PARASHAT KEDOSHIEM

 Heilig   Leviticus. 19:1 – 20:27

 

 Rabbi Shimon bar Jochai

 

 Zohar, p. 82b

 

 Nachtleven vs. Zelfhulp

 

 De Zohar onderwijst uitgebreid over de gedragsgewoonten die vereist zijn om de mitzwa “heilig” te zijn, te vervullen, zoals het in de Thoralezing van deze week aan de orde komt. In de onderstaande passage zien we welk onderscheid wordt gemaakt tussen bescheiden gedrag en arrogantie gedrag dat moeiteloos  de westerse levenswijze doordringt.

 

 “Het is de eer van G’D [Elo-hiem] om dingen te verbergen” (Spreuken. 25:2)

 

Degenen die zich niet verbinden met die eer [door het houden van de Thora en mitzwot die G'D ons gaf] houden die dingen [o.a. de Shechina] voor zichzelf verborgen.

 

 De G’ddelijke Aanwezigheid kan niet verblijven daar waar een steunpunt is voor de krachten van ego en zelfverheerlijking gekarakteriseerd door arrogant gedrag. Deze krachten worden “chitzoniem“, uiterlijkheden genoemd, omdat zij ver afstaan van de innerlijke essentie van heiligheid in een persoon en in het universum. De Zohar verklaart dat G’D Zijn Essentie beperkt om een diverse wereld te creëren. Echter hoe meer het Oneindige Licht wordt samengetrokken des de meer kunnen de krachten van duisternis bloeien. Door zich alleen op zichzelf en hun opzichtige fysieke verschijning te richten, worden deze mensen een medium voor deze krachten van duisternis en verliezen het G’ddelijke uit het oog. Het geraakt voor hen verborgen, verdrongen door hun eigen egoistisch initiatief.

 

Over deze mensen is geschreven: “Dwazen richten schade aan” (Spreuken. 3:35) Dit zijn de onontwikkelde mensen die “geen manieren hebben” omdat zij geen moeite doen om zich te verbinden met de eer van de Thora.

 

 Hoe kunnen zij in gebed zeggen, “Onze Vader Die in de Hemel is, hoor onze stem, red ons en heb medelijden met ons en verhoor ons gebed”? Ongetwijfeld zal de Heilige, gezegend zij Hij, tegen hen zeggen,” Als Ik jullie Vader ben, waar is dan de eer die je Mij moet geven? Waar is jullie streven de Thora en haar instructies te begrijpen om Mijn mitzwot te vervullen”? Want hoe kan iemand zijn meester dienen als hij niet zijn meesters opdrachten heeft geleerd?

 

 De uitzondering is [een onwetend persoon] die gehoord heeft [ het juridische vereiste van elke Jood] van de wijze en de geboden houd. Deze persoon heeft voor zichzelf het juk van [de term] “We zullen doen en we zullen horen” geaccepteerd.

 

 Aan de Berg Sinaï sprak het Joodse Volk deze fameuze frase vóór het ontvangen van de Thora, daarmee uitdrukkend de bereidwilligheid om haar geboden te vervullen zelfs vóór gehoord te hebben wat het inhoudelijk betekende. Een persoon ongestudeerd in Thora, maar zich inspannend om te weten te komen van degene die geleerd heeft wat de juiste houding is in allerlei omstandigheden, wordt als waardig beschouwd alhoewel hij voor zichzelf niet kan leren. 

 

 Er is desalniettemin een groot verschil tussen iemand  die zijn instructies direct van zijn Meester kan ontvangen [door eigen studie van Thora] en iemand die instructies ontvangt van Zijn boodschappers [De Wijzen en de Rabbijnen]. Wat is het grote verschil tussen hen? Er staat geschreven dat Mozes de Thora op de Berg Sinaï ontving en naderhand overdroeg aan Jehoshoea. Ik [de ziel van Mozes, die deze sectie van de Zohar verhaalt] ontving de Thora [direct van G'D]. Daarna gaf ik het aan de Wijzen door.            

 

 Hier uit leren we dat iemand die zelf Thora leert, om haar te vervullen, wordt beschouwd als of hij zelf de Thora direct van G’D heeft ontvangen, met andere woorden, op de zelfde wijze als Mozes!

 

 Als iemand [instructies] ontvangt van iemand anders [niet zelf leert] is het zoals bij de maan en de planeten die alleen hun licht ontvangen van de zon en bij het ontvangen van dat licht zelf verlicht worden [zonder enig licht van zichzelf te hebben toegevoegd].  Met als gevolg dat iemand die alleen maar licht ontvangt  het risico loopt dat zijn lichtbron kan worden verwijderd [met ander woorden, de leraar op wie hij zich verlaat, overlijdt]. Dit gebeurt zoals we zien met de zon en de maan wanneer hun licht s ‘nachts verdwijnt.

 

 Je zou kunnen zeggen dat dit licht van de maan van de zon komt, hoewel het innerlijk is vergaard, schijnt het nadien op de maan en de planeten [zoals de leringen van een wijze na zijn dood].  Maar wij zien dit anders. Het is als een eclips van de zon en de maan. Op het tijdstip dat hun lichtbron verdwijnt, blijven zij achter als een lichaam zonder ziel. De essentie van het licht is daar waar het ontstaat en houdt niet op te schijnen (G’D) en er is geen andere macht buiten Hem dat Zijn Licht kan stoppen.

SHABBAT SHALOM 

 

 

PARASHAT ACHARÉ MOT

SHABBAT HAGADOL

Na de dood – Heilig   Leviticus. 16:1 – 18:

 

 Rabbi Shimon bar Jochai

 

Zohar, p. 82b

 

Nachtleven vs. Zelfhulp

 

De Zohar onderwijst uitgebreid over de gedragsgewoonten die vereist zijn om de mitzwa “heilig” te zijn, te vervullen, zoals het in de Thoralezing van deze week aan de orde komt. In de onderstaande passage zien we welk onderscheid wordt gemaakt tussen bescheiden gedrag en arrogantie gedrag dat moeiteloos  de westerse levenswijze doordringt.

