PARASHAT BEMIDBÁR

 IN DE WILDERNIS

 Het was passend dat het Geven van de Thora plaatsvond in niemandsland, te midden van de verlaten eenzaamheid van de wildernis. Hier kon geen tijdelijke koning claimen dat hij gastheer zou zijn van het gebeuren, en daarbij een speciaal aandeel in de glorie opeisen. De Kinderen van Israël werden uitgekozen om de Thora te ontvangen, niet omdat zij de meest glorieuzen waren, maar omdat hun harten waren gebroken door verbanning en slavernij. Want de enige manier om de Thora te ontvangen is door nederigheid en bescheidenheid, symboliserend de lage Berg Sinai. Na te zijn aangesteld als de hoeders van de Thora, was de taak van de Kinderen van Israël deze van de Sinai naar het Beloofde Land te brengen, om van daaruit uit te stralen naar alle bewoners van de wereld. Genesis volgt en beschrijft de oorsprong van de Thora en de zielen van Israël die haar dragers zijn, Genesis is dus het “hoofd” van de Thora. Exodus de handen, ze beschrijft hoe G’D de Kinderen van Israël bevrijdt van slavernij in Egypte “met een machtige arm” en hen tot een uniek volk maakte door het geven van de Thora en de aanwezigheid van Zijn Heiligdom in hun midden als het centrum van hun nationaal leven. Leviticus is het “hart” van de Thora, formulerend de meest belangrijke voorschriften in alle facetten van het leven.

DE STAMMEN VAN ISRAEL

 De Zohar verklaart dat de vorm van het Heiligdom correspondeert met het          werkingsmechanisme van de Schepping. Dus de talrijke verschillende domeinen die tezamen de binnenplaatsen en gebouwen van de Tempel uitmaken, corresponderen met de verschillende “werelden” besproken in Kabbala, (zoals wordt uitgelegd in “Miskeney Elyon”, door Rabbi Moshe Luzzatto, de Ramchal).

De orde van de Twaalf Stammen in vier kampementen rond het Heiligdom corresponderen met de “vier kampementen van de G’ddelijke Aanwezigheid” en de “vier kampementen van Engelen” die de stroming van G’ddelijke ondersteuning in de wereld kanaliseren. Deze zijn aspecten van de Merkawah (“voertuig”) gezien door de Profeten, representerend het systeem van Voorzienigheid waarmee G”D de wereld regeert en beïnvloed. De vier kampementen corresponderen met de vier essenties van de Schepping (Goedheid, Oordeel, Begaanheid en hun manifestaties in realiteit, Koningschap) en de vier elementen (Water, Vuur, Lucht en Aarde, die het vat, de houder is van de drie). De talrijke verschillende Namen in Numeri die de beschrijving van onze parasha van de volkstelling van de Twaalf Stammen uitmaken, bestaat uit codes en cijfers die zijn verbonden met de krachten van oorsprong in de spirituele werelden.

De moeilijkheid die velen ondervinden in verband met onderdelen aangaande de verschillende stammen en hun namen en aantallen  wordt verergerd door het feit dat heden ten dage de meerderheid is afgescheiden en zelfs vervreemd van hun eigen “stam” oorsprong na duizenden jaren van ballingschap en omzwerving. Oorspronkelijk was het stam bewustzijn verwantschap onder de Kinderen van Israël, zeer sterk, zoals duidelijk zichtbaar is aan het eind van Parashat Emor, waar de episode van blasfemie werd veroorzaakt toen leden van de stam van Dan weigerden de zoon van de Egyptische toe te laten tot hun kampement omdat zijn komaf was besmet.

Heden ten dage echter weten slechts weinige Joden van welke stam zij komen, hoewel de meerderheid (met uitzondering van de Kohaniem en de Leviten)  aannemen dat zij van de stammen van Juda en Benjamin afstammen, de enige twee die niet zijn verdwenen toen de Tien Stammen in verbanning gingen voorafgaande aan de destructie van de Eerste Tempel. (Sommigen geloven dat de Sefardische gemeenschappen  van Spanje en Morocco kwamen van de stam van Juda, terwijl de Ashkenazische gemeenschappen van Duitsland en Oost-Europa van de stam van Benjamin kwamen. Dit is aangehaald door Rabbi David Kimchi, de Radak, in zijn Thora commentaar.

Om de verwarring compleet te maken, als je zou vragen aan de meeste Joden heden ten dage de verschillende componenten die deel uitmaken van het volk op te sommen, is het antwoord niet de twaalf stammen, maar eerder, de ultra orthodoxen, orthodoxen, traditionelen, conservatieven, liberalen, seculair rechts, seculair links,  etc. etc.

Onze fragmentatie en wanorde in de zogenaamde tegenwoordige ontwikkelde “geciviliseerde” wereld, is in erbarmelijk contrast met de orde van de kampementen in de onbeschaafdheid van de woestijn, die onze staat van geboorte aanschouwde. Misschien moeten we een nieuwe zienswijze ontwikkelen ten aanzien van de verschillende typen die het Volk van Israël uitmaken, in termen van de orde vastgelegd in BEMIDBAR: hoe dicht zijn zij bij het Heiligdom-Tempel idee of hoe ver verwijderd.

SHABBAT SHALOM    

PARASHAT BEHÁR / BECHOEKOTAI

Op de berg / In Mijn inzettingen (Leviticus 25:1 – 26:2 / 26:3 – 27:34)

In een dubbele Thoralezing, worden de twee met elkaar verbonden aan het begin van de 4e aliya ( van de zeven gedeelten van de wekelijkse lezing ) wanneer de verzen worden gelezen van het einde van de eerste parasha en het begin van de tweede, zonder enige interruptie. De Lubavitcher Rebbe legt uit, dat we de boodschap van elk afzonderlijk en hun gezamenlijke betekenis. ook zo moeten zien.
Ten eerste, Behar, letterlijk “Op de berg”, vertelt ons, boven de inspanningen van deze wereld uit te reiken. Ondanks het feit dat wij “minder talrijk zijn onder de volkeren”(Deuteronomium. 7:7), verheft de Thora ons, wij moeten daarom niet toelaten dat de wereld een affect heeft op ons.

Parashat Bechoekotai opent met het vers”Wanneer jullie je levenswandel richt naar Mijn wetten en jullie je stipt houden aan Mijn geboden door die in praktijk te brengen” (Leviticus 26:3) wat een verwijzing is naar alle Thorageboden. Waarom dan, tot nu toe, gebruikt de Thora het specifieke woord “choekiem” voor geboden en niet de algemeen gebruikte term “mitzwa”?
“Choekiem” verwijst gewoonlijk naar de geboden die niet logisch of ogenschijnlijk te beredeneren vallen, zoals b.v kashroet (voedselwetten), of het niet dragen van kleding die is geweven uit een combinatie van wol en linnen.
Juist zoals we deze geboden in acht nemen alleen omdat G’D ze ons heeft opgelegd, zonder hun reden te begrijpen, zo ook moeten we alle geboden in acht nemen, zelfs degenen die ogenschijnlijk rationeel zijn, enkel en alleen omdat G’D ze gebiedt.

