PARASHAT TAZRIA – METZORA

Zij geeft zaad – Melaatse Leviticus. 12:1 – 13:59, 14:1 – 15:33

RABBI SHIMON BAR JOCHAI

Het zuiveren van Adam

Zohar III p. 48a.

Als een mens (in het Hebreeuws, ‘adam’) in de huid van zijn vlees….[ een melaatsachtige infectie heeft] (Leviticus. 13:2)

We hebben geleerd dat mensen [in de Thora] op [vier] verschillende wijze worden verwezen naar: “adam”, “gever”, “enosh” en  “ish”. (Shabbat 54b) [Al deze namen hebben dezelfde betekenis, “een mens”, maar] de meest aanzienlijke onder hen is “adam“, zoals is geschreven: “G’D schiep de mens [“adam‘] naar zijn beeld”(Genesis. 1:27); “Want naar het beeld van G’D heeft Hij de mens [“adam‘]  geschapen” (Genesis. 9:6). Deze versregels hanteren niet de termen ““gever”, “enosh” en  “ish”.  Vanuit deze verzen kunnen wij concluderen dat de titel “adam” verwijst naar een mens van G’ddelijke status.

In feite zijn deze titels coderingen voor de vier niveaus van de ziel en corresponderen zij naar de vier werelden, respectievelijk: “Adam” is het niveau van de ziel die“Chaya” wordt genoemd (aangeduid in de Zohar als “Neshama van de Neshama“), welke zich manifesteert in chochma, en correspondeert met Atziloet; “gever” is het niveau van de ziel die “Neshama“wordt genoemd, welke zich manifesteert in bina en correspondeert met Beriya; “enosh” is het niveau van de ziel die “Roeach” wordt genoemd, welke zich manifesteert in de zes emotionele eigenschappen van Zeir Anpin en correspondeert met Yetzira; ´ish“is het niveau van de ziel wat “Nefesh” wordt genoemd, welke zich manifesteert in malchoet en correspondeert met Asiya.

Adam

Chaya

Chochma

Atzilut

Gever

Neshama

Bina

Beryia

Enosh

Ruach

Zeir Anpin

Yetzira

Ish

Nefesh

Malchut

Asiya

Echter Rabbi Jehoeda zegt: Maar het staat geschreven, “Wanneer een persoon [adam] een verzoeningoffer brengt aan G’D” (Leviticus. 1:2). Schijnt dit de stelling te weerleggen dat “adam” de meest aanzienlijke titel of benaming is voor de mens, omdat, wie moet een verzoenend offer brengen? Een zondaar, en toch wordt de term “adam” gebruikt!

Hoe kan dit van toepassing zijn op een persoon die op het niveau van Chaya-chochma- Atziloet is?

Rabbi Jitzchak antwoordt: De [fysieke] wereld en de hogere en lagere werelden worden allen gedragen door de offergaven, welke een groot genoegen zijn voor de Heilige, Geprezen Zij Hij. Nu, wie is geschikt om een offergave te bieden die G’ddelijk genoegen teweeg brengt? Alleen de meest achtenswaardige persoon die “adam” genoemd wordt! 

M.A.W. alleen een persoon op het hoogste niveau heeft de mogelijkheid om hemel en aarde te dragen.

Rabbi Jehoeda reageert: Maar het vers, “Als een mens in de huid van zijn vlees een lepra-infectie heeft….zal hij voor Aaron gebracht worden” (Leviticus. 13:2) en “Wanneer een mens is getroffen door een lepraplaag zal hij voor een priester worden gebracht”(ibid. 13:9) schijnt dit te weerleggen?

[Rabbi Jitzchak legt uit]: Het is juist zo een persoon wie de Heilige, Geprezen Zij Hij, wenst te zuiveren, meer dan iemand anders. Een persoon op een hoog spiritueel niveau zal niet blijven zoals hij is [zonder rectificatie]. En om die reden verklaart het vers, …”hij zal voor Aaron worden gebracht” en “hij zal voor een priester worden gebracht”. Het zegt niet, “hij zal komen of gaan”, maar eerder, “hij zal worden gebracht” [door anderen]. Want iedereen die zo een persoon ziet is verplicht om hem voor een priester te brengen, aangezien een mens van dit heilige gehalte niet kan blijven in de staat zoals hij is.

Omdat de werelden niet kunnen worden ondersteund zonder zo een persoon, is het in ieders voordeel dat zo iemand zal wordt genezen. De enige vraag die overblijft is hoe een persoon van zo’n hoog spiritueel niveau getroffen worden door melaatsheid? Commentatoren verklaren dat ofschoon zo’n persoon alles binnen zijn mogelijkheid heeft gerectificeerd, er nog altijd kleine hoeveelheden spirituele verspilling overblijf, die een boven natuurlijke infectie veroorzaken in zijn buitenste niveaus, zijn huid. In feite, vóór de infectie is bestempeld door een priester als “onzuiver”, is het een zeer hoog niveau van G’ddelijke illuminatie, ofschoon het aspect bekend is als “ferme strengheid”. Om deze rede moet hij voor de priester worden gebracht, de mens van chesed (barmhartigheid), die de mogelijkheid heeft om harde strengheid te verzachten en het om te zetten in pure goedheid. ( Rabbi Shneur Zalman van Liadi, Likoetei Thora, Tazria 22b)

SHABBAT SHALOM

PARASHAT SHEMINI

RABBI SHIMON BAR JOCHAI

ZOHAR, p. 38b

Blijheid Boven, Blijheid Beneden

En Mozes zei tegen Aaron, en tegen diens zonen El’azar en Itahamar: Laat jullie haren niet wild groeien en scheur jullie kleren niet in, anders zouden jullie sterven en zou Zijn woede zich tegen de gehele gemeente keren, maar jullie broeders, het hele Huis van Israël zullen wenen over de brand die de Eeuwige heeft aangestoken. Bovendien, ga niet weg van de ingang van de tent der samenkomsten opdat jullie niet sterven, de zalvingolie is immers op jullie.” (Leviticus. 10:6;7)

Rabbi Aba verwoordt een algemene regel om de uitleg van de diepere betekenis van deze opdracht te vergemakkelijken, welke Aaron en zijn twee overgebleven zonen ontvingen na de dood van Nadav en Avihoe: Elke handeling Beneden brengt handelingen teweeg [in de spirituele werelden] Boven, en de handelingen Beneden moeten lijken op vorm van de handelingen Boven [om effectief te zijn].

Kom en zie, al het geluk Boven is afhankelijk van die heilige olie [het bewustzijn van chochma], want van daar vloeit vreugde en zegeningen naar alle lichten. En de Hemelse Priester [gerelateerd aan chesed] is gekroond met de vloed van olie [ chochma bewustzijn]. [Hij ontvangt die overvloed eerst, en] daarom moet de Priester, hij die symbolisch is gezalfd met de heilige zalvingolie, parallel met de hogere spirituele werelden, een stralend gezicht en vreugde uiten.

Onverzorgd haar en gescheurde kleding tonen een gebrek aan meditatieve vreugde en veroorzaken als zodanig schade aan de corresponderende spirituele sefirot in Zeir Anpin. Onverzorgd haar, een teken van rouw en een gebrek aan interesse met de uitwendige verschijning van het hoofd, veroorzaakt een onvolkomenheid in de drie Sefirot van bewustzijn in Zeir Anpin en gescheurde kleding [ook een teken van rouw] veroorzaakt een onvolkomenheid in de zeven lagere sefirot van Zeir Anpin.