 

“Het is de eer van G’D [Elo-hiem] om dingen te verbergen” (Spreuken. 25:2)

 

Degenen die zich niet verbinden met die eer [door het houden van de Thora en mitzwot die G'D ons gaf] houden die dingen [o.a. de Shechina] voor zichzelf verborgen.

 

 De G’ddelijke Aanwezigheid kan niet verblijven daar waar een steunpunt is voor de krachten van ego en zelfverheerlijking gekarakteriseerd door arrogant gedrag. Deze krachten worden “chitzoniem“, uiterlijkheden genoemd, omdat zij ver afstaan van de innerlijke essentie van heiligheid in een persoon en in het universum. De Zohar verklaart dat G’D Zijn Essentie beperkt om een diverse wereld te creëren. Echter hoe meer het Oneindige Licht wordt samengetrokken des de meer kunnen de krachten van duisternis bloeien. Door zich alleen op zichzelf en hun opzichtige fysieke verschijning te richten, worden deze mensen een medium voor deze krachten van duisternis en verliezen het G’ddelijke uit het oog. Het geraakt voor hen verborgen, verdrongen door hun eigen egoistisch initiatief.

 

Over deze mensen is geschreven: “Dwazen richten schade aan” (Spreuken. 3:35) Dit zijn de onontwikkelde mensen die “geen manieren hebben” omdat zij geen moeite doen om zich te verbinden met de eer van de Thora.

 

 Hoe kunnen zij in gebed zeggen, “Onze Vader Die in de Hemel is, hoor onze stem, red ons en heb medelijden met ons en verhoor ons gebed”? Ongetwijfeld zal de Heilige, gezegend zij Hij, tegen hen zeggen,” Als Ik jullie Vader ben, waar is dan de eer die je Mij moet geven? Waar is jullie streven de Thora en haar instructies te begrijpen om Mijn mitzwot te vervullen”? Want hoe kan iemand zijn meester dienen als hij niet zijn meesters opdrachten heeft geleerd?

 

 De uitzondering is [een onwetend persoon] die gehoord heeft [ het juridische vereiste van elke Jood] van de wijze en de geboden houd. Deze persoon heeft voor zichzelf het juk van [de term] “We zullen doen en we zullen horen” geaccepteerd.

 

Aan de Berg Sinaï sprak het Joodse Volk deze fameuze frase vóór het ontvangen van de Thora, daarmee uitdrukkend de bereidwilligheid om haar geboden te vervullen zelfs vóór gehoord te hebben wat het inhoudelijk betekende. Een persoon ongestudeerd in Thora, maar zich inspannend om te weten te komen van degene die geleerd heeft wat de juiste houding is in allerlei omstandigheden, wordt als waardig beschouwd alhoewel hij voor zichzelf niet kan leren.

 

Er is desalniettemin een groot verschil tussen iemand  die zijn instructies direct van zijn Meester kan ontvangen [door eigen studie van Thora] en iemand die instructies ontvangt van Zijn boodschappers [De Wijzen en de Rabbijnen]. Wat is het grote verschil tussen hen? Er staat geschreven dat Mozes de Thora op de Berg Sinaï ontving en naderhand overdroeg aan Jehoshoea. Ik [de ziel van Mozes, die deze sectie van de Zohar verhaalt] ontving de Thora [direct van G'D]. Daarna gaf ik het aan de Wijzen door.            

 

Hier uit leren we dat iemand die zelf Thora leert, om haar te vervullen, wordt beschouwd als of hij zelf de Thora direct van G’D heeft ontvangen, met andere woorden, op de zelfde wijze als Mozes!

 

Als iemand [instructies] ontvangt van iemand anders [niet zelf leert] is het zoals bij de maan en de planeten die alleen hun licht ontvangen van de zon en bij het ontvangen van dat licht zelf verlicht worden [zonder enig licht van zichzelf te hebben toegevoegd].  Met als gevolg dat iemand die alleen maar licht ontvangt  het risico loopt dat zijn lichtbron kan worden verwijderd [met ander woorden, de leraar op wie hij zich verlaat, overlijdt]. Dit gebeurt zoals we zien met de zon en de maan wanneer hun licht s ‘nachts verdwijnt.

 

Je zou kunnen zeggen dat dit licht van de maan van de zon komt, hoewel het innerlijk is vergaard, schijnt het nadien op de maan en de planeten [zoals de leringen van een wijze na zijn dood].  Maar wij zien dit anders. Het is als een eclips van de zon en de maan. Op het tijdstip dat hun lichtbron verdwijnt, blijven zij achter als een lichaam zonder ziel. De essentie van het licht is daar waar het ontstaat en houdt niet op te schijnen (G’D) en er is geen andere macht buiten Hem dat Zijn Licht kan stoppen.

 

SHABBAT SHALOM 

PARASHAT METSORÁ


‘Melaatse’        Leviticus. 14:1 – 15:33

 

Ongegeneerd kwaad

 

De geschriften van Rabbi Jitzchak Luria

 

 

 

Het Thoragedeelte van deze week begint met een bespreking van de purificatieritus die een persoon, getroffen door tzara’at, moet ondergaan, wanneer hij is genezen. Een van de karakteristieken van deze ritus is als volgt:

 

 

 

“Dan geeft de Priester opdracht om voor de te reinigen persoon twee levende, reine vogels te nemen, met cederhout, karmozijnrode wol en hysop. Vervolgens geeft de Priester opdracht de ene vogel te slachten boven een voorwerp van aardewerk, boven water uit een levende bron. De levende vogel neemt hij apart met het cederhout, de karmozijnrode wol en de hysop en die doopt hij, samen met de levende, in het bloed van de vogel die geslacht is boven het water uit de levende bron. Dan spat hij zeven keer op de van de tara’at ziekte, te reinigen persoon;daardoor reinigt hij hem; de levende vogel laat hij in het vrije veld wegvliegen. (Leviticus. 14:4-7)

 

De aandoening  tzara’at, is niet simpelweg een medische conditie, maar weerspiegelt een spirituele mentale aandoening, een gebrekkig gedrag in het leven. Dit gedrag is het gevolg van het binnendringen van bepaalde vormen van niet G’ddelijke ideeën of perspectieven in iemands wijze van denken, dat hem uiteindelijk depressief, negatief en asociaal maakt. Het purificatieproces moet dan weergeven hoe zo iemand zichzelf distantieert van deze negatieve wijze van denken.

