PARASHAT SHEMINI

Achtste (Leviticus 9:1 – 11:47)

Op de dag dat het terrestrische Tabernakel werd opgericht, werd een parallel Heiligdom gevestigd in de CelesAtische Regionen. Dit is de reden waarom het woord mishkan, Heiligdom wordt herhaald in Exodus 38,21: mishkan, mishkan ha-édoet. G’D toont net zoveel hartstocht voor hetgene in de verhullende regionen als voor het geopenbaarde in onze wereld.
Rabbi Shimon ben Gamliel verklaart in Midrash Nasso 16, dat toen G’D het universum creëerde, Hij ook een verblijf in de terrestrische wereld wenste, gelijk aan Zijn verblijf in de Celestische Regionen.
Wij hebben dit reeds eerder uitvoerig bediscussieerd. De reden dat G’D z’n verblijf niet had gevestigd, was om de schade die was toegebracht aan het universum, veroorzaakt door de zonden van Adam en successievelijke generaties. De totstandkoming van de verwantschap tussen G’D en het Joodse Volk bracht een welwillendheid teweeg die een simultane vestiging van Zijn verblijf mogelijk maakte, zowel in de terrestrische wereld als in zijn Hemelse tegenhanger.
Het Tabernakel is waarneembaar als een microkosmos en het bouwproces is compatibel aan het trapsgewijze creatieve scheppingsproces van het universum. Midrash Tanchoema op parashat pekoedé, analyseert dit uitvoerig.
We weten, dat toen G’D het universum creëerde, Hij alles vrouwelijk en mannelijk creëerde ( Baba Batra 74). De commentatoren leggen uit dat dit betekent dat G’D mashpia en moeshpa creëerde, actieve krachten met hun passieve tegenhangers. Dit kan worden beschreven in termen van waarneembare krachten die in zich onzichtbare krachten bevatten.
Of anders uitgedrukt: Er is een constante interactie tussen oorzaak en effect.
De mens is het uiteindelijk doel van het universum. Dit is iets waar al onze commentatoren zich tot het uiterste voor hebben inspannen om te bewijzen.
De mens bestaat uit lichaam en ziel, zowel een visueel als een niet visueel deel.
Dit is de diepere betekenis van Exodus 25,8 “we-asoe lie mikdash we-chantie betochaam,” “Ze zullen Mij een heiligdom maken, opdat Ik onder hen kan verblijven.” Het probleem hier is dat het spreekt over het Tabernakel.
Onze Rabbijnen in Shavoe’ot 16 vertellen ons dat de uitdrukking Tabernakel en Heiligdom onderling verwisselbaar mag worden gebruikt. Dit is niet het enige probleem in het vers. Waarom, als het Heiligdom één unit is, geeft de Thora weer dat Hij onder hen (meervoud) wil verblijven? In feite zou de Thora moeten schrijven betocho! We hebben hier een zinspelling naar het feit dat de oorzaak
het effect wil, m.a.w. het verhullende hunkert naar openbaring.
We hebben al eerder gesproken over het feit dat de mens een essentieel onderdeel is van het universum. Deze premisse van de Zohar wordt geciteerd in de verhandeling sh’ar kadosha van reshiet chochma aan het begin van hoofdstuk zeven. Daar wordt gestipuleerd dat de Mens een microkosmos is, en de verwijzing om de mens te vergelijken met het universum en het Heiligdom.
De auteur zegt hier uitdrukkelijk dat het menselijke hart correspondeert met het binnenste Heiligdom, kadoch kadoshiem, het Heilige der Heiligen.
Maimonides, in een brief aan zijn zoon Rabbi Abraham, citeert de boven genoemde tekst uit de Zohar en vergelijkt het Tabernakel en zijn interieur met een eminent lichaam. Als G’D zegt: “Ik zal onder hen verblijven,” bedoelt Hij, verblijven in hun essentie, een diepere essentie dan louter het interieur van het Tabernakel, het deel welke ook genoemd wordt mishkan ha-edoet, de Tent van het Getuigenis, m.a.w. de Thora.

SHABBAT SHALOM

 

PARASHAT TSAV SHABBAT HAGADOL

Draag op    Leveticus.  6:1 – 8:36

Van begin tot eind spreekt het Thoragedeelte van deze week over de verschillende offers die gebracht werden in het Tabernakel en later in de Tempel. De offers dienden verschillende doelen. Er waren dagelijkse offers om ons elke dag met G’D te verbinden, speciale offers in verband met verschillende feestdagen, dankoffers en zondeoffers, vredeoffers en eerstgeboren dieroffers. De Wijzen verklaren dat met de verwoesting van de Tempel, haar heiligheid elk Joods individu omringt. Door onze gebeden, eetgewoonten zoals voorgeschreven en pogingen G’D’s aanwezigheid in deze wereld te reveleren, herscheppen wij de energie van de Tempel en brengen wij verbinding met G’D voort, met ons en met de wereld.

Rebbe Mendel van Kosov schreef dat in de tijd van de Tempel, wanneer een persoon in zonde zou vervallen, hij een offer zou brengen en er daardoor voor worden verzoend. Heden ten dage bereiken we het zelfde door vermeerdering van tzedaka. Maar hoe geven we op Shabbat wanneer we geen geld gebruiken? We inviteren één of meerdere behoeftigen of alleenstaande personen ( elke gast is goed). De gasten eten en de huisbewoners zijn verzoend. Trouwens, in verband met de gewoonte om elke dag tzedaka te geven, geven we op vrijdagmiddag voor een tweede keer, of de middag voor een feestdag om de heilige dag ook te beslaan.

En de Eeuwige sprak tot Mozes, “ Draag [in het Hebreeuws, ‘tzav’]) Aaron en zijn zonen het volgende op, ‘Dit is de Thora voor het in vlammen opgaand offer”. (Leviticus. 6:1-2)

Rashi verklaart dat het woord “tzav” alleen wordt gebruikt in het geval waarin op snelheid wordt aangedrongen of een bijzonder enthousiasme in het uitvoeren van een mitzwa, en dat dit onmiddellijk van toepassing is, nu en voor altijd. De Lubavitcher rebbe zegt dat “tzav” zinspeelt op hoe wij verondersteld worden elk van de mitzwot te doen, betekenend dat zij energiek gedaan moeten worden, doordrenkt met vreugde en hevig verlangend om de wens van onze Schepper te vervullen. Rashi’s keuze van het woord “onmiddellijk” laat ons zien dat wanneer een mitzwa tot ons komt, we het niet moeten uitstellen, maar onmiddellijk moeten uitvoeren. Zijn gebruik van het woord “voor altijd” houdt in dat deze handeling niet eenmalig is, maar continueert tot het einde der tijden in twee dimensies; ten eerste brengt het vruchten voort, fruit van vruchten en ten tweede, de handeling van de mitzwot zelf continueert voor altijd. Parashat Tzav gaat gewoonlijk Pesach vooraf en het is gepast dat we Pesach  en het jaar dat volgt, ingaan met een gewaarwording van wat het doen van een mitzwa is.

