers kunnen opvangen. Van uit deze optiek dienen deze feestdagen als een natuurlijke beëindiging van de reeks die begon met de Hoge Feestdagen. Op Rosh Hashana en Jom Kippoer delen en verbinden wij de essentie van onze ziel met G’D. Op Soekot en Simchat Thora, komt de vreugde, die deze verbintenis innerlijk voortbrengt, tot uiting.

‘Waarom ben je zo overweldigend uitbundig?’, vroeg de geleerde aan de eenvoudige man. Het is Simchat Thora, de dag van vreugde om de Thora.

Aangezien jij niet geleerd bent, wat is jou connectie tot de Thora en waarom is het voor jou vandaag een reden om vreugdevol te zijn?

‘Wanneer de dochter van je broer trouwt neem je dan niet deel aan de feestvreugde?’ vroeg de eenvoudige man.

‘Natuurlijk,’ antwoordde de geleerde, onzeker over de intentie van de eenvoudige man. Nou, om dezelfde reden vier ik deze dag zo uitbundig feest, antwoordde de eenvoudige man. Alle Joden zijn broers van elkaar. Als het vandaag een feestdag is voor geleerden, is het evenzo een feestdag voor mij.

In feite is het zo, dat de reden van onze viering van Simchat Thora veel dieper gaat dan de connectie met de Thora die behaald is door studie.

Op Simchat Thora vieren wij onze connectie met de essentie van de Thora, een niveau dat het bevattingsvermogen geheel te boven gaat.

Om die reden wordt de viering gehouden met gesloten, dicht gebonden Thora.

Op Simchat Thora vieren we uitbundig feest omdat we Joden zijn en als Joden delen we de verbintenis  met de essentie van de Thora, een verbintenis die ons innerlijke verbindt met de essentie van G’D.

Op dit niveau zijn de eenvoudige man en de geleerde gelijk, want de ziel is een deel van G’D Zelf, zo oneindig en ongebonden als G’D. Dit geldt voor ons allen. Elke Jood heeft een ziel welke in essentie een G’ddelijke vonk is en dank zij deze vonk delen wij een connectie met de essentie van de Thora.

Zoals de Zohar verklaart: ‘Israël, de Thora, en de Heilige, Hij zij geprezen, zijn één.’

Om die reden vieren de eenvoudige man en de geleerde gelijkwaardig, want de ene is niet méér joods dan de andere.

In bepaalde mate is de viering van de eenvoudige zelfs groter, want zijn intellect zit hem niet in de weg, tot zijn connectie met zijn Joodse essentie.Met de uitstroom van vreugde op Simchat Thora, zetten wij onze koers uit in het nieuwe jaar. Met het verkrijgen van herstel met ons innerlijke wezen op de Hoge Feestdagen en de viering van deze connectie met G’D op Soekot en Simchat Thora, prepareren en verhogen wij de sfeer van ons dagelijks functioneren in het komende jaar.

CHAG SEMÉACH, GOED JOM TOV

PARASHAT WEZOT HABERACHA / BERESHIET

SHEMINIE ‘ATSERET – SIMCHAT THORA 
Op de feestdag van Sheminie Atseret – Simchat Thora (donderdag 16 en vrijdag 7 oktober), of de gecombineerde feestdag van Sheminie ‘Atseret-Simchat Thora (donderdag 16 oktober) in Israël, lezen we het laatste gedeelte van de Thora, WeZot HaBreracha. Direct, aansluitend, begint de voorlezer de eerste Thora paragrafen te lezen van Bereeshiet, als het einde verbinden met een nieuw begin. Het hele gedeelte van Bereshiet wordt gelezen op de eerste Shabbat na Simchat Thora, welke dit jaar 28 september is.

PARASHAT WEZOT HABERACHA        En dit is de zegen

Deuteronomium. 33:1 – 34:12

Rabbi Shimon bar Jochai.

Het verwelkomen van gasten in de Soeka.

Zohar, Emor bladzijde 103b.

In Chok L’Jisrael, geeft de Arizal uitleg van parashat Emor van de Zohar, welke correspondeert met parashat WeZot HaBeracha.

