PARASHAT WAJEETSÉE

En hij vertrok (Genesis 28:10 – 32:3)

Het symbool in de droom van de ladder, beschrijft dat er een directe verbinding is, tussen wat gebeurt in de hemel en wat er gebeurt hier in deze wereld. Het geeft aan dat de Heilige Tempel het centrum van het universum is, en geeft weer zijn constructie, verwoesting, en eventuele herbouw in een meer perfecte wereld. En er is een directe aanwijzing dat dit alles de taak is van het Joodse Volk en dat het Joodse Volk zal bestaan uit twaalf stammen.

Midrash Bereeshiet Rabba 68,11, op Genesis 28,11: “wajikach méawnée hamakom” “Hij nam de aanwezige stenen van de plaats” becommentarieert dat Ja’akov een test deed. Hij nam 12 stenen en zei tot zichzelf,aangezien noch Avraham noch Jitschak de twaalf stammen hebben gevestigd, als nu deze twaalf stenen samensmelten, betekent dit dat ik, Ja’akov, degene ben. Toen hij ontwaakte zag hij dat de stenen versmolten waren. De Thora schrijft 28:18: “Morgens vroeg nam hij DE STEEN die hij als hoofdkussen had gebruikt, richtte die op als gedenksteen en goot er olie overheen.

Hierdoor was hij ervan overtuigd dat hij de stichter van de Joodse Natie zou worden.

Nachmanides [ Rabbi Mosje ben Nachman ] beschrijft de betekenis van de droom volgens Rabbi Eliezer als volgt: Dit visioen is gelijk aan het visioen van Avraham bij de ervaring van het Beriet been Habetariem [Verbond tussen de stukken] Genesis 15,10-18, waar G’D aan Avraham de vier koninkrijken toonden welke zouden heersen over Israël in verbanning.
De opkomst en verval van deze koninkrijken is te vergelijken met het opgaan en neerdalen van de engelen op de ladder. ( zie ook Daniël 10,20 )
G’D beloofde dat Hij met Ja’akov ( het Joodse Volk ) zou zijn in hun tijdelijk verblijf en hen zou beschermen en redden van deze koninkrijken. G’D toonde Ja’akov de opkomst van deze vier koninkrijken en daarna hun verval.
Evenzo toonde Hij hem dat de engel die Babylon representeerde zal stijgen tot aan de zeventigste sport op de ladder om vervolgens weer neerwaarts te keren, ( zeventig jaar verbanning ) , terwijl de engel representerend het koninkrijk van Meden honderd en tachtig treden zou stijgen om vervolgens weer neerwaarts te keren.Toen de engel, die Edom representeerde, alleen opstijgend getoond werd en niet neerdalend, vroeg Ja’akov aan G’D hem in het graf te storten.
G’D reageerde dat zelfs als Edom hemelhoog zou stijgen, Hij hem persoonlijk zou neerhalen ( Ovadiah 1,4 ).

De toekomstige Tempel is hier aan Ja’ákov aangeduid als “….Beet Elokiem wezé sha’ar hashamajiem” “Hoe geweldig is deze plaats, dat kan niet anders dan een huis van G’D zijn en hier is de poort van de hemel.” (Genesis 28,17) Dit in aanmerking genomen kunnen wij begrijpen dat de Midrash zegt dat Ja’akov zag dat de Tempel werd gebouwd, verwoest en herbouwd. De interval tussen de verwoesting van de eerste Tempel en de herbouw van de derde Tempel wordt beschouwd als één ononderbroken periode van destructie, met als doel Israël aan te moedigen om zich te ontdoen van zonde doormiddel van inkeer.
Na het zien van de ladder in zijn droom, begreep Ja’akov een aantal dingen zeer goed; o.a. de betekenis van de vier verbanningen en de uiteindelijke verlossing. Daarom zei hij: “acheen jeesh Hashem bamakom hazè…” “Inderdaad, de Eeuwige is op deze plaats aanwezig en ik wist het niet.” (Genesis 28,16) Hij realiseerde zich dat “op deze plaats” uiteindelijk leidt naar De Derde Tempel en “Ik ben onder hen”.
Deze bewustwording was het gevolg van “wajishkach bamakom hazè” “En legde zich op die plaats te rusten.”
Deze toekomstige periode wordt door de profeten omschreven als: “Op die dag is de Eeuwige EEN en Zijn Naam is EEN” [ Zacharia. 14,9 ].

SHABBAT SHALOM.

PARASHAT TOLEDOT JITSCHAK

Rabbi Shimon bar jochai

Zohar, P 134b

“En dit zijn de generaties van Jitschak.” (Genesis. 25:19)

Rabbi Chiya opent zijn verhandeling met het vers “Wie kan door woorden de machtige handelingen beschrijven; wie kan al zijn uitspraken verklaren?” (Psalm 106:2).
Kom en Zie. Toen voor de Heilige, geprezen zij Hij, het verlangen opkwam om de wereld te scheppen keek Hij in de Thora en creëerde het van daaruit.

Dit betekent dat Hij keek naar de 22 letters en 10 klinkers die de 10 gezegden vormden door welke Hij de wereld schiep, en alle generaties van levens zag binnen de “blauwdruk” van de Thora.

Hij keek in de Thora en creëerde daaruit ieder en elk afzonderlijk.

Deze 22 letters en 10 klinkers werden de 32 paden waaruit Wijsheid (chochma) neerwaarts vloeide om de wereld te creëren door de 32 keer dat de naam Elo-hiem optreedt ten opzichte van de Schepping.