De Priester moet eerder compleet zijn in al zijn fysieke aspecten, op de zelfde wijze als de spirituele tegenhanger die hij vertegenwoordigt. Hij zou geen enkele onvolkomenheid mogen tonen zodat geen smet wordt veroorzaakt Boven.

Kom en Zie. Als El’azar en Itahamar de traditionele tekenen van rouw hadden getoond voor hun broers door hun kleding te scheuren en uiterlijk onverzorgd waren geweest op het tijdstip dat zij werden gezalfd met de heilige olie en gekleed in de priesterlijke kleren, zouden zij op dat tijdstip niet worden gespaard, aangezien een ogenblik van oordeel teweeg was gebracht [met andere woorden, zij moesten vooral zorgvuldig zijn om geen aanleiding te geven dat dit oordeel tegen hen zou worden aangewend.]

Om die reden eindigde hun instructie [in het bovengenoemde vers] met de woorden “Opdat jullie niet sterven”.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT TSAV SHABBAT HAGADOL

OPGAAN IN ROOK

Zohar, pp. 26

Het Thoragedeelte van deze week begint met de instructie om een In Vlammen Opgaand Offer te brengen. Dit offer maakt slechte en verdorven gedachten goed en wordt beschouwd als de meest uitgelezen van alle offergaven. De naam van het In Vlammen Opgaand Offer impliceert opstijgen en is dus zowel verbonden met het gedachte idee welke opkomt en het meest uitgelezen, omdat de tikoen van de intellectuele faculteiten zo belangrijk is.

“En de Eeuwige sprak tot Mozes: ‘Draag Aharon en zijn zonen het volgende op: Dit is de Thora (instructie) van het In Vlammen Opgaand offer.’” (Leviticus. 6:1)

Rebbe Shimon opent zijn verhandeling [op dit vers] en citeert daarbij het vers “Uw gerechtigheid is als de machtige bergen; Uw uitspraken zijn van grote diepte O Heer, U bewaart mens en beest.” (Psalm. 36:7) We hebben reeds eerder over dit vers geleerd en het [op een ander wijze verklaard dan nu] kom en zie; dit In Vlammen Opgaand offer stijgt op [in de spirituele werelden] en verbindt het Joodse Volk boven.

Als algemene regel heeft de sefira van malchoet drie namen in de Zohar. Wanneer zij in verbanning is, ver verwijderd van haar hechte spirituele bron boven in Zeir Anpin, wordt zij de Shechina genoemd. Wanneer zij hecht is verbonden met Zeir Anpin “ontvangt” (in het Hebreeuws “konesset”) zij de spiritualiteit boven en heeft een naam die deze verheven status meer weergeeft, Knesset Jisraël ( vertaald boven als “het Joodse Volk”).

Het vrouwelijke “zij” wordt altijd gebruikt om het feit weer te geven dat zij een voertuig is voor het ontvangen van de G’ddelijke inwerking. Naar haar wordt ook verwezen als zijnde “de Maan”, omdat de maan het licht van de zon op de zelfde manier weergeeft, malchoet ontvangt en geeft het G’ddelijk “licht” (energie) weer van de spirituele bron boven.

Zij hecht zich aan hem [Zeir Anpin], en samen gaan zij op naar de Komende Wereld.

De Intellectuele sefira van bina is bekend als de “Komende Wereld”. Er wordt verwezen naar het vrouwelijke omdat zij zowel ontvangt van beneden door handelingen in deze wereld gedaan met spirituele intentie als van boven van de sefirot van keter en chochma. Bina is verbonden met begrijpen en planning. Plannen zijn altijd een blauwdruk voor handelingen in de toekomst en waar begrip voorbij onze fysieke grenzen welke onze waarneming van het oneindige licht hinderen is eveneens in de toekomst, Vandaar de term “Komende Wereld”.

Zij zijn alle blij verbonden tot een eenheid.

De sefira van bina is ook de bron van vreugde. Dit is de vreugde van zekerheid na opheldering van alle twijfels, de vreugde van verbinding met de G’ddelijke wijsheid. Deze vreugde is op zijn beurt een vat voor het ontvangen van “Mochin deGadloet” hogere bewustzijn, van de partzoefiem van Abba en Imma. In hedendaagse terminologie noemen we dit verlichting.

Omdat zij hoger en hoger gaan wordt naar hen verwezen als “Dit is de Thora”. Dit is het mysterie van het mannelijke en vrouwelijke samen, De Geschreven en Mondelinge Thora stijgen op in liefde.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJIKRÁ

En Hij riep (Leviticus 1:1 – 5:26)

SEFER WAJIKRÁ ( TORAT KOHANIEM )

Een van de redenen voor het offeren van dieren, welke door Nachmanides wordt bediscussieerd op Leviticus 1,9, luidt als volgt: “Het zou geschikter geweest zijn als de dwazen, die dachten dat de dierlijke offerwetgeving alleen maar een scherpstelling was voor de mensen die gewoon waren te offeren aan heidense godheden, meer aandacht zouden hebben gehad voor de reden die Maimonides er aan gaf. Hij beschrijft de mensen die te midden van de Joden leefden als godaanbidders van de dieren in kwestie.
Het Joodse Volk moest leren, door slachting van juist die dieren, dat zij geen godheden waren. Tot vandaag de dag worden om die reden koeien in India niet geslacht. De handelingen van de mens bestaan uit drie elementen: gedachte, spraak en uitvoering. G’D gebiedt dat wanneer de mens heeft gezondigd en een dierlijk offer brengt als een zondeoffer, hij zijn handen (zijn gewicht) op het dier moet plaatsen als een symbool van de zondige handeling die hij heeft begaan. Hij moet, voorafgaand aan de poging tot goedmaking, een symbolische woordelijke confessie afleggen. Hij moet het dier in het vuur laten opgaan, m.a.w de ingewanden, inclusief de nieren, de organen waarin de zondige gedachten zijn origine heeft. Vervolgens de poten, die de handen en de benen symboliseren, en de organen zijn die de meest zondige intenties uitvoeren.
Hij moet het bloed van het dier sprenkelen op het altaar, het bloed representeert, nevesh zijn levensvorm, zijn zielskracht. Door het doen van deze handelingen, concentreert de zondaar zich, met lichaam en ziel, op de enormiteit die hij heeft begaan tegenover zijn G’D en hij zal zich realiseren dat hij in feite zijn eigen leven had moeten geven om de zonde goed te maken, en niet dat van een onschuldig dier. Het is alleen door de verleende barmhartigheid van G’D aan hem, dat hij in staat is om het leven van een dier te offeren, in plaats van zijn eigen leven.

Vele filosofen hebben conceptuele problemen met het begrip, hoe dierlijke offers, toenadering, verzoening kunnen bewerkstelligen tussen Israël en G’D.
In zijn kuzari, heeft Rabbi Jehoeda Halevi geprobeerd dit aan de twijfelaars uit te leggen. Hij verklaart dat de affiniteit welke reeds bestond tussen G’D en het Volk van Israël onafgebroken is, door middel van offers die gebracht worden op het altaar in de Tempel. Het staat gelijk aan de affiniteit welke existeert tussen de spirituele levensvorm, zielskracht nevesh en het lichaam.
Leven, m.a.w de continuerende existentie van de ziel in het lichaam, wordt mogelijk gemaakt door het nemen van voedsel door het lichaam, welke de ziel draagt en hecht aan het lichaam.
Juist zoals we niet in staat zijn te begrijpen hoe het proces van tastbaar voedsel zich vertaalt naar, en assimileert met, een ontastbare spirituele kracht zoals de ziel, ofschoon wij het effect ervaren, zo zijn wij ook niet in staat te begrijpen hoe en waarom de Shechina onze offers benodigd om de wederzijdse hechte relatie tussen ons en G’D te behouden.
Echter het feit blijft bestaan, dat onze affiniteit met G’D behouden blijft door dierlijke offers. Tot zover de Kuzari.
Rabbi Jitzchak Arama, auteur van de Akeydat Jitzchak concludeert dat in de ware zin de Shechina, offers natuurlijk niet “nodig”heeft.