Kom en zie, op het tijdstip, wanneer een persoon gaat verblijven in de schaduw van de soeka, welke de schaduw van het vertrouwen is, spreidt de G’ddelijk aanwezigheid Haar vleugels over hem uit en Abraham [representerend Chesed], en vijf andere tsadikiem delen hun verblijf met hem.

Rabbi Aba zegt, Abraham, en vijf andere tsadikiem, en Koning David maken hun verblijf met hem. Het bewijs hier voor ligt in het “Zeven dagen moeten jullie in hutten [Soekkot] wonen” (Leviticus. 23:42).
De Tekst zegt: “Zeven dagen” en niet “gedurende zeven dagen” [verwijzend naar zeven sefirot van Chesed tot Malchoet]. Gelijk is geschreven “Omdat de Eeuwige in zes dagen hemel en aarde maakte.”

Dit laat zien dat de zes dagen, de zes sefirot zijn; ChesedGevoeraTiferet, NetzachHod en Yesod, welke samen, de “zes dagen” worden genoemd.
Door deze sefirot creëerde G’D de hemelen en aarde.

Dus zal een persoon door en door gelukkig moeten zijn, gedurende de dagen van Soekkot, en zijn gezicht zal vreugde moeten uitstralen in het hebben van zulke grote spirituele gasten met hem, in de Soeka. Rabbi Aba zegt dat de tekst in het eerste gedeelte van de zin, is geschreven in de tegenwoordige tijd en vervolgens, het tweede gedeelte van de zin, in de toekomende tijd: “Zeven dagen moeten jullie in hutten [Soekkot] wonen, alle ingezetenen in Israël zullen in hutten [Soekkot] wonen.”
De eerste heeft betrekking op de spirituele gasten en de tweede refereert aan mensen in deze wereld.
De eerste, refererend aan de spirituele gasten, is voortgebracht door de gewoonte van Rav Hamnoema Saba: Als hij de soeka binnenging was hij blij en gelukkig [om een vreugdevolle gezicht uitstraling te tonen aan de spirituele gasten] en ging staan bij de ingang [om aan de gasten duidelijk te maken niet binnen te gaan, tenzij de huiseigenaar aanwezig is]. Dan zou hij zeggen: “De gasten zijn uitgenodigd binnen te komen.”
Vervolgens schikte hij de tafel voor zijn gasten, stond op om hen welkom te heten en sprak de zegening over de mitzwa uit “……..om in de soeka te zitten”. Naderhand zal hij tegen zijn spirituele gasten zeggen, “G’D heeft opgedragen, “Zeven dagen moeten jullie in hutten [Soekkot] wonen”.
Neem alstublieft plaats, gasten van de hogere werelden, neem plaats gasten van het vertrouwen, neem plaats.” Dan zal hij zijn handen opheffen [om zijn 10 sefirot samen te voegen, aangegeven door zijn tien vingers, met de zeven hogere sefirot die hem bezoeken] en vreugdevol zeggen, “Hoe gelukkig is ons deel, hoe gelukkig is het deel van Israël, zoals het is geschreven, “Maar het deel van de Eeuwige is Zijn volk, Ja’akov is Zijn toegemeten erfgoed.” (Deuteronomium. 32:9).

Het belang van een gezicht dat geluk uitstraalt is, dat blijdschap een mechanisme is om deze zeven sefirot te verheffen naar het niveau van bina, en het vers brengt het nederige feit voort, dat deze gasten niet komen uit iemands individuele verdienste; maar dat zij eerder komen omdat G’D Israël heeft gekozen als Zijn volk.

GOED JOM TOV

PARASHAT BEREESHIET

In het begin

Genesis. 1:1 – 6:8

Rabbi Jitzchak Luria

Zichtbaar vanuit het niet Zichtbare

Etz Chaim, geschriften van de Ari, Sha’ar Rishon, Droesh Igoeliem V’Yosher, Anat Beth.

Weet dat vóór enig uitvloeisel was voortgekomen of enig geschapene werd gecreëerd, was er een enkel [compleet en perfect], hemels [verheven, transcendentaal] Licht dat de hele existentie vulde. Er was geen lege “plaats”, of lege ruimte. De hele realiteit was gevuld met OR EIN SOF [Licht Zonder Einde, of eenvoudig, Oneindig Licht]. Er was geen categorie van “begin” en geen categorie van “eind”. Alles was één, verenigd, simpel, ongedifferentieerd, alomtegenwoordig en homogeen Oneindig Licht, “Or Ein Sof” genoemd.