Zoals is geschreven: “Toen was ik als een klein kind [in het Hebreeuws, amoen] met Hem, en ik was Zijn vreugde, elke dag opnieuw.” (Spreuken. 8:30) Lees niet “amoen” (een klein kind); maar lees “oman” [wat een “handwerksman” betekent, exact de zelfde spelling].

Op het moment, voordat Hij de mens creëerde, zei de Thora: “Als U de mens creëert, die vervolgens zal gaan zondigen, aangezien hij zal eten van de Boom van Kennis van Goed en Kwaad, dan zal U over hem minachtend gaan oordelen, waarom creëert U dan überhaupt, het leidt toch tot niets?”

De Heilige, geprezen zij Hij antwoordde; “Voordat ik de wereld creëerde, creëerde Ik berouw.” Bovendien, op het tijdstip dat Hij de mens creëerde zei G’D: “Universum, O universum! Jij en je structuurlijke orde existeerde alleen bij de gratie van de Thora [sinds ook jij bent gecreëerd door haar letters]; Ik heb de mens gecreëerd om binnen jouw structuurlijke orde te leven, zodat hij zich bezig kan houden met leren. Als hij dat niet doet, breng Ik jou terug tot de staat van chaos en vormeloosheid.” Om die reden is alles geschapen ten behoeve van de mensheid, welke wordt bevestigd door het vers; ” Ik heb de aarde geschapen, en Ik heb daarop de mens gecreëerd.” (Jesaja 45:12) En elke dag roept de Thora de mensheid op met de verordening, om zich in haar te verdiepen [studeren], niemand neigt hun oor om te luisteren.

Probeer dit gegeven te vatten, al wie streeft naar het leren van Thora, draagt bij aan de continuerende existentie van het universum, en stelt zowel het micri als het macro in staat om op een gepaste wijze zijn functies uit te voeren.
Bovendien is er een directe samenhang tussen elk van de 248 ledematen van de mens en de verschillende creaturen in de wereld. Juist zoals elk persoon een organisch geheel is, verdeeld in verschillende ledematen, zo ook is de wereld een organisch geheel, verdeeld in verschillende entiteiten. Wanneer de wereld is gerectificeerd, functioneert het als één eenheid.

Vanuit dit gegeven zien we dat de levensenergie die voortkomt uit de mens die Thora leert, welke bestaat uit 22 letters en 10 klinkers, G’ddelijke overvloed teweeg brengt, [als een infuus voor de Schepping]. Goede articulatie van de letters en klinkers brengt teweeg dat deze letters bewegen en schitteren in de spirituele werelden, en dat zij op hun beurt G’ddelijke energie vrijgeven om de wereld te voorzien van spiritueel begrip en levendigheid.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT CHAYEE SARA

De leeftijd van Sara   Genesis. 23:1 – 25:18

 De spelonk en de letter

De spelonk Machpala in Hebron  is een integraal deel van de eenwording van G’D’s Naam.

Likoeté Sichot, vol. 1, p. 34-36, vol. 20, p. 91-99

“Verleen mij de spelonk Machpala………laat hij mij die geven voor de volle pond, als een eigen begraafplaats, als bezit, in uw midden.” (Genesis, 23:9)

In Kabbala refereert het woord “Machpala” aan de letter die twee keer voorkomt in G’D’s Naam. (Zohar I, 129a) De relatie tussen G’D’s Naam, de bron van leven en de begraafplaats van onze Patriarchen en Matriarchen is als volgt: De reden dat de ziel in het lichaam wordt gezonden is om zijn unieke taak te volbrengen om G’ddelijk bewustzijn in deze wereld te verspreiden. Wanneer het zijn taak heeft beëindigd, keert het terug naar “huis”, naar zijn oorsprong in G’D. Deze terugkeer gebeurt stap voor stap telkens wanneer we onze verhouding met G’D vernieuwen, waarbij in de tussen gelegen tijd een toenemende bewustwording van G’D wordt vergaard.De beweegreden om onze verhouding met G’D te vernieuwen hangt af van ons verlangen om onze status te herstellen met Hem na een val of een periode van vervreemding of hangt af van een verlangen om onze verhouding met Hem te intensifiëren.

In het eerste type van terugkeer, is de heroriëntering op ons gedrag (aangeduid door de tweede, of “lagere” van G’D’s Naam) met onze emotionele betrokkenheid (aangeduid door de letter vav) en wordt daarom de “lagere” terugkeer genoemd. In het tweede type van terugkeer, is de heroriëntering op onze mentaliteit (aangeduid door de eerste, of “hogere”, ) met onze pure G’ddelijke inspiratie en inzicht (aangeduid door de letter joed); het wordt daarom de “hogere” terugkeer genoemd.

[Noteer dat: In het Hebreeuws deze aanduiding in werkelijkheid is dat het woord voor “terugkeer” (“teshoeva”) kan worden gelezen als “keer terug (in het Hebreeuws, ‘tashoev’ de hé.”] Dus het proces van terugkeren, die de hoeksteen vormt van onze verhouding met G’D gedurende ons leven, wordt aangeduid door de twee letters  in G’D Naam.  De twee letters worden aangeduid door het woord “Machpala” (hé Machpala, letterlijke betekenis, “dubbele hé”).