De Shabbat voor Pesach wordt Shabbat HaGadol (“de Grote Shabbat”) genoemd, omdat onmiddellijk voor onze verlossing uit Egypte, op de 10e van de maand Niesan, elke familie het gebod kreeg opgelegd om een lam uit te kiezen voor het brengen van hun Pesachoffer vier dagen later. De Midrash zegt dat Mozes verbaasd was: “Weet U niet dat het lam een god voor hen is?” En G’D antwoordde, “Het is beter om Mij onmiddellijk te geloven”! Israël zal Egypte niet verlaten voordat zij de god van de Egyptenaren in aanwezigheid van hen hebben geslacht, om aan te tonen dat hun goden niets zijn”. En zo gebeurde het dat in dat jaar de 10e van de maand Niesan viel op Shabbat. De eerstgeborenen van de Egyptenaren verzamelden zich en vroegen de Joden wat zij aan het doen waren en de Joden antwoordden dat het lam diende als Pesachoffer voor G’D omdat Hij de eerstgeborenen van de Egyptenaren zou treffen. Dit is de betekenis van het vers in het ochtendgebed van Shabbat “de Egyptenaren te treffen met hun eerstgeborenen”. Dit is een belangrijke gebeurtenis en de 10e van de maand Niesan zou waardig geweest zijn als feestdag, ware het niet dat Miriam stierf op de zelfde datum veertig jaar later, dus in de plaats daarvan vieren we het jaarlijks op de Shabbat vóór Pesach. Zorg ervoor dat je het vermeldt aan de Shabbat tafel.

Het feitelijk basis idee van Shabbat HaGadol is dat je slechts een paar dagen hebt tot Pesach en de Seder. Al dan niet verantwoordelijk voor het schoonmaken, Seder voorbereidingen, niemand kan garanderen dat jij en diegene die verantwoordelijk zijn het meeste uit de feestdag zal halen, behalve jij zelf. De heilige Ari van Safed verzekert dat door het nakomen van de Voorschriften van Pesach we zullen worden verlost van al onze spirituele en fysieke limitaties. Dit echter zal alleen gebeuren als er voorbereidingen zijn getroffen.

Één voorbereiding (een andere reden waarom het Shabbat HaGadol wordt genoemd) is de gewoonte dat iedereen gaat luisteren naar zijn Rabbi die spreekt en uitleg geeft over de voorschriften van Pesach, één van de meest belangrijke verhandelingen van het jaar. Elke gemeenschap heeft zijn specifieke nuances, dus is het belangrijk om een locale expert te horen.

Nog een andere voorbereiding is het wijdverspreide en aanbevolen gebruik om de Haggada te lezen rond Mincha, het middaggebed op Shabbat HaGadol; dit was toen de eigenlijke verlossing begon. Het helpt ons ook de tekst voor de Seder fris en eigen in onze gedachten te hebben.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

PARASHAT WAJIKRÁ

En Hij riep            Leviticus.  1:1 – 5:26

BETREFFENDE HET BRENGEN VAN OFFERS WORDT ALLEEN G’D’S NAAM, HET TETRAGRAMMATON, GEBRUIKT

 RABBI MOSHE BEN NACHMAN

 Kabbala leert dat er een verborgen geheim ligt opgesloten in de offergave. Onze Rabbijnen hebben gezegd, in Sifre, en aan het einde van Traktaat Menachot: “Shimon ben Azai zegt, ‘Kom en zie wat is geschreven in het gedeelte van het brengen van offers: Er staat niet dat het verwijzt naar ‘ E-L, noch naar Elokecha (hun G’D), noch naar ‘Elokiem’, noch naar ‘Sha-dai’, noch naar Tze- waot,’ maar alleen naar de Naam Havayah, om een tegenstander [met andere woorden, iemand die gelooft in pluraliteit] niet de gelegenheid te geven een reden te vinden om te attaqueren.”

 Misschien dat men zou kunnen zeggen dat G’D verlegen zit om voedsel, daarom zegt de Schrift, “Had Ik honger, Ik zou het niet zeggen,; want de Schepping in volledigheid is Mijn.” (Psalm. 50:12)

De Naam Havayah wordt gebruikt om radicalen niet de gelegenheid te geven om te rebelleren.

We vinden eveneens aan het begin van Thorat Kohaniem: “Rabbi Josie zegt: Overal waar het brengen van een offer wordt vermeld door de Schrift, wordt de naam Havayah gebruikt, om radicalen niet de gelegenheid te geven om te rebelleren” [door pluralistische aanduidingen te vinden tegen het principe van Eenheid]. Dit zijn de woorden van de Rabbijnen van gezegende nagedachtenis.

Het is dus een feit dat in een Thoragedeelte waar het brengen van offers wordt opgedragen, de G’ddelijke namen E-L of Elo-hiem niet worden gebruikt. Maar we vinden, ergens anders in de Schrift verzen als: “het brood van ‘Elo-heihem’ [hun G’D], offeren zij”; “ geven aan Elo-hiem het dankoffer” (Psalm. 50:14) enzovoort. Echter slachten ten behoeve van het brengen van een offer moet worden gedaan in de Naam van Havayah alleen, betekenend dat degene die het offer slacht geen intentie mag hebben tot iets anders in de wereld dan Havayah alleen. Dit is wat de Wijzen bedoelen wanneer zijn stellen: “De Schrift heeft verordend dat al deze Diensten moeten worden gewijd aan de Naam Havayah.

SHABBAT SHALOM 

PARASHAT WAJAKHEEL – PEKOEDÉ

En hij liet samenkomen, Exodus. 35:1 – 38:20 – De berekeningen, Exodus. 38:21 – 40:38

Het Tabernakel belichaamt zowel het geopenbaarde als het mystieke

Intellect en Emoties

Sefer Hamamariem Meloekat 5: 199ff.