Ten tweede, moeten we ons zelf niet bedriegen door te geloven dat wij eerst elk detail in Judaïsme moeten begrijpen om volgens Thoranormen te kunnen leven. Integendeel, we moeten de geboden vervullen op een wijze van “eerst doen en dan begrijpen.” Door volharding, zullen wij uiteindelijke de level bereiken waar het aspect van Behar is gedaan op de manier van Bechoekotai, de uitdagingen van de wereld te boven komen omdat G’D het gebiedt; en Bechoekotai op de manier is uitgevoerd van Behar, alle geboden van G’D met vertrouwen en naar vermogen uitvoeren.

“Wanneer jullie je levenswandel richt naar Mijn wetten en jullie je stipt houden aan Mijn geboden door die in praktijk te brengen, dan geef Ik op de juiste tijd de regen die jullie nodig hebben zodat het land zijn opbrengst geeft en de bomen van het veld hun vruchten dragen.” ( Leviticus. 26:3-4 )
Waarom benadrukt de Thora deze fysieke beloningen? Zou het niet beter zijn om zich te richten op de spirituele beloningen in het hiernamaals? Rebbe Michal van Zlotshuv is zelfs meer verbaasd over het feit dat G’D ons überhaupt iets belooft. Is het bovendien niet zo dat wij de Almachtige moeten dienen zonder enige verwachting van tegen-beloning ( zie Spreuken de Vaderen, 1:3 )? Als we G’D dienen zonder enige beloning, doet het er niet toe wat er wordt beloofd, het dienen moet oprecht zijn en alleen worden gedaan voor Zijn belang.
Beloften verwarren alleen maar de situatie. Misschien is het beter om helemaal geen belofte in het vooruitzicht te stellen, daarmee worden waarschuwingen overbodig om G’D alleen maar te dienen met de intentie van beloning.
Zegeningen komen vanzelf voor diegenen die ze verdienen.
Als iemand ook maar iets van eigenbelang in gedachten heeft, zal hij of zij geen enkele vorm van beloning ontvangen, omdat hij of zij alleen maar het eigenbelang dient. Dit is de betekenis van de woorden: “Wanneer jullie je levenswandel richt naar Mijn wetten en jullie je stipt houden aan Mijn geboden.” Als je G’D dient op de juiste wijze, zal dat resulteren in een teken, een indicatie, dat de regen zal vallen op de juiste tijd en de aarde vruchten zal dragen. Je zult zien dat de zegeningen komen als resultaat van het doen van de geboden op de juiste manier, m.a. w alleen in het belang van de Hemel. Zoals een jonge vrouw in mijn studiegroep zei, “het is belangrijk te weten dat G’D luistert.”

Deze week was Lag B’Omer, de dag viert het einde van de plaag die de studenten van Rabbi Akiva overviel, wegens gebrek aan liefde en respect voor hun mede-Joden. Rebbe Shmuel Shmelke van Nicholsberg legt uit hoe men van een medepersoon kan houden die je kwaad heeft aangedaan. Wij allen zijn één integrale entiteit, omdat we allen een klein deel zijn van de organieke ziel van Adam, de eerste mens.
We kunnen vergeleken worden met delen van één lichaam. Één is een deel van de hand , en één van de neus,etc. Soms doet iemand iets zonder bedoeling, iets morsen op zijn voet of in een plas water lopen. Als we dan een stok nemen om wraakzuchtig het zondige lichaamsdeel te slaan, zouden we echt in pijn hebben. Zo is het ook met iemand die je kwaad heeft aangedaan. Het is alleen omdat er een gebrekkig begrip is, hoe wij allen met elkaar zijn verbonden.
Als we zouden reageren op de zelfde wijze, doen wij onszelf meer schade aan.
Eerder moeten wij ons zelf er aan herinneren dat we verdienen wat wij krijgen en de Almachtige heeft vele boodschappers.
En als dit niet toereikend is, moeten wij proberen te mediteren over het idee dat de ziel van de andere persoon, letterlijk een deel van G’D, zo diep is gezonken in het doen van onplezierige dingen, dat wij barmhartigheid zouden moeten tonen voor Zijn heilige vonk.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT EMÒR

Zeg (Leviticus 21:1 – 24:23)

De omertelling is een voorbereiding op het geven van de Thora. Om die reden, meteen na de 49 dagen van de omer, vieren we Shavoe’ot (Wekenfeest), de feestelijke viering van de gebeurtenis op de Berg Sinaï.

Het verband tussen Shavoe’ot en de omertelling benadrukt het feit dat beide relateren naar elke Jood afzonderlijk. De Talmoed (Menachot 65b) beklemtoont dat de omertelling rust op elke individuele Jood ( in contrast met de Smemita en Jowel [Shabbatjaar en Jubeljaar], die worden geteld door het Joodse gerechtshof ).

Op een vergelijkbare manier is het ten aanzien van het geven van de Thora, de openbaring was niet enkel voor het Joodse Volk als een geheel, maar voor elk individuele Jood afzonderlijk. Dit is weergegeven in het vers: “Anochie HaShem E-lokecha” “Ik ben de Eeuwige, je G’D (Exodus 20,2), welke de enkelvoudige vorm van de term “jullie” gebruikt, want G’D geeft de Thora als het ware aan elke individuele Jood afzonderlijk. Hij maakt tegen ieder persoon afzonderlijk duidelijk, de verplichting om Thora te leren, en om de 613 mitswot in acht te nemen. Hij legt deze verplichting op vanuit de naam E-lokiem, welke associeert met G’D’s vermogen als “De Meester van sterkte en macht” (Shoelchan Aroech, Orach Chajiem 5:1)

Baserend op de connectie tussen de omertelling en Shavoe’ot, legt de Alte Rebbe (Rabbi Shneur Zalman van Liadi 1745-1812) de ogenschijnlijke contradictie uit tussen het gebod: “ Tot de dag volgend op de zevende week moeten jullie vijftig dagen tellen”(Leviticus 23,16) en het praktische feit dat we alleen maar negenenveertig tellen. Door de negenenveertig dagen op die manier te tellen, brengen wij de negenenveertig Poorten van Inzicht (Biena) teweeg en bereiden wij de opening voor van de vijftigste poort, de openbaring die kwam met het geven van de Thora. Want door de openbaring van de vijftigste Poort van Inzicht, werd het niveau van Anochie (de associatie met het geven van de Thora) teweeggebracht. (Talmoed, Rosh Hashana 6b)

Op elke dag van de omertelling, wordt er een andere Poort van Inzicht tot stand gebracht. Dit stelt ons in staat om de woordkeuze te begrijpen die wordt gebruikt tijdens de telling: “een dag…, twee dagen…, drie dagen…,” in plaats van “de eerste dag, de tweede dag, de derde dag.” Want elke dag bevat de vorige dagen en de G’ddelijke energie die zij teweeg hebben bracht. Op de eerste dag, hebben wij toegang tot de eerste Poort van Inzicht, op de tweede dag, hebben wij toegang tot twee poorten, etc.

