PARASHAT TOLEDOT JITSCHAK

De geslachten van Jitschak            Genesis 25:19 – 28:9

Rabbi Shimon bar Jochai

Zohar, parashat Toledot, P 140b

In ons Zohar gedeelte hieronder, bespreekt Rabbi Jehoeda de vraag, waarom Abraham en Jitschak honger door hongersnood in hun respectievelijke levens moesten ervaren.

Kom en zie, wanneer de Heilige, geprezen zij Hij, wil schijnen in iemands ziel, Hij raakt het lichaam [om het te verzwakken] zodat de ziel erover zal heersen. Dit is omdat, zolang als de ziel [gelijk in kracht] is in het lichaam, heeft zij geen controle over dat lichaam. Wanneer het lichaam is gebroken, verzwakt, kan zij [de ziel] er over heersen.

Dit is de diepere reden achter ziekte en tragedie in iemands persoonlijke leven. Het is de wijze waarop G’D de verheffing van het spirituele over het fysieke bewerkstelligt. Het verklaart tevens ook de hogere spirituele vermogens van de gehandicapte en verklaart waarom wij vasten. Ascetische praktijken hebben de zelfde uitwerking.

Dit is wat er is geschreven, “G’D test de rechtvaardige; maar de niet rechtvaardige en degene die van geweld houdt, haat Hij [zijn ziel]” Psalm.11:5). Wat betekenen de woorden “G’D test de rechtvaardige”? Dit is wat er is geschreven op een andere plaats: “Zie, Ik leg in Zion een fundatie steen, een geteste, kostbare hoeksteen, een verzekerde fundatie” (Jesaja. 28:16). [Dus “geteste” betekent, uitzonderlijk sterk]. Dit is het zelfde als het testen van de rechtvaardigen. G’D sterkt hem, om als die geteste steen te worden die een kostbare hoeksteen is. Dit is de betekenis van de woorden “G’D test de rechtvaardige”.

Deze stenen waren in feite de stenen in het midden van het gewelf. Zij moesten uitzonderlijk sterk zijn omdat het gewelf het dak ondersteunde en het middelpunt van het gewelf, het centrale punt, alle druk moest weerstaan. De vertaling “hoeksteen” kan enigszins misleidend zijn, men kan denken aan stenen in de hoek van een muur, in plaats van een steen in het midden van een gewelf.

En [het tweede gedeelte van het vers zegt] “…..de slechte en hij die van geweld houdt, hij haat [zijn ziel]”. Wat is de [letterlijke] betekenis van de worden “hij haat zijn ziel”? Verdrijf elke gedachte die bij je opkomt,dat de ziel van G’D [die als enige geheel barmhartig is] slechten haat. Maar van het niveau, waar alle zielen van afhangen [de Shechina] haat de ziel van degene die van geweld houdt en op geen enkele wijze bereid is om zich aan Hem te hechten, hetzij in Deze Wereld of in de Komende Wereld. Om die reden staat er geschreven, dat de slechte en liefhebber van geweld [in het Hebreeuws, “hamas”] zijn ziel haat, in de betekenis van, Zijn ziel [de Shechina].

De heilige Shechina keert zich af van de gewelddadige, die een werktuig is geworden van de “andere zijde”. Wanneer de gewelddadige sterft aan een gewelddadige dood, continueert de afkeer van de heilige Shechina ten gevolge van het versmaden van de heilige Shechina tijdens zijn leven. Er bestaat zelfs een terroristische groep die de naam “Hamas” gebruikt, die gewelddadige handelingen uitvoert en ondanks alles gelooft, dat zij daardoor een bevoorrechte plaats verkrijgen in het hemelse paradijs. Hier leren wij dat het tegenovergestelde waar is.

Een andere interpretatie van de woorden “Hij haat zijn ziel” is dat het betekent: “Zijn ziel [de Shechina] haat de ziel van de slechte”. Zoals is geschreven: “De Eeuwige G’D heeft gezworen bij Zijn Ziel [in het Hebreeuws, “nafsho”]. (Amos 6:8)

Alle ernstige verwensingen zijn in de sefira van Malchoet, welke “nafsho” genoemd wordt. Dit betekent dat Malchoet, ook bekend als de Shechina, de Nefesh is van Hem, waar “Hem” of “Zijn” in een vers wordt aangehaald, is Zeir Anpin. Dus de Nefesh van G’D is de Shechina, Zijn Roeach is Zeir Anpin. Het woord “nafsho” verwijst naar de eenheid van de twee. Deze eenheid is volledig afwezig in de ziel van de slechte.

Daarom worden de rechtvaardigen getest [omdat zij weerstand kunnen bieden aan het geweld van de slechte en, om in staat te zijn, de rechtschapenheid van G’D te laten zien].

SHABBAT SHALOM

PARASHAT CHAYEE SARA

De leeftijd van Sara   Genesis. 23:1 – 25:18

De 24 Boeken van de Schrift vormen het kanaal waardoor G’D’s Wijsheid in de wereld vloeit.

Torat Chaim 128a; Tikoenei Zohar, Introductie (17a)

“En het meisje was heel mooi om te zien, een maagd, geen man had gemeenschap met haar gehad, ze kwam naar beneden naar de bron, vulde haar kruik en ging naar boven. (Genesis. 24:16)

 De numerieke waarde van het woord voor “kruik” (in het Hebreeuws, “kad”) is 24, en verwijst naar de 24 Boeken van de Schrift. De bron verwijst naar de oorsprong van G’ddelijke Wijsheid. De 24 Boeken vormen het kanaal waardoor G’D’s Wijsheid in de wereld vloeit.

Bovendien verwijst het woord voor “haar kruik” (“kadah”, “kad” plus de letter hé) naar de Mondelinge Thora. De Mondelinge Thora wordt vereenzelvigd met de sefira van expressie, Malchoed, die op haar beurt wordt vereenzelvigd met de laatste van G’D’s Naam. De Mondelinge Thora is als een kruik die geput wordt in 24 boeken van de Geschreven Thora.