 

Deze negativiteit of egocentrisme heet ongegeneerd “kwaad”in Kabbala. Het imaginaire beeld dat hiervoor wordt gebruikt is een “schil”, een grof, oneetbaar omhulsel, dat het fruit of vlees van de noot omringt. De beeltenis is kenmerkend op twee punten: allereerst, het feit dat de schil niet kan worden gegeten, het fruit afsluit en verwijderd moet worden, indiceert dat egocentrisme geen plaats heeft in een joods leven. In de tweede plaats, het feit dat de schil dient om het fruit te beschermen tijdens het rijpingsproces indiceert, dat in de context van zelfbehoud, het ego een doel nastreeft. In elk geval, centraal in het begrip van het purificatieproces van egocentrische negativiteit is de Kabbala “topologie” van kwaad. Het is dit onderwerp dat het grootste onderdeel zal vormen van de verhandeling van de geschriften van de Arizal.

 

Waarop ik (JG) in een later artikel op terug zal komen.

 

SHABBAT SHALOM

PARASHAT TAZRIÁ

ZIJ GEEFT ZAAD              (LEVITICUS 12:1 – 13:59)

DE ESSENTIE VAN RITUELE ONREINHEID

 

Een van de meest onbegrepen concepten van de Thora is de inhoud van de woorden toema en tahara. Vertaald als “onrein”en “rein” of “onzuiver” en “zuiver”, toema en tahara, en bij extensie de wetten van Niedda (vrouwelijke menstruatie) en familie-reinheid, roepen vaak een negatief respons op. Waarom is de vraag, moet een vrouw gestigmatiseerd worden als tamé, “onrein”? Waarom zou zij zich inferieur moeten voelen over een natuurlijk proces in haar lichaam? Het mag zeer oprecht gezegd worden dat deze bedenkingen voortkomen vanuit een fundamentele mis opvatting.

 

 

 

Toema

 

en tahara zijn spirituele en geen fysieke concepten. De wetten van Toema, Niedda en Mikwe (ritueel bad) behoren tot die categorie van geboden in de Thora die bekend staan als Choekkiem, G’ddeljke uitvaardigingen waar geen uitleg aan is gegeven. Zij zijn niet logischerwijze te begrijpen, zoals de wetten van diefstal of moord, of die wetten die dienen als herinnering van nationale gebeurtenissen in onze geschiedenis, zoals Pesach en Soekkot. De wetten van Toema en Tahara zijn supra-rationeel, “boven alle redenatie”. En het is precies daarom dat zij op zulk hoog spiritueel niveau zijn, boven het bevattingsvermogen van het intellect, zodat zij een deel van de ziel verheft en affecteert, dat deel van de ziel dat alle redenatie overtreft. Maar al kan het menselijke verstand deze G’ddelijke regels niet logisch verwerken, kunnen wij als nog proberen om hun spirituele innerlijke betekenis en belang te onderzoeken en te begrijpen.

 

Vanuit deze poging is de leer van de Chassidische filosofie van onschatbare waarde en hulp, want de studie van Chassidoet releveert het innerlijke aspect van de Thora, haar “ziel”, het kan ons leiden door sferen waar menselijk intellect hulpeloos in is.

 

Chassidisme streeft naar de directe waarneming van het schuilgaande G’ddelijke in alles en belicht de spirituele bronnen van alle fysieke fenomenen.

 

 

TOEMA ALS DE AFWEZIGHEID VAN HEILIGHEID

De Chassidische leer legt uit dat Toema, in essentie, “spirituele onreinheid” is in de zin van “afwezige heiligheid”. Heiligheid wordt genoemd “leven””vitaliteit”, het is dat wat verenigd is met en voortkomt uit de bron van al het leven, de Schepper. De Chassidische filosofie verklaart verder dat de ware binding met G’D is, door heiligheid, betekend dat iemands eigen onafhankelijke existentie in een staat van Bittoel is,”wegcijfering” tegenover G’D. Het tegenovergestelde is, wat is verwijderd of gesepareerd van de bron en wordt genoemd “dood” en “onreinheid”. Volgens de Thorawet is de dood de principiële oorzaak van alle Toema, de hoogste graad van Toema komt door aanraking van een dood lichaam. De krachten van kwaad zijn in de terminologie van kabbala en Chassidisme, de Sitra Achra, “de andere kant”. Zij zijn wat is “de andere kant”, wat ver van G’ds aanwezigheid en heiligheid is. Zij gedijen in de sferen waar Hij het meest verhuld is en het minst gevoeld wordt, daar waar heiligheid het minst is. In een omgeving waar G’d het minst aanwezig is, is natuurlijkerwijs meer ruimte voor “oppositie” tegen Hem. Vandaar dat, spiritueel gezien, boven alles het meest kwade en het meest onreine in een persoon het eigenbelang is. Men duwt G’Ds aanwezigheid weg en creëert een leegte, een vacuüm waar Zijn aanwezigheid zou moeten zijn. Dit is de diepere betekenis volgens de Chassidische leer van de uitdrukking ” het veroorzaken van een “chiloel Hashem,” het ontheiligen van G’D’s naam, men zal niet een chalal ( leegte) maken, een ruimte zonder Zijn aanwezigheid.

Heiligheid staat gelijk aan bittoel, onafhankelijk existentie van G’D heeft geen waarheidszin. Daarom zeggen onze geleerden ons dat arrogantie gelijk staat aan afgoderij, want afgoderij betekent in essentie, dat iets wordt beschouwd als onafhankelijk van zijn schepper en zichzelf in plaats stelt van Hem.

Vandaar, als wij de woorden “rein”en “onrein” ontdoen van hun fysieke bijbetekenissen en hun ware spirituele betekenis beseffen, zien we wat zij echt te kennen geven, heiligheid of afwezigheid van heiligheid.