Echter, de vijftigste poort kunnen wij niet op eigen initiatief openen, want het representeert een vermogen welk niet kan worden bereikt door de gewijde dienst van gecreëerde schepselen.
Desalniettemin, onze inspanning in het teweegbrengen van 49 Poorten van Inzicht creëert een fundering waarop de vijftigste zich op eigen initiatief kan plaatsen. Om die reden wordt het beschouwd als of wij de 50 dagen hebben geteld, want de vijftigste is toegankelijk gemaakt door onze telling van de “zeven perfecte weken.”

De boven genoemde concepten worden weergegeven in onze dienst aan G’D.
De passende dienst voor de omertelling is de verfijning van onze emotionele eigenschappen. We tellen zeven weken, corresponderend met de zeven emotionele eigenschappen en ook 49 dagen (7×7), want elke van deze eigenschappen is aan elkaar gerelateerd.
De doelstelling is, om deze weken, en de corresponderende emotionele eigenschappen, “te perfectioneren.”

Als dan een Jood de verfijning van zijn emotionele eigenschappen heeft beëindigd, wordt aan hem, als een geschenk van boven, de Thora verleend.
Dit hangt compleet van hem zelf af; wat gebeurt met de mensen om hem heen heeft daar geen invloed op. Wanneer hij zijn 49 emotionele eigenschappen heeft gezuiverd en verbeterd, wordt hem de Thora verleend, “de Vijftigste Poort van Inzicht”, zelfs als diegene om hem heen nog niet deze graad van voorbereiding heeft bereikt.

Tegenovergesteld, als zijn persoonlijke zuiveringproces langzamer is, moet hij wachten tot aan het punt dat hij zijn taak heeft volbracht, zelfs als diegenen om hem heen reeds de Thora is verleend.

Maar dit verwijst alleen naar de dimensie van het geven van de Thora welke afhangt van de menselijke dienst aan G’D.
Het ultieme aspect, van het geven van de Thora, overtreft elke menselijke connectie met betrekking tot de dienst aan G’D. De nieuwe dimensie, bij het geven van de Thora, bracht met zich mee, de verbinding tussen de hogere en de lagere sferen. ( Shemot Rabba 12:3 )
Dit niveau is geopenbaard voor iedereen op de zesde dag van de maand Sivan, “de feestelijke periode van het geven van de Thora.”

SHABBAT SHALOM

PARASHAT ACHARÉ MOT – KEDOSHIEM

 Na de dood – Heilig   Leviticus. 16:1 – 18:30, 19:1 – 20:27

LEVEN IN HARMONIE

Gebaseerd op Orh Jisroël, Acharé Mot 5647

De Eeuwige richtte het woord tot Mozes na de dood van de beide zonen van Aharon die, terwijl ze vóór de Eeuwige naar voren waren getreden [brachten een niet geautoriseerd offer], gestorven waren.” (Leviticus. 16:1)

Rabbi Jisroël van Tchorkov neemt stelling tot dit probleem als volgt. De Thora zegt ons, “Alleen jullie die vastgehouden hebben aan de Eeuwige, jullie G’D, jullie zijn vandaag allemaal in leven.” ( Deuteronomium. 4”4)
G’D is de bron van het leven en iemand die G’D zeer dicht nadert, hecht zichzelf aan de bron van het leven. Hoe is het dan mogelijk dat Nadav en Avinoe. “die G’D zeer dicht naderden”, stierven?

Er is geschreven, “Het begin van wijsheid is de vrees voor G’D” (Psalm. 111:10). Evenzo, “Je moet van de Eeuwige, je G’D, houden” (Deuteronomium. 6:5).
Het doel van een Jood is om elk aspect van zijn ziel te zuiveren en te verbeteren, totdat alles in harmonie functioneert, elke karaktereigenschap in de juiste proporties.
Wanneer hij G’D alleen zou dienen door liefde, chessed, kon hij onmogelijk overleven.
De chessed van G’D is eindeloos en zo groot dat niemand in staat is dit te verwerken, zonder te sterven. Idem, wanneer iemand G’D alleen zou dienen door de eigenschap van vrees, gevoera, kan hij ook niet overleven.
G’D is zo “vreselijk”, wie kan vóór Hem staan?
Daarom moeten deze twee eigenschappen in de juiste harmonie met elkaar samenwerken.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT TAZRIA – METZORA

Zij geeft zaad – Melaatse Leviticus. 12:1 – 13:59, 14:1 – 15:33

RABBI SHIMON BAR JOCHAI

Het zuiveren van Adam

Zohar III p. 48a.

Als een mens (in het Hebreeuws, ‘adam’) in de huid van zijn vlees….[ een melaatsachtige infectie heeft] (Leviticus. 13:2)

We hebben geleerd dat mensen [in de Thora] op [vier] verschillende wijze worden verwezen naar: “adam”, “gever”, “enosh” en  “ish”. (Shabbat 54b) [Al deze namen hebben dezelfde betekenis, “een mens”, maar] de meest aanzienlijke onder hen is “adam“, zoals is geschreven: “G’D schiep de mens [“adam‘] naar zijn beeld”(Genesis. 1:27); “Want naar het beeld van G’D heeft Hij de mens [“adam‘]  geschapen” (Genesis. 9:6). Deze versregels hanteren niet de termen ““gever”, “enosh” en  “ish”.  Vanuit deze verzen kunnen wij concluderen dat de titel “adam” verwijst naar een mens van G’ddelijke status.

In feite zijn deze titels coderingen voor de vier niveaus van de ziel en corresponderen zij naar de vier werelden, respectievelijk: “Adam” is het niveau van de ziel die“Chaya” wordt genoemd (aangeduid in de Zohar als “Neshama van de Neshama“), welke zich manifesteert in chochma, en correspondeert met Atziloet; “gever” is het niveau van de ziel die “Neshama“wordt genoemd, welke zich manifesteert in bina en correspondeert met Beriya; “enosh” is het niveau van de ziel die “Roeach” wordt genoemd, welke zich manifesteert in de zes emotionele eigenschappen van Zeir Anpin en correspondeert met Yetzira; ´ish“is het niveau van de ziel wat “Nefesh” wordt genoemd, welke zich manifesteert in malchoet en correspondeert met Asiya.

Adam

Chaya

Chochma

Atzilut

Gever

Neshama

Bina

Beryia

Enosh

Ruach

Zeir Anpin

Yetzira

Ish

Nefesh

Malchut

Asiya

Echter Rabbi Jehoeda zegt: Maar het staat geschreven, “Wanneer een persoon [adam] een verzoeningoffer brengt aan G’D” (Leviticus. 1:2). Schijnt dit de stelling te weerleggen dat “adam” de meest aanzienlijke titel of benaming is voor de mens, omdat, wie moet een verzoenend offer brengen? Een zondaar, en toch wordt de term “adam” gebruikt!

Hoe kan dit van toepassing zijn op een persoon die op het niveau van Chaya-chochma- Atziloet is?

