PARASHAT EMOR

Zeg             Leviticus. 21:1 – 24:23

VERTROUWEN OP DE THORA

 De Zohar leert dat de opdracht van het tellen van de Omer als een opstijging is in de Hogere Werelden.

Rabbi Shimon bar Jochai

Raya Mehemna, Zohar III:97 a-b.

 Jullie moeten tellen van de dag volgend op de feestelijke rustdag, van de dag dat jullie de Omer, bestemd voor de zijdelingse bewegingen gebracht hebben; zeven volle weken moeten het zijn. Tot de dag volgend op de zevende week moeten jullie vijftig dagen tellen……” (Leviticus. 23:15-16)

Dit is de opdracht om de Omer te tellen, volgens de Geleerden. (Soekka 58). De esoterische diepgang is als volgt : Alhoewel de Israëlieten zichzelf zuiverden door het Pesachoffer te brengen, dus door het verlaten van de spirituele sfeer van onzuiverheid, waren zij desalniettemin niet op een gepast niveau van perfectie en reinheid.

Zij waren niettemin toch in staat om het Pesachlam te offeren omdat de verlichting die voortvloeit  uit de Sefirot, omvattend de drie hogere Sefirot van het hoger bewustzijn (Chochma, Bina, Da’at), niet afhangt van de verdienste van de Israëlieten, maar een voortvloeisel is van G’D’s goedheid (Ramaz).

Dit is ook de reden dat we het Hallelgebed, na de eerste dag van Pesach, niet compleet reciteren (in Israël) , omdat het Joodse Volk nog niet het gepaste niveau van perfectie hadden bereikt.

Deze periode van zeven weken van reiniging is vergelijkbaar met de zeven pure dagen van een vrouw na de menstruatie. Wanneer eenmaal haar cyclus is  geëindigd, begint zij zeven dagen te tellen.

Zo deden ook  de Israëlieten toen ze Egypte verlieten, zij verlieten hun staat van spirituele onreinheid. Zij vierden Pesach, participerend  in het voedsel van hun Vader (zie Sifri Zoeta, Nasso 57), en van dat moment af telden zij de dagen tot aan de vrouw [het Joodse Volk] haar Echtgenoot [G’D] kon naderen. Dit zijn de vijftig dagen [tot de dag na de voltooiing van de zeven weken van het tellen van de Omer] van zuivering die iemand in staat stelt om de Komende Wereld binnen te gaan [verwijzend naar het niveau van Bina] en de Thora te ontvangen en het mogelijk maakt de vrouw tot haar Echtgenoot te komen.

Aangezien het masculiene dagen betreft [de wereld van de zeven Sefirot van Zeir Anpin] is deze telling opgelegd aan mannen alleen (zie Magen Avraham, Orach Chaim siman 489). Om deze reden moet men de telling staande doen, omdat aangelegenheden die te maken hebben met de Lagere Wereld zittend gedaan moeten worden.

[Bijvoorbeeld, het Shema Israël wordt zittend gereciteerd, aangezien het refereert aan de Wereld van de Troon (Beriya) de vrouwelijke wereld, want de predominante Sefira in Beriya is Bina, terwijl het Staande Gebed (Shemoné Esré) is gerelateerd aan de hogere wereld, Atziloet, waar Chochma de predominante Sefira is.]

Dit is de diepe esoterische betekenis tussen de verschillende delen van gebed die staande en die zittend worden gezegd.

Deze vijftig dagen bevatten negenenveertig dagen als facetten van Thora, maar de vijftigste dag is het geheim van de Thora zelf. Als je je nu afvraagt waarom deze vijftig niet negenenveertig zijn want zeven weken van zeven dagen is gelijk aan 49, is het antwoord: wat was verborgen in deze 49 wordt geopenbaard, zoals de Koning die de kamer van koningin binnengaat en daar verblijft.

De essentie van de Thora, hier vergeleken met de Koning Zelf, werd voor altijd gegeven aan de koningin, het Joodse Volk.

SHABBAT SHALOM 

PARASHAT KEDOSHIEM

Heilig   Leviticus. 19:1 – 20:27

Rabbi Shimon bar Jochai

Zohar, p. 82b

Nachtleven vs. Zelfhulp

 De Zohar onderwijst uitgebreid over de gedragsgewoonten die vereist zijn om de mitzwa “heilig” te zijn, te vervullen, zoals het in de Thoralezing van deze week aan de orde komt. In de onderstaande passage zien we welk onderscheid wordt gemaakt tussen bescheiden gedrag en arrogantie gedrag dat moeiteloos  de westerse levenswijze doordringt.

“Het is de eer van G’D [Elo-hiem] om dingen te verbergen” (Spreuken. 25:2)

Degenen die zich niet verbinden met die eer [door het houden van de Thora en mitzwot die G’D ons gaf] houden die dingen [o.a. de Shechina] voor zichzelf verborgen.

De G’ddelijke Aanwezigheid kan niet verblijven daar waar een steunpunt is voor de krachten van ego en zelfverheerlijking gekarakteriseerd door arrogant gedrag. Deze krachten worden “chitzoniem“, uiterlijkheden genoemd, omdat zij ver afstaan van de innerlijke essentie van heiligheid in een persoon en in het universum. De Zohar verklaart dat G’D Zijn Essentie beperkt om een diverse wereld te creëren. Echter hoe meer het Oneindige Licht wordt samengetrokken des de meer kunnen de krachten van duisternis bloeien. Door zich alleen op zichzelf en hun opzichtige fysieke verschijning te richten, worden deze mensen een medium voor deze krachten van duisternis en verliezen het G’ddelijke uit het oog. Het geraakt voor hen verborgen, verdrongen door hun eigen egoistisch initiatief.

Over deze mensen is geschreven: “Dwazen richten schade aan” (Spreuken. 3:35) Dit zijn de onontwikkelde mensen die “geen manieren hebben” omdat zij geen moeite doen om zich te verbinden met de eer van de Thora.

 Hoe kunnen zij in gebed zeggen, “Onze Vader Die in de Hemel is, hoor onze stem, red ons en heb medelijden met ons en verhoor ons gebed”? Ongetwijfeld zal de Heilige, gezegend zij Hij, tegen hen zeggen,” Als Ik jullie Vader ben, waar is dan de eer die je Mij moet geven? Waar is jullie streven de Thora en haar instructies te begrijpen om Mijn mitzwot te vervullen”? Want hoe kan iemand zijn meester dienen als hij niet zijn meesters opdrachten heeft geleerd?