EEN BELANGRIJK VERSCHIL TUSSEN TWEE TYPES VAN TOEMA

In dit stadium van de verhandeling zouden we ons moeten afvragen: Waarom moet Toema überhaupt bestaan? Welk doel heeft het in G’D’s schepping? “De almachtige heeft het één tegenover het andere geschapen,” het boek Prediker vertelt ons, en zoals de Chassidische leer het interpreteert, alles in de sfeer van heiligheid heeft zijn tegenhanger in de sfeer van onheiligheid.

Aan de ene kant zijn deze tegenovergestelden sferen geschapen zodat wij over een “vrije keus” kunnen beschikken`. En een dieper niveau, zoals Chassidisme verklaard, wanneer wij het kwaad verwerpen en kiezen voor het goede en daarnaast, het kwaad transformeren tot in goed, heeft dat niet alleen een effect op ons zelf, maar ook een uitwerking op de wereld en brengt de uiteindelijke perfectie dichterbij. Vandaar dat het uiteindelijke doel van toema, de “andere kant”, is om ons te stuwen naar hogere niveaus. Zoals een zeer bekende Chassidische uitspraak luidt: “Elke verlaging is als doel een grotere verheffing” en allen verhullingen van G’D maken plaats voor een groter openbaring. Wanneer de ziel neerdaalt in deze wereld om zich te vestigen in een fysiek lichaam, ondergaat het een onvergelijkbare verlaging met de voorafgaande zuiver spirituele existentie. Het doel niettemin van deze verlaging is, om de ziel de mogelijkheid te geven zelfs hoger te stijgen in zijn bevattingsvermogen van G’D en een meer verheffende status te verkrijgen dan voor het in deze wereld neerkwam. Het kan deze verheffing alleen verkrijgen door middel van een lichaam die G’D dient in deze lagere fysieke wereld. Maar er is verhulling en onreinheid in deze lagere wereld, daar tegenover, kan alleen door zijn worsteling hier de ziel hoger rijzen. We moeten hen in twee types van Toema, twee types van “verlaging” onderscheiden. Er is een Toema die wij zelfs creëren wanneer wij opzettelijk G’Ds aanwezigheid wegduwen en een leegte laten ontstaan; en er is een Toema die G’D heeft geschapen als deel van de natuur. Dit onderscheid is cruciaal om Niedda ( regels t.a.v. menstruatie ) te begrijpen. De Toema, de onreinheid die is verbonden met de zonde, is een leegte de we creëren en waarbij we ons zelf verlagen. De Toema van Niedda, daarentegen, is een wezenlijk onderdeel van de vrouwelijke natuurlijke maandelijkse cyclus. Haar “verlaging” van een hoogniveau van potentiele heiligheid ( m.a.w. waar een leven mogelijk is ) betekend niet dat zij, G’D behoede, “zondigt”of “degenereert”, “inferieur”of “stigmaties is. Integendeel, juist omdat er zo een heiligheid betrokken is in de vrouwelijke eigenschap, het Goddelijk vermogen om, ex nihilo, nieuw leven te scheppen vanuit haar lichaam, is er ook de mogelijkheid voor grotere Toema–maar evenzo een groter Verheffing.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT SHEMINI

SHABBAT PARA

Achtste    Leviticus. 9:1 – 11:47

 

Rabbi Shimon bar Jochai

 

Van Wijn en Appels

 

Zohar, parashat Shemini p. 40a

 

 

 

Dit Thoragedeelte bespreekt de inauguratie van het Tabernakel, de ontmoetingsplaats tussen de mens en de Oneindige. Hier behandelt de Zohar het vraagstuk van verbanning uit die verheven staat van verbinding met het G’ddelijke. Wat wordt heden ten dage vereist?

 

Rabbi Jehoeda opent zijn verhandeling met het vers, “ Ondersteun mij met glazen bokalen met wijn [in het Hebreeuws, “ashishot”], heel mij met appels, want ik ben ziek van liefde”. (Hooglied. 2:4). We hebben dit vers reeds eerder op een prachtige wijze uitgelegd, maar hier kan het geïnterpreteerd worden op een andere wijze als volgt: De Congregatie van Israël [de Shechina en de Sefira van Malchoet] zegt deze woorden als zij tot ballingschap vervallen. [ Zij pleit met haar kinderen, het Volk van Israël] “Ondersteun mij”. Wat betekent dit “Ondersteun mij”? Iemand die valt behoeft ondersteuning, zoals staat geschreven, ´G’D steunt degenen die vallen(Psalmen. 145:14) Omdat de Congregatie van Israël in ballingschap is gevallen [van G’D die anders haar zou hebben geholpen], zegt zij, “Ondersteun mij”. En wie vraagt zij om haar te ondersteunen? [Zij vraagt steun van] haar kinderen Israëls, die met haar in ballingschap zijn.

 

 

 

De ballingschap van de Shechina is een val van het niveau van bewustzijn  van de eenheid met het G’ddelijke, gesymboliseerd door het Tabernakel. Dit bewustzijn  kan in gelijke mate worden teruggebracht in de staat van ballingschap door die “kinderen”van de Shechina die, door meditatieve eenwording, een influks van G’ddelijk Licht  teweeg brengen in de Sefira van Malchoet en haar op haar voetstuk plaatst door opnieuw te verbinden met haar oorsprong in de Sefira van Bina; dit kan het innerlijke aspect van ballingschap rectificeren. De externe fysieke ballingschap kan alleen worden gerectificeerd met de herbouw van het Tabernakel in de vorm van de Derde Tempel.

 

Door wat wordt zij ondersteund? Door glazen bokalen met wijn [ashishot], Die de Voorvaderen zijn.

 

 

 

De Voorvaderen, Abraham, Izaak en Jacob, zijn de archetypen van de Sefirot Chesed, Gevoera en Tiferet. Zij zijn de emotionele eigenschappen van goedhartigheid, vrees/oordeel en barmhartigheid en zijn gelijk aan vuur. Het woord voor vuur in het Hebreeuws is “aish”, en het woord “ashishot” is als een meervoudsvorm voor vuur. Chesed is een wit vuur, Gevoera is zwart vuur en de combinatie van de twee is Tiferet. Meditatief gebed brengt teweeg dat deze Sefirot worden gevuld met overvloed (bekend als “Sheva”) van Bina en dit op zijn beurt wordt doorgeven, door de Sefira van Yesod, naar Malchoet.