De kruik symboliseert de Geschreven Thora, de bron waarin de kruik wordt neergelaten, symboliseert de Mondelinge Thora. De onderdompeling van de kruik in het water beduidt dus de vereniging van de Geschreven Thora en de Mondelinge Thora.

Vervolgens personifieert Isaac de Geschreven Thora en Rebecca de Mondelinge Thora. De gebeurtenis bij de bron is een uitdrukking van de eenheid die spoedig zal worden bereikt door hun huwelijk.

Ondanks de enorme hoeveelheid kennis die de Mondelinge Thora omvat, is het niet meer dan een “kruik” met water vergeleken bij de onmetelijke “ zee” van G’ddelijke Wijsheid in de Thora. Alleen in de Messiaanse Tijd zal deze oneindige hoeveelheid van kennis in zijn ware omvang worden geopenbaard en “de wereld zal vervuld worden met de kennis van G’D zoals het water de zee vult.” (Jesaja. 11:9)

In Kabbala drukt het huwelijk van Isaac en Rebecca ook de eenwording uit van twee van de vier grondprincipes van de spelling van G’D’s Naam. Isaac wordt geïdentificeerd met de Naam van G’D indien deze letter voor letter wordt gespeld en heeft de  numerieke waarde 45;  terwijl Rebecca wordt geïdentificeerd met de Naam van G’D  indien deze letter voor letter wordt gespeld en heeft de numerieke waarde 52. Zo wordt in Kabbala de vereniging van deze twee variaties op G’D’s Naam verklaard namelijk de essentie van onze studie van Thora en het uitvoeren van haar Mitzwot.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJERÁ

Rabbijn Juda Groenteman geeft 5 en 12 november een aantal lezingen in Antwerpen, informatie via:

http://www.elcker-ik.be/InformCMS/preview/index.php?pag_id=550288&cty_id=1730

 

En Hij verscheen (Genesis 18:1 – 22:24)

Rebbeinoe Bachya

“Een engel van de Eeuwige riep hem vanuit de hemel toe en zei: “Awraham, Awraham.” En hij zei: “Hier ben ik.” En hij zei: “Strek je hand niet uit naar de jongen en doe hem niets, want nu weet Ik dat je Godvrezend bent en dat je Mij je zoon, je enige, niet hebt onthouden.” [Genesis. 22:11-12]

Het ogenschijnlijk vreemde fenomeen in deze paragraaf, dat G’D degene is die Abraham onderwerpt aan een beproeving, en die engel voorkomt dat hij daarin verder gaat, moet als volgt worden opgevat: De “engel” is niet van de categorie van “nifradiem” [spiritueel creatuur, gescheiden van het lichaam], maar van wat bekend staat als de “netiyot” [de emanaties van G’D”, een G’ddelijke stem veel dichter tot G’D’s Essentie dan “louter”engelen].

Had de engel, welke Abraham riep en hem instrueerde te stoppen, behoord tot de categorie bekend als “nifradiem”, zou Abraham hem hebben genegeerd, en zou zichzelf niet toestaan, als ondergeschikte van degene die hem in eerste instantie heeft opgedragen, om te annuleren. Bovendien, is het verreweg ondenkbaar dat een engel van de “lagere”categorie van “nifradiem” zou zijn toegestaan om tegen Abraham te zeggen, “Je hebt je zoon niet aan Mij onthouden”; hij zou gezegd hebben “van Hem”. Dit maakt duidelijk dat de stem welke de Thora beschrijft als, voortkomend uit een “engel van G’D”, van een superieur G’ddelijk niveau was.

Deze “engel”, bekend onder de naam “groot engel”, manifesteert zichzelf in Exodus 14:9, als de Thora hem beschrijft als “De engel van G’D, die het kamp van Israël voorgaat” [en daarbij allerlei mirakels volbrengt]. Bij het gebruiken van de woorden “malach ha Elo-hiem” bedoelt de Thora niet “engel van G’d”, want het woord “malach” [gewoonlijk vertaald als “engel”] is niet een bezittelijk voornaamwoord, de engel is slechts een eigenschap van G’D. Het woord ”Elo-hiem” in dit vers, moet worden opgevat als, uitleg van het woord “malach”. Wanneer de Thora deze G’ddelijke voortbrenging beschrijft als “malach” betekent dit dat G’D inhoudelijke aanwezig is in deze G’ddelijk voortbrenging.

We komen iets dergelijks tegen in Exodus 23:21, waar G’D aan Mozes uitlegt dat de engel/malach, die het Joodse Volk zal begeleiden, met het allergrootste respect gerelateerd moet worden aan “Mijn naam in hem”.

Het woord is klaarblijkelijk in plaats gesteld voor de eigenschap van G’D, wat we noemen “de vrees van Izaak”, een eigenschap welke op geen enkele wijze tegenspraak duldt.

Wanneer we lezen in Genesis 48:16, als Jacob voor zijn dood zegent, “ De engel die mij verloste……is in het midden van de aardse wereld,” welke een verwijzing is naar de eigenschap van “meesterschap” [“adnoet”] welke deze “engel” representeert. Hij heeft de autoriteit binnen het gehele aardse universum.