De uitzondering is [een onwetend persoon] die gehoord heeft [ het juridische vereiste van elke Jood] van de wijze en de geboden houd. Deze persoon heeft voor zichzelf het juk van [de term] “We zullen doen en we zullen horen” geaccepteerd.

Aan de Berg Sinaï sprak het Joodse Volk deze fameuze frase vóór het ontvangen van de Thora, daarmee uitdrukkend de bereidwilligheid om haar geboden te vervullen zelfs vóór gehoord te hebben wat het inhoudelijk betekende. Een persoon ongestudeerd in Thora, maar zich inspannend om te weten te komen van degene die geleerd heeft wat de juiste houding is in allerlei omstandigheden, wordt als waardig beschouwd alhoewel hij voor zichzelf niet kan leren.

Er is desalniettemin een groot verschil tussen iemand  die zijn instructies direct van zijn Meester kan ontvangen [door eigen studie van Thora] en iemand die instructies ontvangt van Zijn boodschappers [De Wijzen en de Rabbijnen]. Wat is het grote verschil tussen hen? Er staat geschreven dat Mozes de Thora op de Berg Sinaï ontving en naderhand overdroeg aan Jehoshoea. Ik [de ziel van Mozes, die deze sectie van de Zohar verhaalt] ontving de Thora [direct van G’D]. Daarna gaf ik het aan de Wijzen door.            

Hier uit leren we dat iemand die zelf Thora leert, om haar te vervullen, wordt beschouwd als of hij zelf de Thora direct van G’D heeft ontvangen, met andere woorden, op de zelfde wijze als Mozes!

Als iemand [instructies] ontvangt van iemand anders [niet zelf leert] is het zoals bij de maan en de planeten die alleen hun licht ontvangen van de zon en bij het ontvangen van dat licht zelf verlicht worden [zonder enig licht van zichzelf te hebben toegevoegd].  Met als gevolg dat iemand die alleen maar licht ontvangt  het risico loopt dat zijn lichtbron kan worden verwijderd [met ander woorden, de leraar op wie hij zich verlaat, overlijdt]. Dit gebeurt zoals we zien met de zon en de maan wanneer hun licht s ‘nachts verdwijnt.

Je zou kunnen zeggen dat dit licht van de maan van de zon komt, hoewel het innerlijk is vergaard, schijnt het nadien op de maan en de planeten [zoals de leringen van een wijze na zijn dood].  Maar wij zien dit anders. Het is als een eclips van de zon en de maan. Op het tijdstip dat hun lichtbron verdwijnt, blijven zij achter als een lichaam zonder ziel. De essentie van het licht is daar waar het ontstaat en houdt niet op te schijnen (G’D) en er is geen andere macht buiten Hem dat Zijn Licht kan stoppen.

SHABBAT SHALOM 

PARASHAT ACHARÉ MOT

Na de dood  (Leviticus 16:1 – 18:30

Het aspect kedoesha, heiligheid, kent drie verschillende types van heiligheid, vijf, als we de subcategorieën meerekenen. De drie basiscategorieën zijn:

  1. De heiliging van het lichaam, zoals al in eerdere parashot van het boek Leviticus is besproken, zegt de Thora:“We’hitkadishtem” “zorg ervoor dat jullie heilig zijn” (11:44)
  2. De heiliging van ruimte, zoals wordt genoemd in het vers: “….kie hamakom……kodesh hoe” “want de plaats is heilig” ( Exodus 3:5 ) dit heeft te maken met fysieke separatie van andere plaatsen.
  3. De heiliging van tijd, zoals wanneer de Shabbat “mikra kodesh” wordt genoemd “een heilige convocatie.”

De heiliging van het lichaam is verdeeld in verschillende drie niveaus. Het zijn de drie niveaus welke onze geleerden hebben gerangschikt en welke behandeld worden in Reshiet Chochma. Onze wijzen in Berachot 57 spraken over deze drie categorieën in termen van “een prachtig verblijf ”, “ een prachtige vrouw ”, en “een prachtige meubilering, verrijkt en ontwikkelt het verstand van een mens”. Het woord “verblijf” is een metafoor voor het hart, de zetel van het leven. Het woord “vrouw” is een metafoor voor de heilige ziel. Het woord “meubilering” is het metafoor voor iemands handwerktuigen, instrumenten.

De betekenis van dit alles is dat de taal van de verschillende menselijke ledematen, als instrumenten, waarmee hij G’D’s wetten uitvoert om de eigenaar ervoor te bewaren voor eventuele potentiële gevaarlijke situaties, welke hem kunnen leiden naar een staat van onreinheid. Deze “instrumenten” moeten worden aangewend om te verzekeren dat de mens de positieve geboden uitvoert en eveneens er op toeziet dat hij zich weerhoudt in het overtreden van de negatieve geboden. De functie van het hart, is de sferische verblijfplaats van gedachte en bezinning. Het hart moet een instrument zijn, welke de mens instaat stelt om het Heilige der Heiligen te bereiken, de spirituele elevatie binnen zijn bereik. Er zijn zovele dingen waarmee het hart is uitgerust, dat het onmogelijk is ze allemaal te noemen. Zij bevat begrippen als, “haat niet,” “neem geen wraak,” “draag geen wrok en misgunst uit,” “ heb je naaste lief,” om er maar een paar te noemen. De meeste en hun Thorabronnen worden omschreven en verklaard in het boek Chovat Halevavot. De heiligheid van de ziel, een deel van G’D, is, om zich te hechten aan elk esoterisch aspect van Thora binnen iemands bereik. Men verdient dan de verborgen aspecten van het scheppingsproces en zelfs het gedeelte wat gewoonlijk genoemd wordt als “Ma’asè Merkava”, beschouwingen over procedures in de Hemelse Regionen. Het bereiken van de hogere stadia van heiligheid in de drie genoemde gebieden, behelzen allen het directief van het heiligen van het lichaam. Dit directief bevat het gehele domein wat wordt genoemd “de gestalte van de mens” zowel zijn visuele als zijn niet visuele aspecten.

De heiliging van ruimte is een esoterische dimensie van “kawot”, respect, eerbetoon. De Thora verwijst hier naar, als het voorschrijft dat de meeste offers gebracht moeten worden aan de noordzijde van het altaar. M.a.w. Telkens wanneer de Thora deze term gebruikt, is het geassocieerd met de woorden: “lifnè HaShem”, “voor G’D” aan de voorkant van Zijn aanwezigheid. Dus het respecteren van een bepaalde plaats voor Hem.

