PARASHAT SHEMOT

Namen                  Exodus.1:1 – 6:1

De Geboorte Van De Ziel

Rabbi Jitzchak Luria

Sefer Halikoetiem

Egypte staat symbool voor de baarmoeder die de collectieve Joodse Ziel voortbrengt op het pad naar volwassen groei.

Deze parasha  begint met de woorden:

En dit zijn de namen van de zonen van Israël komend naar Egypte, met Jacob, iedere man kwam en zijn huisgezin. (Exodus. 1:1)

 Aangezien er zeventig facetten zijn ten aanzien van de Thora, een van deze woordelijke aanwijzingen heet in het Hebreeuws “remez”, zullen we dit vers op die wijze uiteenzetten. De afdaling van de Israëlieten naar Egypte verwijst naar de embryonale staat van de ziel in bepaalde omstandigheden in de moederschoot.    

Net zoals een lichaam vele botten en spieren en zenuwen heeft zo zijn overeenkomstig het aantal,de vermogens van de ziel verdeeld.

Het Hebreeuwse woord voor “Egypte”, “Mitzrayim”, betekent letterlijk “moeilijke omstandigheden” of “ begrenzing”, of “omheining”. Het is daarom een allegorie voor de beperking van de ziel als het zijn natuurlijke hemelse milieu verlaat en neerdaalt in de beperkingen van het fysieke, waar het een gedwongen realiteit ervaart binnen de parameter van tijd en ruimte.

 Met deze informatie kunnen wij de zin “En dit zijn de namen van de zonen van Israël” interpreteren als verwijzing naar de vermogens van de ziel, want juist zoals het lichaam botten en spieren en zenuwen heeft, heeft de ziel deze wezenlijke vermogens in de vorm van “komend naar Egypte”.

 Als we “Israël ” nemen om te refereren aan de ziel zelf, zijn de “zonen van Israël” de verlengingen van de ziel, haar intellectuele en emotionele vermogens. De ziel, of althans dat deel ervan dat wordt gekleed in het lichaam, wordt ontvangen als zijnde perfect aangepast aan het lichaam.

“……met Jacob verwijst naar het feit dat zij het kind binnengaan [intellectuele en emotionele vermogens], wanneer het kind zich nog in de baarmoeder bevindt, “met Jacob”, die de Yetzer Tov, de goede inclinatie.

Ergens anders wordt verklaard (Sanhedrin 91b) dat het kind wordt geboren alleen met de Kwade Inclinatie en de Goede Inclinatie wordt toegevoegd bij de aanvang van de besnijding (of bij geboorte, in het geval van een meisje) en komt volledig tot ontplooiing komt bij bar (of bat) mizwah.

Het vers gaat verder “…..”komend”, in plaats van “die kwam”, [in de verleden tijd], omdat G’D “de ziel vormt in de mens” (Zachariah 12:2), zoals is uitgelegd in de Zohar (II:94b), dat betekent dat indien iemand meer en meer spiritueel volwassen wordt, des te meer zijn ziel zichtbaar wordt in hem.

De zielsvermogens doen hun intrede beetje bij beetje. Dit is de betekenis van het vers, “Hij vormt de menselijke ziel in hem”, implicerend dat hoe meer het embryo ontwikkelt en groeit, des te meer de ziel binnen kan komen. Ons vers zegt daarom “komend naar Egypte” [in de tegenwoordige tijd, daarmee geeft het aan het proces van voortdurend binnen gaan, want de zielsvermogens doen hun intrede beetje bij beetje. Daarna bij de geboorte, wanneer [het embryo] een persoon is geworden, met andere woorden, een volledig ontwikkeld lichaam, kan de Thora refereren aan “iedere man en zijn huis”, verwijzend naar het lichaam dat een “huis” is geworden voor de ziel.

Het volgende woord, “kwam” geeft aan dat bij geboorte alle zielsvermogens geheel in het lichaam zijn binnengetreden.

SHABBAT SHALOM  

PARASHAT WAJECHÍ

En hij leefde     Genesis 47:28 – 50:26

Jacob representeert het gehele Joodse Volk, dat op zichzelf vele inhoudelijke aspecten heeft.

Rabbi Jitzchak Luria

Sefer HaLikoetiem

En Jacob leefde zeventien jaar in het Land Egypte.” (Genesis. 47:28)

Zoals we weten was Jacob ook bekend onder de naam, “Israël”.  Deze naam, werd de uiteindelijke naam voor het gezamenlijk bestaan van het Joodse Volk. De uitspraak: “de Kinderen van Israël” was aanvankelijk van toepassing op de directe zonen van Jacob, maar geleidelijk aan werd hiermee aangeduid “de Israëlieten”, als de hele natie en later werd de term “Israël”, zonder de “Kinderen van” gebruikelijk.