De Lubavitcher Rebbe

Dit zijn de inventarisberekeningen van het Tabernakel, het Tabernakel van Getuigenis….(Exodus. 38:21)

Het vers is een aanwijzing voor het feit dat er twee aspecten zijn ten aanzien van het Tabernakel: Een aspect wordt “het Tabernakel” genoemd, het andere “Tabernakel van Getuigenis”. De twee Tabernakels refereren aan twee niveaus van licht: een is geopenbaard en een blijft verborgen. Deze twee niveaus worden “lagere Shechina” en “hogere Shechina genoemd. In Tikoenei Zohar ,1b, wordt de lagere Shechina geïdentificeerd met Malchoet en de hogere Shechina met Bina.

Het eerste Tabernakel impliceert revelatie, aangezien het “het Tabernakel”  is genoemd [niet “een Tabernakel”] met andere woorden, een Tabernakel dat bekend is. Het tweede Tabernakel impliceert verborgenheid, aangezien dit het Tabernakel van Getuigenis is genoemd, getuigenis is alleen nodig als iets  onbekend of verborgen is.

De mens in zijn dienst aan G’D, in het bouwen van zijn persoonlijk Tabernakel, bereikt de lagere Shechina door het vervullen van “actieve” mitzwot, zoals het aanleggen van tefillien en het doen van liefdadigheid. Iemand bereikt de hogere Shechina door het vervullen van “passieve” mitzwot, zoals het nalaten van het eten van niet kosher voedsel of niet te werken op Shabbat.

Dit omdat de hogere Shechina, het Tabernakel dat verborgen is, niet kan worden “gekend” door menselijke actieve daden. Het reikt boven het menselijke uit en kan alleen worden bereikt door niet actief handelen.

De passieve mitzwot zijn daarom geassocieerd met de joed en de hei, de eerste letters van de naam Havayah, terwijl de actieve mitzwot worden geassocieerd met de laatste letters, vav en hei. Joed en hei verwijzen naar de verborgen sferen, terwijl vav en hei refereren aan de gereveleerde sferen (Tikoenei Zohar 10, 25b, commentaar op Deuteronomium.  29:28: “Verborgen dingen zijn aan G’D, terwijl gereveleerde dingen aan ons zijn …..”). Joed en hei verwijzen naar het intellect, terwijl vav en hei verwijzen naar de emoties. In relatie tot anderen is het intellect verborgen. Het intellect dient de persoon als een afgescheiden individu, gescheiden van anderen. Emoties, liefde en vrees worden gereveleerd aan anderen. Hun hele wezen impliceert het bestaan van anderen.

Met andere woorden, het is niet alleen maar de vaststelling van emotionele drang, zoals goedhartigheid, dat andere wezens verlangt; de gehele existentie van emoties is afhankelijk van de existentie van anderen. Zonder anderen bestaat het concept van goedhartigheid niet. Omdat er anderen zijn, kan iemand het verlangen ervaren om goed te doen, zelfs wanneer er geen ander aanwezig is. Maar als er geen anderen in de wereld zijn, zou de emotie van goed doen niet existeren.

Intellect daarentegen, is een op zich zelf gerichte eigenschap. De existentie van anderen is geen noodzakelijke voorwaarde om te denken. De meeste Wijzen zijn van nature teruggetrokken. Weliswaar kan iemand groeien van het bespreken of leren van een idee (“ en van mijn studenten [leerde ik] meer dan van alle anderen”, Taanit 17a), maar in de inventie van nieuwe inzichten, kan de aanwezigheid van anderen vaak iemands concentratie juist verstoren. De Rechters van het Sanhedrin wilden daarom zich liever nachtelijk beraden in eenzaamheid (volgens Rashi op Sanhedrin 40a).

Het zelfde geldt voor het hemelse intellect en de emoties. Hemels intellect, joed en hei, zijn zelfgericht en verborgen voor de Schepping. Hemelse emoties daartegen zijn het doel van de revelatie aan de gecreëerde wezens. Want de emoties existeren met als doel revelatie en verbinding met anderen, zij zijn al in de sfeer van de revelatie, zelfs als zij eigenlijk nog niet zijn getoond en nog in het hart zijn.

Omgekeerd, omdat intellect inherent zelfgericht is, blijft het verborgen zelfs wanneer het technisch gezien is gereveleerd en uitgedrukt: a) iemand reveleert nooit de essentie van zijn intellect aan een ander persoon, alleen een secundaire manifestatie van het intellect wordt duidelijk gemaakt; b) de revelatie van het intellect heeft geen intrinsieke verbinding met het intellect zelf. Het is een daarmee samenhangende bijkomstigheid ( in tegenstelling tot de emoties waarvoor revelatie het fundamentele doel is.)

Bovendien, het feit dat het intellect inherent onafhankelijk van interactie met anderen is, verwijst niet alleen naar anderen die buiten de persoon zijn, het refereert ook aan de “anderen” in hem zelf. Om waarlijk te kunnen nadenken over een concept, moet de Wijze al zijn andere eigenschappen laten zwijgen (zelfs het verlangen om het concept te begrijpen). Aangezien er interne “anderen” zijn in relatie tot het intellect, bemoeien zij zich met het intellectuele proces (net zoals een ander buiten hem zou storen). En wanneer hij eenmaal het concept beheerst, blijft zijn intellectuele begrip ervan geïsoleerd en verborgen voor de rest van zijn wezen, zozeer zelfs dat hij zich kan gedragen in strijd met de conclusies van zijn intellect. Het feit dat het intellect gewoonlijk emotie teweeg brengt en iemands gedrag beïnvloedt, is niet omdat dit zijn functie is. Het is een daarmee samenhangende bijkomstigheid. Het is als licht dat naar overal uitstraalt. [Niet omdat het “actief” haar licht werpt, maar omdat het zo haar aard is]. Het is zich niet bewust van haar eigen gloed. Evenzo is het feit dat het intellect de emoties doordringt en het gedrag beïnvloedt, het resultaat van haar illuminatieve natuur, en niet van enige associatie met de emoties en gedrag.]

Dus in het effect van het intellect op de rest van de persoon, ziet iemand niet de ziel van het intellect. Het intellect behoort tot de sfeer van verborgenheid, zelfs in relatie tot de rest van een persoon.

Zo ook “het Tabernakel”, het gereveleerde Tabernakel refereert aan de dienst aan G’D die de emoties met zich mee brengt, het hart, de sfeer van het gereveleerde. “Tabernakel van Getuigenis refereert aan de dienst aan G’D die het verstand met zich mee brengt, de sfeer van het verborgene.