De Ari zal (Rabbi Jitzchak Luria) heeft de manier waarop de affiniteit van de ziel met het lichaam in stand wordt gehouden op een schitterende wijze uitgelegd.
Hij zegt: “Er is niets dat niet een element van heiligheid bevat. Onze geleerden hebben reeds eerder verklaard dat er geen grashalm in onze wereld is die geen mazzal in de “hogere” heeft die het instrueert om te groeien (Bereshiet Rabba 10,7); deze celestische kracht oefent grote invloed uit op het verloop van de grashalm. Deze invloed is van nature spiritueel en wordt overgebracht in het fysiek functioneren, in overeenstemming met de natuurlijke wetten. Enigszins hetzelfde gebeurt met alles wat wij eten. Het fysieke eten en drinken dat wij consumeren bevat een verborgen spiritueel element. Deze verwantschap is gelijk aan de verwantschap van nevesh we-goef – lichaam en geest. Wanneer de mens, een combinatie van lichaam en geest, eet en drinkt, heeft zijn lichaam baat van het fysieke element van het eten en drinken dat hij consumeert, terwijl zijn ziel wordt gesterkt door het spirituele element ervan. Dit is de reden dat lichaam en geest aan elkaar gehecht blijven. Aangaande dit fenomeen zegt de Thora in Deuteronomium 8,3: “dat de mens niet alleen maar door brood in leven kan blijven, maar dat door alles, wat op bevel van de Eeuwige ontstaat, de mens kan blijven leven.” Dat leert ons dat niet alleen het “visuele” deel van het brood voedsel bevat voor de mens. In tegendeel, ook brood bevat motsie pie HaShem – een verborgen expressie van G’D’s geest, welke bijdraag tot het in leven houden van de ziel in de mens.” Tot zo ver de Ari zal.
Hier valt nog aan toe te voegen, dat wat van toepassing is op een individuele verwantschap tussen lichaam en geest, zich eveneens richt tot het concept van de Joodse Natie en zijn verhouding met G’D door het brengen van korbanot – offers.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJAKHEEL- POEKOEDÉ

Rabbi Jitzschak Luria

Van de geschriften van de Ari, Sha’ar HaPesoekiem

Wetend waar je behoort

Het Thoragedeelte van verleden week, Ki Tiessá, beschrijft het beruchte incident van het Gouden Kalf. De Arizal ziet het begin van het Torahgedeelte van deze week als terugverwijzing naar dat incident en beschrijft de wijze waarop het Joodse Volk haar spirituele status kon herstellen naar hoe die was vóór het incident.

Ons werd onderwezen dat, hoewel de meerderheid van het Joodse Volk het Gouden Kalf aanbad, de instigators van dit incident niet de Joden zelf waren, maar de „gemengde menigte“ die met hen uit Egypte trokken (Exodus 12:35). Deze waren de eerste bekeerlingen van het Joodse Volk.

Wanneer een niet Jood er naar streeft om over te gaan naar het Jodendom en geaccepteerd wordt als een deel van het Joodse Volk, houdt de rabbi of het rabbijns gerechtshof toezicht op dit proces om zeker te zijn dat zijn/haar motieven zuiver zijn en dat hij/zij niet probeert over te gaan met andere bedoelingen. Het was om die reden dat tijdens de regeringsperiode van Koning Solomon geen bekeerlingen werden geaccepteerd en niet zullen worden geaccepteerd wanneer eenmaal Mashiach is gekomen: Wanneer het Joodse Volk materieel welvarend zal zijn, zoals zij waren tijdens de regeringsperiode van Koning Solomon en zoals zij zullen zijn in de Messiaanse Era, dan is het namelijk onmogelijk om vast te stellen of de motieven van een toekomstige bekeerling puur zijn.

Evenzo is, de “ gemengde menigte” van niet Joden die zich verenigde met het Joodse Volk toen zij Egypte verlieten, een klassiek voorbeeld van onoprechte opportunistische bekering. Want zij waren getuigen van de Tien Plagen (die plaats vonden over een periode van een jaar), het is niet moeilijk voor te stellen dat zij aan de kant van het Joodse Volk stonden eerder vanuit een algemeen menselijke zwakte voor macht en succes, dan vanuit een oprechte toewijding aan waarheid tot elke prijs.

Dus toen het onaangenaam begon te worden, kwam de zwakheid van deze betrokken mensen aan het licht en zochten zij naar hulp. Mozes kwam niet terug van de berg, het volk bleef achter zonder leider, zonder iemand die een intermediair was tussen hen en G’D. Het antwoord was voor de hand liggend voor deze gemengde menigte, die slechts kort geleden afstand had gedaan van hun oude afgodische godsdiensten om de Joden te kunnen vergezellen: “En het volk dat merkte dat Mozes talmde om van de berg te komen, liep tegen Aaron te hoop en ze zeiden tegen hem: “Kom maak een god voor ons die ons kan voorgaan, want deze man Mozes die ons uit Egypte heeft gevoerd…. Wij weten niet wat van hem geworden is!” …..Dus [Aaron] nam het goud van hen ….en gaf er vorm aan en maakte er een gegoten kalf van; en ze zeiden : “Dezen zijn jullie goden, O’ Israël die jullie uit Egypte hebben gevoerd. “” (Exodus. 32: 1-4) Merk op dat de makers van het Gouden Kalf Israël aanspreken in de tweede persoon, betekenend dat zij zichzelf niet beschouwden als behorend tot het oorspronkelijke Joodse Volk.

Aangezien Mozes en de generatie van de woestijn op het [spirituele] niveau van Yesod Abba waren, moest Mozes hen bijeenbrengen zodat zij konden terugkeren naar hun oorsprong en een deel van hem konden worden. Op deze manier [heelde hij hen] van de misstap van ´ liep het tegen Aaron te hoop” liet op hen het licht van heiligheid schijnen en wiste zo de onreinheid van [het dienen] van het [Gouden] Kalf voor hen uit.

Vanwege het feit dat de generatie van de Exodus de leerlingen waren van Mozes en de originele ontvangers, werden zij evenzo verheven tot dit diepgaande niveau van bewustzijn. Aldus wordt in de Talmoed gerefereerd aan deze generatie als de “generatie van kennis”.

In het Judaïsme wordt zonde gedefinieerd als iets dat in bepaald opzicht iemands bewustzijn van G’D degenereert of vervormt. Er zijn natuurlijk vele niveaus, variërend van de subtiele “onschuldige” zonden zoals doen waar je zin in hebt van gepermitteerde genoegens ( glatt koshere chocola) tot de door en door openlijke zonden waarop serieuze bestraffingen staan. Het gemeenschappelijke kenmerk echter is dat in meerdere of mindere mate zij allen worden overweldigd door “tijdelijke misvatting” dat G’D het niet erg vind of het over het hoofd ziet. De wet van inertie dicteert dat onschadelijke overtredingen geleidelijk verworden tot regelrechte zonden.