Ik heb al eerder, in een andere parasha, gesproken over de heiliging van tijd. De reden dat onze geleerden de wekelijkse dagen relateren aan Shabbat [Vandaag is het de eerste dag van de week naar de Shabbat, Vandaag is het de tweede dag van de week naar de Shabbat,enz] is dat zij wensen dat wij elke dag van de week bij onszelf de spiritualiteit ervaren van het feit, dat elke dag, in essentie een element in zich draagt van Shabbat. Als wij dit doen, hechten wij ons aan een wereld welke totaal onder de bescherming is van de Shabbat- geest, en onze mondaine activiteiten nemen daardoor een gestalte van heiligheid aan. Deze gedachte domineert de zegen die we zeggen aan het einde van de Shabbat wanneer we verwijzen naar “Geprezen, U, Eeuwige, onze G’D, Koning van de wereld die een onderscheid maakt tussen gewijd en ongewijd, tussen licht en duisternis, tussen Jisraël en de volkeren, tussen de zevende dag en de zes werkdagen.

De bovengenoemde drie voorbeelden van heiligheid, welke in feite vijf zijn, verwijzen naar de inhoudelijke verklaring van G’D met betrekking tot de drie schenkingen die Hij gaf aan Israël, Thora, het Land Israël en Olam Haba,de Komende Wereld. Het geschenk van Thora bestaat uit de drie resultaten welke haalbaar zijn via het hart.

  1. De studie van alle aspecten van de Thora die leidt naar het uitvoeren van zijn geboden.
  2. De gift van Erets Jisraël vertegenwoordigt de heiligheid van ruimte.
  3. De gift van De Komende Wereld representeert de heiligheid van tijd, m.a.w een wereld die authentiek is aan het concept van Shabbat

SHABBAT SHALOM

PARASHAT METSORÁ SHABBAT HAGADOL

DE ESSENTIE VAN RITUELE ONREINHEID

Een van de meest onbegrepen concepten van de Thora is de inhoud van de woorden toema en tahara. Vertaald als “onrein”en “rein” of “onzuiver” en “zuiver”, toema en tahara, en bij extensie de wetten van Niedda (vrouwelijke menstruatie) en familie-reinheid, roepen vaak een negatief respons op. Waarom is de vraag, moet een vrouw gestigmatiseerd worden als tamé, “onrein”? Waarom zou zij zich inferieur moeten voelen over een natuurlijk proces in haar lichaam? Het mag zeer oprecht gezegd worden dat deze bedenkingen voortkomen vanuit een fundamentele mis opvatting.

Toema en tahara zijn spirituele en geen fysieke concepten. De wetten van Toema, Niedda en Mikwe (ritueel bad) behoren tot die categorie van geboden in de Thora die bekend staan als Choekkiem, G’ddeljke uitvaardigingen waar geen uitleg aan is gegeven. Zij zijn niet logischerwijze te begrijpen, zoals de wetten van diefstal of moord, of die wetten die dienen als herinnering van nationale gebeurtenissen in onze geschiedenis, zoals Pesach en Soekkot. De wetten van Toema en Tahara zijn supra-rationeel, “boven alle redenatie”. En het is precies daarom dat zij op zulk hoog spiritueel niveau zijn, boven het bevattingsvermogen van het intellect, zodat zij een deel van de ziel verheft en affecteert, dat deel van de ziel dat alle redenatie overtreft. Maar al kan het menselijke verstand deze G’ddelijke regels niet logisch verwerken, kunnen wij als nog proberen om hun spirituele innerlijke betekenis en belang te onderzoeken en te begrijpen.

Vanuit deze poging is de leer van de Chassidische filosofie van onschatbare waarde en hulp, want de studie van Chassidoet verwijst naar het innerlijke aspect van de Thora, haar “ziel”, het kan ons leiden door sferen waar menselijk intellect hulpeloos in is.

Chassidisme streeft naar de directe waarneming van het schuilgaande G’ddelijke in alles en belicht de spirituele bronnen van alle fysieke fenomenen.

TOEMA ALS DE AFWEZIGHEID VAN HEILIGHEID

De Chassidische leer legt uit dat Toema, in essentie, “spirituele onreinheid” is in de zin van “afwezige heiligheid”. Heiligheid wordt genoemd “leven””vitaliteit”, het is dat wat verenigd is met en voortkomt uit de bron van al het leven, de Schepper. De Chassidische filosofie verklaart verder dat de ware binding met G’D is, door heiligheid, betekend dat iemands eigen onafhankelijke existentie in een staat van Bittoel is,”wegcijfering” tegenover G’D. Het tegenovergestelde is, wat is verwijderd of gesepareerd van de bron en wordt genoemd “dood” en “onreinheid”. Volgens de Thorawet is de dood de principiële oorzaak van alle Toema, de hoogste graad van Toema komt door aanraking van een dood lichaam. De krachten van kwaad zijn in de terminologie van kabbala en Chassidisme, de sitra achra, “de andere kant”. Zij zijn wat is “de andere kant”, wat ver van G’ds aanwezigheid en heiligheid is. Zij gedijen in de sferen waar Hij het meest verhuld is en het minst gevoeld wordt, daar waar heiligheid het minst is. In een omgeving waar G’d het minst aanwezig is, is natuurlijkerwijs meer ruimte voor “oppositie” tegen Hem. Vandaar dat, spiritueel gezien, boven alles het meest kwade en het meest onreine in een persoon het eigenbelang is. Men duwt G’Ds aanwezigheid weg en creëert een leegte, een vacuüm waar Zijn aanwezigheid zou moeten zijn. Dit is de diepere betekenis volgens de Chassidische leer van de uitdrukking ” het veroorzaken van een “chiloel Hashem,” het ontheiligen van G’D’s naam, men zal niet een chalal ( leegte) maken, een ruimte zonder Zijn aanwezigheid.

Heiligheid staat gelijk aan bittoel, onafhankelijk existentie van G’D heeft geen waarheidszin. Daarom zeggen onze geleerden ons dat arrogantie gelijk staat aan afgoderij, want afgoderij betekent in essentie, dat iets wordt beschouwd als onafhankelijk van zijn schepper en zichzelf in plaats stelt van Hem.

Vandaar, als wij de woorden “rein”en “onrein” ontdoen van hun fysieke bijbetekenissen en hun ware spirituele betekenis beseffen, zien we wat zij echt te kennen geven, heiligheid of afwezigheid van heiligheid.