Rabbi Jitzchak antwoordt: De [fysieke] wereld en de hogere en lagere werelden worden allen gedragen door de offergaven, welke een groot genoegen zijn voor de Heilige, Geprezen Zij Hij. Nu, wie is geschikt om een offergave te bieden die G’ddelijk genoegen teweeg brengt? Alleen de meest achtenswaardige persoon die “adam” genoemd wordt! 

M.A.W. alleen een persoon op het hoogste niveau heeft de mogelijkheid om hemel en aarde te dragen.

Rabbi Jehoeda reageert: Maar het vers, “Als een mens in de huid van zijn vlees een lepra-infectie heeft….zal hij voor Aaron gebracht worden” (Leviticus. 13:2) en “Wanneer een mens is getroffen door een lepraplaag zal hij voor een priester worden gebracht”(ibid. 13:9) schijnt dit te weerleggen?

[Rabbi Jitzchak legt uit]: Het is juist zo een persoon wie de Heilige, Geprezen Zij Hij, wenst te zuiveren, meer dan iemand anders. Een persoon op een hoog spiritueel niveau zal niet blijven zoals hij is [zonder rectificatie]. En om die reden verklaart het vers, …”hij zal voor Aaron worden gebracht” en “hij zal voor een priester worden gebracht”. Het zegt niet, “hij zal komen of gaan”, maar eerder, “hij zal worden gebracht” [door anderen]. Want iedereen die zo een persoon ziet is verplicht om hem voor een priester te brengen, aangezien een mens van dit heilige gehalte niet kan blijven in de staat zoals hij is.

Omdat de werelden niet kunnen worden ondersteund zonder zo een persoon, is het in ieders voordeel dat zo iemand zal wordt genezen. De enige vraag die overblijft is hoe een persoon van zo’n hoog spiritueel niveau getroffen worden door melaatsheid? Commentatoren verklaren dat ofschoon zo’n persoon alles binnen zijn mogelijkheid heeft gerectificeerd, er nog altijd kleine hoeveelheden spirituele verspilling overblijf, die een boven natuurlijke infectie veroorzaken in zijn buitenste niveaus, zijn huid. In feite, vóór de infectie is bestempeld door een priester als “onzuiver”, is het een zeer hoog niveau van G’ddelijke illuminatie, ofschoon het aspect bekend is als “ferme strengheid”. Om deze rede moet hij voor de priester worden gebracht, de mens van chesed (barmhartigheid), die de mogelijkheid heeft om harde strengheid te verzachten en het om te zetten in pure goedheid. ( Rabbi Shneur Zalman van Liadi, Likoetei Thora, Tazria 22b)

SHABBAT SHALOM

PARASHAT SHEMINI

RABBI SHIMON BAR JOCHAI

ZOHAR, p. 38b

Blijheid Boven, Blijheid Beneden

En Mozes zei tegen Aaron, en tegen diens zonen El’azar en Itahamar: Laat jullie haren niet wild groeien en scheur jullie kleren niet in, anders zouden jullie sterven en zou Zijn woede zich tegen de gehele gemeente keren, maar jullie broeders, het hele Huis van Israël zullen wenen over de brand die de Eeuwige heeft aangestoken. Bovendien, ga niet weg van de ingang van de tent der samenkomsten opdat jullie niet sterven, de zalvingolie is immers op jullie.” (Leviticus. 10:6;7)

Rabbi Aba verwoordt een algemene regel om de uitleg van de diepere betekenis van deze opdracht te vergemakkelijken, welke Aaron en zijn twee overgebleven zonen ontvingen na de dood van Nadav en Avihoe: Elke handeling Beneden brengt handelingen teweeg [in de spirituele werelden] Boven, en de handelingen Beneden moeten lijken op vorm van de handelingen Boven [om effectief te zijn].

Kom en zie, al het geluk Boven is afhankelijk van die heilige olie [het bewustzijn van chochma], want van daar vloeit vreugde en zegeningen naar alle lichten. En de Hemelse Priester [gerelateerd aan chesed] is gekroond met de vloed van olie [ chochma bewustzijn]. [Hij ontvangt die overvloed eerst, en] daarom moet de Priester, hij die symbolisch is gezalfd met de heilige zalvingolie, parallel met de hogere spirituele werelden, een stralend gezicht en vreugde uiten.

Onverzorgd haar en gescheurde kleding tonen een gebrek aan meditatieve vreugde en veroorzaken als zodanig schade aan de corresponderende spirituele sefirot in Zeir Anpin. Onverzorgd haar, een teken van rouw en een gebrek aan interesse met de uitwendige verschijning van het hoofd, veroorzaakt een onvolkomenheid in de drie Sefirot van bewustzijn in Zeir Anpin en gescheurde kleding [ook een teken van rouw] veroorzaakt een onvolkomenheid in de zeven lagere sefirot van Zeir Anpin.

De Priester moet eerder compleet zijn in al zijn fysieke aspecten, op de zelfde wijze als de spirituele tegenhanger die hij vertegenwoordigt. Hij zou geen enkele onvolkomenheid mogen tonen zodat geen smet wordt veroorzaakt Boven.

Kom en Zie. Als El’azar en Itahamar de traditionele tekenen van rouw hadden getoond voor hun broers door hun kleding te scheuren en uiterlijk onverzorgd waren geweest op het tijdstip dat zij werden gezalfd met de heilige olie en gekleed in de priesterlijke kleren, zouden zij op dat tijdstip niet worden gespaard, aangezien een ogenblik van oordeel teweeg was gebracht [met andere woorden, zij moesten vooral zorgvuldig zijn om geen aanleiding te geven dat dit oordeel tegen hen zou worden aangewend.]

Om die reden eindigde hun instructie [in het bovengenoemde vers] met de woorden “Opdat jullie niet sterven”.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT TSAV SHABBAT HAGADOL

OPGAAN IN ROOK

Zohar, pp. 26

Het Thoragedeelte van deze week begint met de instructie om een In Vlammen Opgaand Offer te brengen. Dit offer maakt slechte en verdorven gedachten goed en wordt beschouwd als de meest uitgelezen van alle offergaven. De naam van het In Vlammen Opgaand Offer impliceert opstijgen en is dus zowel verbonden met het gedachte idee welke opkomt en het meest uitgelezen, omdat de tikoen van de intellectuele faculteiten zo belangrijk is.

“En de Eeuwige sprak tot Mozes: ‘Draag Aharon en zijn zonen het volgende op: Dit is de Thora (instructie) van het In Vlammen Opgaand offer.’” (Leviticus. 6:1)

Rebbe Shimon opent zijn verhandeling [op dit vers] en citeert daarbij het vers “Uw gerechtigheid is als de machtige bergen; Uw uitspraken zijn van grote diepte O Heer, U bewaart mens en beest.” (Psalm. 36:7) We hebben reeds eerder over dit vers geleerd en het [op een ander wijze verklaard dan nu] kom en zie; dit In Vlammen Opgaand offer stijgt op [in de spirituele werelden] en verbindt het Joodse Volk boven.