De definitieve terugkeer gebeurt niet, zoals we zeiden, voordat de ziel zijn taak in deze wereld heeft beëindigd en het lichaam heeft verlaten. Dus de begraafplaats van Machpala geeft aan de voltooiing van het proces van terugkeer. Dit is de verbinding tussen de twee letters van G’D’s Naam en de begraafplaats van onze Patriarchen en Matriarchen.

VOOR DE VOLLE WAARDE

Ondanks de herhaalde pogingen van de zonen van Cheth en Efron om Avraham het land dathij benodigde gratis te geven, stond Avraham er op om er voor te betalen. Sterker nog, hij weigerde zelfs een gereduceerde prijs, maar drong aan op een betaling van de volle waarde. Dit, ondanks het feit dat hij een legale claim had op het gehele land zelfs zonder een overeenkomst met de inwoners.

We vinden een vergelijkbaar fenomeen, zoals Rashi benadrukt, in de discussie tussen David en Aravna. (Zie Samuel, 24:1, Kronieken, 21:24.) Aravna was koning van de Jebusiten en heerser van Jeruzalem. Toen David Jeruzalem veroverde, bekeerde Aravna zich tot het Jodendom. David werd getoond door een engel dat Aravna’s graanschuur de verheven plek was waarop de Heilige Tempel moest gebouwd worden. Toen Aravna dit hoorde, was hij graag bereid zijn graanschuur te schenken aan David. Ondanks het feit dat het stond op veroverd land en met de toestemming van de eigenaar, stond David er op om Aravna de volle waarde van de graanschuur te betalen.  

In de Midrash wordt  bevestigd (Bereshiet Rabba, 79:7) dat er drie plaatsen zijn in het Land van Israël waar onbetwistbaar het eigendomsrechtvanhet Joodse Volk is gevestigd: de Spelonk van Machpala in Hebron, de Tempelberg in Jeruzalem en Josefs graftombe in Shechem, in volle waarde, zonder enige schijn van meningsverschil.

Waarom stond Abraham er op om voor de spelonk te betalen, in plaats van het te ontvangen als een gift? Door dit geval te vergelijken met de aankoop van David, zinspeelt Rashi op het antwoord. David zei tot Aravna dat hij het land weigert te accepteren als een gift “want ik wil niets nemen dat wat van jou is om G’D,offers te brengen op land wat gratis is verkregen.” Wanneer iemand een gift accepteert, blijft er altijd iets van een verbinding bestaan tussen de gever en de ontvanger. Zowel Abraham als David wilde elke verbinding tussen het land en de vorige eigenaren verbreken, zodat de heiligheid van deze unieke plaatsen puur en onbevlekt zouden blijven.

Voorts, het huwelijk van Izaäk en Rebecca, is een voorloper op de openbaring van de Thora, alsde algemene openbaring van G’D in de wereld, terwijl de openbaring van G’D in de Tempel en door de Profeten bijzonderheden en details waren van deze algemene openbaring. Eliézers gebed voor het potentiele huwelijkspaar was daarom sneller beantwoord dan de twee andere gebeden.

[In Kabbala is het huwelijk van Izaäk en Rebecca een expressie van de eenwording van twee van de vier manieren van het letter voorletter spellen van G’D’s Naam. Izaäk wordt geïdentificeerd als de Naam van G’D en letter voor letter gespeld is zijn numerieke waarde 45 is en Rebecca wordt geïdentificeerd als de Naam van G’D en letter voor letter gespeld is de numerieke waarde 52 is. Zoals wordt verklaard in Kabbala is de eenwording van deze twee varianten op G’D’s Naam de essentie van onze studie van de Thora en het uitvoeren van de Mitzwot.) 

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJERÁ

RABBI SHIMON BAR JOCHAI

ZOHAR I, p. 72a

Avraham ging ’s morgens vroeg naar de plaats” (Genesis. 19:27)

Kom en zie, vanuit dit vers grondvestte Avraham het ochtendgebed welke correspondeert met chesed, de eigenschap die Avraham verpersoonlijkt en hij maakte zijn Meester bekend in de wereld. Vanuit zijn liefde voor G’D, die voortkomt uit de eigenschap van chesed in de ziel, stond Avraham bereidwillig vroeg in de  morgen op om te bidden. Op die wijze rectificeerde hij op dat tijdstip de eigenschap van chesed  op de juiste manier. Jitzchak vestigde  het middaggebed zoals het vers zegt, “Jitzchak ging uit om in het veld te bidden vlak voor de avond” (Genesis. 24:63 wat correspondeert met de eigenschap van gevoera. Met andere woorden, Jitzchak maakte aan de wereld bekend dat er recht is en dat er een Rechter is, die vergeeft en kwijtscheldt maar ook oordeelt in deze wereld. Jacob vestigde het avondgebed, zoals het vers zegt, “Hij bad op de plaats waar hij wilde overnachten, omdat de zon was ondergegaan”. (De Geleerden Berachot 26b, verklaren dat het woord, vayifga ויפגע  raken, geraakte, ook, “hij bad” betekent).

SHABBAT SHALOM  

PARASHAT LECH LECHA

RABBI SHIMON BAR JOCHAI

ZOHAR I, 77b

De Eeuwige zei tot Abram, “Voor je eigen welzijn [in het Hebreeuws, ‘lech lecha’, de naam van het Thoragedeelte van deze week] ga weg uit je land, van je geboortegrond en uit het huis van je vader…..(Genesis. 12:1)

De woorden “Lech Lecha” betekenen letterlijk vertaalt “Ga naar jou”.