SHABBAT SHALOM

POERIEM 5775, PARASHAT KI TIESSÁ

 DE VEELBETEKENENDHEID VAN HET POERIEMFEEST

Het Poeriemfeest is speciaal zo bijzonder, omdat het zowel de ziel als het lichaam voorziet van vreugde en plezier, zoals wordt aangeven in de Zohar: op Poeriem mag men door lichamelijk plezier bereiken, wat men op Jom Kippoer bereikt door het lichaam te onthouden van voeding, m.a.w. kwellen. (Jom Kippoer, letterlijk vertaald, Dag zoals Poeriem) Het Volk Israël is toegerust, zowel met lichamelijke heiligheid als met spirituele heiligheid. En het is zeer gepast dat hun fysieke handelingen altijd worden geheiligd en gedaan voor het belang van G’D alleen. Maar zolang echter als Amalek bestaat corrumpeert hij de zuiverheid van Israëls handelingen. Wanneer de macht van Amalek is verzwakt en onderworpen, zijn de fysieke handelingen van Israël opnieuw gezuiverd. Dan is de vreugde van het Volk Israëls over het Poeriemfeest bijzonder groot, want het getuigt dat de straf die zij betaalden in de dagen van Haman voor de zonden die zij hadden begaan, volledig hadden goedgemaakt. Anders zou lichamelijke kwelling aan hen zijn voorgeschreven, in plaats van lichamelijk plezier.

VROLIJKE POERIEM

 PARASHAT KI TIESSÁ

Wanneer je opneemt Exodus. 30:11 – 34:35

Rabbi Jitzchak Luria

Likoetei Thora en Sha’ar HaPesoekiem

Eerbetoon aan het Mannelijke en het Vrouwelijke

Na de opdrachten over bouwen van het Tabernakel, vertelt G’D het Joodse Volk dat, hoe belangrijk het construeren van het Tabernakel ook is, het niet jullie inachtneming van de Shabbat schenden moet

De Eeuwige zei tegen Mozes. Spreek jij zelf tegen de Kinderen van Israël aldus: “Maar…Mijn Shabbatdagen moeten jullie stipt houden, want dit is een teken tussen Mij en jullie voor heel jullie nageslacht, opdat men zal weten dat Ik de Eeuwige ben die jullie bijzondere wijding heeft gegeven.” (Exodus. 31: 12-13)

Betreffende de betekenis van deze verzen, moeten we eerst verklaren hoe G’D Mozes aansprak, gewoonlijk formuleert Hij Zijn opdrachten niet zoals hier staat geschreven.

De gebruikelijke bewoording is “Spreek tot de Kinderen van Israël en zeg hen….”of “Zeg tot de Kinderen van Israël ….”. Hier, zegt het vers “Spreek jij…”, benadrukkend het woord jij.

Om dit te kunnen verklaren, zullen we eerst een andere tegenstelling uiteen zetten. De eerste registratie van de Tien Geboden [het gebod om de Shabbat te houden] is verwoord als volgt: “Denk aan….”, de woorden “Zoals de Eeuwige, je G’D, je dat geboden heeft” zijn hier niet in de tekst geregistreerd.

De Tien Geboden zijn tweemaal opgenomen in de Thora. De eerste keer in de historische context toen zij werden gegeven aan de Berg Sinai (Exodus. 20:2-4), en de tweede keer in de context van Mozes overzicht van Exodus vlak voor hij stierf aan het eind van de veertigjarige tocht door de woestijn (Deuteronomium. 5: 6-18). Deze twee versies van de Tien Geboden zijn grotendeels gelijk, maar er zijn enkele kleine verschillen.

De twee versies van het eerste vers van het gebod om de Shabbat te houden zijn in vergelijk als volgt:

eerste versie tweede versie
Denk aan Shabbat, door haar wijding te geven Houdt de Sabbatdag, door haar wijding te geven, zoals de Eeuwige, je G’D, je dat geboden heeft

Op vergelijkbare wijze, [ het gebod] om ouders te eren bevat niet de woorden “opdat je dagen verlengd worden, “zoals de Eeuwige, je G’D, je dat geboden heeft”.

Het volgende gebod, na het gebod om de Shabbat te houden, is het gebod om ouders te eren. De twee versies van dit gebod zijn in vergelijking met elkaar als volgt:

eerste versie tweede versie
Eer je vader en moeder, opdat je dagen verlengd worden op de aardbodem die de Eeuwige, je G’D, je geeft Eer je vader en je moeder, zoals de Eeuwige, je G’D, je dat geboden heeft, opdat je dagen verlengd worden en opdat het je goed zal gaan op de aardbodem die de Eeuwige, je G’D, je geeft

Ter verklaring: Deze twee geboden, het houden van de Shabbat en het eren van de ouders, zijn equivalent. De laatstgenoemde is het eren van iemands lichamelijke ouders, terwijl de eerstgenoemde het eren is van iemands spirituele ouders, met andere woorden, Zeir Anpin en Noekva, waar aan gerefereerd wordt als “de Shabbatot” [mv.] in de uitspaak van de Geleerden dat “als het Joodse volk twee Shabbatot zou houden zoals het moet, [zouden zij onmiddellijk worden verlost].”(Shabbat 118b)

Aangezien elke Joodse ziel voortgebracht wordt door de eenwording van Zeir Anpin en Noekva, mogen deze partzoefiem worden beschouwd als onze spirituele “ouders´”.

De uitspraak van de geleerden dat wij zouden worden verlost als we twee shabbatot zouden houden wordt gewoonlijk opgevat als twee shabbatot achter elkaar. Ergens anders echter becommentarieert de Arizal dat de esoterische betekenis van deze uitspraak is dat we twee aspecten van de Shabbat moeten houden, het vrouwelijke en het mannelijke aspect, welke de Shabbatnacht en de Shabbatdag zijn. Dus de twee Shabbatot zijn duidelijk Zeir Anpin en Noekva, en door hen “te eren” is het in acht nemen van de Shabbat in overeenstemming met zijn mystieke dynamica, we vervullen het gebod om onze “ouders”te eren op een spirituele wijze en worden verlost.

Dit is de mystieke betekenis van het vers: “Ieder van jullie moet ontzag hebben voor zijn moeder en voor zijn vader, en zich strikt aan Mijn shabbatot houden.” (Leviticus. 19:3) [Het feit dat hier naar de Shabbat wordt verwezen in meervoud duidt op deze twee shabbatot, welke corresponderen met de vader en de moeder.

Nu zijn er twee aspecten ten aanzien van het in acht nemen van de Shabbat. Het eerste is het nauwkeurig naleven van de voorschriften van de Shabbat in al hun details, om de opdrachten te vervullen die Hij ons (mag Hij worden geprezen) heeft opgelegd en voor geen enkele andere beweegreden. Het tweede is om te rusten van werk op Shabbat opdat we genieten van het feit dat we kunnen rusten van ons werk.