Rebbeinoe Bachya, Rabbi Bachya ben Asher [1255-1340] van Saragosa Spanje, was een uitzonderlijke leerling van Rabbi Shlomo ben Aderet ( de “Rashba”), de voornaamste leerling van Rabbi Moshe ben Nachman (de “Ramban”). Verscheidene boeken zijn geschreven op de Kabballa baserende Thoragedeelten van R. Bachya’s commentaren.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT LECH LECHA

Ga jij (Genesis 12:1 – 17:27)

Dit Thoragedeelte bevat de positieve mitswa, gebod, dat mannen besneden moeten zijn.
De Thora zegt: “zot beritie asher tishmeroe bénie oewénéchem oewén zar acha acharècha himol lachèm kol-zachar” Dit is Mijn verbond met jullie en jullie nakomelingen, waaraan jullie je moeten houden: Besneden wordt bij jullie, al wat van het mannelijke geslacht is. (Genesis. 17,10) Dit gebod wordt herhaald in Parashat Tazria waar de Thora zegt: “oewajom hashminie jimol besar arlato” Op de achtste dag moet hij aan de voorhuid van zijn lichaam besneden worden. ( Leviticus. 12,3 ) Veel geboden worden in Thora twee maal herhaald. Er is altijd een noodzakelijke reden voor, zoals onze wijzen hebben aangetoond.

Er zijn een aantal zeer diepe esoterische verklaringen op deze mitswa, vooral hoe de Thora de vervulling van deze opdracht relateert aan Israëls bezit van het Heilige Land. G’D zegt namelijk tot Abraham in vers 17,8, direct voor het gebod van de besnijdenis: “Ik geef jou en je nageslacht het land, waar je nu als vreemde vertoeft, het gehele land Kana’an, tot een eeuwig onvervreemdbaar bezit en Ik zal hun tot G’D zijn.”
Onze wijzen becommentariëren, dat G’D tegen Abraham zei: “Als je nakomelingen het gebod van de besnijdenis in acht nemen kunnen zij het Heilige Land binnentrekken; zoniet, kunnen zij het Land niet betreden.” (vergelijk Rashi op Jehoshoewa 5.4)
We zijn dus gewaar van het feit dat het Land van Israël vast verbonden is met de besnijdenis, relevant aan het vers in Het Schrift (Deuteronomium 32,9) kie chèlek HaShem amo ja’akov chèwel nachalato, Want het deel van de Eeuwige is Zijn volk, Ja’akov is Zijn toegemeten erfgoed (het “toegemeten erfgoed” is het Land Israël). G’D nam ons vanuit alle andere volkeren, om G’D voor ons te zijn, Zijn volk. Hij gaf aan de andere zeventig naties hun respectievelijke talen en landen (zie 32,8), allen onder supervisie van de zeventig vertegenwoordigers van het Celestische Hof. Onze taal echter, is een heilig taal. Aan ons gaf Hij het Heilige Land, een land onder direct toezicht van G’D en niet van Zijn vertegenwoordigers.
Dit land is tegenover zijn tegenhanger gesitueerd in de Hemelse Sferen. Wij kunnen dit land niet claimen zonder eerst onze voorhuid te verwijderen, welke klipa, schil, (bron van kwade sensuele menselijke verlangens) representeert, het symbool van de serpentverontreiniging, de invloed van de sitra achra (letterlijk”de andere zijde” het tegenovergestelde van heiligheid en zuiverheid).
Als een jood zou falen in het in acht nemen van dit gebod, G’D verhoede, zou dit beschamend zijn voor het land. Alle studenten van Kabbala zijn zich bewust van eretz jisraël in de Hemels Regionen, m.a.w de sefirot jasod en machoed symboliseren esoterische verwantschap tussen Zion en het aardse Jeruzalem.
Zij zijn omgeven door klipot, bekend als aréliem, onbesneden mensen, aangezien de berg Zion en de berg Moria, de Tempelberg, zijn omgeven door de bergen van Ezau en zijn nakomeling Amalek. Zolang Izaak in leven was, namen Ezau’s nazaten de mitswa van de besnijdenis in acht, maar direct na zijn overlijden werd het reeds opgeheven. (Tanna de Bey Eliyahoe, Hf. 24)
Alle kwade mensen omgaven Jeruzalem, zoals is geschreven: “kol gojiem sewawoenie,” allerlei heidense naties omsingelden mij. (Psalm. 118,10)
Jeruzalem kan vergeleken worden met “Lelie onder de doornen” Koning Salomon’s beschrijving van Israël in Hooglied 2,2.

We kunnen ons de vraag stellen waarom de niet-Joodse volkeren, meer dan alle andere geboden , het gebod van besnijdenis hebben geweigerd.
Het is een glasheldere zaak, dat door het uitvoeren van deze handeling, er een duidelijke onderscheiding getrokken werd tussen Abraham [en later het Joodse Volk] en de rest van de mensheid.
Het thema die de verbinding vormt tussen de heiligheid van het Land Israël en het geven van het Land Israël aan Abraham en zijn nakomelingen, wordt in deze Thoralezing niet minder dan drie keer herhaald.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT NOACH

Rabbijn Juda Groenteman geeft in november een aantal lezingen in Antwerpen, informatie via:

http://www.elcker-ik.be/InformCMS/preview/index.php?pag_id=550288&cty_id=1730

Noach (Genesis 6:9 – 11:32)