Dit was het geval met de zonde van het Gouden Kalf. Ondanks hun intens bewustzijn van G’D’s realiteit in hun leven en juist omwille van deze realiteit, besefte deze generatie dat er iemand moet zijn zoals Mozes, die kan dienen als een kanaal tussen hen en G’D’s boodschappen. Toen hij niet terugkeerde van de berg op de vastgestelde tijd, was de gedachte om te continueren zonder zo’n medium onverdraaglijk. In plaats van zich te verlaten op G’D’s voorzienigheid, verlieten zij zich op hun eigen oordeel ( zij hadden een onjuiste berekening gemaakt van Mozes terugkeer van de berg). Het subtiele gebrek aan vertrouwen ontaardde volledig in een afgodische zonde, aangezien zij beide verschillende gradaties van ontkenning van G’D’s aanwezigheid zijn in iemands leven.

Dus door het plegen van de zonde van het Gouden Kalf, viel het Joodse Volk van hun vorige staat van bewustzijn, Yesod Abba. In plaats van hun vermogen van Yesod, te gebruiken om de wijsheid van de Thora en, het besef van G’D in deze wereld te brengen en te kanaliseren, gebruikte zij Yesod om “te hoop te lopen tegen Aaron” en dwongen zij hem om een afgod voort te brengen, een proclamatie dat G’D afstand heeft gedaan van Zijn betrokkenheid met de wereld ten gunste van ondergeschikte krachten. In hun gedachten, werd de G’ddelijke boodschap niet langer geconcentreerd en gekanaliseerd door Mozes, maar geheel verspreid over de krachten van de natuur, waardoor het nu noodzakelijk werd om die te eren en over te halen om te mogen dienen, voor het waarnemen van de verhulde spiritualiteit.

Zoals we eerder hebben uitgelegd, is Abba de naam van de partzoef (een volledige serie van Sefirot) die voortkomt uit de Sefira van Chochma. Chochma is in het algemeen het fundamentele inzicht of de wijsheid van de Schepping, met andere woorden, de Thora, die G’D gebruikte als Zijn “blueprint” voor het creëren van de wereld. Elk nieuw inzicht dat een persoon ontvangt betreffende een of ander aspect van de realiteit is, in zijn waarlijk pure vorm, een inzicht in de Thora. Mozes, die het menselijke kanaal was waardoor G’D de Thora aan de wereld gaf, personifieert en belichaamt dus dit spirituele niveau.

En in het bijzonder, zegt de Arizal, personifieert hij de sub- sefira van Yesod van Abba. Yesod is de sefira van verbinding en overbrenging; al de voorgaande sefirot vloeien samen in Yesod en worden er door gekanaliseerd. In de gelijkenis die bestaat tussen de sefirot en het lichaam, correspondeert Yesod met de voortplantingsorganen.

Deze nadrukkelijke samenvloeiing is de oorsprong van sexuele zonde, door welk een persoon zij creatieve krachten in vele richtingen verspreidt in plaats van het te concentreren in één gewijd kanaal. In plaats van zijn creativiteit te gebruiken voor het bouwen en sterken van een familie, een achtergrond door welk het bewustzijn van G’ddelijkheid kan worden vergroot en vermeerderd in deze wereld, verspreidt hij het in de natuur, gevolgd door de teleurstelling aangeboden door de tijdelijke opwinding. Zo wordt ons dus onderwezen dat de verering van het Gouden Kalf niet alleen idolatrie maar ook orgie is. De heling natuurlijk moet er nadrukkelijk op gericht zijn om de spirituele focus terug te brengen naar waar die hoort, naar Mozes, het legitieme kanaal voor G’ddelijke energie en wijsheid in de Schepping.

Dus staat er geschreven, “En verzamelde de gehele gemeenschap”(Exodus.35:1) Het woord voor “gemeenschap” [in het Hebreeuws, “adat”] kan worden herschikt tot het woord “kennis” [in het Hebreeuws, “daat”].

Door zich te focussen op Mozes en het licht te zoeken van de Thora, bracht het Joodse Volk haar kennis van G’D terug in haar gepaste vorm. Dit wordt aangegeven door het feit dat de woorden voor “gemeenschap” en “kennis” exact de zelfde letters bevatten, alleen in een andere volgorde.

Bovendien hebben de woorden voor “gemengde menigte” [in het Hebreeuws, “erev rav” ook de zelfde numerieke waarde als het woord voor [“daat”]. Dit omdat zij ook dit [sublieme] aspect van G’ddelijkheid bezitten, hoewel enkel de residu’s.

Omdat zij eveneens de zonde van het Gouden Kalf begingen door samen te komen tegen Aaron, zoals staat geschreven “en het volk verzamelde zich rond Aaron”, benodigde zij een andere, [heilige] gemeenschap om hen te rectificeren, zoals staat geschreven: “En Mozes verzamelde de gehele gemeenschap”.

Aan de ene kant, ervoer de gemende menigte de G’ddelijke mirakels in Egypte en de G’ddelijke voorzienigheid toe het Joodse Volk had begeleid gedurende de daarop volgende drie maanden*, met als resultaat dat zij enigszins een bewustzijn hadden bereikt dat gegeven was aan het volk. Aan de andere kant konden zij, omdat hun motieven niet zuiver waren, niet volledig assimileren met het Joodse Volk zelf.

*De Exodus vond plaats op de 15e van de maand Nissan; de zonde van het Gouden Kalf gebeurde op de 16e van de maand Tamoez.]

Bovendien, aangezien zij zondigde door het woord “dezen” te gebruiken, zoals zij zeiden: “Dezen zijn jullie goden, O’Israël”, het tegenovergestelde [en heilige gebruik van dit woord] werd aangewend om hen te rectificeren toen [Mozes] zei [in de huidige context]: “Dit zijn de…… “

We zouden hebben verwacht dat de gemengde menigte tegen het Joodse Volk zou zeggen “dit is jullie god, O’Israël”, aangezien per slot van rekening er maar één kalf was. Het feit dat zij verkozen om hun bewering in de meervoudsvorm uit te drukken betekende, dat hun degenererende intentie zo groot was “dat zij er naar verlangden een menigte van goden te dienen”. (Rashi op Exodus. 32:1) Om deze aberratie te rectificeren moest de zelfde term worden gebruikt om hen terug te focussen in de gepaste oorsprong van spiritueel licht van Thora.

Aangezien iemand die afgoden dient wordt beschouwd als of hij de hele Thora heeft verloochend, gaf [Mozes] hen het bevel aangaande twee dingen die als gelijkwaardig aan de hele Thora worden beschouwd. [De eerste was] Shabbat, want een persoon die de Shabbat in acht neemt wordt beschouwd als of hij de hele Thora naleeft.

En zoals als we zeiden is idolatrie de bewering dat G’D ofwel niet bestaat ofwel Zijn macht heeft gedelegeerd aan ondergeschikten en geen directe betrokkenheid meer heeft met de wereld. Dus idolatrie is een duidelijke ontkenning van de boodschap van de Thora, welke exact het tegenovergestelde is: dat G’D existeert en dat Hij zeer intiem zorg draagt voor wat in de wereld omgaat.