 

Zij vullen eerst die goede wijn, die heeft gerijpt op zijn sedimenten, de overvloed van Bina. Wanneer ze zijn gevuld met overvloed door meditatief gebed, is zegen aanwezig de Sefira van Malchoet, door bemiddeling wat rechtvaardig wordt genoemd, [verwijzend naar de Sefira van Yesod]. En iemand die weet hoe de Heilige Naam te verenigen en zo doet om de Shechina te ondersteunen, steunt en assisteert de Congregatie van Israël in haar ballingschap, alhoewel geen zegen wordt gevonden in de wereld, vanwege de overmaat aan streng oordeel.

 

 

 

Het vers continueert , Heel mij met appels”…., en beide zijn het zelfde zoals we hebben uitgelegd.

 

 

 

Appels komen in verschillende kleuren voor, maar voornamelijk in het rood, wat verwijst naar de Sefira van Gevoera. Het feit dat zij ook van binnen wit zijn verwijst naar Chesed. Zij combineren daarom de twee aspecten van Chesed en Gevoera en zijn geassocieerd met de Sefira van Tiferet, als zijnde ashishot. Tiferet is geassocieerd met de middelste lijn in de Boom van de Sefirot en, zoals genezing, brengt onevenwichtige extremen terug in harmonie. De Zohar stelt evenzo dat appels een ontnuchterende invloed hebben.

 

Maar het geheim hiervan is, dat bokalen de uitwerking van wijn vergroten, en appels werken het effect van wijn tegen en verstevigen de kracht van iemands doorzettingsvermogen. Dit verklaart waarom het vers zowel bokalen als appels vermeldt: bokalen om het effect van wijn te verspreiden en appels om iemands wil te verstevigen zodat de wijn zijn wil niet zal beïnvloeden.

 

 

 

Aan “wijn” wordt hier gerefereerd als beïnvloeding van de andere Sefirot en refereert daarom aan de Sefira van Bina. De numerieke waarde van het Hebreeuwse woord, “yayin” is 70, de zelfde numerieke waarde als van het Hebreeuwse woord voor “verborgen , mysterie”, “sod”. De intellectuele eigenschap wordt als “verborgen, mysterie” beschouwd in relatie tot de emotionele eigenschap en wordt alleen bekend door spraak. Wijn brengt spraak teweeg, die een revelatie is van iemands gedachten. Dus zeggen de Geleerden, “Wijn gaat in, en geheimen komen uit”. Het effect van wijn is om de mentale activiteit te stimuleren, gerelateerd aan de overvloed die wordt gegenereerd in Bina. Te veel wijn veroorzaakt dronkenschap, die onder controle wordt gebracht door het eten van appels.

 

Dit alles met welke reden? [het ondersteunen van de Shechina]. Omdat “ik ziek van liefde ben” in ballingschap.

 

 

 

Malchoet in ballingschap hunkert om te worden verenigd met de directe invloed van het G’ddelijke, door zich opnieuw te verbinden met Zeir Anpin. Zij is gek van liefde als iemand die emotioneel overstuur is in de fysieke wereld en bijgestaan door een stevig drank.  De “wijn”die haar ondersteunt, is het meditatieve gebed van haar zonen.

 

En iemand die de Heilige Naam verenigt [veroorzakend overvloed vloeiend van Bina naar Malchoet] moet op een gepaste wijze oordeel met barmhartigheid combineren.

 

Het geheim van meditatief gebed op de Heilige Namen zoals zij in verschillende fasen voorkomen in het Staande Gebed, is om de harde realiteit van de fysieke wereld te “verzachten” door combinatie van barmhartigheid, het aspect van de Naam Havayah, met strengheid, relateert aan de Naam Ado-nai. Dit is waarom vele gebedenboeken de Naam Havayah hebben geassocieerd met de klinkers van de Sefirot waaraan zij zijn gerelateerd en de Naam Ado-nai ingesloten in de laatste letter van de Naam.

 

Dit veroorzaakt [Haar] te worden verzacht en rectificeert alles als passend en dit ondersteunt de Congregatie van Israël in ballingschap.

 

 

 

De staat van ballingschap is de afwezigheid van het beïnvloedende gevoel van het G’ddelijke in de fysieke realiteit. Meditatieve gebeden, zowel als reciteren van zegeningen in gepaste vorm, rectificeren dit en brengen dit bewustzijn van het G’ddelijke terug in elk aspect van het leven.

 

SHABBAT SHALOM

PARASHAT TSAV

SHABBAT ZACHOR

Gebied            Leviticus.6:1 – 8:36

 

VIER SPIRITUELE GEVAREN

 

 Het woord “geef dank” in het Hebreeuws kan ook erkennen, accepteren betekenen.

 

 

 Reshimot, De Lubavitcher Rebbe, 11, p. 5-7

 

 “Wanneer men het uit dankbaarheid brengt……..” (Leviticus. 7:12)

 

 In vier gevallen werd verlangd om een dankoffer te brengen in de Heilige Tempel (tegenwoordig, is dit vervangen door het zeggen van de Gomel zegen) (zie ook Psalm. 107):

*Als men veilig een zee heeft overstoken.

 

*Als men is hersteld van een mogelijke levensbedreigende ziekte.

 

*Als men wordt bevrijd van gevangenschap.

 

*Als men veilig een woestijn heeft doortrokken.

 

Het woord “geef dank”, l’hodot, in het Hebreeuws, kan ook erkennen of accepteren betekenen. Dan reflecteert elk van deze vier situaties een specifiek spiritueel gevaar.

 

 ·      “De “zee” refereert aan Chochma, want de onmetelijke expansie van G’ddelijke Wijsheid wordt een “zee” genoemd.” (Kehilat Yaakov, s.v. Yam) Het ervaren van G’ddelijk inzicht draagt het gevaar in zich van “verdrinken” in de ervaring, daarbij is vergeten om het te verwerken in het intellect zodat het een affect en omwerking heeft op de emoties.