De Tsadiek, de rechtvaardige, is verbonden met de sefira jasod, deze sefira is verbonden met de sefira malchoed door het verbond van de besnijdenis.
De positie van Noach in deze wereld manifesteerde zich door het feit dat hij besneden geboren werd, m.a.w zonder voorhuid. (Avot de Rabbi Nathan 2,8)
Onze wijzen zeggen: “hij bewaakte het verbond” en ondanks dat hij niet erin slaagde om het verval van de mensheid te keren naar het extensieniveau, zoals dat er was vóór de zonde van Adam, m.a.w het kleden van de mensheid in kleren van licht, zodat de individuele onsterfelijkheid zou zijn hersteld, slaagde hij op z’n minst in het herstel van de onsterfelijkheid van de diersoorten.
De reden dat Noach niet slaagde in het overwinnen hiervan, ligt in het feit dat hij naderhand wijn dronk van de wijngaard die hij had aangelegd, in tegenstelling tot Adam, die de druiven van de boomgaard van kennis uitperste tot sap.
Eigenlijk, toen hij de wijngaard aanlegde (de boomgaard die G’D Zelf had geplant in Gan Eden), had hij de intentie om de schade te herstellen die was veroorzaakt door de zonde van Adam, maar hij dronk te veel wijn. Spreuken 25,27 verwijst naar dit incident met: “Het is niet goed om teveel honing te eten.”
Pardes Rimoniem beschrijft het hele onderwerp van de wijngaard als iets dat, ofwel een fontein van spiritualiteit kan zijn of een bron van losbandigheid, dronkenheid. Alhoewel Noach streefde naar het herstel van het evenwicht van jajin hamashimer, het reservoir van spiritualiteit welke Adam had verloren, door het tot zich nemen wat aan hem was verboden, verlaagde Noach zich toen hij de wijngaard plantte; het fruit van zijn wijn werd niet zijn kos jeshoe’ot, de beker van verlossing, maar veranderde in gefen sodom, de wijngaard van Sodom en de druiven veranderde in inbee- rosh en ashkelot merorot lamo, “hun druiven zijn giftige druiven, bittere trossen dragen ze (Deuteronomium 32,32). Kortom, Noach had de verkeerde wijn gedronken.
Wat gebeurde met Noach was gelijk aan wat gebeurde met de collega van Rabbi Akiva die de verbindende mysteries onderzocht tussen G’D en mens, wat zijn brein in een staat van krankzinnigheid bracht. (Chagigga 14).
Iemand moet niet zijn spirituele capaciteit overschatten, en niet onderschatten.
Ondanks dit alles, zwoer G’D niet opnieuw het menselijke ras te laten ondergaan, wat was gebeurd tijdens de zondvloed. Toen G’D dit beloofde, verwees Hij naar Zijn eerder gemaakte uitspraak, keets kol-basar, eind van alle wezens in Genesis 6,13; wat aangeeft dat de huidige staat van onsterfelijkheid van de levensvormen, alleen in stand zal blijven gedurende de lengte van de natuurlijke historie van de mensheid. Alleen na de komst van Mashiach zal er een verandering plaatsvinden, en wanneer “G’D Zich opnieuw zal verheugen over Zijn handwerk” (Psalm 104,31) zal de staat van het universum terugkeren naar zijn origine, die er was, in de tijd dat Adam werd geschapen.

SHABBAT SHALOM

PARASHOT NITSAVIEM – WAJÉLEECH

Rabbi Shimon bar Jochai

Zohar, P. 18a

De heilige Ari koos dit gedeelte van de Zohar omdat hij dit passend vond voor de dagen dat wij parashat Netsaviem lezen, het werd gepubliceerd in zijn compilatie “Chok LeJisraël“.

De dag van Rosh Hashana is de dag van het pinakel van Izaak, het symbool van de sefira van gevoera. Op die dag wordt hij verheven tot hoofd van de “Voorvaderen”; de anderen zijn Abraham, welke de sefira van chesed representeert, en Jacob, tiferet [ de combinatie van strikt oordeel met goedhartigheid]. Verwijzend naar die dag en zijn verbinding met vrees, is geschreven: “De zondaars van Zion zijn bevreesd; bangheid heeft de vleiers verrast.” (Jesaja. 33:14)

De dag van Rosh Hashana  is de dag dat Izaak werd verheven en gebonden op het altaar om geslacht te worden als offer. [Omdat dit de dag is van streng oordeel, welke tot zijn hoogste niveau is verheven op die dag, wanneer iedereen de Koning in oordeel passeert.] Op die dag wordt over alle naties geoordeeld en Sara [welke de Shechina representeert] jammert in vrees wegens de hardheid van het oordeel en het geblaas van de shofar, welke tevens ook grote vrees opwekt. Gelukkig is het lot van iemand die zich weet te sturen door dit alles en zich bewaart voor de hardheid van die dag, omdat hij zich realiseert dat het ontstaan van het strenge oordeel bij zijn bron wordt gezoet.

Rabbi Abba zegt, de reden dat we dit gedeelte van de Thora lezen op deze dag, welke relateert aan het offeren van Izaak, is omdat dit de dag is waarop hij werd geofferd (gebonden op het altaar) in deze fysieke wereld en tevens ook gebonden werd in de spirituele wereld. Het was tot op die dag dat Izaak werd verheven tot de sefira van gevoera [ten gevolge van de vrees opgewekt door het gebonden zijn op het altaar als offer].

Wanneer werd Izaak gebonden op het altaar? In de tijd toen werd geschreven: “Ze kwamen tot aan de plaats die G’D hem gezegd had. Daar bouwde Abraham het altaar, schikte het hout, bond zijn zoon Izaak en legde hem op het altaar, bovenop het hout.” (Genesis. 22:9)

Rabbi Elazar zegt dat dat de dag is dat Izaak Abraham kroonde, zoals staat geschreven: “Elo-hiem verhief Abraham” (Genesis.22:1). De betekenis van de woorden “verhief” kan afgeleid worden van de verzen: “Ik zal mijn handen opheffen naar naties, Ik zal mijn vlag zichtbaar verheffen   de volkeren” (Jesaja 49:22); eveneens, Mozes noemde een altaar, “G’D is verheven als mijn banier (standaard)”(Exodus. 17:15). Hieruit leren wij dat de sefira van chesed op die dag werd verheven en gecompileerd, omdat het Abraham was, representerend chesed , die de macht had over Izaak en hem bond op het altaar.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT KI TAVÓ

 

De relatie tussen Ki Tavó en Chai Elloel

 

Likkoetei Thora 40b-d

 De achttiende dag van de maand Elloel, of Chai Elloel, markeert de geboorte dag van zowel de Baal Shem Tov [5458, (1698)], stichter van de Chassidische Beweging als de Alte Rebbe [5505 (1745)], grondlegger van het Chabad Chassidisme. Deze dag valt of wel op of vlak voor de Shabbat waarop het Thoragedeelte van Ki Tavó wordt gelezen.