Wanneer het oprees in Zijn Wil om werelden en uitvloeisels te laten voortkomen, om tot licht te brengen, met andere woorden, de perfectie van Zijn handelingen, Zijn Namen en Zijn eigenschappen kenbaar te maken, wat het eigenlijke doel van her Scheppen van alle universums is, trok en beperkte Hij Zijn Oneindige Essentie weg van het middelpunt van Zijn, dat is van het absolute middelpunt van Zijn Licht [om een “plaats” te creëren waarbinnen een systeem van differentiële dimensies of werelden kunnen voortkomen en tot stand kunnen worden gebracht]. Aangezien oneindigheid uiteraard geen middelpunt heeft, wordt dit alleen gezegd vanuit het gezichtspunt van de “ruimte” die op het punt staat te worden gecreëerd. Hij beperkte dus dat Licht, distantieerde het naar het uiterste, rond dit middelpunt, achterlatend een vrije ruimte hol en leeg…

En Ziedaar, na deze beperking, die resulteerde in de schepping van een “vrijgekomen ruimte” een holle leegte in het midden van het Oneindige licht van Ein Sof, was er een “plaats” voor alles wat voort kan worden gebracht, [Atziloet] creëerde [Beriya], vormde [Yetzira], en completeerde [Asiya]. Hij trok voort een enkele rechte Straal van Zijn Oneindig Omgevend Licht [en verlengde het neerwaarts] in de vrijgekomen ruimte. Deze Straal daalde in fases neer in de vrijgekomen ruimte. Het hoogste uiteinde van deze Straal raakte en kwam voort van het Oneindige licht van de Ein Sof [ dat de Ruimte omgaf] en strekte zich neerwaarts [in de vrijgekomen ruimte richting middelpunt] maar niet helemaal tot de bodem [zodat het niet het ineen storten van de vrijgekomen ruimte veroorzaakt, met als gevolg dat het zich opnieuw verenigt met G’D’s Oneindig licht]. Het was door deze Straal [dienend als een kanaal] dat het Licht van de Ein Sof neerwaarts werd getrokken en beneden werd uitgespreid. In deze vrijgekomen ruimte, emaneerde, creëerde en vormde en completeerde Hij vervolgens alle werelden. Door deze Straal, welke diende als een beperkt kanaal, spreidde het uitvloeiende Hemelse Licht van de Ein Sof voort en vloeide neerwaarts in de universums die waren gevestigd binnen die Lege Ruimte.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT HA’AZINOE

Neig het oor (Deuteronomium. 32:1 – 32:52)

Rabbi Isaiah Horowitz

Shnei Loechot HaBriet

De numerieke waarde van het Hebreeuwse woord voor “verborgene”, “sod“, is 70. Het verwijst naar de zeventig personen, welke de kern vormen van het Joodse Volk, die als eersten afdaalden naar Egypte. Omdat zij in het vers allen tezamen worden aangeduid als één enkel “persoon” (“Nefesh“), hebben zij allen aandeel in de Komende Wereld.

Het is bekend aan Kabbalisten dat de sefira van  bina de mystieke dimensie is van de Komende Wereld, een domein waar G’D en Zijn naam Één zijn en waar een verenigd Volk van Israël samen gehecht zijn aan Hem. Het is alleen het Joodse Volk waarnaar verwezen wordt met de titel “Adam” (“Mens”); bij beschrijving van het scheppen van Adam als G’D’s gelijkenis (Genesis. 1:26), simultaan verwijst de Thora naar het creëren van het Joodse Volk. Wanneer we de respectievelijke betekenis weergeven van de Hebreeuwse woorden “adam (“mens”) en “adama” (“aarde”), moeten wij beschouwen dat het de functie van deze “Adam” is om als voertuig, drager, of nog beter gezegd, als “adama” te dienen (m.a.w aardse manifestatie) van G’D’s Aanwezigheid.

G’D wordt gezien als zittend op een troon, deze troon staat op deze “adama“, m.a.w wordt ondersteund door Adam, het Joodse Volk.