EEN BELANGRIJK VERSCHIL TUSSEN TWEE TYPES VAN TOEMA

In dit stadium van de verhandeling zouden we ons moeten afvragen: Waarom moet Toema überhaupt bestaan? Welk doel heeft het in G’ds schepping? “De almachtige heeft het één tegenover het andere geschapen,” het boek Prediker vertelt ons, en zoals de Chassidische leer het interpreteert, alles in de sfeer van heiligheid heeft zijn tegenhanger in de sfeer van onheiligheid.

Aan de ene kant zijn deze tegenovergestelde sferen geschapen zodat wij over een “vrije keus” kunnen beschikken`. En een dieper niveau, zoals Chassidisme verklaard, wanneer wij het kwaad verwerpen en kiezen voor het goede en daarnaast, het kwaad transformeren tot in goed, heeft dat niet alleen een effect op ons zelf, maar ook een uitwerking op de wereld en brengt de uiteindelijke perfectie dichterbij. Vandaar dat het uiteindelijke doel van toema, de “andere kant”, is om ons te stuwen naar hogere niveaus. Zoals een zeer bekende Chassidische uitspraak luidt: “Elke verlaging is als doel een grotere verheffing” en allen verhullingen van G’D maken plaats voor een groter openbaring. Wanneer de ziel neerdaalt in deze wereld om zich te vestigen in een fysiek lichaam, ondergaat het een onvergelijkbare verlaging met de voorafgaande zuiver spirituele existentie. Het doel niettemin van deze verlaging is, om de ziel de mogelijkheid te geven zelfs hoger te stijgen in zijn bevattingsvermogen van G’D en een meer verheffende status te verkrijgen dan voor het in deze wereld neerkwam. Het kan deze verheffing alleen verkrijgen door middel van een lichaam die G’D dient in deze lagere fysieke wereld. Maar er is verhulling en onreinheid in deze lagere wereld, daar tegenover, kan alleen door zijn worsteling hier de ziel hoger rijzen. We moeten hen in twee types van Toema, twee types van “verlaging” onderscheiden. Er is een Toema die wij zelfs creëren wanneer wij opzettelijk G’D’s aanwezigheid wegduwen en een leegte laten ontstaan; en er is een Toema die G’D heeft geschapen als deel van de natuur. Dit onderscheid is cruciaal om Niedda ( regels t.a.v. menstruatie ) te begrijpen. De Toema, de onreinheid die is verbonden met de zonde, is een leegte de we creëren en waarbij we ons zelf verlagen. De Toema van Niedda, daarentegen, is een wezenlijk onderdeel van de vrouwelijke natuurlijke maandelijkse cyclus. Haar “verlaging” van een hoogniveau van potentiële heiligheid ( m.a.w. waar een leven mogelijk is ) betekend niet dat zij, G’D behoede, “zondigt”of “degenereert”, “inferieur”of “stigmatisatie is. Integendeel, juist omdat er zo een heiligheid betrokken is in de vrouwelijke eigenschap, het Goddelijk vermogen om, ex nihilo, nieuw leven te scheppen vanuit haar lichaam, is er ook de mogelijkheid voor grotere Toema–maar evenzo een groter Verheffing.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT TAZRIÁ, SHABBAT ROSH CHODESH NISAN

DE INNERLIJKE BRON VAN GENEZING.

De parashot Tazría en Metzorá handelen beide uitsluitend over de verschillende typen van spirituele onreinheid, op iemand, in iemand en op iemands bezittingen, hoe we ermee moeten omgaan en hoe we onszelf ervan kunnen ontdoen. De bijzondere aandacht gaat uit naar een huidaandoening van ongewone aard, genaamd “tzara’at”, vaak in het Nederlands weergegeven als “lepra of melaatsheid”. De hedendaagse medische opvatting met betrekking tot lepra, heeft niets uit te staan met de Bijbelse weergave en uitleg. Bovendien, spreken de eerste verzen van Tazria over emissie van zaad, het proces door welk nieuw leven tot existentie komt. Welke connectie kunnen deze twee onderwerpen hebben?

Het lijden aan tzara’at wordt veroorzaakt door kwaad te spreken over anderen, zelfs als het waar is. (zie Maimonides, aan het eind van zijn “Wetten van Onreinheid en Tzara’at”). De functie van deze besmetting en haar genezing is, om een persoon opnieuw op het goede pad te brengen, om een dood gewaand persoon te helpen zijn gedrag te veranderen, hem op het juiste spoor te zetten, de weg van het leven. Op de zelfde wijze moeten we onze eigen negativiteiten, in ons leven, als indicatie zien, als het ware een wegwijzer die ons de juiste richting wijst.

Bovendien zinspeelt het woord “tazriá”, zaad geven, naar al onze spirituele inspanningen in verbanning.
Al onze inspanningen in deze donkere periode zijn in feite “zaailingen”, een ontspruitende voorbereiding op wat zal plaatsvinden in de tijd van de verlossing.
Dit wordt bedoeld door de welbekende uitspraak, dat de openbaring, die elk van ons zal ervaren in de Toekomstige Tijd, enkel en alleen gebaseerd is op onze handelingen en inspanningen van nu, gedurende de verbanning. Deze openbaringen zijn de vruchten die we nu hebben gezaaid.

Dat ons wekelijkse Thoragedeelte zich concentreert op dit lijden en wijst naar deze donkere verbanning, en desondanks toch Tazriá wordt genoemd “het Geven van Zaad”, leert ons, dat alleen van ons gevraagd wordt, om nu iets “vruchtbaar” te maken. We moeten het gevoel hebben, al zijn de omstandigheden soms zeer moeilijk, dat we in een vroeg groeiproces zijn.
We planten nu het zaad, maar dit zaad zal spoedig ontspruiten en de toekomstige verlossing laten bloeien en de wonderbaarlijke openbaringen doen uitkomen van de dagen van de Mashiach.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT SHEMINI

SHABBAT PARA

Achtste    Leviticus. 9:1 – 11:47

Rabbi Shimon bar Jochai

Van Wijn en Appels

Zohar, parashat Shemini p. 40a

Dit Thoragedeelte bespreekt de inauguratie van het Tabernakel, de ontmoetingsplaats tussen de mens en de Oneindige. Hier behandelt de Zohar het vraagstuk van verbanning uit die verheven staat van verbinding met het G’ddelijke. Wat wordt heden ten dage vereist?