Door het houden van Shabbat, verklaart de Jood dat G’D de wereld heeft geschapen. Door te rusten van werk stelt in de eerste plaats hij de Shabbat weer in, toen G’D ophield met het werk van de Schepping. Ten tweede, door het werk te laten rusten spreekt hij zijn vertrouwen uit dat G’D de wereld beheert en kan voorzien in zijn noden alhoewel hij niet de hele week werkt. Zoals bekend beschouwde de Romeinen de Joden als lui en traag vanwege het nemen van een vrije dag eenmaal per week.

[De tweede was] de constructie van het Tabernakel.

Het Tabernakel, de draagbare Tempel die het Joodse Volk construeerde en met zich mee droegen, was het instrument waardoor G’D’s aanwezigheid terugkeerde en in hun bewustzijn bleef. Zoals de Thora het uitdrukt: “Zij zullen Mij een heiligdom maken, opdat Ik te midden van[en in] hen kan verblijven”(Exodus. 25:8). Aangezien het Tabernakel het doel volbrengt van de Thora in het algemeen, de vestiging van een verblijfplaats voor G’D in deze wereld en in de mens zelf, werd zijn constructie ook als equivalent beschouwd aan de verwekelijking van de gehele Thora. Wat de Shabbat volbrengt in tijd, bereikt de Tempel in ruimte; Shabbat is een heiligdom in tijd, terwijl de Tempel een fysieke Shabbat is.

Het is in beide gevallen duidelijk, als we zeggen dat zij equivalent zijn aan het in acht nemen van de hele Thora, dat we niet bedoelen dat zij in de plaats treden voor het in acht nemen van de Thora. De mens heeft zowel in het algemeen als in het bijzonder de specifieke details nodig van hoe G’D in ons leven wordt gebracht door het houden van alle mitzwot van de Thora.
[Mozes] begon met de constructie van het Tabernakel met de mitzwa : “Zes dagen mag er werk verricht worden…..”(Exodus. 35:2) Dit verwijst [niet naar werk in het algemeen, maar specifiek] naar het bouwen van het Tabernakel, welke daarom is uitgedrukt in de gebiedende wijs.

Onze wijzen in de Talmoed leiden de categorieën van verboden werkzaamheden op Shabbat af van de typen van werkzaamheden die noodzakelijk waren voor de constructie van het Tabernakel. Hier kunnen we zien waarom dit zo is: zij zijn naast elkaar geplaatst als zijnde absoluut equivalent aan elkaar; als je het ene doet, benodig je niet het andere te doen en vice versa. Een Jood is voorbestemd om constant betrokken te zijn in het bevorderen van G’ddelijk bewustzijn in de wereld. Gedurende de week doet hij dit door “het bouwen van het Tabernakel” met andere woorden, de fysieke wereld geschikt maken voor G’ddelijke revelatie. Op Shabbat doet hij dit door het staken van activiteiten van het verbeteren, in plaats daarvan opent hij zichzelf alleen voor de G’ddelijke Aanwezigheid waarvoor hij de achtergrond gedurende de week heeft voorbereid. Dus het Tabernakel en de Shabbat zijn eenvoudig twee kanten van de zelfde medaille: de voorbereiding en de vervulling.

[Mozes gebruikte de lijdende vorm] en zei “mag er werk gedaan worden” in plaats van [de actieve vorm], “je zult werken” om aan te geven dat het werk op eigen kracht zal worden gedaan. Op de zelfde wijze is gezegd: “[geen hamer of bijl noch enig ander ijzer gereedschap werd gehoord] tijdens het bouwen van het Huis” (Koningen I. 6:7)

Op deze manier, “maar de zevende dag moet het iets heiligs zijn voor jullie zijn “ (Exodus. 35:2). Want je heiligt je zelf op de wekelijkse dagen, tijdens het bouwen van het Tabernakel, het zal zonder twijfel heilig voor je worden op Shabbat. Je zult een bijkomende staat van heiligheid ervaren en een bijkomend [niveau van] de ziel bezitten.

Als we beide condities vervullen, dat is, ons bezighouden met de fysieke wereld gedurende de week om het te verheffen tot heiligheid en het bewustzijn behouden tijdens dit proces dat we eenvoudigweg vertegenwoordigers zijn van G’D, zullen we door Shabbat ons volledig ontvankelijk hebben gemaakt voor de heiligheid die we in de wereld hebben gebracht en zullen volledig in staat zijn om het de gehele heilige dag te ervaren. De viering van de Shabbat zal niet een eenvoudige beëindiging zijn van werk, maar een tastbare ervaring van heiligheid in gebed, viering en fijn voedsel, Thora studie en sociaal familieleven. Zelfs de aardse aspecten van het leven zullen G’ddelijke dimensies aannemen en ontmoetingen worden met de wonderbaarlijke realiteit van G’D zelf. Dit wordt beschreven in de Talmoed als de familiare metafoor van het bezitten van een “extra ziel” op Shabbat.

Samen, vormen Shabbat en de Tempel de complete rectificatie voor de zonde van het Gouden Kalf, de ontkenning of verontreiniging van het idee van G’D’s verenigde aanwezigheid door hele de realiteit van ruimte en tijd.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT KI TIESSÁ

Wanneer je opneemt    Exodus. 30:11 – 34:35

RABBI SHIMON bar JOCHAI

ZWAARWEGENDE MENING

ZOHAR, p. 187b

Rebbe Shimon opent zijn verhandeling (betreffende de eerste woorden van de parasha welke “VeAta zijn in het Hebreeuws, “En je …(zult opleggen…).

Er is geschreven, “En U (VeAta), O G’D [Havayah ], verwijder U Zelf niet van mij; O mijn kracht, kom mij snel te hulp (Psalm. 22:20). Het woord “VeAta” [welke de heilige eenheid representeert van de spirituele dimensie van Noekva] en de naam Havayah [Zeir Anpin] zijn allen een eenheid. “….Verwijder U zelf niet.”

Dit is een meditatie over het feit dat de namen Havayah en Ado-nai verenigd zullen blijven in mijn bewustzijn en niet zichzelf verwijderen van mij, door te verdwijnen in of naar een hogere sfeer van spiritualiteit.

De naam Havayah  vertegenwoordigt het oneindige barmhartige aspect van het G’ddelijke, terwijl de naam Ado-nai het strikt oordeel representeert. Deze meditatieve verwoording, waar de naam Havayah de klein gedrukte letters van Ado-nai  in de laatste letter hei bevat, wordt in vele Sefardische gebedsboeken aangetroffen.

Wanneer deze twee aspecten van het G’ddelijk gesepareerd zijn, is het grote spirituele licht welke de mens in staat stelt om het G’ddelijke in al zijn aspecten van zijn leven te zien, vervaagd. Dan wordt G’ddelijke barmhartigheid op geen enkele wijze in deze wereld aangetroffen.

Deze separatie tussen het licht van het G’ddelijke, Zeir Anpin en Machoet/  is wat de destructie van de Tempel in de dagen van Jeremia veroorzaakte. Zelf nadien de Tempel was herbouwd keerde het licht van de G’ddelijke Aanwezigheid (de Shechina) niet in zijn geheel terug (Joma 21b).

Het feit dat de shechina niet terugkeerde wordt aangegeven in de naam van de profeet zelf die de destructie van de Eerste Tempel voorspelde: Jeremia.

Zijn naam kan gesplitst worden in twee delen: “Jarim“, wat opheffen betekent, en de letters joed-hei-vav, welke de letters zijn van de naam Havayah.  Vandaar dat zijn betekent naam, de opheffing van het G’ddelijke.”