Met als consequentie dat bij elk wangedrag van Israël in onze terrestriale sfeer, de “bodem” waarop de troon staat, wordt ondermijnd.

Op het vers “Wanneer ik de Naam van de Eeuwige verkondig, ken dan grootheid toe aan onze G’D” (Deuteronomium. 32:3) verklaart de Zohar (Sulam editie Ha-Azinoe P. 92):

Rabbi Abba verklaart het als volgt: De woorden “ken grootheid toe”refereert naar gedoela, of de sifira van chesed.
De woorden “De Rots, Zijn werk is volmaakt” (ibid. 32:4) zijn een verwijzing naar de sefira van gevoera. De woorden “want al Zijn wegen zijn Recht” (ibid) zijn een verwijzing naar de sefira van tiferet.
De woorden “Een betrouwbare G’D” (ibid) verwijzen naar de sefira vannetzach, aangezien de woorden “zonder onrecht” (ibid) verwijzen naar de sefira van hod.
De woorden “de Rechtvaardige” (ibid) verwijzen naar de sefira vanyasod, en de woorden “en eerlijk is Hij” verwijzen naar tzedek, een andere naam voor de sefira van malchoet.
Al deze uitdrukkingen tezamen combineren en vormen de naam van G’D. Om die rede zegt Mozes: “Ik zal de naam van G’D proclameren”.

Rabbi Chiya voegt er aan toe dat hij veel heeft geleerd van dit vers en dat wat Rabbi Abba heeft gezegd absoluut juist is. Het feit in ogenschouw nemend dat zo vele eigenschappen deel uitmaken van G’D’s naam, zou men zich makkelijk kunnen vergissen en kunnen denken in termen van een aantal verschillende machten. Om te voorkomen dat wij zulke fouten zullen maken, gebruikt de Thora kaarblijkbaar overbodige voornaamwoorden wanneer het schrijft “hoe” wat “Hij” betekent, aan het eind van vers vier. Dit voornaamwoord is om te accentueren, ondanks de verschillende eigenschappen, dat zij allen karakteristieken zijn van één en de zelfde G’D. Hij was, Hij is, en Hij zal er altijd zijn. Tot zover de Zohar.

De Thora continueert met het vers: “Tegen Hem misdreven hebben zij [corruptie is niet één van de eigenschapen van G’D], een verkeerd en verdraaid geslacht, in het verderf gestort, zodat ze niet meer Zijn kinderen zijn.” De Thora verklaart hoe Israël bevlekt raakt, juist omdat zij G’D zijn en G’D hen lief heeft. Het enige wat Hij in gedachte heeft is hun welzijn en de behoefte om Zijn goedheid aan hen te tonen, maar Hij wordt weerhouden door krom en afwijkend gedrag van een bepaalde generatie.

Resumerend, telkens wanneer Israël zichzelf gedraagt overeenkomstig de mitswot van G’D, voegen zij kracht en glorie toe aan Zijn gestalte in de Celestische Regionen.

Omdat alle aspecten van de Thora zijn gerelateerd aan de seizoenen waarin zij gelezen worden, ligt het voor de hand dat de lessen van Mozes uitzonderlijk relevant zijn gedurende de Tien Dagen van Inkeer, in welke we parasha Ha’azinoe lezen.

Hoe bereiken we niveaus?

Gedurende het gehele jaar is de dienst van een Jood aan G’D het meest betrokken met “aardse dingen”, Thora en de mitzwot. Met de komst van de Tien Dagen van Inkeer echter, voelt elke Jood zich onvoldaan met zijn aardse toestand en heeft hij het verlangen omteshoewa te doen, terug te keren en omhuld te worden door G’D.

“Een persoon fundeert heiligheid vanuit zijn verlangens”. Vandaar dat dit verlangen om absoluut één te zijn met G’D z’n persoon directbeïnvloed, waardoor hij een staat bereikt “dichtbij de hemel” (het G’ddelijke) en “weg van de wereld”.