Aan Jacob wordt gerefereerd als “de gekozene van de Voorvaders”, want zijn wijze van het dienen van G’D was in bepaalde opzichten superieur aan die van Abraham en Isaac. Zo heilig als Abraham en Isaac waren in hun relatie tot G’D en ook in het dienen van G’D, bevatte elk van hen een element van onevenwichtigheid die uiteindelijk naar voren kwam als een imperfectie. Ongebreidelde liefde kan overgaan in liefde van verkeerde dingen; ongebreidelde vrees kan overgaan in vrees van de verkeerde dingen. Dit wordt aangegeven door het feit dat ofschoon Abraham Isaac voortbracht, hij ook Ishmael voortbracht en dat hoewel Isaac Jacob voortbracht, hij ook Esau voortbracht. Alleen Jacobs zonen waren allen rechtvaardig; want barmhartigheid tempert liefde en vrees en is relatief immuun voor ongepaste toewijding.

In de volgende passage analyseert de Arizal de namen van Jacob/Israël en laat hij zien hoe deze namen het geperfectioneerde G’ddelijk bewustzijn reflecteren. “Ja’akov” wordt gewoonlijk geschreven met joed, ayin, koef, bet. In zeldzame gevallen wordt een vav toegevoegd tussen de laatste twee letters om de klinker “o” aan te geven.

Te weten dat er drie aspecten zijn in relatie tot de naam van Jacob. De eerste wordt aangeduid door de naam “Ja’akov” in het Hebreeuws geschreven, zoals gebruikelijk is, zonder een vav. De tweede wordt aangeduid door de naam “ja’akov geschreven met een vav, zoals in het vers, “ En Ik zal Mijn verbond met Ja’akov herinneren” (Leviticus. 26:42). De derde wordt aangeduid door Jacobs andere naam “Israël” in het Hebreeuws, “Yisrael”.

Deze drie namen verwijzen naar de drie aspecten van de ziel, Nefesh, Roeach, en Neshama.  De Neshama wordt aangegeven door de naam Yisrael .

De Nefesh is de essentiële, leven gevende ziel, de levenskracht van het lichaam. De Roeach is het emotionele aspect van de ziel en de Neshama is het intellectuele aspect van ziel.

De Nefesh wordt aangegeven door de naam “Ja’akov”, geschreven zonder de vav. De Roeach wordt aangegeven door de naam “Ja’akov”, geschreven met de vav. De Neshama wordt aangegeven door de naam “Yisrael”.    

Zoals we al weten, worden deze drie beschouwd als één geheel.

We ervaren de werking van deze drie entiteiten normaal niet in ons bewustzijn omdat deze verdeling de wijze is waarop de ziel zichzelf in ons ontwikkelt en manifesteert.

De voorvaders worden evenzo beschouwd als één, zoals aangeven door de verklaring van onze geleerden in Bereshiet Rabba 63:3, dat Jacob Abraham werd genoemd, etc. 

De Midrash laat zien hoe de Thora verwijst naar de patriarchen en hun namen.

De drie G’ddelijke Namen, Eh-yeh, Havayah en Ado-nai, verwijzen respectievelijk naar de drie Sefirot van Keter, Tiferet en Malchoet.

Wanneer een specifieke Naam aan G’D wordt gerefereerd, betekent dit dat Hij handelt door de overeenkomstige Sefira, waarnaar die Naam verwijst, met andere woorden: de G’ddelijke Eigenschap manifesteert zich in die specifieke Sefira.

Tiferet  wordt geassocieerd met Jacob.

Tiferet is de centrale spil van de Sefirothische Boom en dienende Sefira van de zes midot -die bestaan in de gedaante van Zeir Anpin- en worden gepersonifieerd door Jacob. Het is het hart als de centrale as en spil, die reikt van het ene uiterste van de Sefirothische Boom naar de andere.

De linker en de rechter aslijn van de Sefirotische Boom strekt zich niet helemaal uit van boven naar beneden, alleen de middenas strekt zich van de top Keter, naar de bodem, Malchoet.

Abraham wordt geassocieerd met de rechter aslijn, die is gericht op Chesed en Isaac wordt geassocieerd met de linker aslijn, die is gericht op Gevoera. Dus alleen Jacob personifieert de G’ddelijke Kracht om naar alle niveaus uit te reiken, van het hoogste naar het laagste.

De esoterische betekenis van het vers is dan als volgt:  “En Jacob leefde zeventien jaar in het Land Egypte.” : Alle levenskracht en levensonderhoud van de wereld is afhankelijk van Jacob.

Het woord “Jacob leefde” wordt hier geïnterpreteerd als “en Jacob geeft levenskracht” in de betekenis van het oorzakelijke. 

En hij alleen is voorbestemd om in de wereld te blijven. Daarom is hij “Ja’akov” genoemd, gerelateerd aan het woord “hij zal volgen”, Hebreeuws, “ya’akeiv’.

Het G’ddelijke bewustzijn verpersoonlijkt door Jacob, brengt het G’ddelijk bewustzijn verpersoonlijkt door Abraham en Isaac in evenwicht. Op deze wijze is voorkomen dat de levenskracht wordt overgedragen aan de krachten van kwaad en zo kan Jacobs bewustzijn veilig afdalen naar de laagste niveaus van realiteit en hen succesvol transformeren, samen met de rest van de wereld als zijnde G’D’s huis.  