Dit omdat het hemelse licht was opgeheven en niet terugkeerde naar zijn plaats, zelf niet na de herbouw van de tempel.

Maar de personae Jesaja bracht redding [voor het Israëlitische volk], de terugkeer van het hemelse licht naar zijn gepaste plaats, en de herbouw van de Tempel: en alle voormalige goedheden.

“Jesaja” in het Hebreeuws “Jishajahoe“. “Jisha” betekent redding, en de letters joed-hei-vav aan het einde van zijn naam zijn de letters van de G’ddelijke naam Havayah. Zijn naam representeert de terugkeer van het bewustzijn van het G’ddelijke naar zijn juiste plaats.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT TETSAVÈ

Je zult gebieden                          (Exodus 27:20 – 30:10)

Zohar, pagina 182b

Rebbe Jehoeda, de offergaven, genoemd in dit wekelijkse Thoragedeelte analyserend, vergelijkt hun puurheid met de gevolgen van razernij. Het verband ligt in het feit dat een persoon, die woedend is zijn positieven offert aan het bloed van zijn gevoelsuitbarsting. Dit is een vorm van afgoderij.

Toen De Heilige, Geprezen zij Hij, de Mens creëerde, schiep Hij hem in de vorm van de spirituele wereld. Hij blies [ademde] in hem een heilige ziel bestaande uit drie delen.

Het Hebreeuwse woord voor “ziel” is “neshama”, het woord voor “adem” is “nishima”. Dit verklaart waarom ademhalingsoefeningen uitwerking hebben op de ziel. En ook waarom woede “kotzer roe’ach”, “kortademig”, de ziel verzwakt door ademnood. Een andere naam voor “woede”is “af” wat “neus” betekent.
Woede is kenbaar aan trillende neusvleugels vanwege gebrek aan adem. Het beheersen van woede door middel van diepe ademhaling werkt versterkend voor de ziel.

Zoals we hebben geleerd, bestaat de ziel uit de Nefesh, Roe’ach en Neshama. De meest spirituele onder hen is de Neshama, welke ook de meeste kracht bezit. De functie van de Neshama is, het leren en het houden van de geboden van de Heilige, Geprezen zij Hij. Als nu de heilige Neshama zich beweegt naar een andere verering [b.v. afgoderij/woede] wordt zij ontwijd, en wordt daardoor van de dienst aan haar Meester afgehouden. Dit komt omdat deze drie vermogens één identiteit zijn. De Nefesh en de Roe’ach en de Neshama participeren samen en worden, omdat zij in alle lichamelijke activiteiten van een persoon gezamenlijk werkzaam zijn, één geheel. Dit alles is gelijk het hoge mysterie.

Omdat de drie niveaus samen handelen, als de Neshama wordt verontreinigd, zijn alle drie aangetast, en de persoon is compleet verwijderd van verering van de Schepper. De hogere mysteries zijn de spirituele bronnen van deze drie.
De Nefesh is van malchoet, de Roe’ach is van de zes tussenliggende sefirot, en deNeshama is van bina. Juist zoals deze drie spirituele constellaties zich als één richten op de dienst van G’D, zo ook doen hun lagere tegenhangers. Het lagere is een vehikel voor het hogere, maar wanneer het is verontreinigd veroorzaakt het een uit elkaar vallen van de éénheid van de hogere niveaus. Dit maakt de weg vrij voor de negatieve separatie machten en staat hen toe om te floreren.

Als blijkt dat een persoon al deze drie niveaus van de ziel heeft {omdat hij Thora leert, het vereren van zijn Meester en het praktisch uitvoeren van mitswot} hoe kan men weten om hem een vriendschap aan te gaan?
Hoe kan worden bewezen of hij bewust is (van de existentie van deze drie niveaus) in zijn eigen gedrag? Wanneer een persoon kwaad is herken je zijn ware aard. Wanneer iemand zijn ziel niet beschermd, maar wegrukt uit zijn omgeving, omdat hij is beïnvloed door zijn eigen ego (spirituele afgoderij), dan is hij niet een waardig persoon. Als hij zijn heilige ziel beschermt terwijl hij kwaad is, dan is hij een waardig persoon. Dan is hij een ware dienaar van zijn Meester, een kompleet mens.

Dit type persoon wordt kwaad, maar verliest nooit zijn beheersing door het zeggen van slechte dingen of ongecontroleerd gedrag, welke uiterlijke manifestaties zijn van innerlijke verdeeldheid, en die alle spirituele niveaus aantast, zoals bovenstaand is uitgelegd.

Als een persoon haar niet beschermt [zijn Neshama], en hij ontwortelt deze heiligheid uit zijn vertrouwde omgeving, en de Andere Zijde ertoe brengt daar in plaats te verblijven, rebelleert deze persoon met absolute zekerheid tegen zijn Meester. Het is verboden hem te benaderen of met hem bevriend te zijn.

Wanneer eenmaal de eenheid is verbroken, en de Andere Zijde controle heeft over de persoon zodat zijn verstand wordt geregeerd door drift, is zijn lichaam zonder heiligheid en komt ook niet terug, zelfs wanneer zijn woede is afgenomen.

Dit is het persoonstype dat wordt beschreven in het vers “Mijd een persoon wiens adem in zijn neusvleugels is; want voor wat zou hij waardig kunnen worden bevonden?” (Jesaja 2:22). Dit omdat zijn heilige ziel is geïrriteerd en onzuiver is geworden vanwege zijn eigen woede. Hij heeft de wijze van ademen gewisseld [in het Hebreeuws “nishima”] in zijn neusvleugels.

Het woord voor woede in het aangehaalde vers is “apó” wat ook “neus” betekent. Het woord voor “ziel”, “ Neshama” , duidt aan, ademen. Daarom zinspeelt het vers dat de heilige ziel is heengegaan, de gesperde neusgaten zijn het bewijs.
Het woord “bemà”, “wat is” (waar voor hij aansprakelijk is) in het aangehaalde vers, heeft ook een dubbele betekenis. Door de klinkers te veranderen kan met de zelfde letters “bamà” worden uitgesproken, wat “altaar” betekent.

“Want voor wat zou hij waardig kunnen worden bevonden?” Hij is [alleen] waardig voor afgoderij, [aangezien hij een altaar is geworden voor offers van de andere zijde].
Degene die met hem bevriend raakt en degene die met hem spreekt, is als iemand die zich bindt aan afgoderij. Hij heeft de hogere heiligheid ontworteld [door zijn woede], in haar plaats verblijft afgoderij in hem, een vreemde mogendheid.

In plaats van G’D’s wil te accepteren, gelooft de kwade persoon dat woede hem brengt wat hij denkt nodig te hebben. Hij plaatst zijn vertrouwen in een vreemde mogendheid omdat hij iets wil van buiten zijn situatie, waarmee hij is geconfronteerd. Deze specifieke situatie komt van G’D en toch is hij er razend over!! Zijn visie is een misconceptie en daarom gevaarlijk ten aanzien van een persoon die vertrouwd op de G’ddelijke voorzienigheid en doet wat G’D wil.

Het is zoals gezegd wordt over vereren van afgoden: “Wend je niet tot de afgoden” (leviticus19:4) [dat het verboden is om te staren naar afgodische afbeeldingen] m.a.w. op de zelfde wijze is het verboden om in het gezicht van een woedend persoon te kijken.