Doch dit is echter alleen maar de eerste fase. Spoedig daarna is zijn dorst naar G’ddelijke openbaring gelest en dezelfde persoon realiseert zich vrij snel, dat G’D’s essentie veel gemakkelijker bereikbaar is, door de wereld te transformeren tot een verblijfplaats voor Hem. De persoon voelt zich dan “dichterbij de wereld en ver van de hemel”, hij beseft dat niets belangrijker is, dan dat aardse wezens dragers van G’D’s essentie worden. En dit wordt volbracht door het vervullen van G’D’s gepassioneerde verlangen om een verblijfplaats te hebben, voor Zijn Essentie, in de lagere sferen, m.a.w deze wereld. (Midrash Tanchoema Naso; Bamidbar Rabba 13:6)

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJÉLEECH

SHABBAT SHOEVA
En hij ging            Deuteronomium.  31:1 – 31:30

Rabbi Shimon bar Jochai

Zohar. p. 285b

Antwoorden met Amen

Rabbi Jehoeda interpreteert het vers “…. want degenen die Mij eren zal Ik eren en degenen die Mij verachten zal weinig geacht worden” (Samuel I, 2:30). Een persoon die niet weet de Naam van zijn Schepper te eren, weet niet de juiste gedachten te hebben bij het zeggen van “Amen” en zal weinig geacht worden. Dit is zoals we hebben geleerd dat iemand die met “Amen” antwoordt, groter is dan degene die de zegen uitspreekt. [Als iemand een zegen hoort behoort hij te antwoorden met “Amen: ]

De gepaste intentie in het zeggen van “Amen” is om de oneindig barmhartige Naam Havayah te verenigen met het aspect van Malchoet – Ado-nai, zoals we hebben uitgelegd in Parashat Shoftiem . De gene die de zegening uitspreekt gebruikt de Naam Ado-nai, terwijl de persoon die antwoord me “Amen” het oneindige aspect van de Schepper één maakt met het aspect van Malchoet. Dus de persoon die antwoordt met “Amen” verenigt dus twee Namen van G’D, in tegenstelling tot de ene Naam die de persoon gebruikt bij het uitspreken van de zegen. Dit fenomeen wordt aangetoond door het woord “Amen” dat de numerieke waarde heeft van 91, de zelfde numerieke waarde als dat van de G’ddelijke Namen Havayah en Ado-nai samen.

Dit is zoals wij hebben geleerd van Rabbi Shimon bar Jochai, namelijk dat met het beantwoorden met “Amen” zegeningen neerwaarts gehaald worden van de onuitputtelijk spirituele bron naar de Koning en van daar naar de Koningin.

Dit veroorzaakt een gunstige influx, een toevloed van de verenigde werelden van Abba en Imma naar Zeir Anpin, de spirituele spiegel boven de fysieke wereld en van daar naar deze fysieke wereld.

We hebben evenzo geleerd in het esoterische boek van Rabbi Elazar de Combinaties van Letters, dat het meditatieve pad van het woord “Amen”  is gereflecteerd in de letters van het woord zelf. Dus men trekt de spirituele overvloed van de letter alev van het woord “Amen” naar de mem en van de mem naar de noen.

Alev representeert eenheid, mem representeert Imma/Bina en noen representeert Zeir Anpin.

Wanneer de zegen de noen bereikt wordt [deze spirituele influx]  er uit ontlokt en  vloeit voort in de spirituele en fysieke werelden en verspreid zich over alle werelden. Een stem komt voort en verkondigt: “Drink van het elixer van zegeningen die deze met name genoemde persoon, een dienaar van de Heilige Koning  die een uitstroom te weeg heeft gebracht.”  Wanneer Israël beneden nauwlettend luistert naar de zegen van de leider van het gebed om te kunnen antwoorden met “Amen” en naderhand met de juiste meditatie en zorgvuldig hun harten concentreren zoals wordt vereist, hoeveel poorten van zegeningen worden dan voor hen boven geopend en hoeveel zegeningen worden neergehaald naar hen beneden! Hoe groot is het goede dat alle werelden bedekt en groot is de vreugde die overal doordringt!