U kent de verklaring van de Wijzen van [de liturgische passage,] “Laat Mozes zich verheugen in de toewijzing welke hem was gegeven”, dat Mozes vraagt aan Pharao om het Joodse Volk toe te staan één dag van de week vrij te stellen van het maken van tichelstenen omdat zij dan kracht kunnen verzamelen om meer te kunnen produceren op de andere zes dagen. Pharao ging akkoord en gaf hen de Shabbat vrij. (Shamot Rabba 1:32; Midrash Tehilliem 119)

Dit is wat de Thora bedoeld en probeert aan te geven door te zeggen, “Jij zult spreken tot de Kinderen van Israël…”; [G’D zegt tegen Mozes] “Jij [Mozes] die Pharao vroeg om hen een dag rust te geven, met andere woorden, jij zelf moet nu aan hen zeggen dat van nu af aan zij de Shabbat moeten houden niet voor hun eigen voordeel, maar eerder omdat deze Mijn Shabbatot zijn. Ik ben de Gene die hen verplicht om deze opdracht na te komen; zij zullen de Shabbat in acht nemen alleen voor Mij belang, en niet voor hun eigen belang.” Om die reden begint het vers met het woord “Maar”. Het impliceert dat zij de Shabbat zullen naleven omdat zij “Mijn Shabbat”zijn, want het is een teken….. dat men zal weten dat Ik, de Eeuwige, hen bijzondere wijding geef” en niet voor hun eigen voordeel of plezier.

Er is natuurlijk niets verkeerd aan om zich te verheugen in het naleven van G’D’s geboden, maar deze motivatie moet altijd gehouden worden in het juiste perspectief. We moeten alle geboden van G’D onvoorwaardelijk in acht nemen, als een uiting van onze onvoorwaardelijke liefde voor Hem. Zoals Rabbi Shneur Zalman van Liadi het uitdrukt; “Als G’D ons had opgedragen om gewoonweg hout te hakken [ zonder enige reden], zouden we hout hakken met het groots mogelijke enthousiasme.” Wanneer we ons eenmaal onvoorwaardelijk hebben verbonden tot het in acht nemen van de geboden, is er eveneens ruimte voor het waarderen van hun kwantificeerbare voordelen.

Zoals ik heb gezegd, de meervouds- vorm “Mijn Shabbatot” verwijst naar Zeir Anpin en Noekva. De eerste versie van de Tien geboden bevat niet de woorden, “zoals de Eeuwige, je G’D, je dat geboden heeft”, om dat het verwijst naar de eerste reden [voor het houden van de Shabbat], de ene dat de reden van voordeel [voor het Joodse Volk] bevat. Het is dit [aspect] waarnaar onze menselijke logica zich richt en ons [onze logica]doet besluiten dat we de Shabbat moeten naleven “opdat je rund en je ezel rust krijgen…..(Exodus. 23:12)

In de tweede versie van de Tien Geboden, vermeld de Thora de tweede reden, welke alleen is om de opdracht van de Schepper te vervullen, dit is de betekenis van de zin, “zoals de Eeuwige, je G’D, je dat geboden heeft”.

Dit verklaart waarom wij [ in de tweede versie van de Tien geboden, de opdracht voor naleven van de Shabbat begint met “Houd ” de Shabbatdag door haar wijding te geven.” De tweede [versie van de Tien geboden] is van het vrouwelijke principe, wat aangeduid wordt door het woord “houd”, zoals bekend (Zohar III: 224a)

Het Hebreeuwse woord voor “denk aan” “zachor‘ is gerelateerd aan het woord voor “mannelijk” (“zachor”). “Denk aan”, is een actief aspect van het in acht nemen van de Shabbat en verwijst naar de actieve afkondiging van de heiligheid van de dag, gemaakt aan haar begin (in de Kiddoesh) en bij het einde (in de Havdala). “Houden” is het passieve aspect van het in acht nemen van de Shabbat en verwijst naar het passieve onderbreken van werk, welke het verhoogde G’ddelijke bewustzijn opent naar de realiteit van Shabbat.

Het Vrouwelijke principe, met andere woorden, in de tweede versie van de Tien geboden, zegt aan het Joodse Volk: “Houd de Shabbatdag, zoals Zeir Anpin, aangeduid door de woorden ‘Eeuwige, je G’D’ heeft je reeds eerder opdragen, in de eerste [versie van de Tien Geboden.”

De naam voor G’D in de zin “Eeuwige, je G’D” is de G’ddelijke naam Havayah, welke is geassocieerd met Zeir Anpin.

Er zijn ook twee redenen voor het naleven van het gebod van het eren van ouders. De eerste omdat het een opdracht is gedicteerd door menselijke logica, namelijk, dat een kind zijn vader en moeder moet eren omdat zij hem gecreëerd hebben, hem in de wereld hebben gebracht en onophoudelijk zichzelf ten behoeve van hem doen gelden. De tweede is een aanduiding naar Zijn opdracht om onze spirituele vader en moeder te eren, met andere woorden, de Heilige, geprezen zij Hij, en de Gemeenschap van Israël, dat is, “Zeir Anpin en Noekva.

De wijzen refereren op typische wijze aan G’D als “de Heilige, geprezen zij Hij”. In Kabbala is deze benaming gerelateerd aan Zeir Anpin, welke “heilig”is, met andere woorden, “afgelegen” van de wereld, met betrekking tot Noekva, welke neerdaalt in de lagere sferen, zoals we weten. De wijzen refereren dikwijls aan de G’ddelijk Aanwezigheid of Shechina, als “de Gemeenschap van Israël” (Knesset Jisraël), aangevend dat het de collectieve origine is van alle Joodese zielen, de baarmoeder vanwaar zij komen als zij neerdalen van Atziloet tot de lagere werelden.

In de eerste versie van de tien Geboden, vermeldt de Thora de eerste reden, door te zeggen, “opdat je dagen verlengd worden”, verwijzend naar de stijging van de zes uitersten [van Zeir Anpin], welke de “zes dagen van de Schepping” worden genoemd.