Vanwege het feit dat de oorsprong van G’ddelijk Bewustzijn zo hoog is, is het mogelijk door dit model om zo laag neer te kunnen dalen.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJIGÁSH

En hij naderde (Genesis 44:18 – 47:27)

Het paradigma van Hemel en Aarde manifesteert zich op alle niveaus van de Schepping: ziel en lichaam, “lichtstralen”en”vaten”, openbaring en verhulling, studie en daden, mannelijk en vrouwelijk, zelfbewustzijn versus onzelfzuchtigheid, etc.

Het lichaam is inherent superieur aan de ziel. Omdat de ziel dit gewaar is, gaat het akkoord met de verlaging in het lichaam. Maar in de huidige situatie van de wereld, is de ziel superieur en dient als bron van leven en hulp voor het lichaam. Het lichaam heeft de ziel nodig om zijn kracht te reveleren en te cultiveren. In de Messiaanse Tijd zal de superioriteit van het lichaam duidelijk worden.

De vrouw is inherent superieur aan de man. Zij heeft het vermogen om leven te scheppen. De man is niet in staat om leven te creëren. Doch, in deze wereld, heeft de vrouw de man nodig en moet hem ontvangen, om haar scheppingsvermogen te kunnen manifesteren. In de Messiaanse Tijd zal de vrouwelijke superioriteit duidelijk worden.

Daad, de praktische uitvoering van de G’ddelijke Wil, is superieur aan studie en G’ddelijk bewustzijn, liefde en vrees. Doch in deze wereld is “studie” superieur, aangezien het leidt [en cultiveert] naar daden. In de toekomst zal de superioriteit van de daad duidelijk worden.

En Jehoeda trad op hem (Josef) toe en sprak: In mij [gewoonlijk vertaald als ‘alstublieft’], mijn heer…” (Genesis. 44:18)

Josef en Jehoeda zijn representatief voor Hemel en Aarde.
“Josef “, betekent in het hebreeuws “toenemen, stijgen, groeien”.
Hij is als een oprijzende cederboom die grote hoogten bereikt. Hij isZeir Anpin van Atzlioet, de “emoties”van de sefirot, welke groei ervaart.
Jehoeda daarentegen representeert Malchoet van Atziloet, de onzelfzuchtige, vandaar zijn naam “Jehoeda”, van de hebreeuwse stam “hoda’a” wat erkenning en nederigheid betekent.
De Zohar schrijft, “En Jehoeda trad op hem (Josef) toe“, dit is het samenkomen van de ene wereld met de andere. Namelijk, de lagere wereld Machoet nadert de hogere wereld Zeir Anpin, om ondersteund en gecultiveerd te worden.
Dit was de vervulling van Josef’s droom waarin alle stammen, “vergaarde schoven”, zich rondom hem schaarden en bogen naar Josef’s schoof.

SHABBAT SHALOM

SHABBAT CHANOEKA PARASHAT MIKEETS.

CHANOEKA

WIE KENT HET CIJFER ACHT

 HET CIJFER ‘ACHT’ ROEPT ONS OP OM WONDEREN TE ZIEN IN DE NATUURLIJKE ORDE.

Het openlijke wonder van Chanoeka, het branden van het licht van de Menorah gedurende acht dagen, was niet toevallig, maar van intrinsieke betekenis.  De Thora informeert ons dat G’D de wereld had geschapen in zes dagen en dat Hij ophield met werken op de zevende dag, de Shabbat. Van het cijfer zes kan worden gezegd dat het de natuurlijke wereld representeert, die was geschapen in een tijd van zes dagen met zijn zes ruimtelijke richtingen, oost-west, noord-zuid, boven-beneden. Het cijfer zeven representeert G’D’s immanentie, de verhullende aanwezigheid van het G’ddelijke in het hart en middelpunt van deze wereld. Met andere woorden, zeven is de absolute ziel van zes, geheel doordringend, het doordringt met transcendente heiligheid en verheft naar perfectie. Het volgende cijfer, acht, representeert G’D’s transcendentie boven en in deze wereld. Zoals alle wonderen gebeurde Chanoeka vanuit het niveau van “acht”, dat wat boven de natuurlijke orde is. Echter het laatste wonder zijnde van zijn soort tot aan de komst van Mashiach, moest Chanoeka “acht” belichamen op een unieke bijzondere manier. Het moest “acht” uitademen.

In het Hebreeuws heeft het woord shemona (acht) exact de zelfde letters als hashemen (de olie), neshama (ziel) en mishna (overbrengend leer). Zoals is opgetekend in de Talmoed, betraden de Syrische Grieken de Tempel en bezoedelden al de rituele olie. Deze olie representeert het diepste niveau van de Joodse ziel. Het vertegenwoordigt het vermogen van de jood om te ontwaken uit de diepste slaap van verbanning, en om tot leven te komen zelfs [en misschien speciaal) onder de meest moeilijke omstandigheden. Alleen één kruikje pure olie werd gevonden, verzegeld met de zegel van de Kohen Gadol (Hoge Priester), de heiligste Jood, die het niveau van “acht” belichaamd krachtens en op grond van de acht speciale kledingstukken die hij droeg wanneer hij dienst deed in de Tempel.