De boodschap is zeer duidelijk, zorg er voor dat je niet betrokken raakt in woede van de persoon, maar, wanneer mogelijk, hem aan te moedigen om diep adem te halen.

Sefira Niveau Ziel Niveau Omzetting Belevenis Activiteit
bina Neshama Adem Vitaliteit intelligentie Thora Leren
zes intermediaire sefirot Roe’ach wind of geest Vitaliteit emotie Gebed/Verering Van G’D
malchoet Nefesh Gecreëerde ziel Fysieke vitaliteit Praktische mitswot

De wijzen leren, dat als een persoon een Thorageleerde is, zijn wijsheid vervaagt omdat hij zijn kwaadheid niet kan onderdrukken. Van de bovenstaande tabel kan men zien, dat als het Ziel Niveau “vervaagt”, veroorzaakt door woede, dat ook een smet werpt op de corresponderende activiteiten. Dus, studie verdwijnt met deNeshama, een verstoorde geest heeft een uitwerking op verering, het breken met praktische mitswot, zoals andere niet in verlegenheid brengen of nodeloos breken van bepalingen. De woedend zijnde persoon heeft zijn gezicht/partzoef fysiek veranderd, door woest trillende neusvleugels en bloeddoorlopen ogen. Dit brengt een verandering teweeg in het hogere gezicht/partzoef. Het is een reden temeer om degene op dat moment niet in zijn gezicht/partzoef te zien.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT TEROEMA

Rabbi Shimon bar Jochai

Tien Wandtapijten van Tikoen

Zohar II, p. 162b

De Thoralezing van deze week beschrijft de verschillende componenten en inrichting van het Tabernakel, welke een structuurlijke reflectie van de spirituele Werelden was en ook evenwijdig is aan de structuur van ziel en lichaam van de mens. De tent van het Tabernakel werd gevormd door tien wandtapijten verdeeld in twee reeksen van vijf. Elke reeks van vijf wandtapijten werd aan elkaar genaaid en vervolgens gedrapeerd over het geraamte van rechtopstaande houten balken welke de wanden vormden. De twee reeksen wandtapijten werden verbonden doormiddel van bevestigingshaken door een beugel op de hoeken van elk van de wandtapijten.

De “Woning”moet je maken uit tien wandtapijten……En zo de twee reeksen van wandtapijten door de haken met elkaar verbinden, dan zal de “Woning” één geheel vormen. (Exodus. 26:1-6)

Rabbi Chiya zei: Hier is de esoterische eenwording van de tien sefirot [van de wereld van Tikoen, met welke de tien wandtapijten corresponderen.] Want het Tabernakel omvat een aantal verschillende niveaus [elk weerspiegelt een ander aspect van de structuur van de spirituele werelden, en toch] “… zal de Woning één geheel vormen”.

De eenwording (jichoed) van de tien Sefirot van de wereld van Tikoen rectificeert de disharmonie en gebrek aan eenheid van de sefirot van Tohoe, welke juist versplinterden omdat er geen eenheid en harmonie onder hen was.

Deze [zinsnede, “dan zal de “Woning” één geheel vormen”] toont aan dat al haar delen tezamen een enkel geheel vormen.

Evenzo zijn er in de mens een aantal verschillende structuren te onderscheiden, hogere en lagere. Sommige zijn inwendige delen [zoals het brein, hart, lever etc.] en sommige uitwendig [zoals de armen en benen]. Maar allen tezamen vormen zij één samengesteld lichaam, mens genaamd.

Zo ook met het tabernakel, waarvan allen componenten gelijkenis vertonen met het hemelse [werelden]. Samen gecombineerd, vormen zij wat het vers beschrijft als “… zal de Woning één geheel vormen”.

Op precies de zelfde manier zijn de mitzwot van de Thora de “ledematen en organen”van de Ene boven

Eveneens vormen de mitzwot een heterogene harmonieuze eenheid. De tweehonderd achtenveertig positieve geboden van de Thora zijn parallel met de 248 ledematen en organen van het menselijk lichaam, zodat elke mitzwa is geassocieerd met een ledemaat of orgaan van het menselijk lichaam. (zie Zohar II p. 117a – 118a; Tikoenei Zohar, Tikoen 30, p. 74a; Tikoen 70, p. 131a.) Wanneer een persoon een positieve opdracht vervult, “haal hij G’ddelijkheid neerwaarts en straling van het licht van de Oneindige naar de hogere en lagere werelden” (Tanya, Iggeret Hakodesh 10,p. 114b).

Wanneer zij allen tezamen smelten, vormen zij één enkel mysterie, het geheim van het Tabernakel [met ander woorden, de structuur waarin de G’ddelijk Aanwezigheid wordt gereveleerd], bevattend verschillende ledematen en delen die tezamen een “mens” vormen op de zelfde wijze als de mitzwot van de Thora.

Met andere woorden, de verschillende delen van het Tabernakel, de 248 mitzwot en de 248 ledematen van het menselijk lichaam, vormen allen een heterogeen geheel die het G’ddelijk Beeld weerspiegelen waarin de mens is geschapen.

Want de mitzwot van de Thora zijn de mysteries van de Mens, [met andere woorden, het G’ddelijk Beeld, inhoudend het mannelijke en het vrouwelijke [ de 248 positieve geboden en de 365 verboden welke corresponderen met de slagaders, bloedvaten en zenuwen van het menselijk lichaam]. Wanneer deze samen vloeien vormen zij het geheim van de Mens. Als iemand één van mitzwot van de Thora zou verwijderen [met andere woorden, zou ontkennen], zou dit schade veroorzaken aan de hele structuur, want alle mitzwot zijn delen en ledematen van de gevormde Mens [ net zoals het verwijderen van een ledemaat of orgaan een persoon zou misvormen]. Dienovereenkomstig zijn allen samen een deel van een eenheid, om die reden wordt het Joodse Volk “’één Natie” genoemd [met andere woorden, allen tezamen vormen zij een enkel lichaam], zoals het vers bevestigt “Jullie zijn de kudde die Ik weid; jullie zijn één mens” (Ezechiël 34:31), en zoals is geschreven, “Wie is als Uw volk, de enige ene natie op aarde.” (Samuel II 7:23)

SHABBAT SHALOM

PARASHAT MISHPATIEM

Rabbi Shimon bar Yochai

Zohar, pagina 118a

Dit gedeelte van de Zohar belicht een aspect van de parasha welke handelt over wetten die de interactie bepalen tussen mensen en de manier waarop rechters en rechtbanken de orde van de spirituele werelden weergeven.
De “Trouwe Herder” is de ziel van Mozes die zal komen om Rabbi Shimon te onderwijzen over de esoterische aspecten van de geboden.

[Rabbi Shimon zegt] “Halt Trouwe Herder, ontluik je zelf en verklaar de [geheimen achter de civiele] wetten.” De Trouwe Herder opent zijn verhandeling door het vers “Heer, open mijn lippen en mijn mond zal lof over U verkondigen” te citeren. (Ps. 51:17)

Door te openen met dit vers vroeg hij assistentie van G’D om hem te helpen in het verklaren van de vier categorieën van civiel recht met betrekking tot hun esoterische betekenissen.

Alvorens echter, verklaarde hij de wijze waarop de letters van de heilige namen het niveau van recht weergeven in de fysieke wereld. Bemerk daarbij dat het bovengenoemde vers ook het beginvers is van Shemoné Esré, het achttiende gebed, wat aangeeft dat men er zeer bewust van moet zijn dat zelfs de “eenvoudigste” der bewegingen, het openen van iemands mond, afhankelijk is van de barmhartigheid van G’D.