Rabbi Jehoeda opent zijn verhandeling met het vers, “ Ondersteun mij met glazen bokalen met wijn [in het Hebreeuws, “ashishot”], heel mij met appels, want ik ben ziek van liefde”. (Hooglied. 2:4). We hebben dit vers reeds eerder op een prachtige wijze uitgelegd, maar hier kan het geïnterpreteerd worden op een andere wijze als volgt: De Congregatie van Israël [de Shechina en de Sefira van Malchoet] zegt deze woorden als zij tot ballingschap vervallen. [ Zij pleit met haar kinderen, het Volk van Israël] “Ondersteun mij”. Wat betekent dit “Ondersteun mij”? Iemand die valt behoeft ondersteuning, zoals staat geschreven, ´G’D steunt degenen die vallen(Psalmen. 145:14) Omdat de Congregatie van Israël in ballingschap is gevallen [van G’D die anders haar zou hebben geholpen], zegt zij, “Ondersteun mij”. En wie vraagt zij om haar te ondersteunen? [Zij vraagt steun van] haar kinderen Israëls, die met haar in ballingschap zijn.

De ballingschap van de Shechina is een val van het niveau van bewustzijn  van de eenheid met het G’ddelijke, gesymboliseerd door het Tabernakel. Dit bewustzijn  kan in gelijke mate worden teruggebracht in de staat van ballingschap door die “kinderen”van de Shechina die, door meditatieve eenwording, een influks van G’ddelijk Licht  teweeg brengen in de Sefira van Malchoet en haar op haar voetstuk plaatst door opnieuw te verbinden met haar oorsprong in de Sefira van Bina; dit kan het innerlijke aspect van ballingschap rectificeren. De externe fysieke ballingschap kan alleen worden gerectificeerd met de herbouw van het Tabernakel in de vorm van de Derde Tempel.

Door wat wordt zij ondersteund? Door glazen bokalen met wijn [ashishot], Die de Voorvaderen zijn.

De Voorvaderen, Abraham, Izaak en Jacob, zijn de archetypen van de Sefirot Chesed, Gevoera en Tiferet. Zij zijn de emotionele eigenschappen van goedhartigheid, vrees/oordeel en barmhartigheid en zijn gelijk aan vuur. Het woord voor vuur in het Hebreeuws is “aish”, en het woord “ashishot” is als een meervoudsvorm voor vuur. Chesed is een wit vuur, Gevoera is zwart vuur en de combinatie van de twee is Tiferet. Meditatief gebed brengt teweeg dat deze Sefirot worden gevuld met overvloed (bekend als “Sheva”) van Bina en dit op zijn beurt wordt doorgeven, door de Sefira van Yesod, naar Malchoet.

Zij vullen eerst die goede wijn, die heeft gerijpt op zijn sedimenten, de overvloed van Bina. Wanneer ze zijn gevuld met overvloed door meditatief gebed, is zegen aanwezig de Sefira van Malchoet, door bemiddeling wat rechtvaardig wordt genoemd, [verwijzend naar de Sefira van Yesod]. En iemand die weet hoe de Heilige Naam te verenigen en zo doet om de Shechina te ondersteunen, steunt en assisteert de Congregatie van Israël in haar ballingschap, alhoewel geen zegen wordt gevonden in de wereld, vanwege de overmaat aan streng oordeel.

Het vers continueert , Heel mij met appels”…., en beide zijn het zelfde zoals we hebben uitgelegd.

Appels komen in verschillende kleuren voor, maar voornamelijk in het rood, wat verwijst naar de Sefira van Gevoera. Het feit dat zij ook van binnen wit zijn verwijst naar Chesed. Zij combineren daarom de twee aspecten van Chesed en Gevoera en zijn geassocieerd met de Sefira van Tiferet, als zijnde ashishot. Tiferet is geassocieerd met de middelste lijn in de Boom van de Sefirot en, zoals genezing, brengt onevenwichtige extremen terug in harmonie. De Zohar stelt evenzo dat appels een ontnuchterende invloed hebben.

Maar het geheim hiervan is, dat bokalen de uitwerking van wijn vergroten, en appels werken het effect van wijn tegen en verstevigen de kracht van iemands doorzettingsvermogen. Dit verklaart waarom het vers zowel bokalen als appels vermeldt: bokalen om het effect van wijn te verspreiden en appels om iemands wil te verstevigen zodat de wijn zijn wil niet zal beïnvloeden.

Aan “wijn” wordt hier gerefereerd als beïnvloeding van de andere Sefirot en refereert daarom aan de Sefira van Bina. De numerieke waarde van het Hebreeuwse woord, “yayin” is 70, de zelfde numerieke waarde als van het Hebreeuwse woord voor “verborgen , mysterie”, “sod”. De intellectuele eigenschap wordt als “verborgen, mysterie” beschouwd in relatie tot de emotionele eigenschap en wordt alleen bekend door spraak. Wijn brengt spraak teweeg, die een revelatie is van iemands gedachten. Dus zeggen de Geleerden, “Wijn gaat in, en geheimen komen uit”. Het effect van wijn is om de mentale activiteit te stimuleren, gerelateerd aan de overvloed die wordt gegenereerd in Bina. Te veel wijn veroorzaakt dronkenschap, die onder controle wordt gebracht door het eten van appels.

Dit alles met welke reden? [het ondersteunen van de Shechina]. Omdat “ik ziek van liefde ben” in ballingschap.

Malchoet in ballingschap hunkert om te worden verenigd met de directe invloed van het G’ddelijke, door zich opnieuw te verbinden met Zeir Anpin. Zij is gek van liefde als iemand die emotioneel overstuur is in de fysieke wereld en bijgestaan door een stevig drank.  De “wijn”die haar ondersteunt, is het meditatieve gebed van haar zonen.

En iemand die de Heilige Naam verenigt [veroorzakend overvloed vloeiend van Bina naar Malchoet] moet op een gepaste wijze oordeel met barmhartigheid combineren.

Het geheim van meditatief gebed op de Heilige Namen zoals zij in verschillende fasen voorkomen in het Staande Gebed, is om de harde realiteit van de fysieke wereld te “verzachten” door combinatie van barmhartigheid, het aspect van de Naam Havayah, met strengheid, relateert aan de Naam Ado-nai. Dit is waarom vele gebedenboeken de Naam Havayah hebben geassocieerd met de klinkers van de Sefirot waaraan zij zijn gerelateerd en de Naam Ado-nai ingesloten in de laatste letter van de Naam.

Dit veroorzaakt [Haar] te worden verzacht en rectificeert alles als passend en dit ondersteunt de Congregatie van Israël in ballingschap.