Deze zes “uitersten” van Zeir Anpin zijn de sefirot die metamorfoseren in dit parztoef; chesed, gevoera’tiferet, netzach, hod, en yesod. Zij worden “uitersten” genoemd, aangezien zij zijn geassocieerd met de zes richtingen van de drie dimensies van ruimte. Deze zes sefirot zijn ook geassocieerd met de zes dagen van de Schepping. De associatie met de dimensies van ruimte en de dagen van de Schepping (met ander woorden,tijd) verwijst naar dat aspect van Zeir Anpin dat het conceptuele raamwerk vormt voor deze fysieke wereld. Met andere woorden, door zich te houden aan het gebod om onze fysieke ouders te eren, verhogen wij de levenskracht welke deze wereld bereikt. Deze goddelijke liefdadigheid wordt weergegeven in deze wereld als een lang leven.

De tweede versie van de Tien Geboden refereert aan de gepaste spirituele reden voor het uitvoeren van dit gebod, welke overvloed van goddelijke liefdadigheid voortbrengt en daarom worden er twee typen van beloning vermeld. De eerste is “opdat je dagen verlengd worden”, verwijzend naar de stijging van de zes uitersten, zoals boven genoemd. Daarbij, [is er een beloning van] “opdat het je goed zal gaan”, wat verwijst naar de toevloed van hoger geestvermogen. Geestvermogen wordt aangeduid door het woord voor “goed” [in het Hebreeuws, “tov“] zoals we hebben uitgelegd in ons commentaar op de zin “die goede daden van barmhartigheid doet [chasadiem toviem]” in de eerste zegen van het Staande gebed. Dit geeft aan, dat door deze opdracht te doen om zijn spirituele motivatie, dat het bij iemand ook nog meer intellectuele volwassenheid voortbrengt. Dit is de reden waarom [in de context van deze reden] is geschreven “zoals de Eeuwige [Havaya], je G’D je gebiedt.”

Door dit gebod na te leven op een spiritueel niveau, erend Zeir Anpin en Noekva door verhoogd goddelijk bewustzijn in de wereld, worden we goedhartig beloond: we bereiken een hoger niveau van goddelijk bewustzijn en spirituele volwassenheid.

Een andere verwijzing naar bovengenoemde kan worden gevonden in het feit dat het woord “et” verwijst naar een bijkomende entiteit. De twee woorden “et” in het vers worden gewoonlijk niet vertaald in het Nederlands en dient simpel en alleen om een lijdend voorwerp aan te geven. Echter interpreteren de Wijzen vaak de aanwezigheid van “et” in het vers als een verwijzing en een indicatie naar iets buiten het expliciet lijdend voorwerp “. Hier verwijst het “et“, voorafgaand aan het woord “vader”, naar Zeir Anpin en de “et” voorafgaand aan het woord voor “moeder” naar Noekva.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT TETSAVÉ

Je zult gebieden     Exodus. 27:20 – 30:10

RABBI SHIMON BAR JOCHAI

DE GEHEIMEN NAMEN VAN DE OERIEM EN TOERIEM

ZOHAR II, p. 234b

Onder de kledingstukken van De Hoge Priester, was de borstplaat en de Oeriem en Toeriem misschien het meest raadselachtig. De borstplaat was een patroon van brokaat, gemaakt van gouddraad, blauwe en karmozijnrode wol en getwijnd linnen. Het was gezet met vier rijen edelstenen in een gouden kader, samen twaalf. De namen van de twaalf stammen waren op de stenen gegraveerd, één op elke steen, alsmede de namen van de Patriarchen, Abraham, Izaak, en Jacob. Volgens de Zohar waren de Oeriem en Toeriem, de Tweeënveertig en Tweeënzeventig Letterige Namen van G’D, aangebracht in de plooien van de borstplaat, dat veroorzaakte dat de letters, gegraveerd op de stenen, achtereenvolgens oplichtten om een antwoord te verduidelijken op een vraag die gesteld werd door de Hoge Priester.

In “het borstbeeld voor bijzondere beslissingen” moet je de Oeriem en Toeriem aanbrengen; die moet op Aharons hart liggen, als hij voor de Eeuwige komt. (Exodus. 28:30)

Rabbi Jehoeda zei: “De betekenis van het woord “oeriem” is uitgelegd als een afleiding van “meiriem” [wat “verlichtend/ verduidelijken betekent, aangezien het de gegraveerde letters op de stenen van de borstplaat verlicht]. Dit is het mystieke geheim van “het oog dat glinstert”.

De Aramese term voor “het oog dat glinstert” is “aspaklarya meira“. De term “aspaklarya” is vertaald als glas, weerkaatsing, spiegel, speculum, telescoop etc. De fundamentele betekenis is, dat het een medium is, waardoor G’ddelijke Inspiratie zich concentreert en manifesteert. (misschien is dit de origine van de “kristallen bol”, in niet joodse fabeltjes.) Het commentaar Mikdash Melech relateert dit aan de concentratie van sefirot, Zeir Anpin geheten, gevormd door de zes sefirot die geïllumineerd worden door de Tweeënveertig Letterige Naam.

Dit “het oog dat glinstert” werd gevormd door de letters van de heilige    Tweeënveertig Letterige Naam, wonend in de plooien van de borstplaat door welk de werelden waren gecreëerd.

De Toeriem is het esoterisch mysterie van de letters in “het oog dat niet glinstert” [“aspaklarya sh’eina meira“, m.a.w. de sefira van Malchoet] drinkt, bij wijze van spreken, de Tweeënzeventig Letterige Naam welke is ingegraveerd.

Malchoet  wordt “het oog wat niet glinstert” genoemd, aangezien het niet een eigen illuminatie heeft. In plaats daarvan ontvangt het zijn illuminatie van Zeir Anpin. De twee zijn vergelijkbaar met de zon, de bron van het licht, en de maan, welke geen licht van zichzelf heeft. Desondanks wordt Malchoet geïllumineerd door de verheven Tweeënzeventig Letterige  Naam,welke zijn bron heeft in chochma, volgens het principe van “de vader [chochma] vestigt de dochter [malchoet]”. (Zwi HaZohar)

Zij zijn het esoterisch geheim van de Heilige Naam. Samen worden zij “Oeriem en Toeriem” genoemd.

Kom en zie: “Toen deze letters van deze namen werden gehuisvest daar [ in de plooien van de borstplaat] illumineerde hun vermogen de andere letters die waren ingegraveerd [op de stenen van de borstplaat], m.a.w. de letters van de namen van de twaalf stammen ( zie Joma 73b), sommigen verlicht en anderen donker latend.  