Als algemene regel heeft de sefira van malchoet drie namen in de Zohar. Wanneer zij in verbanning is, ver verwijderd van haar hechte spirituele bron boven in Zeir Anpin, wordt zij de Shechina genoemd. Wanneer zij hecht is verbonden met Zeir Anpin “ontvangt” (in het Hebreeuws “konesset”) zij de spiritualiteit boven en heeft een naam die deze verheven status meer weergeeft, Knesset Jisraël ( vertaald boven als “het Joodse Volk”).

Het vrouwelijke “zij” wordt altijd gebruikt om het feit weer te geven dat zij een voertuig is voor het ontvangen van de G’ddelijke inwerking. Naar haar wordt ook verwezen als zijnde “de Maan”, omdat de maan het licht van de zon op de zelfde manier weergeeft, malchoet ontvangt en geeft het G’ddelijk “licht” (energie) weer van de spirituele bron boven.

Zij hecht zich aan hem [Zeir Anpin], en samen gaan zij op naar de Komende Wereld.

De Intellectuele sefira van bina is bekend als de “Komende Wereld”. Er wordt verwezen naar het vrouwelijke omdat zij zowel ontvangt van beneden door handelingen in deze wereld gedaan met spirituele intentie als van boven van de sefirot van keter en chochma. Bina is verbonden met begrijpen en planning. Plannen zijn altijd een blauwdruk voor handelingen in de toekomst en waar begrip voorbij onze fysieke grenzen welke onze waarneming van het oneindige licht hinderen is eveneens in de toekomst, Vandaar de term “Komende Wereld”.

Zij zijn alle blij verbonden tot een eenheid.

De sefira van bina is ook de bron van vreugde. Dit is de vreugde van zekerheid na opheldering van alle twijfels, de vreugde van verbinding met de G’ddelijke wijsheid. Deze vreugde is op zijn beurt een vat voor het ontvangen van “Mochin deGadloet” hogere bewustzijn, van de partzoefiem van Abba en Imma. In hedendaagse terminologie noemen we dit verlichting.

Omdat zij hoger en hoger gaan wordt naar hen verwezen als “Dit is de Thora”. Dit is het mysterie van het mannelijke en vrouwelijke samen, De Geschreven en Mondelinge Thora stijgen op in liefde.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJIKRÁ

En Hij riep (Leviticus 1:1 – 5:26)

SEFER WAJIKRÁ ( TORAT KOHANIEM )

Een van de redenen voor het offeren van dieren, welke door Nachmanides wordt bediscussieerd op Leviticus 1,9, luidt als volgt: “Het zou geschikter geweest zijn als de dwazen, die dachten dat de dierlijke offerwetgeving alleen maar een scherpstelling was voor de mensen die gewoon waren te offeren aan heidense godheden, meer aandacht zouden hebben gehad voor de reden die Maimonides er aan gaf. Hij beschrijft de mensen die te midden van de Joden leefden als godaanbidders van de dieren in kwestie.
Het Joodse Volk moest leren, door slachting van juist die dieren, dat zij geen godheden waren. Tot vandaag de dag worden om die reden koeien in India niet geslacht. De handelingen van de mens bestaan uit drie elementen: gedachte, spraak en uitvoering. G’D gebiedt dat wanneer de mens heeft gezondigd en een dierlijk offer brengt als een zondeoffer, hij zijn handen (zijn gewicht) op het dier moet plaatsen als een symbool van de zondige handeling die hij heeft begaan. Hij moet, voorafgaand aan de poging tot goedmaking, een symbolische woordelijke confessie afleggen. Hij moet het dier in het vuur laten opgaan, m.a.w de ingewanden, inclusief de nieren, de organen waarin de zondige gedachten zijn origine heeft. Vervolgens de poten, die de handen en de benen symboliseren, en de organen zijn die de meest zondige intenties uitvoeren.
Hij moet het bloed van het dier sprenkelen op het altaar, het bloed representeert, nevesh zijn levensvorm, zijn zielskracht. Door het doen van deze handelingen, concentreert de zondaar zich, met lichaam en ziel, op de enormiteit die hij heeft begaan tegenover zijn G’D en hij zal zich realiseren dat hij in feite zijn eigen leven had moeten geven om de zonde goed te maken, en niet dat van een onschuldig dier. Het is alleen door de verleende barmhartigheid van G’D aan hem, dat hij in staat is om het leven van een dier te offeren, in plaats van zijn eigen leven.

Vele filosofen hebben conceptuele problemen met het begrip, hoe dierlijke offers, toenadering, verzoening kunnen bewerkstelligen tussen Israël en G’D.
In zijn kuzari, heeft Rabbi Jehoeda Halevi geprobeerd dit aan de twijfelaars uit te leggen. Hij verklaart dat de affiniteit welke reeds bestond tussen G’D en het Volk van Israël onafgebroken is, door middel van offers die gebracht worden op het altaar in de Tempel. Het staat gelijk aan de affiniteit welke existeert tussen de spirituele levensvorm, zielskracht nevesh en het lichaam.
Leven, m.a.w de continuerende existentie van de ziel in het lichaam, wordt mogelijk gemaakt door het nemen van voedsel door het lichaam, welke de ziel draagt en hecht aan het lichaam.
Juist zoals we niet in staat zijn te begrijpen hoe het proces van tastbaar voedsel zich vertaalt naar, en assimileert met, een ontastbare spirituele kracht zoals de ziel, ofschoon wij het effect ervaren, zo zijn wij ook niet in staat te begrijpen hoe en waarom de Shechina onze offers benodigd om de wederzijdse hechte relatie tussen ons en G’D te behouden.
Echter het feit blijft bestaan, dat onze affiniteit met G’D behouden blijft door dierlijke offers. Tot zover de Kuzari.
Rabbi Jitzchak Arama, auteur van de Akeydat Jitzchak concludeert dat in de ware zin de Shechina, offers natuurlijk niet “nodig”heeft.

De Ari zal (Rabbi Jitzchak Luria) heeft de manier waarop de affiniteit van de ziel met het lichaam in stand wordt gehouden op een schitterende wijze uitgelegd.
Hij zegt: “Er is niets dat niet een element van heiligheid bevat. Onze geleerden hebben reeds eerder verklaard dat er geen grashalm in onze wereld is die geen mazzal in de “hogere” heeft die het instrueert om te groeien (Bereshiet Rabba 10,7); deze celestische kracht oefent grote invloed uit op het verloop van de grashalm. Deze invloed is van nature spiritueel en wordt overgebracht in het fysiek functioneren, in overeenstemming met de natuurlijke wetten. Enigszins hetzelfde gebeurt met alles wat wij eten. Het fysieke eten en drinken dat wij consumeren bevat een verborgen spiritueel element. Deze verwantschap is gelijk aan de verwantschap van nevesh we-goef – lichaam en geest. Wanneer de mens, een combinatie van lichaam en geest, eet en drinkt, heeft zijn lichaam baat van het fysieke element van het eten en drinken dat hij consumeert, terwijl zijn ziel wordt gesterkt door het spirituele element ervan. Dit is de reden dat lichaam en geest aan elkaar gehecht blijven. Aangaande dit fenomeen zegt de Thora in Deuteronomium 8,3: “dat de mens niet alleen maar door brood in leven kan blijven, maar dat door alles, wat op bevel van de Eeuwige ontstaat, de mens kan blijven leven.” Dat leert ons dat niet alleen het “visuele” deel van het brood voedsel bevat voor de mens. In tegendeel, ook brood bevat motsie pie HaShem – een verborgen expressie van G’D’s geest, welke bijdraag tot het in leven houden van de ziel in de mens.” Tot zo ver de Ari zal.
Hier valt nog aan toe te voegen, dat wat van toepassing is op een individuele verwantschap tussen lichaam en geest, zich eveneens richt tot het concept van de Joodse Natie en zijn verhouding met G’D door het brengen van korbanot – offers.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJAKHEEL- POEKOEDÉ