Rabbi Elazar zei: “Lech Lecha” betekent “voor je eigen bestwil, ga weg van hier en verbeter je ziel en verhoog je [spiritueel] niveau.”

G’D instrueerde Abram zijn huidige spirituele koers te verlaten door zich te engageren met mitswot en goede daden en deze ten uitvoer te brengen in het land Israël. Daar zou hij slagen in spirituele hoogten die voorheen onbereikbaar schenen.

“Het is niet passend voor jou om langer hier te zijn, te midden van deze negatieve mensen.”

Alhoewel zij Abram niet konden beïnvloeden om hen te volgen, zei G’D tot hem, dat het kwaad wat hem omringde zijn ziel besmette.

[Zohar I, 77b]

Een alternatieve vertaling van de woorden lech lecha “Ga naar je zelf”:

[Een andere interpretatie:} “Ga….zodat je je zelf leert kennen.”

G’D maakte hem duidelijk, “Begrijp de oorsprong van je ziel, zodat je zelf perfectioneert door de oorsprong van je ziel in deze wereld te openbaren.”

Ergens anders verklaart de Zohar dat elke rechtvaardige (Tsadiek) in Deze Wereld twee zielen heeft; één in Deze Wereld en één boven in de Hogere Werelden. Deze zijn in wezen verschillende niveaus van de ziel, het hoofdgedeelte van de ziel blijft boven, in de Hogere Werelden en de meer uitstralende weerspiegeling daarvan is gehuld in het fysieke lichaam van Deze Wereld.

G’D roept dus vele tsadikiem tweemaal bij hun naam, “Abraham, Abraham”, “Jacob, Jacob”, “Mozes, Mozes”, “Shmuel, Shmuel”, etc. om zo de ziel van boven  neerwaarts te laten komen in de uitstralende ziel beneden. Vanuit dit oogpunt werd Abraham geïnitieerd tot een reis om de oorsprong van zijn ziel zoals die boven is, te openbaren beneden in Deze Wereld.

[Zohar I, 78b]

Ga weg uit je land, van je geboortegrond en uit het huis van je vader.” Waarom deze herhaling?

Was het niet genoeg om te zeggen, “Ga weg uit je land?” G’D sprak echter tot Abrams ziel boven, prior voor zijn neerkomen in het lichaam.

“Ga weg uit je [hemelse] woonplaats, het huis van je Vader [ in De Hemel, naar het fysieke lichaam beneden in Deze Wereld], en van [de schatkamer van de zielen boven, welke ‘Goef’ [‘lichaam’] genoemd wordt.

Dit mag in alternatieve zin worden geïnterpreteerd als een verwijzing naar het spirituele “lichaam” wat reeds eerder werd aangehaald in de Zohar.

[Zohar Chadash, Acharei 46d]

Het Hoofd van de Academie begon zijn verhandeling met het citeren van het vers “ G’D zei tot Abram, ‘Voor je eigen welzijn, ga weg uit je land….’” Want op deze wijze zou het licht hem verhelderen.

M.a.w., G’D maakte hem duidelijk dat hij zijn land en zijn geboorteplaats moest verlaten, omdat hij niet in staat was om daar licht te kunnen ontvangen.

Iemand die er niet in slaagt om in of op een bepaalde plaats iets te bereiken, moet vandaar optrekken en naar een andere plaats gaan waar hij meer succes van slagen heeft.

De geleerden van de Talmoed verklaren eveneens dat het veranderen van plaats een verandering van geluk brengt. (Rosh HaShana 16b; Bava Metzia 75b)

SHABBAT SHALOM

PARASHAT NOACH

RABBI JITZCHAK LURIA

De geschriften van de Ari

Toen Noach, na de vloed, uit de ark kwam dicteerde G’D aan hem de zeven Noachidische geboden. Inhoudend, het verbod om het vlees van een levend dier af te stropen, wat het algemeen onnodig pijnlijden van dieren aangeeft. Ten aanzien van het doden van dieren wordt in de Zohar, 11:68b aangehaald, dat geen enkel creatuur doelloos is geschapen.

Het is [daarom] verboden om dieren doelloos te doden.

De wijzen verklaren: “Alles wat de Eeuwige, geprezen zij Hij, creëert, creëert Hij alleen voor Zijn eer, zoals staat geschreven, Alles wat genoemd wordt in Mijn naam en voor Mijn eer, creëerde Ik, Ik vormde het, Ik maakte het Zelf.” (Avot 6:11; Jesaja 43:7)

We zullen nu zien hoe de Arizal deze verklaring uiterst persoonlijk concludeerde, en ten opzichte hiervan dat zich gedroeg met uiterste piëteit.

Mijn leraar [de Arizal] was uiterst voorzichtig om geen enkel insect te doden, zelfs niet de kleinste en de onaanzienlijkste zoals, vlooien, luizen en dergelijke, zelfs niet als zij hem beten.

We weten wat de Wijzen zeggen, commentariërend op het vers, “Zijn vijanden zullen ook vrede sluiten met hem” (Spreuken 16:7), sommigen zeggen dat dit verwijst naar de hond, anderen zeggen dat dit verwijst naar de slang, en nog anderen zeggen dat dit refereert aan de vlo. Jeruzalem Talmoed, Teroema)

Deze gedachte is het antwoord van Rabbi Elazar aan Rabbi Chizkiya opgenomen in de Zohar ( II:68), waar de mythische betekenis van het vers “Zal de slang bijten zonder gefluister (Prediker 10:11) wordt verklaard.  