En zodoende was de Hoge Priester is staat om antwoorden te vinden op zijn vragen en naargelang te handelen.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT TEROEMÁ

Heffing           Exodus. 25:1 – 27:19

Rabbi JItzchak Luria

Arken en Engelen

Geschriften van de Ari

Dit Thoragedeelte bespreekt het Tabernakel. De binnenste kamer van het Tabernakel huisvestte de Ark van het Verbond, die de Tafelen van het Verbond bevatte, waarop de Tien Geboden waren ingegraveerd.

Er waren eigenlijk drie arken, de een in de ander (Rashi, Exodus. 25:11). Deze reflecteren het feit dat er drie Namen Elo-hiem zijn in Zeir Anpin van Atziloet, corresponderend met [Zijn] Bina, Gevoera en Malchoet. De numerieke waarde hiervan is 258, ook de numerieke waarde van “Charan”.  Bezalel maakte drie arken corresponderend met deze drie Namen.

Elo-hiem: alef-lamed-hei-joed-mem= 1+30+5+10+40=86. 3×86=258

Charan: chet-reech-noen= 8+200+50=258

De Naam Elo-hiem betekent samentrekking, restrictie [Tzimtzoem], oordeel [Din] en strengheid [Gevoera]. Er kan ook aangenomen worden dat elke sefira deze eigenschappen blijkt weer te geven.

Zoals we eerder hebben verklaard, is Bina het vermogen van het intellect het inzicht van Chochma te analyseren en evalueren en het daarbij te ontdoen en te zuiveren van te eventuele inhoudelijke additieven van subjectiviteit. Het is dus werkzaam op het gebied van beoordeling en strengheid. Gevoera is de Sefira wiens taak is om de zonder enig onderscheid makende liefdadigheid van Chesed te limiteren, zodat goedheid alleen wordt verleend aan ontvangers die het verdienen.

Charan was de stad in Mesopotamië waar Abrahams familie zich vestigde na Oer Chaldea te hebben verlaten. Abraham zelf trok verder naar het Land Israël, zijn uitgebreide familie achterlatend. Charan representeert dus op thematische wijze het idee van de voorkeur geven aan de G’ddelijk oproep tot vervolmaking van de wereld en dit te prefereren boven het achter blijven in de wereldse goddeloze verlokkingen. De laatste zin van parashat Noach (Genisis. 11:31), die als geheel G’D’s ontevredenheid beschrijft met de keuze van de mensheid voor wetteloos en bandeloos leven boven G’ddelijke discipline, die onmiddellijk voorafgaat aan G’D’s oproep aan Abraham “ga voort”, aan het begin van parashat Lech Lecha is “en Therach (Abrahams vader)stierf in Charan” (Genesis. 11:32). Veelzeggend, het woord Charan betekent “woede” verwijzend naar G’D’s frustratie over het feit dat de mensheid  Hem afwees voorafgaand aan Abraham. (zie Rashi op deze verzen)

Dus deze drie Namen Elo-hiem vormen de volle manifestatie van G’D’s eigenschappen van striktheid. De drie arken die de Ark van het Verbond vormen waren bedoeld om deze drie Namen Elo-hiem een tegenwicht te geven.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT JITRO

Jitro (Exodus 18:1 – 20:23)

Rabbi Shimon bar Jochai

Zohar, P.67b

Bij het bespreken om het juiste moment te bepalen, dat iemand zijn handen verheft ter hoogte van iemands hoofd of daarboven, leert Rabbi Hezkiya, dat als een persoon dit niet doet in een staat van gebed, zijn tien vingers duiden naar een aanklacht tegen de krachten van de spirituele werelden. Echter, bij gepast gebruik heeft de positie van de handen in gebed, de potentie om de overvloedige G’ddelijke voeding te kanaliseren tot binnen deze Wereld.

Deze tien spirituele bevoegdheden worden verzocht om de zegeningen van Boven te mogen ontvangen en hen naar hier Beneden over te brengen om hij, die zegent, te zegenen.

Deze zegeningen, weergegeven door de tien vingers van de handen, zijn zoals de tien uitspraken bij welke de wereld werd gecreëerd.

Deze tien uitspraken worden eveneens weergegeven in de expansie van 10 letters G’D’s naam die samenkomen tot 45 en Zeir Anpin machtigen. Vanuit dit niveau wordt het vermogen overgedragen in de tien vingers van een persoon die zijn handen verheft in gebed.

Wanneer verheven in gebed, duiden de vingers deze keten van heilige kracht. Dan zijn alle sefirot van de kelipot, die zichzelf hebben gehecht aan de uiteinden van de vingers en dienstbaar gemaakt aan de Heilige Koning.

De plaats waar het lichaam de externe wereld van de kelipot ontmoet en het vaste bodem geeft, zijn de uiteinden van de vingers. De vingers en de tenen zijn de uiterste zetels van de ziel in het hart en hoofd van de mens. De vingernagels, de uiterste rand van onze eigen fysieke wereld, verzamelen het vuil van die wereld. De verbondenheid van dit vuil geeft het verlangen van het niet heilige weer voor het weghouden van het heilige in de spirituele dimensie.

Dit is de esoterische betekenis achter het buigen van de vingers richting de flakkerende vlam van de Havdela kaars bij de ceremonie, duidend het einde van Shabbat en het begin van de “seculaire” week. Op dat moment buigen we de vingernagels richting vlam en kijken naar de reflectie van de vlam op de vingernagels bij het zeggen van de zegen “Boré me’oré ha’ésh” [“Schepper van de lichtbronnen”]. Spiritueel representeert het licht van de kaars de Shechina, en de vingernagels de Kelipa. We kijken naar de vertegenwoordiging van deze krachten en zien de vlam van het heilige in hen gereflecteerd. We buigen deze krachten naar het Heilige, daarbij aangevend dat zij worden weggecijferd voor hun vermogen. We reciteren een zegen over het licht, welke reflecteert in hen en geven daarbij aan dat de mogendheid van het heilige in alles wordt weerspiegeld, zelfs in datgene wat ogenschijnlijk ver weg lijkt te zijn.

Het zelfde concept, dat de vingers de plaats zijn waar de onreine krachten zichzelf aan hechten, ligt achter het idee van het wassen van de handen wanneer men ochtends opstaat. De reinigende kracht van water wordt eerst uitgegoten vanuit de rechterhand over de linkerhand, representerend het vermogen van chesed over gevoera. Dit geeft de verwijdering aan van de overgebleven externe krachten die zichzelf manifesteerden tijdens onze slaap en droom toestand.