De staat van ballingschap is de afwezigheid van het beïnvloedende gevoel van het G’ddelijke in de fysieke realiteit. Meditatieve gebeden, zowel als reciteren van zegeningen in gepaste vorm, rectificeren dit en brengen dit bewustzijn van het G’ddelijke terug in elk aspect van het leven.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT TSAV

Verterend Vuur van Liefdevolle Goedheid

De Zohar leert dat de oordelende krachten op het altaar worden verbrand

Zohar, parashat Tsav. P. 27a

Rabbi Acha opent zijn verhandeling met het vers:

Een vuur moet aanhoudend op het altaar blijven branden, het mag niet uitgaan; en de priester moet er hout aan toevoegen, iedere morgen zodat het op laait.(Leviticus. 6:5)

Wat is de reden dat er altijd vuur moet blijven branden op het altaar en waarom moet het elke ochtend worden aangewakkerd [wanneer de Sefira van Chesed heerst]? En waarom wordt aan de priester opgedragen het vuur te maken?

Brandend vuur in welke plaats dan ook representeert streng oordeel. De priester is van de rechterkant [van de Boom van de Sefirot, de zijde van Chesed], die ver verwijderd is van streng oordeel, [de linkerzijde van de Boom]. Vuur is verbonden met boos worden, woede [zoals het woord vurig in de negatieve zin uitdrukt.] Een priester is nooit betrokken bij streng oordeel, en toch moet hij hier] streng oordeel teweeg brengen, [met andere woorden, verterend vuur], om in de wereld op telaaien, zoals staat geschreven:…. de priester moet er hout aan toevoegen iedere morgen zodat het op laait.(Leviticus. 6:5)

Het antwoord is, zoals we hebben geleerd, dat een persoon die tot negatief gedrag komt voor zijn Meester, zijn eigen gebeente in vlam zet met het vuur van zijn kwade inclinatie, met andere woorden, hij doet zichzelf schade aan. De kwade inclinatie is geworteld in de onzuivere zielsspiritualiteit, die wordt opgeroepen in iemand wanneer hij zich negatief gedraagt.

Want bijvoorbeeld, volgens onze Geleerden, zichzelf toestaan om kwaad, woedend te worden, staat gelijk aan afgoderij. Iemand die woedend is verteerd zijn vurige boosheid tot aan het punt waar hij compleet gevoel van realiteit verliest.

Soms is het bekend en herkenbaar welk type van offer wordt vereist om te worden gebracht, in welk opzicht het hersteld.

Een persoon moet offer brengen overeenkomstig aan zijn negatief gedrag. Net zoals een onzuivere zielsspiritualiteit verblijft in een persoon, zo moet hij dus nu laten opgaan in de vlammen van het Altaar.

De onzuivere zielsspiritualiteit, hetzij van de persoon zelf of van hemelse oorsprong vanwaar het kwam, laat zichzelf niet opgaan of verwijderd zichzelf niet, behalve in de vlammen van het Altaar. De vlamman verteren de onzuivere zielsspiritualiteit en allerlei vormen van kwaad in de wereld, omdat het een vuur is dat vuur verteert. Als de priester dienst doet aan het Altaar [die komt van de zijde van Chesed], moet hij in gedachten hebben een vuur te prepareren die allerlei vormen van kwaad in de wereld verteerd.

De reden nu dat het vuur van het Altaar niet uit mag gaan is, dat zijn vermogen en kracht niet zal worden verzwakt omdat het altijd in staat moet zijn het vermogen van die ander kwade kracht te breken en te verdrijven uit deze wereld. Vandaar de frase: “…….het mag niet uitgaan”.

Dit representeert de voortdurende bewuste strijd en inspanning in het herkennen van het heilige en zuivere, de vlam van bewustzijn brandend houden, zelfs in de meest duistere momenten.

De priester had de taak van het instellen en het in stand houden van het vuur op het Altaar en het oplaaien in de vroege ochtend elke dag, omdat dit de specifieke tijd is wanneer zijn zijde [van de Boom van de Sefirot, de zijde van Chesed] heerst en omhoog stijgt in de wereld. Dit is gedaan om de wereld te verzachten (letterlijk “aangenaam zal ruiken, zoals een offer op het Altaar) zodat en het streng oordeel zal worden onderworpen en niet zal ontwaken in de wereld.

En dit is wat we hebben geleerd, dat er een vuur is dat vuur eet. Het hogere vuur eet het “andere”vuur. Het vuur van het Altaar consumeert het “andere”vuur. Dus dit vuur mag nooit en te nimmer worden geblust en het is juist de priester [van de zijde van Chesed] die het dagelijks moet leiden.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJIKRA

En Hij riep       Leviticus. 1:1 – 5:26

De Kabbala Van Zout

Sefer Hasichot

….En laat bij je meel-offers het zout, het symbool van je verbond met G’D, niet ontbreken, bij al je offers moet je zout brengen.

Kan flauw voedsel gegeten worden zonder zout?” (Job. 6:6) Zout verhoogt de smaak van voedsel. Ironisch genoeg is zout op zichzelf niet strelend voor de tong, toch kan het ander voedsel smakelijker maken.

De reden is als volgt: Zout kan worden gescheiden van zout water. Het is gevormd door het constante branden van de zon op het water. Water is Chessed, goedhartigheid, zout is Gevoera, strengheid. [Vandaar het scherp zijn van zout]

Het is een axioma in kabbalistisch denken dat elke fysieke substantie in essentie de neerkomende vorm is van een hogere spirituele entiteit. Dus zout “symboliseert” of “representeert” niet alleen de hemelse sfeer van Gevoera, het is Gevoera in zijn fysieke manifestatie.

Rabbi Chaim Vital schrijft in Eitz Chaim dat, wat Gevoera is op één niveau, onmiddellijk Chessed creëert voor het niveau er beneden. Dus Gevoera van Chochma wordt Chessed van Bina.

Zout op zichzelf is Gevoera, betekenend: bijtend, maar wanneer het neerdaalt naar een lager niveau [met ander woorden, wanneer het de substantie van ander voedsel binnendringt] wordt het Chessed en geeft smaak aan dat voedsel.

Zout is ook de belichaming van de oorsprong van alle strengheid en heeft daarom de capaciteit om oordelen te verzachten. Het is om deze reden dat zout altijd aanwezig moet zijn op iemands tafel, als een medicament voor tegenspoed, want, zoals bekend kan gestrengheid alleen worden verzacht door haar oorsprong. De bekende uitspraak, “Het hout voor de bijl, dat de bomen van het bos zal vellen is van het bos zelf” illustreert dit principe.