Wat is de beloning voor Israël die dit alles veroorzaakt? Zij verkrijgen een beloning in zowel deze fysieke wereld als in de spirituele wereld. Hun beloning in Deze Wereld is dat op het moment degenen die hen haten en hen willen breken en hen misère willen brengen en Israël hun Schepper aanroept, een stem voortkomt en in alle werelden verklaart, “Open de poorten voor de intrede van het heilige volk die hun vertrouwen behielden [in het Hebreeuws, ‘emoeniem’] (Jesaja. 26:2). Interpreteer het woord “vertrouwen” niet als emoeniem’, maar als “ameniem“, betekenend, degenen die Ämen” zeggen. Dus de opdracht om de poorten te openen is een reflectie op het feit dat Israël de poorten van zegeningen opent. Nu de poorten van gebed voor hen zijn geopend als beloning en zij bewaard zijn voor degene die hen wilde breken is dat hun beloning in Deze Wereld.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT NITSAVIEM

De Alter Rebbe sprak:”Toen ik in de Mezrirch was, hoorde ik de volgende leerstelling van mijn geëerde leraar, de Maggid,( (uit naam van zijn geëerde leraar, de Baal Shem Tov):

“Atem nitzaviem hajom”, “Jullie staan vandaag allen voor de Eeuwige, jullie G’D.” (Deuteronomium.29:9)

Het woord “vandaag” verwijst naar Rosh HaShana, de Dag van Oordeel.

Want de frase “De dag komt,” wordt door de Targoem weergegeven met de woorden, “De grote dag des oordeels is gekomen.” Met betrekking tot deze dag zegt de Thora ons: “Jullie staan”; dat wil zeggen: rechtvaardig wordt over jullie geoordeeld.

Op de Shabbat voor Rosh HaShana, de laatste Shabbat van de maand Elloel, lezen we de parasha die begint met de woorden “Atem nitzaviem hajom”. Deze lezing brengt de zegeningen die G’D geeft op Shabbat Mevarchiem, tot uitdrukking de Shabbat die de zevende maand zegent. De maand die gezegend is met overvloed, een gulle overvloed die het gehele Joodse Volk het hele jaar overlaadt.

Zoals de volgende maamar, verhandeling, benadrukt, maakt Parashat Nitzaviem niet alleen G’D’s zegeningen voor Rosh HaShana kenbaar, maar het verwijst eveneens naar de G’ddelijke Liturgische Dienst die met die dag in verband staat. Want het vers op Rosh HaShana impliceert dat alle Joodse zielen worden verheven naar hun bron van oorsprong. Het vers vermeldt vervolgens tien categorieën van mensen, parallel lopend aan de tien Sefirot, die de afzonderlijke spirituele eigenschappen van een ieder begrenst. Niettemin zijn al deze zielen fundamenteel één. Deze eenheid wordt geopenbaard op Rosh HaShana wanneer de zielen zich verheffen tot hun transcendente spirituele bron. De eenheid van het Joodse Volk maakt hen een geschikt medium om G’D’s aanwezigheid neerwaarts te halen.

De fundamentele eenheid van het Joodse Volk is een gevolg van de innige verbondenheid die zij delen met G’D. Want – zoals de geciteerde passage boven continueert- ons volk is verbonden met G’D door een verbond: “Om toe te treden tot het verbond van de Eeuwige, je G’D”. Een verbond vereeuwigt de verhouding door de eenwording van de betrokken, zij worden tot één entiteit gemaakt. Dat betekent dat deze verbinding altijd zal bestaan ook indien vanwege redelijke of logische redenen deze verbinding verbroken zou moeten worden.

JUDA GROENTEMAN

Aangetreden (Deuteronomium 29:9 – 30:20)

Herhaaldelijk wijst Mozes erop dat de enige weg voor overleving van het volk bestaat in de aanvaarding van de geboden van de Almachtige zoals die in de Thora zijn geformuleerd. Hij geeft een volledige en gedetailleerde lijst van zegeningen die ze zullen ontvangen als ze zullen “luisteren”. Ook heeft Mozes het over de vervloekingen die over hen zullen komen als ze niet luisteren.

Hij roept hemel en aarde als getuige op dat hij voor het volk in duidelijke termen de voorwaarden voor leven en dood heeft uiteengezet. Ondertussen blijft hij pleiten: “Kies dan het leven, dan zult ge met uw nakomelingen het leven bezitten” (Deut. 30, 19).