Het woord Ado-nai {“Heer” in het aangehaalde vers} wordt met de zelfde letters gespeld {alef, dalet; noen en yoed.} als het woord “dina”, gerangschikt in de tegengestelde orde. {“dina”betekent in het Aramees “recht”}. Om die reden leerden de Meesters van de Mishna, “De wet van het land is de wet”.(Gittin 10b)

De simpele betekenis van de Mishna is, dat een Jood de wetten van het land moet eerbiedigen. De Zohar brengt nu meer duidelijkheid over de diepere betekenis van het vers. De spirituele bron van al het fenomene gebeuren in deze wereld is geopenbaard in de letters van het Hebreeuwse alfabet. De orde van deze letters geven eveneens hun bovennatuurlijke bron weer.
Rabbi Moshe Cordevero verklaart het verschil tussen het G’ddelijk Recht en de wetten van het land als volgt:

1) Yoedchochma

grote barmhartigheid

Abba

Heibina/in

recht

Imma

Vavchesed

minder barmhartigheid

Zeir Anpin

Heimalchoet

recht

Malchoet

2) Alef Dalet Noen Yoed
3) Dalet Yoed Noen Alef
4) Hei Hei Vav Yoed

De eerste rij toont de heilige naam van G’D in de spelling YoedHeiWavHei (bekend als Havaya). Elke letter verwijst naar de spirituele eigenschappen van een sefira in het bijzonder en ook naar een partzuf (uiterlijk facet), zoals blijkt.
De reeks begint met de eigenschap van barmhartigheid. Pas naderhand geven de letters het recht aan. Maar zelfs nadat het recht is voorafgegaan door de eerste barmhartigheid, wordt zij verder getemperd door de letter vav, welke ook barmhartigheid representeert.

De tweede rij is de naam Ado-nai, elke letter is verwijsbaar naar een corresponderende letter van de eerste rij.

De derde rij toont de letters van het woord dina.

De vierde rij toont de letters van de naam Havaya, zoals zij corresponderen met de letters van de naam Ado-nai, en in de reeks van de letters van het woord Dina.

Het resultaat in rij vier is dat de naam Havaya, in plaats van te beginnen met chesed, en din met chesed te variëren, eerst wordt gespeld met de twee letters van din (recht). Dit resulteert in het wrede recht van deze wereld, waar “De wet van het land is de wet”, welke niet gereduceerd is door barmhartigheid.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT JITRO

Jitro  Exodus. 18:1 – 20:23

Rabbi Shimon bar Jochai

Het zien van de Geluiden

Zohar II, p. 93b

Heel het volk zag de geluiden…..zij zagen en beefden. (Exodus. 20:15)

De Tien geboden van de Thora dragen in zich alle geboden van de Thora en al de aangelegenheden van Boven en Beneden, inclusief de Tien uitspraken door welke de wereld is geschapen. (Awod 5:1)

In wezen zijn alle geboden afgeleid van deze tien. Dit wordt ook aangegeven door de numerieke waarde van het woord “Thora”, 611, plus de eerste twee van de Tien Geboden die we hoorden van G’D Zelf, een totaalsom van 613, het aantal geboden in de Thora. (Makkot 24a) Bovendien, de totale som van letters waaruit de Tien Geboden zijn opgebouwd is 620, de som van de 613 Bijbelse geboden plus de zeven rabbijnse geboden. ( Megale Amoekot, Ranav Ofaniem 197)

De Midrash (Bereshiet Rabba 1:1) verklaart dat net zoals een architect een blueprint gebruikt om een paleis te bouwen, zo ook gebruikte G’D de Thora om de werelden te creëren. “G’D keek in de Thora en vandaar uit creëerde Hij de werelden.”(Zohar II,161a) Overeenkomstig, ligt de hele Schepping daarin opgesloten.

Deze [Tien Geboden] waren gegraveerd in stenen platen en al de mysteries die zij in zich bevatten werden gereveleerd aan allen [de Israëlieten die aan de voet van de Berg Sinaï stonden]. Zij zagen dit alles met hun eigen ogen en hun essenties waren in staat om te turen en te staren in de wijsheid die hen illumineerde.

Deze wijsheid beïnvloedden evenzeer hun emoties.

Op dat moment, werd geen van de mysteries van de Thora en aangelegenheden van Boven en Beneden hen onthouden, want zij zagen de straling van hun Meesters glorie van oog tot oog. Dit was sinds de schepping van de wereld nimmer tevoren gebeurd. Want de Heilige, gezegend zij Hij, was geopenbaard in Zijn volle glorie op de Berg Sinaï. En als je zou argumenteren dat we hebben geleerd [in Mechilta Beshalach, op het vers “Dit is onze G’D en we zullen Hem loven”] dat wat een dienstmeisje zag bij het Splijten van de Zee zelfs de Profeet Ezechiël niet zag en daarom zou kunnen denken dat dit gelijk stond met [het niveau van revelatie] dat de Israëlieten ervoeren toen zij aan de voet van de Berg Sinaï stonden, dan is dat niet zo, want de dag dat zij stonden aan de Berg Sinaï verliet hun spirituele onzuiverheid hen en [zelfs] hun fysieke lichamen werden gezuiverd als elementen van engelen. Voorts schitterden hun zielen als de helderheid van de hemelen aangezien zij het licht ontvingen.

De Talmoed, Shabbat 146a, geeft aan dat toen Chava van de Boom van Kennis van Goed en Kwaad at, de slang [symbool van oorspronkelijk kwaad] haar infecteerde met spirituele onreinheid. Toen de Israëlieten de Thora ontvingen aan de Berg Sinaï, werd deze spirituele onreinheid van hen verwijderd.

Dit was de toestand van de Israëlieten die keken en staarden nabij de glorie van hun Meester, hetgeen niet gebeurde aan de [Rode] Zee, aangezien hun spirituele onreinheid hen niet verliet op dat tijdstip.

Ofschoon de Talmoed (Sotah 30a) verklaart dat dit plaatsvond terwijl zij het Lied van de Zee zongen, leggen de commentaren uit dat dit alleen het begin was van het proces, welke werd gecomplementeerd aan de Berg Sinaï (zie Nitzoetzei Zohar).

Terwijl aan de Berg Sinaï alle spirituele onreinheid uit hen verdween zodat zelfs de baby’s in de baarmoeder van hun moeders de glorie van hun Meester zagen, [niettemin besefte niet iedereen op het zelfde niveau de waarneming.] elk persoon ontving wat voor hem passend was.

Die dag was een meer verheugende dag voor de Heilige, geprezen zij Hij, dan de dag dat Hij de wereld had geschapen, want de dag dat Hij de wereld schiep had geen bestendigheid totdat de Israëlieten de Thora aanvaardden, zoals het vers bevestigt, “Als het niet voor Mijn verbond was [Thora], zou Ik niet de begrenzingen van Hemel en Aarde hebben vastgesteld.” (Jeremia 33:25) Maar toen de Israëlieten de Thora aan de Berg Sinaï accepteerden, toen werd pas de schepping evenwichtig en de Hemelen en de Werelden zeker en G’D’s glorie zowel Boven [bij de engelen en bewoners van de hogere werelden] als Beneden [in Deze Wereld] bekend.

SHABBAT SHALOM