 Alle Joodse feestdagen en uitzonderlijke gebeurtenissen in de Joodse kalender worden aangeduid in de Thoralezing gedurende de week waarin ze plaatsvinden. Begrijpelijkerwijs wordt Chai Elloel, dus aangeduid in het gedeelte van Ki Tavó.

Waar in dit gedeelte vindt men de connectie met deze aanduiding?

 Ki Tavó begint met de voorschriften van Bikoeriem, de eerste vruchten die de Joden verplicht waren te staan direct “Wanneer je dan in het land dat de Eeuwige, G’D, je als erfgoed geeft, gekomen bent, het in bezit genomen zult hebben en er zult wonen.”

 Onze Rabbijnen geven aan dat de kwalificatie “het in bezit genomen zult hebben en er zult wonen”leert, dat de verplichting van Bikoeriem niet begon voordat de 14 jaren waarin Eretz Jesraël in bezit genomen werd en verdeeld onder de stammen voorbij waren.

Het vers is aangepast op die wijze om de volgende reden: De ware betekenis van “in het Land komen” is dat van komen in zijn geheel, helemaal. Dit is in overeenstemming met de uitspraak van onze Wijzen: “Een gedeeltelijke binnenkomst wordt niet beschouwd als een hele binnenkomst.” Het woord “komen “ betekent daarom “in bezit nemen en wonen”, want alleen dan werden de Joden beschouwd werkelijk het Land te zijn binnen gegaan.

Dit is de connectie tussen Ki Tavó en Chai Elloel, de geboorte data van de twee grote Chassidische stichters:

Chasidoet is uniek in zijn vermogen om geest, gedachte en hart te doen ontwaken zodat de dienst van Thora en Mitzwot is op de wijze van Ki Tavó, een complete onderdompeling met elke vezel van iemands wezen die wordt voortgebracht door spirituele dienst.

De waarde van deze wijze van dienst zal begrepen worden door het verschil uit te leggen tussen iemands intrinsieke en extrinsieke staat van zijn; intrinsiek refereert aan iemand zoals hij existeert in relatie tot zichzelf en extrinsiek zoals hij existeert naar anderen.

 In termen van spirituele dienst betekent dit het volgende: Wanneer iemand iets doet, op een intrinsieke en extrinsieke wijze, blijven hij en de idee die hij uitvoert twee verschillende entiteiten. Wanneer echter iemand handelt vanuit zijn innerlijke zelf, dan absorbeert zijn innerlijke wezen zichzelf in dat wat hij doet, want in relatie tot iemands innerlijk wezen, zijn essentie, existeert er niets behalve hijzelf. Dus wanneer iemand op deze wijze, zelfs een ogenschijnlijk extern specifiek, is de handeling verbonden en verenigd met zijn innerlijke zelf, dan zijn hij en de handeling zijn één.

 Hierin ligt het uniek van Chasidoet: Chasidoet, een deel van de “ ziel van Thora”, reveleert iemands wezenlijke levenskracht in al zijn aspecten van Thora en mitzwot en de unieke kwaliteit van deze levenskracht is totale eenwording met degene die het opwekt.

 Want de levenskracht voegt niets toe aan wat het vitaliseert, een levend lichaam bezit niet meer delen dan een dood lichaam. De levenskracht is dus niet separaat van degene die het energie geeft, het is eerder de ziel van het opwekkende lichaam, omdat elk en ieder aspect van het lichaam een levende entiteit is. De reden is dat iemands “ leven” zijn ziel is en innerlijke essentie, zoals eerder uitgelegd, dat deel uitmaakt van iemands innerlijke essentie en volledig wordt verenigd met objectief waarmee het zich verenigt. Dus het lichaam waarin de levenskracht verblijft, is er compleet van doordrongen.

 Precies zo is de uitwerking van Chasidoet op Thora en Mitzwot: Het is mogelijk voor iemand om Thora te studeren en mitzwot uit te voeren terwijl hij er toch van gesepareerd blijft. Chasidoet echter stelt iedereen in staat om het  innerlijke aspect van zijn levenskracht te reveleren, zijn heilige ziel. En in relatie tot dat niveau, de eigenschap van Ki Tavó is, elk en ieder mens waarlijk een met Thora en Mitzwot.

 SHABBAT SHALOM

PARASHAT KIE TEETSEE

Als je voortgaat (Deuteronomium 21:10 – 25:19)

De mens is het doel van de Schepping, hij is geschapen in beeld en gelijkenis van G’D, en juist zoals Adam oorspronkelijk twee gezichten had om de gelijkheid van man en vrouw aan te geven, zo was ook de respectievelijk aanwending van lichaam en ziel van de mens perfect, zodat beide waren geheiligd aan hun G’D.
De vrouw werd vervolgens gesepareerd van Adam met de intentie om zijn levensgezellin en partner te worden, om hen de gelegenheid te geven een ware eenheid te vormen, zodat zij “één lichaam” worden. (Genesis. 2,24)
Adam (Mens) verkrijgt door deze separatie zijn perfecte vorm en wordt compleet.