De siddoer informeert ons dat het Mattityahoe de Chashmonai was en zijn zonen, die de Joden opriepen om de Thora te verdedigen en te vechten tegen de Grieken. De naam Chashmonai heeft twee componenten, de letter chet, de achtste letter van het alef-bet, gevolgd door het woord voor olie, shemen. Dus de Cha-shemonai familie belichaamt het vermogen van Acht. Acht gebaart ons om de limitaties van tijd en ruimte te boven te gaan.

Acht” gebaart ons om de limitaties van tijd en ruimte te boven te gaan, om door de wereld te zien die G’ddelijkheid verhult en onze zielen dreigt te overspoelen met materie. “Acht” roept ons op om wonderen te zien in de natuurlijke orde, in vertwijfelde momenten van ons individuele en collectieve leven, in het verborgen pad van G’ddelijke Voorzienigheid die ons leidt.

“Acht” kan ons oproepen van onze collectieve slaap. Door ons te herinneren aan de tijd wanneer G’D inderdaad openlijk “interfereerde” in de “natuurlijke” orde van de geschiedenis, het versnelt onze verwachting van de openbaring van G’D’s verlossing die we verwachten in onze tijd.

CHAK SAMEACH CHANOEKA

PARASHAT MIKEETS        Aan het einde   Genesis.41:1 – 44:17

G’D zal een antwoord geven, G’D weet de interpretatie van dromen en informeert bepaalde uitzonderlijke mensen over die interpretatie.

Jozef antwoordde Farao, zeggende: ”Niet ik, [maar] G’D zal een antwoord geven [dat] vrede aan Farao  [zal brengen].” (Genesis. 41:16)

Zohar I, p. 195

Kom en zie: Een persoon zal nooit zijn mond openen om kwaad te spreken, want hij weet niet wie zijn woord ontvangt en wanneer iemand het niet weet, kan hij struikelen. Wanneer de rechtvaardigen hun mond openen, doen zij dit vreedzaam. Toen Josef zich richtte tot Farao, zei hij eerst, “Elokiem zal Farao een antwoord geven in vrede.” Rabbi Jehoeda zegt: We hebben geleerd dat de Heilige, geprezen zij Hij, zorgt voor de vrede van het koninkrijk, zoals staat geschreven: “en Hij gaf hen een taak, aan de kinderen van Yisrael en aan farao, de Koning van Egypte.”   

Rahmiel Hayyim, Pardes HaBahir.

Ons wordt gezegd dat als de Wijzen bidden op een vloeiende wijze, dan wisten zij dat hun gebed werd ontvangen. Wanneer we zijn verbonden, vloeit de stroom van woorden moeiteloos zoals water gaat door een pijp. Wanneer we worden afgeleid, zijn we  in een staat van disconnectie en kan er geïnterrumpeerd worden met tussenpozen.

Misschien is het G’D wel die de woorden in onze mond legt, wellicht op een wijze zoals in het Boek Deuteronomium, waarin de Shechina sprak door Mozes en het aan iemands eigen individueel niveau is om het te kunnen overbrengen.

Eén van de dingen die moet nagegaan worden voor een mogelijke tzaddiek is wat uit haar of zijn mond komt. Alles moet goed zijn, zonder enige ruwheid of bitterheid en er moet een schitterende glans zijn op zijn of haar gezicht wanneer zij spreken. Zij Zien en Horen waarlijk geen kwaad en Spreken geen kwaad. De rechtvaardige familie in de traditie van Josef HaTzaddiek heeft G’Ds Spraak als een tweede natuur, nooit moraliserend, nooit exclusief, nooit verdeeldheid zaaiend, altijd hartelijk.

Mag het zijn dat we onze door G’D gegeven eigenschap van spraak alleen gebruiken voor het goede en alleen voor G’D’s glorie.

SHABBAT SHALOM – SAMEACH CHANOEKA    

PARASHAT WAJEESHEV

 Egypte en Farao representeren de krachten die het intellect verhinderen om de emoties te beïnvloeden.

 Thora Ohr 58b, 71d, 102c.

 “De voornaamste van de schenkers en de voornaamste van de bakkers…..de voornaamste van de slagers…” (Genesis. 40:2:3)

 Egypte en de Farao representeren allegorisch de krachten die het intellectuele inzicht verhinderen om de emoties van het hart te beïnvloeden. Wanneer we intellectueel G’ddelijkheid waarnemen, zijn het deze krachten die de perceptie naar het hart afhouden om een emotionele respons van liefde en ontzag voor G’D te creëren.

De Farao creëert deze disconnectie door middel van zijn leiders die aan het hoofd stonden van de slagers, van de schenkers en van de bakkers. Deze drie oversten representeren de mateloze sensuele en wereldse genoegens, die iemand afleiden van G’ddelijkheid.

Door zijn interactie met deze drie leiders overwon Josef hun spirituele tegenhangers en verhief de vonken van heiligheid die in hen verbleven. Door bijvoorbeeld te verblijven in het huis van het hoofd van de slagers, overwon Josef de passie voor fysieke genoegens en transformeerde hij het in een gepassioneerde liefde voor G’D.

Doordat Josef de obstakels voor een beïnvloeding wist te overwinnen stelde hij het joodse Volk in staat tot een spirituele groei zowel voor degene die tot slaaf werden gemaakt in Egypte als voor degenen die zouden lijden in toekomstige verbanningen.