Men zou zich met Erich Fromm kunnen afvragen hoe de mens een keuze kan maken tussen leven en dood. De mens is óf in leven óf dood. Er is geen keuze, tenzij men de mogelijkheid van zelfmoord overweegt. Maar, zo zegt Fromm, de bijbelse tekst verwijst niet naar leven en dood als biologische feiten, maar als waarden.

In leven zijn betekent groeien, antwoorden, ontwikkelen. Dood zijn (zelfs als men biologisch in leven is) betekent: niet meer groeien, meer en meer een fossiel worden en een levenloos object. Velen hebben nooit dit klare alternatief tussen de waarden van leven en dood voor ogen en leven derhalve als een soort “zombie” wiens lichaam nog levend is, maar wiens ziel is afgestorven. Leven kiezen is de noodzakelijke voorwaarde voor liefde, vrijheid en waarheid. Het is ook de voorwaarde om de Almachtige lief te hebben, want – in de woorden van de psalmist – “niet de doden prijzen U”.

Mozes bedoelt hier ook dat, wanneer men de keuze maakt, men die niet alleen voor zichzelf maakt, maar ook voor zijn kinderen. Het is alsof Mozes zegt: verzeker je ervan dat de weg van de Thora die je aanvaardt niet de weg is die de kloof tussen generaties veroorzaakt. Een cultuur en een levensweg kunnen niet worden getest in één generatie. De toets wordt enkel doorstaan als de levensweg wordt voortgezet en een begaanbare weg blijkt te zijn voor “u en uw kinderen”.

De geboden voorgeschreven in de Thora waren bedoeld om een band te smeden tussen ouders en kinderen, niet om een kloof tussen hen te veroorzaken. Door het vervullen van de geboden kunnen de families gaan samenzitten rond één en dezelfde tafel en ideeën en idealen delen.

Mozes probeert dit punt verder te bewijzen door het domein van de Thora te bepalen. “Want de geboden die Ik u heden geef, zijn niet te zwaar voor u en ze liggen niet buiten uw bereik” (v. 1 1). Ik spreek niet met jullie (zo richt hij zich tot het volk) over een “Utopia”. Ik verkoop u geen idee ver weg, een visionaire blauwdruk voor een ver verwijderde toekomst. “Het is niet in de hemel… en ook niet overzee” (v. 12-13).

Sommigen kunnen misschien de mening zijn toegedaan dat de Thora enkel door hen moet gelezen worden die een hemels leven lijden, die zeer vroom zijn en verwijderd zijn van alle dagelijkse werkelijkheden. Tot hen zegt Mozes over het woord van de Thora: “Het is niet in de hemel!” De geboden zijn bedoeld voor mensen die op de aarde leven, die gezond zijn, die niet geheel en al ondergedompeld zijn in hemelse strevingen, maar die een alledaags leven leiden.

Het woord van de Thora is evengoed voor het “aardse” Tel Aviv als voor het “hemelse” Bné’ Barak . “Het is niet in de hemel”.

“Noch is het overzee”. Er zijn er die aannemen dat de voorgeschreven levensweg van de Thora noodzakelijk is voor de joden buiten het land. Dáár zou men bekommerd moeten zijn om assimilatie en desintegratie. Dezelfde mensen evenwel doen niets aan de joodse opvoeding in hun eigen omgeving of hebben de binnenkant van de synagoge gedurende jaren niet meer gezien. Tot deze mensen zegt Mozes: “noch is het overzee”. Thora is niet enkel voor hen die overzee leven.

De weg van jodendom en Thora is niet “veraf”, evenmin “in de hemel”, noch “overzee”, maar hier en nu. “Het woord is dicht bij u, in uw mond en in uw hart, ge kunt het dus volbrengen” (v. 14). Velen zijn bereid om het woord van de Almachtige in hun mond te nemen of er lippendienst aan te bewijzen op bijeenkomsten en publieke vergaderingen. Ook beweren velen dat het goed is om “een goede jood te zijn in het hart”. Beiden bewijzen het jodendom een goede dienst, maar noch de mond-joden noch de hart-joden doen voldoende. Het werkelijke doel van de Thora is immers “dat ge het volbrengt”.