Rabbi Jitzschak Luria

Van de geschriften van de Ari, Sha’ar HaPesoekiem

Wetend waar je behoort

Het Thoragedeelte van verleden week, Ki Tiessá, beschrijft het beruchte incident van het Gouden Kalf. De Arizal ziet het begin van het Torahgedeelte van deze week als terugverwijzing naar dat incident en beschrijft de wijze waarop het Joodse Volk haar spirituele status kon herstellen naar hoe die was vóór het incident.

Ons werd onderwezen dat, hoewel de meerderheid van het Joodse Volk het Gouden Kalf aanbad, de instigators van dit incident niet de Joden zelf waren, maar de „gemengde menigte“ die met hen uit Egypte trokken (Exodus 12:35). Deze waren de eerste bekeerlingen van het Joodse Volk.

Wanneer een niet Jood er naar streeft om over te gaan naar het Jodendom en geaccepteerd wordt als een deel van het Joodse Volk, houdt de rabbi of het rabbijns gerechtshof toezicht op dit proces om zeker te zijn dat zijn/haar motieven zuiver zijn en dat hij/zij niet probeert over te gaan met andere bedoelingen. Het was om die reden dat tijdens de regeringsperiode van Koning Solomon geen bekeerlingen werden geaccepteerd en niet zullen worden geaccepteerd wanneer eenmaal Mashiach is gekomen: Wanneer het Joodse Volk materieel welvarend zal zijn, zoals zij waren tijdens de regeringsperiode van Koning Solomon en zoals zij zullen zijn in de Messiaanse Era, dan is het namelijk onmogelijk om vast te stellen of de motieven van een toekomstige bekeerling puur zijn.

Evenzo is, de “ gemengde menigte” van niet Joden die zich verenigde met het Joodse Volk toen zij Egypte verlieten, een klassiek voorbeeld van onoprechte opportunistische bekering. Want zij waren getuigen van de Tien Plagen (die plaats vonden over een periode van een jaar), het is niet moeilijk voor te stellen dat zij aan de kant van het Joodse Volk stonden eerder vanuit een algemeen menselijke zwakte voor macht en succes, dan vanuit een oprechte toewijding aan waarheid tot elke prijs.

Dus toen het onaangenaam begon te worden, kwam de zwakheid van deze betrokken mensen aan het licht en zochten zij naar hulp. Mozes kwam niet terug van de berg, het volk bleef achter zonder leider, zonder iemand die een intermediair was tussen hen en G’D. Het antwoord was voor de hand liggend voor deze gemengde menigte, die slechts kort geleden afstand had gedaan van hun oude afgodische godsdiensten om de Joden te kunnen vergezellen: “En het volk dat merkte dat Mozes talmde om van de berg te komen, liep tegen Aaron te hoop en ze zeiden tegen hem: “Kom maak een god voor ons die ons kan voorgaan, want deze man Mozes die ons uit Egypte heeft gevoerd…. Wij weten niet wat van hem geworden is!” …..Dus [Aaron] nam het goud van hen ….en gaf er vorm aan en maakte er een gegoten kalf van; en ze zeiden : “Dezen zijn jullie goden, O’ Israël die jullie uit Egypte hebben gevoerd. “” (Exodus. 32: 1-4) Merk op dat de makers van het Gouden Kalf Israël aanspreken in de tweede persoon, betekenend dat zij zichzelf niet beschouwden als behorend tot het oorspronkelijke Joodse Volk.

Aangezien Mozes en de generatie van de woestijn op het [spirituele] niveau van Yesod Abba waren, moest Mozes hen bijeenbrengen zodat zij konden terugkeren naar hun oorsprong en een deel van hem konden worden. Op deze manier [heelde hij hen] van de misstap van ´ liep het tegen Aaron te hoop” liet op hen het licht van heiligheid schijnen en wiste zo de onreinheid van [het dienen] van het [Gouden] Kalf voor hen uit.

Vanwege het feit dat de generatie van de Exodus de leerlingen waren van Mozes en de originele ontvangers, werden zij evenzo verheven tot dit diepgaande niveau van bewustzijn. Aldus wordt in de Talmoed gerefereerd aan deze generatie als de “generatie van kennis”.

In het Judaïsme wordt zonde gedefinieerd als iets dat in bepaald opzicht iemands bewustzijn van G’D degenereert of vervormt. Er zijn natuurlijk vele niveaus, variërend van de subtiele “onschuldige” zonden zoals doen waar je zin in hebt van gepermitteerde genoegens ( glatt koshere chocola) tot de door en door openlijke zonden waarop serieuze bestraffingen staan. Het gemeenschappelijke kenmerk echter is dat in meerdere of mindere mate zij allen worden overweldigd door “tijdelijke misvatting” dat G’D het niet erg vind of het over het hoofd ziet. De wet van inertie dicteert dat onschadelijke overtredingen geleidelijk verworden tot regelrechte zonden.

Dit was het geval met de zonde van het Gouden Kalf. Ondanks hun intens bewustzijn van G’D’s realiteit in hun leven en juist omwille van deze realiteit, besefte deze generatie dat er iemand moet zijn zoals Mozes, die kan dienen als een kanaal tussen hen en G’D’s boodschappen. Toen hij niet terugkeerde van de berg op de vastgestelde tijd, was de gedachte om te continueren zonder zo’n medium onverdraaglijk. In plaats van zich te verlaten op G’D’s voorzienigheid, verlieten zij zich op hun eigen oordeel ( zij hadden een onjuiste berekening gemaakt van Mozes terugkeer van de berg). Het subtiele gebrek aan vertrouwen ontaardde volledig in een afgodische zonde, aangezien zij beide verschillende gradaties van ontkenning van G’D’s aanwezigheid zijn in iemands leven.

Dus door het plegen van de zonde van het Gouden Kalf, viel het Joodse Volk van hun vorige staat van bewustzijn, Yesod Abba. In plaats van hun vermogen van Yesod, te gebruiken om de wijsheid van de Thora en, het besef van G’D in deze wereld te brengen en te kanaliseren, gebruikte zij Yesod om “te hoop te lopen tegen Aaron” en dwongen zij hem om een afgod voort te brengen, een proclamatie dat G’D afstand heeft gedaan van Zijn betrokkenheid met de wereld ten gunste van ondergeschikte krachten. In hun gedachten, werd de G’ddelijke boodschap niet langer geconcentreerd en gekanaliseerd door Mozes, maar geheel verspreid over de krachten van de natuur, waardoor het nu noodzakelijk werd om die te eren en over te halen om te mogen dienen, voor het waarnemen van de verhulde spiritualiteit.