 SHABBAT SHALOM  

PARASHAT WAJISHLÁCH

En hij zond (Genesis 32:4 – 36:43

Rabbi Shimon bar Jochai

Zohar, P. 166b

De eerste woorden die Jacob aan zijn boodschappers gaf, om tot Esau te zeggen, bevatte een zeer belangrijke lering in de omgang met vijanden; maak hen bang.

Rabbi Jehoeda zegt: “Wat zag Jacob [wat hem deed besluiten] in het overbrengen [de boodschap] aan Esau, dat hij bij Laban heeft gewoond. Welk resultaat verwachtte hij in het zenden van z’n een boodschap aan Esau [zou het hem verzoening brengen?]. Eerder wist men in de [toenmalige] wereld, hoe onsuccesvol je kon zijn, om verschoond te blijven van de [bedrieglijke en onbetrouwbare] Laban, de Arameeër.

De specifieke naam “Aramee”, in het Hebreeuws “Arami” kan, na herschikking, “ramai” gespeld worden, wat “oplichter”betekent. Letterlijk betekent Laban “wit” of “puur” zodat Laban fameus was in het zich altijd voordoen van pure intenties, maar daartegen zeer sluw en bedrieglijk was met het in de val lokken van zijn slachtoffers, zelfs als zij van tevoren gewaarschuwd waren. Hij was een zeer gevaarlijk en onbetrouwbaar persoon.

Hij was een tovenaar in magische formules, een meester magiër. Hij was de vader van Be’or die de vader was van [de Jood hatende] Bil’am. Aldus is geschreven “Bil’am de zoon van de tovenaar Be’or.” (Jehoshoea. 13:22)
Laban was meer ervaren in magie dan wie dan ook [in zijn generatie], maar zelfs met al deze ervarenheid en kennis, kon hij Jacob geen kwaad berokkenen, al probeerde hij op verschillende wijze zijn destructie te veroorzaken, zoals staat geschreven, “Een Arameeër probeerde mijn vader te vernietigen” (Deuteronomium. 26:5)

Rabbi Aba zegt: “De hele [toenmalige] wereld was op de hoogte van het feit, dat Laban de leidinggevende figuur was over al diegenen die ervaren waren in magie, en wie hij dan ook wenste te vernietigen met zijn magie, kon onmogelijk aan hem ontsnappen. Alle kennis die Bil’am had vergaard, kwam van hem, en het is gezegd van Bil’am [toen Balak hem zond om Israël te vervloeken], “Want ik weet, dat wie van u een zegen ontvangt gezegend is en wie van u een vervloeking krijgt ook vervloekt is” (Numeri. 22:6).

De geleerden wijzen op het punt dat de grammatica van deze zin, in het Hebreeuws laat zien dat, wie hij ook zegent, reeds gezegend was. M.a.w hij kon diagnoseren of een persoon reeds gezegend was en doen alsof hij hem zou kunnen zegenen. Wanneer de zegen werd verwezenlijkt, eiste hij zijn aandeel. Echter, wanneer hij iemand vervloekte, had deze vervloeking direct effect.

De hele [toenmalige] wereld was bang voor Laban [en zijn tovenarij], zodat de eerste woorden die Jacob naar zond Esau waren “Ik heb gewoond bij Laban”. [Hij trachtte te zeggen] “Indien je zegt dat het alleen maar voor één maand of een jaar zou zijn, dan is dat niet het geval.” Integendeel, ik verbleef [bij hem] tot nu. Twintig jaar verbleef ik bij hem, en als je zou zeggen dat ik met lege handen terug kwam, [dat is de reden van de toevoeging] dat ik een os en ezel had [toen ik vertrok]. Deze twee zijn vertegenwoordigers van streng oordeel. Wanneer zij bijeen zijn, schaden zij de wereld.

Jacob hanteerde het enkelvoudige vorm van de woorden, in plaats van vee en ezels, om Esau duidelijk te maken dat de fysieke manifestatie, van de rijkelijke giften aan hem, een bewijs waren van het feit, dat hij geslaagd was om Laban te beheersen. In de Talmoed is de os een fundamenteel voorbeeld in het veroorzaken van schade en de ezel symboliseert lust en onreinheid. Wanneer de kracht van een os is gekoppeld aan de halsstarrigheid van een ezel, wordt schade berokkend aan de wereld. Deze zijn oer typische krachten en symboliseren een ongeremd, egocentrisch gedreven vermogen.

Het is daarom dat er staat geschreven, “Ploeg niet met rund en ezel tegelijk” (Deuteronomium. 22:10).

Omdat alles wat wij doen in deze wereld de spirituele domeinen beïnvloedt, het samenbrengen van deze twee krachten versterkt hun spirituele tegenhangers en is daarom verboden.

Esau, [na het horen van dit alles] werd angstig en begaf zich onmiddellijk op weg, om vrede te sluiten met Jacob. Esau werd dus net zo bang voor Jacob als Jacob was voor Esau.