G’D verloste ons van slavernij, om ons in staat te stellen Zijn dienaren te worden, zoals Hij zegt in Leviticus 25,55: “Want de Kinderen van Israël zijn dienaren van Mij.” Dus, door Zijn dienaren te worden, voegen wij meer vermogen toe aan de spirituele essentie van onze zielen. In de uiteindelijke toekomst zullen wij het spirituele niveau, dat Adam bezat toen hij nog de geweven kleding van licht droeg, terugwinnen.
Als we dit punt in onze historie zullen bereiken, zal ons leven oneindig worden en lichaam en ziel zullen een blijvende existentie hebben in deze wereld.
Wij zullen direct van voeding worden voorzien door de shechina, is de unanieme mening van de Kabbalisten en vastgelegd door Nachmanides. Een compleet andere mening daarentegen heeft Maimonides, die de periode in kwestie niet ziet als een leven in deze wereld.
De zuivering en verfijning van ons lichaam en iemands verhouding met de materiele zaken in deze wereld kan alleen worden bereikt door het uitvoeren van de mitzwot. Gezien het feit dat praktisch alle zeventig geboden die worden genoemd in deze parasha betrekking hebben op ons lichaam ofwel onze verhouding tot materiele zaken, mogen we aannemen dat de gehele parasha primair gewijd is, om ons te leren heiligheid tot stand te brengen met ons lichaam en onze omgang met materiele zaken.
We moeten zeer goed bedenken dat het voornaamste punt in het bereiken van heiligheid van het lichaam draait, om het reproductieve orgaan en wie en voor welk doel, wij onze levenspartner kiezen. We moeten ernaar streven dat de zaaddruppel welke de eicel van onze vrouw zal bevruchten heilig is en niet ontaard is door verontreiniging van de serpent (spirituele verontreiniging).
Heilige intenties gedurende copulatie brengt een vereniging teweeg tussen de Sefirot van tiferet en malchoet, welke het tweevoudige gezicht van Adam representeerde vóórdat Eva van hem was gesepareerd.
Deze twee Sefirot symboliseren de esoterische dimensie van ziewoek, copulatie, de fysieke vereniging van man en vrouw.
De heilige gedachten die iemand moet hebben gedurende de geslachtsgemeenschap zijn alleen spiritueel verdienstelijk als iemand de geschikte vrouw heeft gekozen.
De reden dat Eva was gescheiden van Adam op het moment dat er geen andere mensen waren, was om aan te tonen dat de vereniging van Adam en Eva een echtelijke staat was, een vereniging tussen twee partners die geschikt waren voor elkaar.
Als iemand een vrouw kiest, moet hij voor ogen houden tzelem elokiem, het beeld van G’ddelijk aspect van iemands persoonlijkheid.
Als iemand is gemotiveerd door andere overwegingen in het kiezen van een vrouw, of als iemand geslachtsgemeenschap aangaat, zelfs met zijn eigen vrouw, met redenen anders dan het procreëren van G’D vrezende kinderen, is iemands existentie onvolledig. G’D heeft het “tegenovergestelde” gecreëerd, m.a.w om ons te voorzien in het maken van de juiste keuze, voorzag Hij ons van de verkeerde keuze.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT SHOFTIEM ROSH CHODESH ELLOEL

Rechters     Deuteronomium. 16:18 – 21:

Poorten van Ons Leven

Soms schijnt het dat de mitzwot in de Thora niet meer relevant zijn in deze tijd. Hoe worden wij verondersteld te relateren aan dit gegeven? Wanneer het Thoragedeelte spreekt over de Tempel, of over de verdeling van het Land Israël, of (zoals in het Thoragedeelte van deze week) het benoemen van rechters en rechtsdienaren in elke gemeente en stad, wat worden wij dan verondersteld te doen? De Lubavitcher Rebbe verklaart dat aangezien de Thora G’D’s Wil en Wijsheid is, het een eeuwig document is en daarom relateert aan elke tijd en plaats. We kunnen in elke mitzwa leerstof vinden die geschikt is voor ieder persoon.

De Talmoet zegt dat elk persoon een kleine wereld is. Als zodanig zijn er parallellen tussen ieder van ons en de wereld in het algemeen. Net zoals de wereld steden en gemeenten hebben die het middelpunt van leven en voortbrenging zijn, zo ook heeft elk individu centrale en voortbrengende aspecten in zijn leven. Deze zijn onze gedachten, spraak en handelingen.

We leven in opwindende tijden, waarin zelfs de media de wereld beschrijven als een “global village”, en waar de samenleving constant beproeft wordt  door het wegvallen van alledaagse grenzen. Desondanks, in het gunstigste geval, moet elke gemeente en stad een poort hebben. Een poort dient zowel als een ingang en als een uitgang en, zo nodig, kan die worden gesloten om ongewenst verkeer te stoppen. Evenzo, wanneer iemand positief wenst te denken, behulpzaam of goedhartig wil praten, of een mitzwa doen, dan moet hij zijn poorten wijd openen. Hij kan ook, wanneer de impuls tot denken, spreken of handelen op een negatieve wijze wordt benaderd, de poort sluiten.

Wat zijn onze poorten? Zij zijn onze ogen, die lezen wat de Thora zegt en ons daarom informeert op de juiste manier te handelen; onze oren waarmee we luisteren wat onze leraren zeggen; onze neuzen die een zuivere en heilige atmosfeer ruiken en daardoor aanvoelen, ingegeven met echt Judaïsme; en onze monden waarmee we alleen kosher voedsel eten en drinken en gepaste woorden spreken.

Het openingsvers van de Thoralezing van deze week spreekt over het benoemen van rechters en rechtsdienaren. Wie is de rechter die kan beslissen wanneer de poort geopend en gesloten wordt? Ons intellect. Wie zijn de rechtsdienaren die de orde bewaren? Dit is onze wilskracht om de uitspraak van de rechter te vervullen. Een eenvoudig voorbeeld van dit proces is voedsel. Het verlangen om iets te eten is alleen het eerste begin. Eerst moeten we beslissen of het voedsel kosher is. Zelf als dat zo is, moeten we andere factoren overwegen, “Is het voor mij toegestaan om nu zuivelproducten te eten, of heb ik zojuist vlees gegeten?” en “Is het werkelijk nodig dit te eten?”etc. Zelfs als is besloten dat het is toegestaan, moeten we nog steeds beslissen welke zegen we moeten reciteren. Wanneer en hoe we de poort moeten openen is een keuze die de Almachtige aan ons heeft gegeven om onze zielen en lichamen te leiden in de juiste richting.