Zoals we eerder hebben uitgelegd, is Abba de naam van de partzoef (een volledige serie van Sefirot) die voortkomt uit de Sefira van Chochma. Chochma is in het algemeen het fundamentele inzicht of de wijsheid van de Schepping, met andere woorden, de Thora, die G’D gebruikte als Zijn “blueprint” voor het creëren van de wereld. Elk nieuw inzicht dat een persoon ontvangt betreffende een of ander aspect van de realiteit is, in zijn waarlijk pure vorm, een inzicht in de Thora. Mozes, die het menselijke kanaal was waardoor G’D de Thora aan de wereld gaf, personifieert en belichaamt dus dit spirituele niveau.

En in het bijzonder, zegt de Arizal, personifieert hij de sub- sefira van Yesod van Abba. Yesod is de sefira van verbinding en overbrenging; al de voorgaande sefirot vloeien samen in Yesod en worden er door gekanaliseerd. In de gelijkenis die bestaat tussen de sefirot en het lichaam, correspondeert Yesod met de voortplantingsorganen.

Deze nadrukkelijke samenvloeiing is de oorsprong van sexuele zonde, door welk een persoon zij creatieve krachten in vele richtingen verspreidt in plaats van het te concentreren in één gewijd kanaal. In plaats van zijn creativiteit te gebruiken voor het bouwen en sterken van een familie, een achtergrond door welk het bewustzijn van G’ddelijkheid kan worden vergroot en vermeerderd in deze wereld, verspreidt hij het in de natuur, gevolgd door de teleurstelling aangeboden door de tijdelijke opwinding. Zo wordt ons dus onderwezen dat de verering van het Gouden Kalf niet alleen idolatrie maar ook orgie is. De heling natuurlijk moet er nadrukkelijk op gericht zijn om de spirituele focus terug te brengen naar waar die hoort, naar Mozes, het legitieme kanaal voor G’ddelijke energie en wijsheid in de Schepping.

Dus staat er geschreven, “En verzamelde de gehele gemeenschap”(Exodus.35:1) Het woord voor “gemeenschap” [in het Hebreeuws, “adat”] kan worden herschikt tot het woord “kennis” [in het Hebreeuws, “daat”].

Door zich te focussen op Mozes en het licht te zoeken van de Thora, bracht het Joodse Volk haar kennis van G’D terug in haar gepaste vorm. Dit wordt aangegeven door het feit dat de woorden voor “gemeenschap” en “kennis” exact de zelfde letters bevatten, alleen in een andere volgorde.

Bovendien hebben de woorden voor “gemengde menigte” [in het Hebreeuws, “erev rav” ook de zelfde numerieke waarde als het woord voor [“daat”]. Dit omdat zij ook dit [sublieme] aspect van G’ddelijkheid bezitten, hoewel enkel de residu’s.

Omdat zij eveneens de zonde van het Gouden Kalf begingen door samen te komen tegen Aaron, zoals staat geschreven “en het volk verzamelde zich rond Aaron”, benodigde zij een andere, [heilige] gemeenschap om hen te rectificeren, zoals staat geschreven: “En Mozes verzamelde de gehele gemeenschap”.

Aan de ene kant, ervoer de gemende menigte de G’ddelijke mirakels in Egypte en de G’ddelijke voorzienigheid toe het Joodse Volk had begeleid gedurende de daarop volgende drie maanden*, met als resultaat dat zij enigszins een bewustzijn hadden bereikt dat gegeven was aan het volk. Aan de andere kant konden zij, omdat hun motieven niet zuiver waren, niet volledig assimileren met het Joodse Volk zelf.

*De Exodus vond plaats op de 15e van de maand Nissan; de zonde van het Gouden Kalf gebeurde op de 16e van de maand Tamoez.]

Bovendien, aangezien zij zondigde door het woord “dezen” te gebruiken, zoals zij zeiden: “Dezen zijn jullie goden, O’Israël”, het tegenovergestelde [en heilige gebruik van dit woord] werd aangewend om hen te rectificeren toen [Mozes] zei [in de huidige context]: “Dit zijn de…… “

We zouden hebben verwacht dat de gemengde menigte tegen het Joodse Volk zou zeggen “dit is jullie god, O’Israël”, aangezien per slot van rekening er maar één kalf was. Het feit dat zij verkozen om hun bewering in de meervoudsvorm uit te drukken betekende, dat hun degenererende intentie zo groot was “dat zij er naar verlangden een menigte van goden te dienen”. (Rashi op Exodus. 32:1) Om deze aberratie te rectificeren moest de zelfde term worden gebruikt om hen terug te focussen in de gepaste oorsprong van spiritueel licht van Thora.

Aangezien iemand die afgoden dient wordt beschouwd als of hij de hele Thora heeft verloochend, gaf [Mozes] hen het bevel aangaande twee dingen die als gelijkwaardig aan de hele Thora worden beschouwd. [De eerste was] Shabbat, want een persoon die de Shabbat in acht neemt wordt beschouwd als of hij de hele Thora naleeft.

En zoals als we zeiden is idolatrie de bewering dat G’D ofwel niet bestaat ofwel Zijn macht heeft gedelegeerd aan ondergeschikten en geen directe betrokkenheid meer heeft met de wereld. Dus idolatrie is een duidelijke ontkenning van de boodschap van de Thora, welke exact het tegenovergestelde is: dat G’D existeert en dat Hij zeer intiem zorg draagt voor wat in de wereld omgaat.

Door het houden van Shabbat, verklaart de Jood dat G’D de wereld heeft geschapen. Door te rusten van werk stelt in de eerste plaats hij de Shabbat weer in, toen G’D ophield met het werk van de Schepping. Ten tweede, door het werk te laten rusten spreekt hij zijn vertrouwen uit dat G’D de wereld beheert en kan voorzien in zijn noden alhoewel hij niet de hele week werkt. Zoals bekend beschouwde de Romeinen de Joden als lui en traag vanwege het nemen van een vrije dag eenmaal per week.

[De tweede was] de constructie van het Tabernakel.

Het Tabernakel, de draagbare Tempel die het Joodse Volk construeerde en met zich mee droegen, was het instrument waardoor G’D’s aanwezigheid terugkeerde en in hun bewustzijn bleef. Zoals de Thora het uitdrukt: “Zij zullen Mij een heiligdom maken, opdat Ik te midden van[en in] hen kan verblijven”(Exodus. 25:8). Aangezien het Tabernakel het doel volbrengt van de Thora in het algemeen, de vestiging van een verblijfplaats voor G’D in deze wereld en in de mens zelf, werd zijn constructie ook als equivalent beschouwd aan de verwekelijking van de gehele Thora. Wat de Shabbat volbrengt in tijd, bereikt de Tempel in ruimte; Shabbat is een heiligdom in tijd, terwijl de Tempel een fysieke Shabbat is.