Opgemerkt moet worden dat Jacob de sefira van tiferet representeert, welke twee tegenovergestelden samenbrengt en eveneens waarheid vertegenwoordigt. Jacob zei de waarheid; hij bezat dit alles. Zijn woorden echter, hadden een dubbele bedoeling. De slechte Esau, zoals Jacob voorzag, relateerde naar deze woorden vanuit zijn eigen culturele achtergrond van afgoderij en bijgeloof. De strategie werkte en Esau werd bang genoeg om voor vrede te kiezen, in plaats van oorlog.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJEESHEV

En hij zette zich (Genesis 37:1 – 40:23)

We moeten altijd uitgaan van de stelling, dat heel Israël wordt gezien als nèfèsh echad, één ziel, één levenskracht. Israël als geheel wordt aangehaald met de titel adam. Als geheugensteuntje voor dit feit dienen Ja’akov’s familieleden, zesenzestig in aantal, welke verhuisden van het land Kana’an naar Egypte in Genesis 46,26 en waar zij verwezen worden als nefesh, ziel, of persoon, in het enkelvoud. Juist zoals een lichaam 248 ledematen en organen heeft, bestaat het nationale Joodse lichaam, adam, eveneens uit een groot aantal delen.
De Zohar verwijst naar deze delen als sheeivà degoeva, spaanders of splinters van een lichaam.
Er zijn uiteraard importantiverschillen tussen de diverse delen van een regulier lichaam. Dit geldt eveneens in de beschrijving van de lichaamsdelen die de Joodse Natie vormen. Er is een hart, een oog, een hand, etc. Echter, juist zoals alle delen verenigt een heel lichaam vormen, vormen alle delen van de Joodse Natie een unit. De unit, gecreëerd door deze verschillende delen, verenigt en vormt vervolgens in zich, de markawa, voertuig, de spirituele tegenhanger van de terrestrische mens in de Celestische Regionen.
Deze celestische adam is verstandelijk waarneembaar als zittend op de troon welke één van de 248 spirituele ledematen en organen is dat de basis vormt van 248 positieve geboden, welke, indien uitgevoerd door de terrestrische mens, zijn ware bron van leven is “oeshmartem èt-choekotai we’èt- mishpatai asher ja’asèotaam ha’adam wachai bahem ani hashem” “Houden jullie je aan Mijn wetten en aan Mijn rechtsvoorschriften; de mens die deze nakomt zal er door leven”. (Leviticus 18,5)
Met als resultaat dat een persoon die zich separeert van de gemeenschap en een lifestyle nastreeft die niet acceptabel is aan 18,5, zich afzondert van het leven. Als een ledemaat zich losmaakt van zijn lichaam, zal hij sterven.
Dit is de betekenis van het opleggen van een chèrem, een ban, of excommunicatie. Z’n persoon is op weg naar chormah, vernietiging. (Deuteronomium 1,44)
Daarom is de numerieke waarde van het woord chèrem, 248. Israël’s essentiële voordeel over de andere volkeren is, dat het een samengesteld geheel vormt, een unit. Onze wijzen hebben dit duidelijk onderstreept toen zij het Shabbat Mincha, middaggebed, hebben samengesteld waarin zij benadrukken dat juist zoals G’D uniek is in Zijn één zijn, ook Israël uniek is in het zijn van één enkel unit als een volk.
Net zoals is gezegd van de Onuitsprekelijke Naam “G’D is ÉÉN en Zijn Naam is ÉÉN,” (Zacharia. 14,9) zo zijn Ja’akov en de twaalf stammen de parallel van de twaalf combinaties waarop de Onuitsprekelijke vierletter Naam van G’D kan worden geschreven. En de Zohar op parashat Wajeetsée verklaart: De verhouding tussen ‘Ja’akov en de twaalf stammen’ en ‘Josèf en de twaalf stammen’ is respectievelijk analoog aan de verhouding tussen “hashem èchad, G’D is ÉÉN” en “weshemo èchad, Zijn Naam is ÉÉN”.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT TOLEDOT JITSCHAK

Rabbi Shimon bar Jochai

Zohar, P 140b

In ons Zohar gedeelte hieronder, bespreekt Rabbi Jehoeda de vraag, waarom Abraham en Jitschak honger door hongersnood in hun respectievelijke levens moesten ervaren.

Kom en zie, wanneer de Heilige, geprezen zij Hij, wil schijnen in iemands ziel, Hij raakt het lichaam [om het te verzwakken] zodat de ziel erover zal heersen. Dit is omdat, zolang als de ziel [gelijk in kracht] is in het lichaam, heeft zij geen controle over dat lichaam. Wanneer het lichaam is gebroken, verzwakt, kan zij [de ziel] er over heersen.

Dit is de diepere reden achter ziekte en tragedie in iemands persoonlijke leven. Het is de wijze waarop G’D de verheffing van het spirituele over het fysieke bewerkstelligt. Het verklaart tevens ook de hogere spirituele vermogens van de gehandicapte en verklaart waarom wij vasten. Ascetische praktijken hebben de zelfde uitwerking.