Rabbi Elazar en Rabbi Chizkiya wandelden samen en passeerden een slang. Rabbi Chizkiya was van plan de slang te doden, maar Rabbi Elazar zei hem dit niet te doen. Toen Rabbi Chizkiya protesteerde, met het argument dat het een gevaarlijk dier was, citeerde Rabbi Elazar het bovenstaande vers, en interpreteerde het met de betekenis, dat een slang alleen iemand bijt als G’D hem influistert dit te doen.
G’D creëerde slangen om bepaalde mensen te doden om daardoor hen te verhinderen en te weerhouden dat zij kwaad doen. Om zeker te zijn dat wij schepsels niet onnodig doden. Maar zich onthouden van het doden van dieren die een dreigende houding aannemen t.a.v. menselijk leven ( of gevaarlijke ziekten kunnen overbrengen) is strijdig met de Joodse wetgeving en het is te betwijfelen of enig Thora autoriteit dit zou toestaan. Inderdaad is het toegestaan gevaarlijke slangen te doden op Shabbat, wanneer dat normaal gesproken is verboden.

We mogen aannemen dat de Arizal zich geen zorgen hoefde te maken om het in leven of niet in leven te laten van slangen, omdat hij niet bang hoefde te zijn te worden gebeten om hem beletten te zondigen.
Anderzijds zien we dat hij werd gebeten door insecten en ongedierte. De vraag is hoe de Arizal zich kon onthouden van het doden van slangen en dergelijke en hen toestond een gevaar te zijn voor anderen. Misschien bedoelde de Arizal alleen dat we geen slangen moeten doden in hun natuurlijk wilde leefomstandigheden, maar alleen als zij dicht bevolkte menselijke gebieden in gevaar brengen (of als het mogelijk is hen terug te plaatsen in hun natuurlijke omgeving).

Maar dit alles is enkel gissing. Het kan net zo goed mogelijk zijn dat de Arizal het voorkomen van het doden van creaturen in zijn geheel bepleit, zelfs ten koste van een menselijk leven.

SHABBAT SHALOM

PARASHOT NITSAVIEM – WAJÉLEECH

Israël is een unieke natie in deze wereld. Het is gekroond (uitgekozen) met een kroon bestaande uit twee facetten, m.a.w een algemene en een specifieke.
De gehele natie is als het ware te beschouwen als één persoon; daarom verwijst de Thora naar het volk als nèfesh, persoon (enkelvoud) reeds in de tijd van de nakomelingen van Jacob toen zij afdaalden naar Egypte (Genesis. 46,26). De bijzonderheid ligt in het feit dat “kie chelèk hashem amò” “dat Zijn volk Israël een deel van G’D zelf is” (Deuteronomium. 32,9).
De rest van de mensheid was verdeeld in “zeventig naties,” elk met een vertegenwoordiger in de Celestische Regionen; Want de Eeuwige heeft jullie apart genomen, Hij heeft jullie uit Egypte gevoerd om voor Hem een volk als eigen bezit te zijn. (Deuteronomium. 4.19,20)
De lotsbeschikking van het Joodse Volk wordt niet bestemd door intermediairs zoals b.v. astrologie en andere natuurlijke tekens en fenomenen. De zeventig naties waren van elkaar gescheiden zoals we weten van Deuteronomium. 32,8: “Toen de Allerhoogste de volkeren een erfgoed aanwees, toen Hij de mensenkinderen van elkaar scheidde, stelde Hij voor de volkeren gebieden vast, naar het getal van Jisraëls kinderen.”
Het verwantschap (gemeenschappelijke kenmerk) tussen de “getallen” van Israël en dat van de naties van deze wereld, is dat Israël het getal zeventig vormde voordat zij afdaalden naar Egypte. Het verschil is alleen dat, de zeventig Israëlieten die naar Egypte kwamen werden beschreven als nèfesh, als één enkele persoon.
Elk deel van de Joodse natie staat in vergelijking tot de gehele natie. Omdat Israël een deel van G’D is, heeft het een eeuwige toekomst, zoals wordt benadrukt in de Talmoed, Sanhedrin 90: “Elke Israëliet heeft een aandeel in de Komende Wereld.”
In aanvulling tot deze gemeenschappelijke factor, welke iedere Israëliet met elkaar verbindt en tezamen één geheel vormt, is elke Israëliet een onmiskenbaar individu, wat duidelijk wordt door een verklaring van onze geleerden in Bamidbar Rabba 21,22, gebaseerd op Jasaja 4,5: “ieder rechtvaardig persoon is gebrandmerkt door het vuur dat door G’D is voorzien, als deel van de overhuiving die Hij verleent aan elk rechtvaardig persoon.”
Dit leert dat, ofschoon elke Israëliet een aandeel heeft in de Komende Wereld, iedereen afzonderlijk een eigen plaats bepaalt. Aangaande dit alles zegt Mozes in Deuteronomium. 32,12: “HaShem badaar janchènoe we één imo El néchar” “zo leidt de Eeuwige hem alleen, zonder een vreemde god naast Hem.” Het woord janchènoe in het vers staat in enkelvoud, (leidt hem, niet leidt ons) om aan te geven dat elke Israëliet een individuele eenheid is, een persoonlijkheid. Mozes continueert met: “Hij was niet vergezeld door andere krachten,” dit verwijst naar de sariem en mazalot, vertegenwoordigers in de Celestische Regionen en sterrenbeelden, die bepalend zijn in het leiden van de niet-Joodse bestemming. Geen enkele van deze krachten oefenen controle en invloed uit over het Joodse Volk.
De twee mitzwot in deze drie laatste parashot reflecteren direct aan dit denken.
Het feit dat de mitzwa van Hakel verlangt dat alle vrouwen van Israël en ook de kinderen samenkomen in het binnenhof van de Heilige Tempel om te luisteren naar de voorlezing van de Thora, is gefundeerd op het gegeven dat heel Israël wordt gezien als één enkel lichaam. Vervolgs instrueert de Thora nogmaals aan elke individuele Israëliet afzonderlijk, een kopie van de Thora voor zichzelf te schrijven.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT KI TAVÓ