In de sfeer van Thora, is zout: Kabbala, de innerlijke dimensie van Thora.

Anders dan de wettelijke aspecten van Thora, die volledig begrepen en geproefd kunnen worden, is het aspect van Kabbala verborgen en verhuld. Het kan niet waarlijk “geproefd” worden en opgenomen worden door het menselijke verstand. Het blijft onafhankelijk [zoals zout en stremsel een functie hebben zonder eerst werkelijk het item binnen te dringen]. Er is echter een voordeel aan beide aspecten van Thora Het voordeel van het wettelijke aspect is, dat de mens in staat is om G’ddelijke wijsheid, zoals kenbaar op het fysieke vlak in de vorm van wetten van de Thora, volledig te verwerken. Dit is het niveau van Chochma, wijsheid, daar waar het menselijke verstand één kan worden met G’ddelijke wijsheid.

Kabbala, spreekt van Hemelse realiteiten, is boven Chochma. Dit is een voordeel en een nadeel. Omdat het boven Chochma is, kan het niet volledig worden geabsorbeerd door het menselijke verstand. Omgekeerd, vanwege de transcendentie is het effect op de studerende veel krachtiger.

Zonder kennis van het wettelijke, kan men zich niet de smaak van Chochma, G’D’s wijsheid eigen maken. Want het is alleen door studie van het wettelijke dat iemand waarlijk G’ddelijke wijsheid kan vasthouden en absorberen. Met Kabbala of Midrash, verwerkt men niet waarlijk de essentie van de gedachte.

Aan de andere kant, ofschoon in het bestuderen van Kabbala men alleen een uitstraling van feitelijke ideeën waarneemt, stamt niettemin deze uitstraling [licht] van de innerlijke dimensie, de ziel van Thora en heeft de capaciteit om het spirituele perspectief van de studerende te beïnvloeden.

Hier leren we uit: dat wettelijk recht van de Thora als brood en vlees is en Midrash en Kabbala als zout, die smaak aan het voedsel verleend en negativiteit neutraliseert

 Zout is conserverend. Dus G’D’s eeuwigdurend verbond met Aaron is geassocieerd met zout [“een eeuwigdurend verbond van zout”, zoals in Bemidbar 18:19]. Zoals Rashi verklaart, “G’D sloot een verbond met Aaron met iets dat “heilzaam” en constant is en wat anderen conserveert … zout, dat nooit en te nimmer bederft.

De Arizal benadrukt de verbinding tussen zout en de priesterlijke zegen: Het Hebreeuwse woord voor zout, melach, is numeriek gelijk aan 78, wat 3×26 is [3x de G’ddelijke Naam Havayah die gelijk is aan 26]. Idem, de priesterlijke zegen bevat de Naam Havayah drie maal: “Mag Havayah u zegenen…., Mag Havayah Zijn stralend gelaat laten schijnen….., Mag Havayah Zijn aangezicht op u gericht houden…..” Deze zegeningen houden de wereld in existentie en worden daarom vergeleken met zout, dat andere items ondersteunt.

Een andere karakteristiek van zout is dat het negativiteit verlaagt en vernietigt. Het heeft deze capaciteit omdat het stamt van Gevoera van heiligheid.

Dus de G’ddelijke Naam die gebruikt wordt in het vers aangaande het verbond van zout is Elo-kiem [“briet Elo-hecha”], welke de G’ddelijke Naam is die Gevoera belichaamd. Het kan daarom de negatieve vormen van strengheid veranderen en “verzachten”, omdat strengheid van oorsprong verzachtend is.

De wateren van Jericho werden daarom gezond gemaakt door zout. En wanneer negativiteit is geconserveerd of verzacht door zijn oorsprong, is de verandering inwendig en van daar uit veel krachtiger.

Zout heeft ook geneeskrachtige vermogens. Zo brengt de Tikoenei Zohar 54a naar voren dat één van de omzettingen van het woord melach: chalam, sterker maken en helen suggereert (zie Job. 39:4 en Jesaja. 38:16).

Om die reden dus bevatten de offers zout. Want in het spirituele “offer”, menselijk naderen tot G’D, de betekenis van het Hebreeuwse woord voor offer, moeten alle eigenschappen met zout aanwezig zijn. Zijn naderen moet het uithoudingsvermogen hebben van zout, het kan niet van voorbijgaande aard zijn. Bovendien moet het transformeren en met zich meebrengen, de dierlijke ziel, niet alleen overweldigen en tot zwijgen brengen, maar een werkelijk veranderende gewaarwording in de dierlijke ziel veroorzaken, een innerlijke verandering, met ander woorden, verzachting van strengheid door oorsprong.

De betekenis van het Hebreeuwse woord voor offer, omvat het menselijk naderen tot G’D. In het spirituele “offer”, moeten alle eigenschappen met zout aanwezig zijn. Het naderen tot G’D moet het uithoudingsvermogen hebben van zout, het kan niet van voorbijgaande aard zijn. Het brengt een transformatie met zich mee van de dierlijke ziel, niet alleen door het te overweldigen of tot zwijgen te brengen maar het veroorzaakt een werkelijk veranderende gewaarwording in de dierlijke ziel, een innerlijke verandering met andere woorden, er vindt een verzachting plaats door de oorsprong van strengheid.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT PEKOEDÉ

De berekeningen Exodus 38:21 – 40:38

De Geschriften van de Ari

Sefer Halikoetiem

In de Thoralezing van deze week wordt verslag gedaan van de donaties van het Joodse Volk, ten behoeve van de constructie van het Tabernakel en van wat met de donaties wordt gedaan. Ons wordt verteld dat “het zilver [verzameld] van hen van de gemeenschap die werden opgenomen,100 Kikkar waren en 1,775 shekel naar de shekel van het gewicht van het Heiligdom….De 100 Kikkar van zilver [werden gebruikt] voor het gieten van de sokkels van het Heiligdom en de sokkels van het voorhangsel: 100 Kikkar voor 100 sokkels, dus een kikkar per sokkel.” (Exodus. 38:25-27)

Het woord voor sokkel” in het Hebreeuws is “aden” en de meervoudsvorm (“de sokkels van”), de vorm gebruikt in deze passage, is “adnei“. Deze spelling is precies het zelfde als de G’ddelijke naam Ado-nai. Vanuit deze gedachte weidt de Ari verder uit:

Weet dat de 100 sokkels van het Tabernakel manifestaties zijn van de sefira van malchoet, welke synoniem is met de G’ddelijke Naam Ado-nai.