Dit is wat er is geschreven, “G’D test de rechtvaardige; maar de niet rechtvaardige en degene die van geweld houdt, haat Hij [zijn ziel]” Psalm.11:5). Wat betekenen de woorden “G’D test de rechtvaardige”? Dit is wat er is geschreven op een andere plaats: “Zie, Ik leg in Zion een fundatie steen, een geteste, kostbare hoeksteen, een verzekerde fundatie” (Jesaja. 28:16). [Dus “geteste” betekent, uitzonderlijk sterk]. Dit is het zelfde als het testen van de rechtvaardigen. G’D sterkt hem, om als die geteste steen te worden die een kostbare hoeksteen is. Dit is de betekenis van de woorden “G’D test de rechtvaardige”.

Deze stenen waren in feite de stenen in het midden van het gewelf. Zij moesten uitzonderlijk sterk zijn omdat het gewelf het dak ondersteunde en het middelpunt van het gewelf, het centrale punt, alle druk moest weerstaan. De vertaling “hoeksteen” kan enigszins misleidend zijn, men kan denken aan stenen in de hoek van een muur, in plaats van een steen in het midden van een gewelf.

En [het tweede gedeelte van het vers zegt] “…..de slechte en hij die van geweld houdt, hij haat [zijn ziel]”. Wat is de [letterlijke] betekenis van de worden “hij haat zijn ziel”? Verdrijf elke gedachte die bij je opkomt,dat de ziel van G’D [die als enige geheel barmhartig is] slechten haat. Maar van het niveau, waar alle zielen van afhangen [de Shechina] haat de ziel van degene die van geweld houdt en op geen enkele wijze bereid is om zich aan Hem te hechten, hetzij in Deze Wereld of in de Komende Wereld. Om die reden staat er geschreven, dat de slechte en liefhebber van geweld [in het Hebreeuws, “hamas”] zijn ziel haat, in de betekenis van, Zijn ziel [de Shechina].

De heilige Shechina keert zich af van de gewelddadige, die een werktuig is geworden van de “andere zijde”. Wanneer de gewelddadige sterft aan een gewelddadige dood, continueert de afkeer van de heilige Shechina ten gevolge van het versmaden van de heilige Shechina tijdens zijn leven. Er bestaat zelfs een terroristische groep die de naam “Hamas” gebruikt, die gewelddadige handelingen uitvoert en ondanks alles gelooft, dat zij daardoor een bevoorrechte plaats verkrijgen in het hemelse paradijs. Hier leren wij dat het tegenovergestelde waar is.

Een andere interpretatie van de woorden “Hij haat zijn ziel” is dat het betekent: “Zijn ziel [de Shechina] haat de ziel van de slechte”. Zoals is geschreven: “De Eeuwige G’D heeft gezworen bij Zijn Ziel [in het Hebreeuws, “nafsho”]. (Amos 6:8)

Alle ernstige verwensingen zijn in de sefira van Malchoet, welke “nafsho” genoemd wordt. Dit betekent dat Malchoet, ook bekend als de Shechina, de Nefesh is van Hem, waar “Hem” of “Zijn” in een vers wordt aangehaald, is Zeir Anpin. Dus de Nefesh van G’D is de Shechina, Zijn Roeach is Zeir Anpin. Het woord “nafsho” verwijst naar de eenheid van de twee. Deze eenheid is volledig afwezig in de ziel van de slechte.

Daarom worden de rechtvaardigen getest [omdat zij weerstand kunnen bieden aan het geweld van de slechte en, om in staat te zijn, de rechtschapenheid van G’D te laten zien].

SHABBAT SHALOM

PARASHAT CHAYEE SARA

Het is een grote mitzwa om de doden te begraven en te eren en zich speciaal veel moeite te geven in het eren en loven van een Thorageleerde en te treuren over zijn heengaan. Abraham leert ons dit zoals de Thora weergeeft: “wejawo avraham lispod lesara welivkotá,” “Abraham kwam om te weeklagen over Sara en om haar te bewenen. (Genesis. 23,2)
Dit ondanks het feit dat deze opdracht niet als een separaat positief gebod deel uitmaakt van de 613 geboden, is het mede opgenomen in het algemene gebod, “wehalèchet bidragav” “trachten G’D’s wegen te evenaren”; juist zoals Hij de doden begraaft (aanhalend het begraven van Mozes door G’D) zo wordt ook aan jou opgelegd om de doden te begraven.