Rabbi Shimon bar Jochai
Zohar. P. 96b

Parashat Ki Tavó heeft geen equivalente sectie in de Zohar, echter, veel van de inhoudende mitzwot in de parasha, worden ergens anders in de Zohar besproken. Deuteronomium. 26:10 verlangt dat de eerste fruitoogst naar de Tempel wordt gebracht, de Zohar bespreekt deze mitzwa in het onderstaande gedeelte. Deze selectie geeft weer, dat het brengen van het offer van het eerste fruit in Kabbala gezien wordt, als het eenwordings mysterie van de spirituele en fysieke werelden.

Wanneer het offer van het eerste fruit de Koheen [in de Tempel], moet de persoon die het offer brengt, een gedetailleerde verklaring afleggen [een korte historie over het komen van het Joodse Volk in het Land, etc. zoals wordt uiteen gezet in Deuteronomium. 26:5-10). Deze [verklaring] is  betreffende de boom welke in de fysieke wereld zijn voltooiing kreeg en die gelijk is aan de spirituele boom boven, welke is voltooid binnen 12 limieten en 70 takken.

De verklaring begint met de woorden: “Een als nomade levende Arameeër was mijn vader, toen zakte hij naar Egypte af, waar hij als vreemdeling met slechts weinig mensen ging wonen, maar waar hij een groot volk werd, machtig en talrijk, etc.” Jakob is de “boom”, van waaruit de 12 stammen ontsproten en die afdaalden naar Egypte met 70 zielen, welke samen de spirituele essentie vormen van het Joodse Volk. In mystieke termen correspondeert Jacob in de fysieke wereld met Zeir Anpin, en de twaalf stammen komen overeen met de 12 verschillende combinaties van de letters Yud, Hei, Vav, Hei van de naam Havayah.  Deze zijn de spirituele bron van de zielen van elk van de 12 stammen en eveneens van de twaalf maanden van het jaar. De 70 vertakte zielen hebben hun oorsprong in één van de 7 sefirot in  Zeir Anpinchesed, gevoera, tiferet, netzach, hod en yesod. Elk van deze 7 is gemaakt en maken deel uit van de 10 sefirot, zoals chochma van chesed, bina van chesed etc.
Zeven sefirot vermenigvuldigt met de tien vertakkingen in elk, evenaren 70 in totaal. Op hun beurt worden deze 70 de spirituele bron waaruit de 600.000 zielen van het volk van Israël zich vertakken die Egypte verlieten (zie Sha’ar Hagilgoeliem, Introductie 31).

En Laben de Arameeër wilde Jacob vernietigen [en daarbij de bron van alle zielen van Israël ontwortelen]. Dit zou in zijn geheel de hele wereld geschaad hebben [omdat er dan geen dragend voertuig  zou zijn, om het G’ddelijke te manifesteren door de mensheid heen]. Maar de Heilige, Geprezen Zij Hij, redde hem [door op te treden in een droom, hem zeggende Jacob niet te schaden]. Jacob was getooid met zijn zonen [de 12 combinaties van de Heilige Naam], zoals we hebben uitgelegd, omdat hij  [de fysieke manifestatie is] van die boom [Zeir Anpin], en alles wat is verbonden in trouw hangt van hem af.

“Verbonden in trouw” betekent hier de verbinding van Zeir met malchoet, het spirituele met het fysische. Wat weergegeven wordt in het Shema Jisraël, “Hoor O Jisraël”, aangezien Israël Jacob is in zijn totaal concretiserende mogelijkheid. Dit wordt ook weergegeven bij het brengen van het eerste oogstfruit door bewust iemands afkomst te verkondigen en het terug verbinden van de zegeningen naar hun spirituele bron.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT KIE TEETSEE

De mens is het doel van de Schepping, hij is geschapen in beeld en gelijkenis van G’D, en juist zoals Adam oorspronkelijk twee gezichten had om de gelijkheid van man en vrouw aan te geven, zo was ook de respectievelijk aanwending van lichaam en ziel van de mens perfect, zodat beide waren geheiligd aan hun G’D.
De vrouw werd vervolgens gesepareerd van Adam met de intentie om zijn levensgezellin en partner te worden, om hen de gelegenheid te geven een ware eenheid te vormen, zodat zij “één lichaam” worden. (Genesis. 2,24)
Adam (Mens) verkrijgt door deze separatie zijn perfecte vorm en wordt compleet.