De Sokkels waren de basis van het tabernakel; de wanden welke de muren vormden werden in deze sokkels geplaatst. Het tabernakel was, zoals we eerder hebben opgemerkt, de wijze waarop G’D’s aanwezigheid in de wereld werd gemanifesteerd (en in het bewustzijn van elk mens); het was daarom een microkosmos van de gehele Schepping. De laatste, de laagste sefira van de tien sefirot is malchoet, dus de sokkels, de laagste elementen van het Tabernakel, manifesteren deze sefira. In tegenstelling tot de voorafgaande negen sefirot, bezit malchoet geen “inhoudelijkheid” of “persoonlijkheid” van zichzelf. Het is niet een eigenschap van G’D per se maar eerder de expressiekracht van al de andere, voorafgaande eigenschappen. Bijgevolg wordt het in de Zohar verklaard dat malchoet “niets van zichzelf heeft”. Het woord “malchoet” betekent “koninkrijk”, met andere woorden, de manifestatie van de voorgaande eigenschappen van G’D door geheel de Schepping, het creëren en doorgeven van de realiteit in een verenigd harmonieus geheel, een koninkrijk gestuurd door een koning, namelijk G’D. De G’ddelijke Naam die deze aanspreektitel over de realiteit uitdrukt is natuurlijk Ado-nai, welke letterlijk “Mijn Heer” betekent. Elke sefira, zijnde een manifestatie van G’D in de context van de Schepping, is in feite een andere “naam” van Hem, aangezien het doel van een naam of titel is om een persoon te identificeren in de context van de rol die hij speelt ten opzichte van de wereld om zich heen.

Deze naam bezit de numerieke waarde van 100, als volgt:

De eenvoudige numerieke waarde van het woord Ado-nai (gespeld alef- daled- noen- joed) is 65, maar door zijn milui te ontleden ( de volledige spelling letter voor letter), is zijn numerieke waarde verhoogd naar 100. Zoals eerder vermeld, verwijst de volledige spelling letter voor letter in Kabbala, naar de totale manifestatie van alle G’ddelijke latente kracht in die letter. De volledige spelling van de naam Ado-nai verwijst daarom naar de volledige manifestatie van G’D’s vermogen om de schepping onder Zijn heerschappij te verenigen. Dit, opnieuw, is de totale expressie van het idee van het Tabernakel in het algemeen: de verspreiding van het besef en bewustzijn van G’D door heel de Schepping. Om de waarde van 100 te bereiken, moet de naam Ado-nai letter voor letter dubbel worden gespeld, met andere woorden, elk van zijn constituerende letters moet volledig worden gespeld. Dit geeft zelf een grotere, meer volmaakte revelatie van malchoet gedurende Schepping aan.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJAKHEEL

De Thoralezing van deze week beschrijft het bouwen van het Heiligdom in de woestijn. In precieze details worden de vormen en maten van de afzonderlijke elementen van het bouwsel gekenschetst. Maar voor iemand die de wekelijkse Thora bestudeert is dit geen nieuwe informatie. Al deze details waren reeds twee weken en drie weken eerder, in de Parashot Taroemá en Tetsavé aangegeven. G’D had aan Mozes gezegd hoe hij het Heiligdom moest bouwen en Mozes omschreef het bouwwerk uitvoerig in de Thora.

Nu is het zo, dat elk woord en elke letter in de Thora een betekenis heeft en dat niets overbodig is en, zoals onze wijzen interpreteren, nauwkeurig en bijzonder. ( zie Rabbijn Mr. Drs. R. Evers “de dertien exegetische interpretatieregels van Rabbi Jismaeël ” ) Waarom wordt er dan een hele passage herhaald?

Het bijzondere van het opnieuw bekijken is, dat het Heiligdom, en later ook de Tempel in Jeruzalem, een tweevoudig bouwwerk was.

Het was een medium voor het openbaren van G’D’s aanwezigheid.

Dit is de boodschap van Parashot Taroemá en Tetsavé. Maar het is eveneens de plaats waar de menselijke inspanningen in het zuiveren van zijn omgeving tot uiting komen in de meest volmaakte vorm. Deze boodschap wordt overgebracht door Parashat Wajakheel.

G’D had Zijn voorstelling van de wereld. Hij schiep hem zo, zodat het Zijn verblijf, Zijn woning zou zijn, een plaats waar Hij Zich Zelf zonder enige beperking en geremdheid kan openbaren, zoals een persoon die zich vrijelijk uit in zijn eigen huis. Maar G’D wilde ook dat de mens zich thuis voelde in Zijn huis, daarom liet Hij de constructie over aan de mens. Hij kon het ook Zelf bouwen. Maar dan zouden we ons voelen als gasten. Onnodig en daarom enigszins overbodig. G’D wilde dit niet laten gebeuren. Hij wilde dat we ons voelden als Zijn partners. Daarom liet Hij het maken van de wereld, als Zijn verblijfplaats, aan ons over.

Het is inderdaad zo dat de huidige existentie van de wereld als verblijfplaats voor de mens al een moeilijke zaak is.

Het is onnodig om uitvoerig in te gaan op de thema’s van hebzucht, egoïsme en lompe materiële verlangens. Bekijk de dagbladen maar. Het is zeker, er is een potentieel voor het goede in deze wereld. Maar zoals vaak, is dat potentieel verborgen en onderontwikkeld. De taak om dit te openbaren en te ontwikkelen is de opdracht van de mens. Zijn doel in het leven is niet het vermijden van betrokkenheid in wereldse zaken en vluchten in spirituele sferen. Dat zou een nederlaag zijn van G’D’s doel. Dat zou inhouden dat de materiele wereld zoals hij existeert binnen zijn eigen context gesepareerd is van Hem. In plaats daarvan richt de menselijke levenstaak zich op de fysieke omgeving waarin hij leeft. Zijn doel is om elementen van onze existentie te nemen en aan te tonen dat zij niet bestemd waren om te gebruiken voor bekrompen egoïstische doeleinden, maar dat zij waren voorbestemd om deel uit te maken van G’D’s Heiligdom.

Dat is de boodschap van Parashat Wajakheel. Mozes roept het volk tezamen en brengt deze opdracht aan hen over. G’D zal Zijn deel doen en manifesteert Zijn aanwezigheid, maar de totstandkoming om Zijn aanwezigheid te manifesteren is de verantwoording van de mens.

SHABBAT SHALOM