Het bijkomende geschenk van de wekelijkse parasha is het eigen maken en toevoegen van ontvankelijkheid  om de wereld en onszelf te zien in de weg die de Thora beschrijft. Wanneer we dat doen, zien we dat er grote vreugde is zowel in deze wereld als in de hogere spirituele sferen. Er is een andere parallel tussen de wereld en de menselijke microkosmos: de kleine wereld die ieders eigen realiteit is, is verbonden met de ware realiteit die alleen gezien kan worden achter de façade van de fysieke wereld waarin we leven. Wanneer we op een gelaagde manier ons intellect en doorzettingsvermogen gebruiken om onze poorten te beheersen, openen we de poort naar een buitengewone mogelijkheid voor de Almachtige om de toekomstige rechters van het Sanhedrin, de Grote Vergadering, te benoemen, die de bouw van de Derde Heilige Tempel zullen begeleiden; het Sanhedrin is de rabbijnse autoriteit die de uiteindelijke echtheid van de Thora zal onderwijzen en ons het essentiële gepaste perspectief zal geven hoe te relateren aan de wereld, een bekwaamheid die wij missen tijdens de periode van verbanning. Dit kan alleen plaatsvinden door onze inspanning nu.

Hoe verhoudt zich dat tot de maand Elloel, die deze week begint? Elloel is de poort naar Tishré, de maand van de Hoge Feestdagen, wanneer we worden beoordeeld voor onze handelingen van het afgelopen jaar en wat we zullen ontvangen in het komende jaar. Hoe we nu met onze tijd omgaan heeft een invloed op hoe onze gebeden geaccepteerd zullen worden in de maand die zal komen. Net zoals we met ons intellect en doorzettingsvermogen nu grote impact creëren in de onmiddellijke toekomst, zo ook zal onze inspanning bewerkstelligen dat de ware en complete verlossing die door Mashiach zal plaatsvinden, dichtbij wordt gebracht.

Vanaf het begin van de maand Elloel is het al toepasselijk om elkaar een goed en zoet jaar te wensen.

SHABBAT SHALOM  (EN GELUKKIG NIEUW JAAR)   

LIED VOOR DE MAAND ELLOEL

Psalm 27 begint met de woorden “De Eeuwige is mijn licht en mijn redding.” Het wordt gelezen aan het einde van de ochtenddienst gedurende de Maand Elloel vandaag, tot na Hoshana Rabba-Simcha Thora, de zevende dag van het Soekotfeest. Vers 6 van de psalm, leest: “Dan hef ik fier mijn hoofd op tegen de mij omringende vijanden, dan zal ik offers brengen in Zijn tent onder bazuingeschal en zingen voor de Eeuwige bij muziekbegeleiding”.Heb dit vers in gedachten zodat je de woorden ziet schitteren in het analytisch licht overeenkomstig aan de Kabbala.

De Eeuwige is mijn licht en mijn redding, voor wie zou ik bang zijn? De Eeuwige is de beschutting voor mijn leven, voor wie zou ik angst hebben? Al komen, die het kwade willen, mij te na om mij tot prooi te maken, al zijn mijn verdrukkers en mijn vijanden tegen mij, dan zullen zij struikelen en vallen. Al ligt een leger in slagorde tegenover mij, is het mij niet bang te moede. Al staat een oorlog tegen mij op uitbreken, toch blijf ik vertrouwen. Een ding vraag ik van de Eeuwige, daarnaar streef ik, dat ik in het Huis van de Eeuwige mag wonen, zolang ik leef. Dat ik de lieflijkheid van de Eeuwige mag ervaren en het heiligdom weer geregeld mag bezoeken. Dat Hij mij zal beschutten onder een beschermend dak in kwade dagen, mij zal bergen in de beslotenheid van Zijn tent, mij zal plaatsen boven op een rots. ‘Dan hef ik fier mijn hoofd op tegen de mij omringende vijanden, dan zal ik offers brengen in Zijn tent onder bazuingeschal en zingen voor de Eeuwige bij muziekbegeleiding. Hoor Eeuwige naar mijn stem! Ik roep, wees mij genadig en antwoord mij. Ik dacht bij mezelf van U te horen: ‘Zoeken jullie Mij!’ Ik zoek U toch, houdt U zich niet voor mij verborgen, wijs Uw dienaar niet af in Uw woede, mijn hulp bent U. Laat me niet los, laat me niet in de steek! God van mijn redding! Al zouden ook vader en moeder mij in de steek laten, de Eeuwige zou me tot zich nemen. Leer mij Eeuwige Uw wegen en leid mij op het juiste pad, al zijn er die op mij loeren. Lever mij niet over aan de willekeur van mijn vervolgers, die als valse getuigen optreden en met woorden van geweld van zich afblazen. Zo zou het zijn als ik niet altijd geloofd had het goede van de Eeuwige te mogen ervaren in het land der levenden. ‘Vertrouw op de Eeuwige, wees sterk en blijf moedig, vertrouw op de Eeuwige!’

 

PARASHAT RE’ÉE

Zie      Deuteronomium. 11:26 – 16:17

Spiritualiteit en onzelfzuchtigheid

Likoetei Torah and Shaar Hamitzvot

Geschriften van de Ari

“Wanneer er bij jou een behoeftige is……onderdruk dan niet het medegevoel bij je zelf en houd je hand niet krampachtig dicht voor die behoeftige broeder, maar open wijd je hand voor hem……(Deuteronomium. 15:7-8)

Rabbi Chaim Vital, die de leringen van de Arizal optekende, zegt ons:

Wat betreft filantropie en vrijgevigheid, observeerde ik dat mijn leraar niet bijzonder buitensporig was ten aanzien van zijn kleren en dat hij slechts weinig at, betreffende de uitgaven van zijn vrouw gaf hij geld naar gelang haar wensen. Mijn leraar placht overvloedig te geven met grote vreugde en goedhartigheid, met open hand en soms keek hij niet eens of er genoeg overbleef voor hem zelf.