G’D verloste ons van slavernij, om ons in staat te stellen Zijn dienaren te worden, zoals Hij zegt in Leviticus 25,55: “Want de Kinderen van Israël zijn dienaren van Mij.” Dus, door Zijn dienaren te worden, voegen wij meer vermogen toe aan de spirituele essentie van onze zielen. In de uiteindelijke toekomst zullen wij het spirituele niveau, dat Adam bezat toen hij nog de geweven kleding van licht droeg, terugwinnen.
Als we dit punt in onze historie zullen bereiken, zal ons leven oneindig worden en lichaam en ziel zullen een blijvende existentie hebben in deze wereld.
Wij zullen direct van voeding worden voorzien door de shechina, is de unanieme mening van de Kabbalisten en vastgelegd door Nachmanides. Een compleet andere mening daarentegen heeft Maimonides, die de periode in kwestie niet ziet als een leven in deze wereld.
De zuivering en verfijning van ons lichaam en iemands verhouding met de materiele zaken in deze wereld kan alleen worden bereikt door het uitvoeren van de mitzwot. Gezien het feit dat praktisch alle zeventig geboden die worden genoemd in deze parasha betrekking hebben op ons lichaam ofwel onze verhouding tot materiele zaken, mogen we aannemen dat de gehele parasha primair gewijd is, om ons te leren heiligheid tot stand te brengen met ons lichaam en onze omgang met materiele zaken.
We moeten zeer goed bedenken dat het voornaamste punt in het bereiken van heiligheid van het lichaam draait, om het reproductieve orgaan en wie en voor welk doel, wij onze levenspartner kiezen. We moeten ernaar streven dat de zaaddruppel welke de eicel van onze vrouw zal bevruchten heilig is en niet ontaard is door verontreiniging van de serpent (spirituele verontreiniging).
Heilige intenties gedurende copulatie brengt een vereniging teweeg tussen de Sefirot van tiferet en malchoet, welke het tweevoudige gezicht van Adam representeerde vóórdat Eva van hem was gesepareerd.
Deze twee Sefirot symboliseren de esoterische dimensie van ziewoek, copulatie, de fysieke vereniging van man en vrouw.
De heilige gedachten die iemand moet hebben gedurende de geslachtsgemeenschap zijn alleen spiritueel verdienstelijk als iemand de geschikte vrouw heeft gekozen.
De reden dat Eva was gescheiden van Adam op het moment dat er geen andere mensen waren, was om aan te tonen dat de vereniging van Adam en Eva een echtelijke staat was, een vereniging tussen twee partners die geschikt waren voor elkaar.
Als iemand een vrouw kiest, moet hij voor ogen houden tzelem elokiem, het beeld van G’ddelijk aspect van iemands persoonlijkheid.
Als iemand is gemotiveerd door andere overwegingen in het kiezen van een vrouw, of als iemand geslachtsgemeenschap aangaat, zelfs met zijn eigen vrouw, met redenen anders dan het procreëren van G’D vrezende kinderen, is iemands existentie onvolledig. G’D heeft het “tegenovergestelde” gecreëerd, m.a.w om ons te voorzien in het maken van de juiste keuze, voorzag Hij ons van de verkeerde keuze.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT SHOFTIEM, ROSH CHODESH ELLOEL

De Kroon van het Oordeel

Zohar, p. 274b

Je moet Rechters en Gerechtsbeambten aan je poorten aanstellen, die de Eeuwige, je G’D, je voor je stammen zal geven en zij zullen het volk berechten met rechtvaardige beslissingen.” (Deuteronomium. 16:18)

Dit is de mitzwa om rechters en ordehandhavende functionarissen aan te stellen en toch wordt er gezegd, “Maar [in het Hebreeuws, ki] de Eeuwige ]Elo-hiem] is de rechter, Hij vernedert deze persoon en verheft de andere”. (Psalm. 75:8)

Het woord “ki” aan het begin van het citaat wordt gespeld met kaf-joed. De numerieke waarde van de letter joed wanneer het voluit wordt gespeld [joed, vav, dalet] is 20. Na het woord “ki” gebruikt het vers het woord voor de G’ddelijke eigenschap van striktheid; “…Elo-hiem is de rechter, Hij vernedert deze persoon”, het woord voor “deze” is 12 in gematria, de zelfde numerieke waarde als de twee letters [voluit gespeld hé-alef] in de Heilige Naam Havayah; “… en verheft de andere”, het woord “en” voluit gespeld vav vav [ook de numerieke waarde van 12] wordt gebruikt.

De letter kaf van het woord “ki” is de eerste letter van de naam van de hoogste sefira, Keter. Het Hebreeuwse woord voor het getal 20 is “esriem“, hetgeen de oorsprong van striktheid uit de hoogste sefira, Keter bevestigt en neerwaarts daalt in deze wereld in de vorm van wijsheid van de op de juiste wijze benoemde rechters. Hun niveau wordt aangegeven door de joed die volgt na de letter kaf. De joed geeft altijd de sefira van Chochma aan en de numerieke waarde van de joed voluit is 20, aantonend zijn verbinding terug met de sefira van Keter. De joed is Chochma en de vav dalet in zijn spelling voluit (samen een numerieke waarde van 10) verwijst naar Bina, die de vonk van wijsheid van Chochma bevat. De twee letters in de heilige naam representeren de sefirot van Bina en Malchoet. De twee vav’s representeren de sefirot van Tifiret en Yesod op het spirituele niveau en de twee getuigen die het bewijs leveren aan de rechters op het fysiek niveau.