Het hele thema van begraven is verbonden met Genesis 3,19: “kie-afar àtá weèl-afar tashoev,” “want stof ben je en tot stof zul je terugkeren.”
Adams origine was stof van aarde. Onze wijzen karakteriseren de handeling van G’D als het nemen van aarde van de plaats die beschreven is in Exodus. 20,21: “mizbach adama taàsè-lie,” “Maak voor Mij een altaar van aarde” (Talmoed Jeroeshalmi, Nazir 7,2).
De wijzen beschrijven eveneens dat G’D een beetje stof nam, van elk deel van de wereldbol, zodat, waar dan ook een mens kwam te overlijden, de plaatselijke aarde zijn overblijfselen niet zou weigeren, aangezien hij daar deel van uitmaakt (Rashi, Genesis 2,7).
Beide verklarende uitspraken zijn accuraat en wijzen in dezelfde richting.
Het is algemeen geaccepteerd dat Adam, alle opeenvolgende generaties van de mensheid in zich verenigt, want hun existentie was enkel en alleen door hem. Onze wijzen beschrijven de latere opéén volgende mensheid als zijnde gerelateerd aan Adam door zijn hoofd, zijn ogen, zijn haar, etc. [In huidige termen betekent dit, dat onze genen deel uitmaakten van de genen van Adam.]
Zelfs in de dood is de mens niet volledig gescheiden van Adams origine; Adam was gecreëerd van heilige grond, grond,vanuit de plaats van het altaar van aarde. Dat brok aarde op zijn beurt, bevat aarde van alle delen van de wereld, aangezien die plaats, de plaats is waarvan de gehele aarde zijn voeding ontvangt.
Had Adam zich niet negatief gedragen, zou hij voor eeuwig hebben geleefd. Maar omdat hij zich negatief had gedragen, werd hij verdreven uit de Tuin van Eden, omdat G’D hem wilde weerhouden te eten van de boom van het eeuwige leven en daardoor voor eeuwig zou leven. Hij werd sterfelijk.
Het ervaren van de dood wanneer het gaat om het sterven van een Zijn toegewijde, is iets zeer kostbaars in de ogen van G’D (Psalm. 116,15), want het stelt de mens in staat om terug te keren naar zijn verheven plaats in Gan Eeden, Tuin van Eden, om voor eeuwig te leven. Eenmaal daar, zal zijn ziel stijgen naar immer hogere niveausferen. De reden dat Adam was begraven in de grot van Machpela is, omdat zij een opening is naar Gan Eden. De Zohar op Chayee Sara, pagina 28 van de Soellam editie zegt: Abraham herinnerde zich een verborgen teken in de grot nadat hij had gezien dat Adam en Chava daar waren begraven.
Hoe kon hij dat weten? Per slot van rekening, had hij ooit Adam en Chava gezien?
Hij had een visioen van Adam die een deur opende naar Gan Eden. Adam had in Gan Eden een bepaalde tijd geleefd, het was daarom passend dat hij daar aangrenzend werd begraven. De Zohar vervolgt dat iedereen die een visioen heeft van Adam onmiddellijk zal sterven. Abraham echter, zag een geestelijke verschijning van Adam en overleefde. Hij hield het licht in de grot in stand door het branden van één kaars. Vanaf dat moment had hij het verlangen om eveneens daar begraven te willen worden. Tot zo ver de Zohar.
Ofschoon we hebben verklaard dat alle opéén volgende generaties na Adam elementen van hem in zich dragen, is de link naar Adam er alleen via de patriarchen, die als het ware als een soort tussenpersoon fungeerden.
Abraham, Izaak, Ja’akov zijn de enige mensen die, awot, vaderen, Patriarchen, worden genoemd. Het zelfde geldt voor de Matriarchen. Alleen Sara, Rebecca, Rachel en Lea worden imahot, moeders, Matriarchen genoemd.
Wij worden als hun kinderen beschouwd, aangezien zij de wortels, de stam, zijn en wij de takken.
Maar dit proces nam zijn aanvang primair met Adam en Chava, die beide tezamen adam, mens, genoemd worden.

SHABBAT SHALOM

OPGEDRAGEN TEN NAGEDACHTENIS VAN LEVI BEN JEHOEDA.

PARASHAT WAJERA

En Hij verscheen   Genesis.18:1 – 22:24

Sodom en Gomorra belichamen de gevallen versie van het Licht van Tohoe

 En G’D liet het regenen over Sodom en over Gomorra, zwavel en vuur van G’D uit de Hemel en bracht deze steden en de gehele vlakte ten onder met alle bewoners van de steden en de vegetatie van de grond. (Genesis. 19:24)

“Zwavel en vuur van G’D uit de Hemel en bracht deze steden”…..: Alle steden van de vlakte gingen ten onder, maar alleen Sodom en Gomorra werden vernietigd met zwavel en vuur. De steden Admah en Tzvaim werden primair bestraft voor hun kwaadaardigheid jegens G’D, terwijl Sodom en Gomorra primair werden gestraft voor hun kwaadaardigheid jegens G’D en de mens, G’D vernietigde Sodom en Gomorra volkomen. De wereld van Tohoe werd vernietigd zodat de wereld van Tikkoen kon worden opgebouwd uit haar ruïnes.

In Kabbala, belichamen Sodom en Gomorra de gevallen versie van de Lichten van Tohoe, intens en afzonderlijk denkende G’ddelijke energieën die niet konden worden begrensd en vastgehouden en niet gelijktijdig konden bestaan. Dit  afzonderlijk denken wordt gereflecteerd in het egoïsme van Sodom. Dus Sodom en Gomorra moest geheel worden verwoest, net zoals de wereld van Tohoe was verwoest, zodat de wereld van Tikkoen, de wereld met minder intense Lichten en meer concrete vaten, kon worden opgebouwd uit haar ruïnes.

De ultieme ervaring is dan wanneer de oneindige lichten van Tohoe zijn opgenomen in de eindige vaten van Tikkoen. Dus wanneer Ezechiël profeteert (Ezechiël. 16:53) dat in het Messiaanse tijdperk deze steden zullen worden gerehabiliteerd, refereert hij ook aan de Lichten van Tohoe, die uiteindelijk zullen worden geïntegreerd in de vaten van Tikkoen.

Shabbat Shalom