Mijn leraar zei, dat elke mitzwot is geassocieerd met één van de tweeëntwintig letters [van het Hebreeuwse alfabet], en wanneer iemand een miztwa uitvoert, straalt de letter, waarmee de mitzwa is geassocieerd, van zijn voorhoofd, vervangend de vorige letter op zijn voorhoofd van de voorafgaande mitzwa die hij uitvoerde. [De letter bleef op zijn voorhoofd] slechts zolang als hij de mitzwa uitvoert [waarmee het is geassocieerd]; naderhand wordt de mitzwa in [hem] geabsorbeerd. Als hij echter een miztwa van liefdadigheid doet,  verdwijnt de letter waarmee het is geassocieerd niet zo snel als de letters die geassocieerd zijn met de andere mitzwot, maar blijft op zijn voorhoofd stralen voor een week. Dit is de esoterische betekenis van het vers, “Zijn rechtvaardigheid duurt voor altijd” (Psalm. 111:3, 112:3,9).

Aangaande het kopen van spullen die worden gebruikt voor het uitvoeren van Thora mitzwot, zoals een loelav en een etrog, zag ik dat mijn leraar de handelaren de prijs gaf die zij het eerst noemden en niet met hen daarover onderhandelde. Soms plaatste hij zijn portefeuille voor hen met het verzoek om te nemen wat ze wilden. Hij vertelde mij dat iemand niet moet afdingen op de prijs als het om een mitzwa gaat. Rabbi Shimon bar Jochai zegt het zelfde in de Zohar.

We zullen nu de esoterische betekenis verklaren van het vers, “Iemand die vrijgevend is, eindigt met meer” (Spreuken. 11:24), hetgeen onze wijzen van toepassing achten op de mitzwa van liefdadigheid (Yalkoet Shimini ad loc). Inderdaad relateren we [dit vers] aan het zelfde onderwerp, want Yesod wordt de “de rechtvaardige” genoemd [in het Hebreeuws, “tzadik “, omdat het liefdadigheid [“tzedaka“] geeft aan noekwa, die a priori omschreven wordt als “rechtvaardigheid” [in het hebreeuws, “tzedek“], maar daardoor “liefdadigheid” [“tzedaka“] wordt.

Het woord voorliefdadigheid”, “tzedaka“, bestaat uit het woord voor “liefdadigheid” (“tzedek“, gespeld tzadi-dalet-koef) plus een toegevoegde . Omdat de aan het eind van een woord een teken van een vrouwelijke vorm is, mag ´tzedaka” als de vrouwelijke vorm van ´tzedek” worden beschouwd. Dus Yesod transformeert Noekwa in een vrouw.

Om die reden wordt Yesod waarschijnlijk “Jozef” genoemd.

Zoals we verschillende malen eerder hebben verklaard, wordt Jozef geassocieerd met Yesod in deugdzaamheid van zijn seksuele puurheid. Hier moet opgemerkt worden dat “Jozef”[in het Hebreeuws, “Josef “hij zal toevoegen” betekent, zinspelend op de toenemende groei van Jozef, met andere worden, de heilige verbinding met Noekva, veroorzaakt in Zeir Anpin.

Zo zal het zijn met iemand die aan financiële liefdadigheid doet. [Hij zal door het geven geen financieel verlies lijden, in tegendeel, hij zal er rijker op worden, en meer bezitten dan voorheen.

De esoterische betekenis van tzedaka en gebed is, aangezien de joed-hé gesepareerd is van de vav-hé [vanwege negatief menselijk gedrag], dat we tzedaka moeten geven of moeten bidden om G’D’s Naam met Zijn Shechina te verenigen, met vrees en liefde, in naam van heel Israël.

Negatief gedrag is alleen mogelijk omdat het intellect is gescheiden van de emoties (en hun expressie). Intellectueel kan een persoon begrijpen dat het niet goed is om kwaad te doen. Maar zolang als dit begrip niet de gelegenheid wordt gegeven (gewoonlijk door bezinning en meditatie) om zijn gevoelens over dingen te beïnvloeden, blijft het abstract en steriel.

De yoed-hé van G’D’s Naam Havayah geeft aan de sefirot van Chochma enBina, respectivelijk, de twee hoofd componenten van het intellect. De vav-hé geeft de emoties aan (collectief beschouwd) en hun manier van expressie (idee, spraak en actie).

Door onze verbinding met G’D te vernieuwen in gebed en het uitvoeren van daden van barmhartigheid, laten we zien dat ons intellect inderdaad onze emoties en acties hebben beïnvloed, waarbij de breuk tussen de twee helften van de Naam van G’D worden geheeld.

Zoals we weten zijn de twee eerste letters van de naam Havayah een naam van G’D in hun eigen recht, de naam Y-ah. De laatste van de naam Havayah, die afdaalt om het intellect en emoties uit te drukken van de eerste drie letters in de lagere werelden, wordt omschreven als de Shechina, de “G’ddelijke Aanwezigheid”.

De zin van het geven van financiële liefdadigheid voor het gebed is, om de [eerste twee letters van de naam Havayah] joed-hé, welke zijn gesepareerd van de [laatste twee letters,] vav-hé, te verenigen.

Voor het doen van een goede daad of het geven van financiële liefdadigheid, moet daarom gezegd worden, “[Ik doe dit] om de Heilige, Geprezen zij Hij, en Zijn Shechina te verenigen, in liefde en vrees [voor G’D], in naam van heel Israël.” [Op deze wijze] verbindt hij de joed-hé met de vav-hé.

SHABBAT SHALOM