De volgende opdracht aan de rechters is om de juiste straf op te leggen hetzij dat het doodsoordeel moet worden voltrokken door zwaard, wurging, steniging of verbranding. Wie wordt ter dood veroordeeld door middel van het zwaard? Sam-el, de spirituele oorsprong van iemands inclinatie van slechte daden. Door iemand te doden, die een vehikel is geworden van zijn eigen kwade inclinatie, redt het gerechtshof in deze wereld zijn ziel voor bestraffing in de spirituele werelden. Dit is de verklaring van het vers ” Want Mijn zwaard doordrenkt de hemel, zie, het zal neerkomen op Edom en op het volk dat een anathema voor Mij is, om hun oordeel te ontvangen” (Jesaja. 34:5)

Het zwaard van de Heilige, Geprezen zij Hij, het zwaard van oordeel in de spirituele sferen wordt specifiek aangeduid in de naam Havayah [gespeld, joed, hé, vav, hé].  De joed representeert het handvat van het zwaard en ook de sefirot van Keter en Malchoet. De vav is het lichaam van het zwaard, de zes richtingen van de wereld, Tiferet, combineert striktheid met barmhartigheid. De twee letters symboliseren de twee scherpe snijkanten [in het Hebreeuws, “pipiyot, twee monden“] van het zwaard, [“pi” betekent “mond”in het Hebreeuws], de hogere mond, Malchoet en de mond van de rechter in Deze Wereld. Er is geschreven met betrekking tot deze twee monden, “Streef naar gerechtigheid, ware gerechtigheid, opdat je in leven blijft en het land in bezit kunt houden dat de Eeuwige, je G’D, je geeft.”(Deuteronomium. 16:20) De herhaling van het woord “gerechtigheid” in de tekst refereert aan de twee beslissingen in het recht: de uitspraak van het gerechtshof in de spirituele sfeer en de gelijktijdige uitspraak van het gerechtshof in de fysieke sfeer. Van uit hier zien wij dat oordeel in alles betrokken is, het maakt niet uit hoe klein de zaak is, zoals we hebben geleerd “Niemand bezeert zijn vinger in deze wereld zonder dat het was verordend tegen hem in de hemel”(Choeliem 7b). De schede van het zwaard van rechtvaardigheid is de naam Ado-nai, representerend  Malchoet, wanneer gecombineerd met de barmhartige heilige naam Havayah. De vereniging hiervan is de meditatieve staat van eenwording met het oneindige, gesymboliseerd door de namen wanneer ze samen worden gespeld: joed alef hé dalet vav noen hé joed.

SHABBAT SHALOM

LIED VOOR DE MAAND ELLOEL

Psalm 27 begint met de woorden “De Eeuwige is mijn licht en mijn redding.” Het wordt gelezen aan het einde van de ochtenddienst gedurende de Maand Elloel vandaag, tot na Hoshana Rabba-Simcha Thora, de zevende dag van het Soekotfeest. Vers 6 van de psalm, leest: “Dan hef ik fier mijn hoofd op tegen de mij omringende vijanden, dan zal ik offers brengen in Zijn tent onder bazuingeschal en zingen voor de Eeuwige bij muziekbegeleiding”.Heb dit vers in gedachten zodat je de woorden ziet schitteren in het analytisch licht overeenkomstig aan de Kabbala.

De Eeuwige is mijn licht en mijn redding, voor wie zou ik bang zijn? De Eeuwige is de beschutting voor mijn leven, voor wie zou ik angst hebben? Al komen, die het kwade willen, mij te na om mij tot prooi te maken, al zijn mijn verdrukkers en mijn vijanden tegen mij, dan zullen zij struikelen en vallen. Al ligt een leger in slagorde tegenover mij, is het mij niet bang te moede. Al staat een oorlog tegen mij op uitbreken, toch blijf ik vertrouwen. Een ding vraag ik van de Eeuwige, daarnaar streef ik, dat ik in het Huis van de Eeuwige mag wonen, zolang ik leef. Dat ik de lieflijkheid van de Eeuwige mag ervaren en het heiligdom weer geregeld mag bezoeken. Dat Hij mij zal beschutten onder een beschermend dak in kwade dagen, mij zal bergen in de beslotenheid van Zijn tent, mij zal plaatsen boven op een rots. ‘Dan hef ik fier mijn hoofd op tegen de mij omringende vijanden, dan zal ik offers brengen in Zijn tent onder bazuingeschal en zingen voor de Eeuwige bij muziekbegeleiding. Hoor Eeuwige naar mijn stem! Ik roep, wees mij genadig en antwoord mij. Ik dacht bij mezelf van U te horen: ‘Zoeken jullie Mij!’ Ik zoek U toch, houdt U zich niet voor mij verborgen, wijs Uw dienaar niet af in Uw woede, mijn hulp bent U. Laat me niet los, laat me niet in de steek! God van mijn redding! Al zouden ook vader en moeder mij in de steek laten, de Eeuwige zou me tot zich nemen. Leer mij Eeuwige Uw wegen en leid mij op het juiste pad, al zijn er die op mij loeren. Lever mij niet over aan de willekeur van mijn vervolgers, die als valse getuigen optreden en met woorden van geweld van zich afblazen. Zo zou het zijn als ik niet altijd geloofd had het goede van de Eeuwige te mogen ervaren in het land der levenden. ‘Vertrouw op de Eeuwige, wees sterk en blijf moedig, vertrouw op de Eeuwige!’

CHODESH TOV