Het is de daad, de actie die telt en die de continuïteit van leven verzekert.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT KI TAVÓ

Als je komt     Deuteronomium. 26:1 – 29:8

Werken met de realiteit

Via het Land Israël zelf, verbinden we meer direct met G’D.

En wanneer je dan in het Land dat G’D, je G’D, je als erfgoed geeft, gekomen bent, het in bezit genomen zult hebben en er zult wonen,

De uitdrukking “En wanneer je dan…..” is een van vreugde. (Midrash Berehiet Rabba 42)

Het begrip van “komen in het land” verwijst naar de neerdaling van de ziel in het lichaam. Deze neerdaling is nogal drastisch, in de zin dat de ziel haar spirituele verblijfplaats verlaat en zichzelf terug vindt in een uitdagende overweldigende omgeving van regelementen en wetten die G’ddelijkheid verhuld.Nochtans is deze neerdaling uiteindelijk een vreugdevolle gebeurtenis, een “die G’D”, je G’D, je geeft, omdat het ware doel van de neerdaling het omhooggaan, het oprijzen brengt. (Likoeté Sichot, vol. 9, p. 357)

moet je van het eerste van alle vruchten van de bodem nemen die je binnen brengt van het Land dat G’D, je G’D, je geeft en die in een mand doen, dan moet je gaan naar de plaats, die G’D, zal uitkiezen om daar Zijn Naam te vestigen.  (Deuteronomium. 26:1-2)

Het woord voor “land”, Hebreeuws “eretz”, is verwant aan het woord voor “wil”, Hebreeuws “radzon”  dienaangaande zet de Baal Shem Tov dit vers uiteen als volgt:

 “Wanneer je in het Land gekomen bent….” Wanneer je er in slaagt om je wil op een lijn te brengen met de wil van G’D…

 “…dat G’D je geeft als erfgoed”: dit is een G’ddelijke gift, een ingeboren bevoegdheid, gegeven door G’D aan iedere Jood…

“…in bezit genomen zult hebben” is jouw missie, als een opdracht om dit te integreren in je dagelijkse leven, zodat jouw wil wordt vervangen door G’D’s Wil, niet om je te scheiden van de realiteit, maar veeleer om te werken binnen de werkelijkheid om het te rectificeren.

“….moet je van het eerste van alle vruchten…. en die in een mand doen….”: Met andere woorden, je moet garanderen dat je verhoogt bewustzijn  (in Kabbalistische terminologie: (“Licht”) wordt gekleed in de gepaste wijze van expressie: (“vat”).

 “….dan moet je gaan naar de plaats, die G’D, zal uitkiezen…”: Wees gewaar dat als je reist van plaats naar plaats, je dit niet doet op eigen kracht maar het veeleer de G’ddelijke Voorzienigheid is die je bewegingen arrangeertomdat waar G’ddelijke Voorzienigheid je heen leidt je G’ddelijk bewustzijn verspreidt.

 

 De connectie tussen geïntegreerde G’ddelijke inspiratie in het dagelijks leven en gewaar zijn dat onze voetstappen worden geleid door G’D is die van  waarlijk onze G’ddelijke inspiratie hebben geïntegreerde in ons het dagelijks leven.  Waar we  dan ook gaan, zullen we noodzakelijker wijs ( ipso facto) bewustzijn van G’D verspreiden.

In de terminologie van Kabbala: het feit dat ons wordt opgedragen om de gekozen vruchten van de gekozen plaatsen in het Heilige Land te brengen verwijzen naar G’D’s wens dat we het hoogst gekozen Licht kenbaar maken in de vaten. Maar het hoogste Licht is oneindig en kan niet worden bevat (met andere woorden, worden uitgedrukt) in vaten. Hoe is dit dan mogelijk? Alleen door het vermogen op te roepen van G’D’s essentie, welke de definitie  van “eindig en “oneindig” overtreft en waar alles mogelijk is.

Dit wordt aangegeven in de frase “….  en die in een mand doen, dan moet je gaan naar de plaats, die G’D, zal uitkiezen om daar Zijn Naam te vestigen.”

Alleen G’D’s essentie heeft de mogelijkheid van ware vrije keuze, alleen G’D Zelf kan zo iets doen.

SHABBAT SHALOM