 

 

·      “Een patiënt refereert aan Bina. De numerieke waarde van het woord “patiënt” חולה is 49, verwijst naar iemand die 49 van de 50 “poorten van inzicht” waarneemt, en daarbij smacht naar de 50e poort.

 

 ·      Het ordelijk verloop en ontwikkeling van de Middot, emoties, komend van het intellect kan worden geblokkeerd bij onvoldoende Da’at. Da’at openbaart het belang van het intellect naar ons leven, en stelt ons daarbij in staat om een emotionele reactie te ervaren vanuit het  intellectueel besef. De corridor verbindend het intellect, gevestigd in het hoofd, met de emoties, gevestigd in het hart, wordt fysiek gereflecteerd door de nauwte van keel en hals.

 

 ·      De “gevangene” refereert aan de Middot wanneer zij, bij wijze van spreken, vast zit, gevangen is, in de nauwte van keel en hals en weerhouden wordt om zichzelf te manifesteren in het hart. (Thora Ohr 58b) Malchoet  omvat al onze vermogens van expressie, die, wanneer op de juiste wijze is geïnspireerd, anderen kan inspireren. In de woorden van onze geleerden, “Woorden die voortkomen vanuit het hart (van de spreker) betreden het hart (van de toehoorder).” Wanneer onze vermogens van expressie vluchtig zijn, niet gevestigd in harten, zijn zij “onvruchtbaar” en dragen geen vrucht. Een dergelijk verzwakte expressie wordt gesymboliseerd door de onvruchtbaarheid van de woestijn.

 

 Deze vier situaties omvatten het gehele spectrum van de sefirot, en ook de corresponderende facetten van de menselijke ziel. Als we overleven of herstellen van al deze vier gevaren, door niet te verdrinken in de zee van Chochma,  door vooruitgang te boeken naar de 50e  poort van begrip, door manifestatie van de emoties geboren vanuit ons intellect en door communicatie van onze inspiraties aan anderen, rectificeren wij daardoor onze volledige vervolmaking van de vermogens van de ziel.

 

Toch, zelfs na completering van onze zelfrectificatie, moeten we nog steeds erkennen en accepteren dat G’D’s oneindigheid onze begripsvermogens te boven gaat en dat daarom voor ons oneindig veel sporten van de spirituele ladder te beklimmen blijven.

 

SHABBAT SHALOM

 

 

 

     

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

PARASHAT WAJIKRÁ

En Hij riep        Leviticus. 1:1 – 5:26

 

De Grote Genezer

 

 De Ba’al Shem Tov kon de wereld verheffen tot haar hemelse oorsprong en genezende energie neerwaarts brengen.

 

 “En Hij riep [Hebreeuws, ‘wajikrá’] Mozes en sprak tot hem vanuit de Tent der Samenkomsten….(Leviticus. 1:1)

 

 De Ba’al Shem Tov zei dat hij al zijn genezingen had geleerd van het vers, “En Hij riep Mozes…” (Heichal HaBracha, parashat Wajikrá)

 

 Behalve een groot kabbalist en groot leider aangaande de verhoudingen binnen de  verschillende gemeenschappen, was de Ba’al Shem Tov ook een gerenommeerd genezer, die zowel natuurlijke remedies als sigillum, bovennatuurlijke methoden gebruikte om te helen.

 

 Rabbi Jitzchak Izaäk van Komarno (Heichal HaBracha) verklaart dat de letter alef aan het eind van het woord “wajikrá” het niveau van Keter en Ayin [het niets zijn] representeert: Alef is de eerste letter van het Hebreeuwse alfabet, en dit woord “wajikrá”  wordt in de Thora rol kleiner geschreven dan de andere letters van het woord, verwijzend naar het idee van het wegcijferen van het ego. De Ba’al Shem Tov wist het wereldse niveau te verheffen tot deze hemelse oorsprong en genezende energie neerwaarts te brengen.

 

 De Ba’al Shem Tov genas alleen door het gebruik van Unificatie. Hij placht de Shechina te verheffen en te verenigen met de karaktertrek/eigenschap van Ayin. (Meor Eynajiem, parashat Naso)

 

 “Unificatie”, of “yichoediem”, ligt aan de basis van Kabbalistische Meditatie, in gebed en ritueel handelen is mede opgenomen de mystieke hergroepering van letters en eveneens de verheffing en eenwording van iemands emoties en intellect met het G’ddelijke.

 

De Shechina is de G’ddelijke Aanwezigheid die verblijft in de Schepping. Idealiter ontvangt zij het Licht van G’D en openbaart het in de wereld, zodat G’ddelijkheid uitstraalt vanuit de Schepping zelf. Soms echter, valt de Shechina in “verbanning” en een storing treedt op tussen G’D en de Schepping (vanuit ons perspectief). Dit is de spirituele oorsprong van al het lijden en het ziek zijn. Wanneer de Shechina wordt verheven en verenigt met G’D, worden alle krachten van negativiteit geannuleerd.

 

Ayin” refereert aan de sefira van Keter,  bevattend een openbaring van het G’ddelijk Wezen, volledig buiten de menselijke perceptie, zoals een kroon boven het verstand van de drager uitreikt. “Ayin” betekent daarom “Het niets zijn”, want het overstijgt de menselijke cognitie en is alleen toegankelijk door esoterische zelf-wegcijfering. De Ba’al Shem Tov leerde dat iemand nooit mag bidden voor zijn eigen vereisten, maar alleen voor de vervulling en verlossing van de Shechina, want wanneer de G’ddelijke Aanwezigheid is gerectificeerd, zijn al haar “ledematen” gerectificeerd, zijnde de individuele componenten van de Schepping.

SHABBAT SHALOM 

 

PARASHAT PEKOEDÉ

En hij liet samenkomen, Exodus. 35:1 – 38:20 – De berekeningen, Exodus. 38:21 – 40:38

 

Het Tabernakel belichaamt zowel het geopenbaarde als het mystieke

 

Intellect en Emoties

 

Sefer Hamamariem Meloekat 5: 199ff.