Het doordringt ook ons bewustzijn met het idee dat de handen een extensie zijn van onze Heilige Ziel en bereidt hen voor, om in zuiverheid te worden verheven in gebed en smeekbede. [Bewerkt vanuit de RaMaK en Mikdash Melech]

SHABBAT SHALOM

PARASHAT BESHALACH

HET HELENDE PAD

Parashat Beshalach wordt altijd gelezen voorafgaand aan of zoals dit jaar feitelijk op de feestdag van Toe Bishwat [15e van de maand Shewat]. Vele mensen relateren dit aan het “Festival van de Bomen”. Echter de Mishna (Rosh HaShana. 1:1) verwijst er naar als het   “Nieuw Jaar van de Bomen”. Op een bepaald niveau is dit een toespeling op de Etrogboom, en het is gepast op Toe Bishwat om gebed te doen voor de Etrog die men wil nemen acht maanden later wil plukken op het feest van Soekot, want het is nu, na Toe Bishwat, dat het fruit zich begint te ontwikkelen en te groeien aan de bomen. Op een ander niveau is de “De Boom” een verwijzing naar de Levensboom, die nieuwe frisse vitaliteit begint te zenden in de wereld wanneer het voorjaar zijn aanvang maakt in het Land van Israël en het water van de winterregen de bomen binnendringt vanuit de grond, en hen geheel begiftigt met levensenergie.

“En zij kwamen naar Mara en maar zij konden het water niet drinken omdat het bitter was; daarom noemde men het ook “Mara”, bitter.

En het Volk mopperde tegen Mozes terwijl ze zeiden: ” Wat moeten we drinken”? Toen riep hij de Eeuwige aan en de Eeuwige wees een boompje aan, deze wierp hij in het water en het water werd zoet” (Exodus. 15:23-25).

De “Boom” die de bitterheid van het leven verzoet is de Thora, die ons voorziet van met het water van Da’ at, begrijpen, inzicht van hoe kwaad zich voegt met het goede als deel van G’D’s eenheid.

De eerste voorschriften van de Thora werden gegeven bij Mara: “Daar plaatste Hij voor hen [Israël] wetten en voorschriften en daar stelde Hij ze op de proef. En Hij zei namelijk, Indien je oprecht luistert naar de stem van de Eeuwige, je G’D en doet wat recht is in Zijn ogen, het oor neigt naar Zijn geboden en Zijn verordeningen in stand houd, dan zal Ik geen van de kwalen over je laten komen waarmee Ik de Egyptenaren heb geteisterd, want Ik, de Eeuwige, ben je heelmeester.” (Exodus. 15:25-26)

De wetten die gegeven werden bij Mara waren die van Shabbat , de Rode Koe (purificatie vanwege vervuiling door contact met een dood lichaam, en voorschriften in het onderhouden van relaties met anderen (zie Rashie op Exodus. 15:25). Alle drie hadden gemeen het begrip van helen gemeen. Alleen door Shabbat is het mogelijk om de veranderlijke status van Adam te helen, “met het zweet op je gezicht zult je brood eten”. De mens is gedwongen te werken in deze wereld. De enige bevrijding van deze slavernij (Egypte) is zich een dag van de week te onthouden van werk, om zodoende het werk van alle dagen van de week te verheffen tot dienst aan G’D. Het as van de Rode Koe is de oorsprong van het helen, (Efer betekent as en heeft de zelfde letters als de stam Rapa, helen), want als we niet kunnen herstellen van de dood en het integreren in onze visie van leven, kunnen we niet herstellen en genezen van wat dan ook. De voorschriften die onze relatie met anderen, in onze familie, echtelijke staat, zaken en andere betrekkingen reguleren, zijn de fundaties van sociale heling, die hand in hand moeten gaan met individuele heling.

Mogen we gezegend worden met gezondheid en kracht en het genoegen van het fruit van de Boom van het Leven, deze Toe Bishwat.

SHABBAT SHALOM 

PARASHAT BO

Kom (Exodus 10:1 – 13:16)

Rabbi Shimon bar Jochai
Zohar II 34a

Rebbe Shimon opent zijn verhandeling met te zeggen: “Nu is de tijd gekomen om de geheimen te openbaren, die hierboven en hieronder verbinden [de tien Sefirot, de kelipot].

Deze kelipot (letterlijk, schillen, aangevend kwaad en onzuiverheid) hebben hoofdzakelijk hun oorsprong in de heilige realen en komen neer door de werelden van Beriya, Yetzira, en Asiya tot zij het niveau van Farao hebben bereikt. De Hebreeuwse letterspelling van het woord “Pharaoh” kan na herschikking gelezen worden als “Po ra”, wat “Hier is slecht” betekent.

Waarom zegt het vers: ‘Kom naar Farao’ in plaats van “Ga naar Farao?” G’D nam [Mozes] naar kamers waarin zich andere kamers bevonden [door verschillende niveaus van “externe” krachten] tot zij een hemelse krokodil bereikten, vanwaar vele verschillende onzuivere niveaus neerkomen. Wat is dit? De geheimen van de Grote Krokodil.

De Hebreeuwse beschrijving van het woord onzuiver of onrein is “toema”, het drukt het concept uit van “afgesloten zijn”. Dit afgesloten zijn is ongetwijfeld het afgesloten zijn van relatie met de zuivere en heilige bron van het G’ddelijke. Dit niveau van onreinheid is de spirituele bron van de kelipot, wiens rol afsluiten is, zoals een omhulsel of zoals een schil een vrucht afscheidt van de buitenwereld. Mozes was huiverig om besmet te worden door dit niveau van onreinheid. Hij wilde niet direct naderen, dan door de zijrivier van de Nijl, welke een lager spiritueel niveau dan de Nijl zelf had en waar de Grote Krokodil op de loer lag [de Nijl was een Egyptische godheid, zoals Farao]. Hij was bang dicht bij te komen, omdat hij de oorsprong van de hogere bron van spirituele onreinheid kon zien.

Toen de Heilige, Geprezen zij Hij, zag dat Mozes bang was, en dat andere spirituele niveaus werden opgewekt, zei Hij: “Zie Ik kom op je af, Farao, koning van Egypte, jij, Grote Krokodil die daar huist in zijn rivieren, ja, die durft te zeggen: “Mijn rivier is mijn Nijl en ik heb het voor mijzelf gemaakt.” (Ezechiël. 29:3)
De Heilige Geprezene, was genoodzaakt om zelf tot oorlog over te gaan, en geen ander.

Farao als “koning” representeert de bron van spirituele onzuiverheid en als zodanig kon alleen G’D hem bestrijden en overwinnen. Om die reden trof G’D de eerstgeborenen van de Egyptenaren zelf. Hij en niet een engel, Hij en niet een boodschapper.

SHABBAT SHALOM