Het is in beide gevallen duidelijk, als we zeggen dat zij equivalent zijn aan het in acht nemen van de hele Thora, dat we niet bedoelen dat zij in de plaats treden voor het in acht nemen van de Thora. De mens heeft zowel in het algemeen als in het bijzonder de specifieke details nodig van hoe G’D in ons leven wordt gebracht door het houden van alle mitzwot van de Thora.
[Mozes] begon met de constructie van het Tabernakel met de mitzwa : “Zes dagen mag er werk verricht worden…..”(Exodus. 35:2) Dit verwijst [niet naar werk in het algemeen, maar specifiek] naar het bouwen van het Tabernakel, welke daarom is uitgedrukt in de gebiedende wijs.

Onze wijzen in de Talmoed leiden de categorieën van verboden werkzaamheden op Shabbat af van de typen van werkzaamheden die noodzakelijk waren voor de constructie van het Tabernakel. Hier kunnen we zien waarom dit zo is: zij zijn naast elkaar geplaatst als zijnde absoluut equivalent aan elkaar; als je het ene doet, benodig je niet het andere te doen en vice versa. Een Jood is voorbestemd om constant betrokken te zijn in het bevorderen van G’ddelijk bewustzijn in de wereld. Gedurende de week doet hij dit door “het bouwen van het Tabernakel” met andere woorden, de fysieke wereld geschikt maken voor G’ddelijke revelatie. Op Shabbat doet hij dit door het staken van activiteiten van het verbeteren, in plaats daarvan opent hij zichzelf alleen voor de G’ddelijke Aanwezigheid waarvoor hij de achtergrond gedurende de week heeft voorbereid. Dus het Tabernakel en de Shabbat zijn eenvoudig twee kanten van de zelfde medaille: de voorbereiding en de vervulling.

[Mozes gebruikte de lijdende vorm] en zei “mag er werk gedaan worden” in plaats van [de actieve vorm], “je zult werken” om aan te geven dat het werk op eigen kracht zal worden gedaan. Op de zelfde wijze is gezegd: “[geen hamer of bijl noch enig ander ijzer gereedschap werd gehoord] tijdens het bouwen van het Huis” (Koningen I. 6:7)

Op deze manier, “maar de zevende dag moet het iets heiligs zijn voor jullie zijn “ (Exodus. 35:2). Want je heiligt je zelf op de wekelijkse dagen, tijdens het bouwen van het Tabernakel, het zal zonder twijfel heilig voor je worden op Shabbat. Je zult een bijkomende staat van heiligheid ervaren en een bijkomend [niveau van] de ziel bezitten.

Als we beide condities vervullen, dat is, ons bezighouden met de fysieke wereld gedurende de week om het te verheffen tot heiligheid en het bewustzijn behouden tijdens dit proces dat we eenvoudigweg vertegenwoordigers zijn van G’D, zullen we door Shabbat ons volledig ontvankelijk hebben gemaakt voor de heiligheid die we in de wereld hebben gebracht en zullen volledig in staat zijn om het de gehele heilige dag te ervaren. De viering van de Shabbat zal niet een eenvoudige beëindiging zijn van werk, maar een tastbare ervaring van heiligheid in gebed, viering en fijn voedsel, Thora studie en sociaal familieleven. Zelfs de aardse aspecten van het leven zullen G’ddelijke dimensies aannemen en ontmoetingen worden met de wonderbaarlijke realiteit van G’D zelf. Dit wordt beschreven in de Talmoed als de familiare metafoor van het bezitten van een “extra ziel” op Shabbat.

Samen, vormen Shabbat en de Tempel de complete rectificatie voor de zonde van het Gouden Kalf, de ontkenning of verontreiniging van het idee van G’D’s verenigde aanwezigheid door hele de realiteit van ruimte en tijd.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT KI TIESSÁ

Wanneer je opneemt    Exodus. 30:11 – 34:35

RABBI SHIMON bar JOCHAI

ZWAARWEGENDE MENING

ZOHAR, p. 187b

Rebbe Shimon opent zijn verhandeling (betreffende de eerste woorden van de parasha welke “VeAta zijn in het Hebreeuws, “En je …(zult opleggen…).

Er is geschreven, “En U (VeAta), O G’D [Havayah ], verwijder U Zelf niet van mij; O mijn kracht, kom mij snel te hulp (Psalm. 22:20). Het woord “VeAta” [welke de heilige eenheid representeert van de spirituele dimensie van Noekva] en de naam Havayah [Zeir Anpin] zijn allen een eenheid. “….Verwijder U zelf niet.”

Dit is een meditatie over het feit dat de namen Havayah en Ado-nai verenigd zullen blijven in mijn bewustzijn en niet zichzelf verwijderen van mij, door te verdwijnen in of naar een hogere sfeer van spiritualiteit.

De naam Havayah  vertegenwoordigt het oneindige barmhartige aspect van het G’ddelijke, terwijl de naam Ado-nai het strikt oordeel representeert. Deze meditatieve verwoording, waar de naam Havayah de klein gedrukte letters van Ado-nai  in de laatste letter hei bevat, wordt in vele Sefardische gebedsboeken aangetroffen.

Wanneer deze twee aspecten van het G’ddelijk gesepareerd zijn, is het grote spirituele licht welke de mens in staat stelt om het G’ddelijke in al zijn aspecten van zijn leven te zien, vervaagd. Dan wordt G’ddelijke barmhartigheid op geen enkele wijze in deze wereld aangetroffen.

Deze separatie tussen het licht van het G’ddelijke, Zeir Anpin en Machoet/  is wat de destructie van de Tempel in de dagen van Jeremia veroorzaakte. Zelf nadien de Tempel was herbouwd keerde het licht van de G’ddelijke Aanwezigheid (de Shechina) niet in zijn geheel terug (Joma 21b).

Het feit dat de shechina niet terugkeerde wordt aangegeven in de naam van de profeet zelf die de destructie van de Eerste Tempel voorspelde: Jeremia.

Zijn naam kan gesplitst worden in twee delen: “Jarim“, wat opheffen betekent, en de letters joed-hei-vav, welke de letters zijn van de naam Havayah.  Vandaar dat zijn betekent naam, de opheffing van het G’ddelijke.”

Dit omdat het hemelse licht was opgeheven en niet terugkeerde naar zijn plaats, zelf niet na de herbouw van de tempel.

Maar de personae Jesaja bracht redding [voor het Israëlitische volk], de terugkeer van het hemelse licht naar zijn gepaste plaats, en de herbouw van de Tempel: en alle voormalige goedheden.

“Jesaja” in het Hebreeuws “Jishajahoe“. “Jisha” betekent redding, en de letters joed-hei-vav aan het einde van zijn naam zijn de letters van de G’ddelijke naam Havayah. Zijn naam representeert de terugkeer van het bewustzijn van het G’ddelijke naar zijn juiste plaats.

SHABBAT SHALOM