 

De Lubavitcher Rebbe

 

Dit zijn de inventarisberekeningen van het Tabernakel, het Tabernakel van Getuigenis….(Exodus. 38:21)

 

Het vers is een aanwijzing voor het feit dat er twee aspecten zijn ten aanzien van het Tabernakel: Een aspect wordt “het Tabernakel” genoemd, het andere “Tabernakel van Getuigenis”. De twee Tabernakels refereren aan twee niveaus van licht: één is geopenbaard en één blijft verborgen. Deze twee niveaus worden “lagere Shechina” en “hogere Shechina” genoemd. In Tikoenei Zohar ,1b, wordt de lagere Shechina geïdentificeerd met Malchoet en de hogere Shechina met Bina.

 

Het eerste Tabernakel impliceert openbaring, aangezien het “het Tabernakel”  is genoemd [niet “een Tabernakel”] met andere woorden, een Tabernakel dat bekend is. Het tweede Tabernakel impliceert verborgenheid, aangezien dit het Tabernakel van Getuigenis is genoemd, getuigenis is alleen nodig als iets onbekend of verborgen is.

 

De mens in zijn dienst aan G’D, in het bouwen van zijn persoonlijk Tabernakel, bereikt de lagere Shechina door het vervullen van “actieve” mitzwot, zoals het aanleggen van tefillien en het doen van liefdadigheid. Iemand bereikt de hogere Shechina door het vervullen van “passieve” mitzwot, zoals het nalaten van het eten van niet kosher voedsel of niet te werken op Shabbat.

 

Dit omdat de hogere Shechina, het Tabernakel dat verborgen is, niet kan worden “gekend” door menselijke actieve daden. Het reikt boven het menselijke uit en kan alleen worden bereikt door niet actief handelen.

 

De passieve mitzwot zijn daarom geassocieerd met de joed en de hei, de eerste letters van de naam Havayah, terwijl de actieve mitzwot worden geassocieerd met de laatste letters, vav en hei. Joed en hei verwijzen naar de verborgen sferen, terwijl vav en hei refereren aan de geopenbaarde sferen (Tikoenei Zohar 10, 25b, commentaar op Deuteronomium.  29:28: “Verborgen dingen zijn aan G’D, terwijl geopenbaarde dingen aan ons zijn …..”). Joed en hei verwijzen naar het intellect, terwijl vav en hei verwijzen naar de emoties. In relatie tot anderen is het intellect verborgen. Het intellect dient de persoon als een afgescheiden individu, gescheiden van anderen. Emoties, liefde en vrees worden getoond aan anderen. Hun hele wezen impliceert het bestaan van anderen.

 

Met andere woorden, het is niet alleen maar de vaststelling van emotionele drang, zoals goedhartigheid, dat andere wezens verlangen; de gehele existentie van emoties is afhankelijk van de existentie van anderen. Zonder anderen bestaat het concept van goedhartigheid niet. Omdat er anderen zijn, kan iemand het verlangen ervaren om goed te doen, zelfs wanneer er geen ander aanwezig is. Maar als er geen anderen in de wereld zijn, zou de emotie van goed doen niet existeren.

 

Intellect daarentegen, is een op zich zelf gerichte eigenschap. De existentie van anderen is geen noodzakelijke voorwaarde om te denken. De meeste Wijzen zijn van nature teruggetrokken. Weliswaar kan iemand groeien van het bespreken of leren van een idee (“ en van mijn studenten [leerde ik] meer dan van alle anderen”, Taanit 17a), maar in de verwerving van nieuwe inzichten, kan de aanwezigheid van anderen vaak iemands concentratie juist verstoren. De Rechters van het Sanhedrin wilden zich daarom liever nachtelijk beraden in eenzaamheid (volgens Rashi op Sanhedrin 40a).

 

Het zelfde geldt voor het hemelse intellect en de emoties. Hemels intellect, joed en hei, zijn zelfgericht en verborgen voor de Schepping. Hemelse emoties daartegen zijn het doel van de revelatie aan de gecreëerde wezens. Want de emoties existeren met als doel openbaren en verbinding met anderen, zij zijn al in de sfeer van de openbaring, zelfs als zij eigenlijk nog niet zijn getoond en nog in het hart zijn.

 

Omgekeerd, omdat intellect inherent zelfgericht is, blijft het verborgen zelfs wanneer het technisch gezien is getoond en uitgedrukt: a) iemand toont nooit de essentie van zijn intellect aan een ander persoon, alleen een secundaire manifestatie van het intellect wordt duidelijk gemaakt; b) de openbaring van het intellect heeft geen intrinsieke verbinding met het intellect zelf. Het is een daarmee samenhangende bijkomstigheid ( in tegenstelling tot de emoties waarvan openbaring het fundamentele doel is.)

 

Bovendien, het feit dat het intellect inherent onafhankelijk van interactie met anderen is, verwijst niet alleen naar anderen die buiten de persoon zijn, het refereert ook aan de “anderen” in hem zelf. Om waarlijk te kunnen nadenken over een concept, moet de Wijze al zijn andere eigenschappen laten zwijgen (zelfs het verlangen om het concept te begrijpen). Aangezien er interne “anderen” zijn in relatie tot het intellect, bemoeien zij zich met het intellectuele proces (net zoals een ander buiten hem zou storen). En wanneer hij eenmaal het concept beheerst, blijft zijn intellectuele begrip ervan geïsoleerd en verborgen voor de rest van zijn wezen, zozeer zelfs dat hij zich kan gedragen in strijd met de conclusies van zijn intellect. Het feit dat het intellect gewoonlijk emotie teweeg brengt en iemands gedrag beïnvloedt, is dit niet omdat dit de functie is. Het is een daarmee samenhangende bijkomstigheid. Het is als licht dat naar overal uitstraalt. [Niet omdat het “actief” haar licht werpt, maar omdat het zo haar aard is]. Het is zich niet bewust van haar eigen gloed. Evenzo is het feit dat het intellect de emoties doordringt en het gedrag beïnvloedt, het resultaat van haar verlichtende natuur, en niet van enige associatie met de emoties en gedrag.]

 

Dus in het effect van het intellect op de rest van de persoon, ziet iemand niet de ziel van het intellect. Het intellect behoort tot de sfeer van verborgenheid, zelfs in relatie tot de rest van een persoon.

 

Zo ook “het Tabernakel”, het geopenbaarde Tabernakel refereert aan de dienst aan G’D die de emoties met zich mee brengt, het hart, de sfeer van het geopenbaarde. “Tabernakel van Getuigenis refereert aan de dienst aan G’D die het verstand met zich mee brengt, de sfeer van het verborgene.

 

SHABBAT SHALOM

 

 

PARASHAT WAJAKHEEL

En hij liet samenkomen   Exodus.35:1 – 38:20

 

Zohar Wajakheel 195.

Mozes riep de gehele gemeenschap van de Kinderen van Israël in vergadering bijeen en zei tegen hen: ’Dit zijn de geboden die G’D mij heeft opgedragen om ze tot uitvoering te brengen.”  

 

Kom en Zie wat staat geschreven: “Van een ieder wiens hart hem daartoe aanspoort” (Exodus. 25:2), wat inhoudt: iedereen. Dit omdat G’D het Tabernakel wilde bouwen van alle partijen: het innerlijke deel en het omhulsel.  Aangezien er een Gemengde Menigte onder hen was, werd impliciet gezegd,  “Van een ieder wiens hart hem daartoe aanspoort ” teneinde ze mede op te nemen in Israël, als het innerlijke deel. Dus iedereen werd geboden.

 

Daarnaast kwamen mensen samen op basis van hun verlangen, en de Gemengde Menigte kwam naderbij en creëerde en aanbad het Gouden Kalf en degenen onder Israël die door hen werden aangetrokken stierven tenslotte. De Gemengde Menigte bracht over Israël dood en verderf. G’D zei dat vanaf nu het bouwen van het Tabernakel alleen mag worden uitgevoerd door Israël. Onmiddellijk “verzamelde Mozes de gehele gemeenschap van de Kinderen van Israël …..” Naderhand staat geschreven: “Zondert van wat van jullie is, een gewijde gave af voor G’D “ (35:5). “ Wat van jullie” impliceert en benadrukt, in plaats als voorheen is geschreven, “Van een ieder wiens hart hem daartoe aanspoort” (Exodus. 25:2). “En Mozes verzamelde:……” Waarom verzamelde hij ze? Omdat de Gemengde Menigte onder hen was, moest Mozes Israël verzamelen en van hen scheiden.

 

BeRahamin LeHayyim:

 

De dromers onder ons helpen onze evolutie naar een meer perfecte samenleving. Mozes was een dromer. Hij die stond voor de Da’`at/ Kennis van collectief Israël droomde dat de Erev Rav/ Gemengde Menigte mede afhankelijk kon zijn in de opbouw van een Joodse Samenleving. De afgelopen Parasha met de episode van het Gouden Kalf, met de Gemengde Menigte als hoofd schuldige, vloerde deze visie. Erev Rav/ Gemengde Menigte in gematria bedraagt 474, de zelfde som als het woord  Da’`at/ Kennis, Mozes belangrijkste vermogen. Er waren twee bomen in de Tuin van Eden: de Boom van Leven en de Boom van de Kennis van Goed en Kwaad. Het is beter dat we kiezen voor Leven immers te veel kennis van het Goed en Kwaad kan door dit contact helaas leiden naar dood en destructie.

SHABBAT SHALOM              

 

 

 

 

 

       

 

 

 

 

PARASHAT KI TIESSÁ

Wanneer je opneemt   Exodus.30:11 – 34:35

 

 Het zuiveren van de Spirituele Wereld

 

 Rabbi Moshe ben Nachman

 

Kabbala legt uit dat het wassen van de handen de hemelse werelden verheft.

 

“En G’D sprak tot Mozes: Je moet een koperen wasbekken met daarbij een koperen onderstel maken om je te wassen; je moet dat plaatsen tussen de tent der samenkomsten en het altaar en er water in doen.

 

En Aaron en zijn zonen moeten met het water daaruit hun handen en voeten wassen.”

Dit wassen is uit eerbied voor Hem Die uit de Hemel is, want wie de Konings Tafel nadert om te dienen, of om het voedsel van de Koning met Hem te delen en de wijn die Hij drinkt, wast zijn handen, omdat “handen zich bezighouden met allerlei dingen, ook onzuivere dingen”. Vervolgensschrijft Hij hier het wassen van de voeten voor omdat de priesters de Dienst op blote voeten uitvoerden en sommigen onzuivere en smerige voeten hadden.

 

Door middel van de Waarheid [de leringen van Kabbala], moeten deze delen van het lichaam worden gewassen omdat de extremiteiten van iemands lichaam zijn handen en voeten zijn, want wanneer de handen opgeheven zijn ze hoger dan de rest van het lichaam en de voeten zijn het laagste punt. Dit verwijst in de menselijke vorm naar de Tien Emanaties, met het hele lichaam daartussen, juist zoals expliciet wordt aangegeven Sefer Yetzira, [Het Boek van de Schepping]: “Hij maakte een verbond met hem [Abraham] tussen de tien vingers van zijn handen en de tien tenen van zijn voeten, met het uitstekende deel van de tong en met de uitgestrekte naaktheid.” Om die reden werd aan de afgezanten van de Ene in den Hoge opgelegd hun handen en voeten te wassen, deze wassing was voor belang van heiligheid. Dus Onkelos vertaalt “wassen” [Hebreeuws, “L’rochtza”] in dit vers als “heiligen” [l’kidoesh].

 

Het is op basis van het idee van dit gebod dat onze Rabbijnen het handen wassen voor het gebed hebben geïnstitutionaliseerd, omdat iemand zijn gedachten direct richt op dat wat hij gaat doen, net zoals in het opheffen van de handen door de priesters wanneer zij het Volk zegenen.

 

SHABBAT SHALOM