ROSH HASHANA – PARASHAT HA’AZINOE

DE DIEPERE REDEN VOOR HET BLAZEN VAN DE SHOFAR

 Voordat we dieper ingaan op enkele mystieke esoterische aspecten van het blazen van de shofar op Rosh HaShana, moeten we begrijpen waarom we de shofar blazen. Als de Thora spreekt van Rosh HaShana, de eerste dag van de Zevende Maand, zegt het eenvoudig: “Dit zal voor jou een ‘dag van teroe’ah’ zijn. De geleerden van de Talmoed (Rosh HaShana. 33b) begrijpen en maken hieruit met zekerheid op dat het een dag van blazen van de Shofar moet zijn en een andere Talmoedische passage zegt, we blazen de Shofar simpelweg omdat “Rachmana amar teko,” ‘de Barmhartige het zegt’. Het vereist geen te begrijpen reden voor het doen van mitzwot, want zij vinden hun oorsprong in de absolute eenvoud van G’D’s Eenheid.

Niettemin zijn we denkende wezens en we zijn gecreëerd om te trachten de zin en de bedoeling te vinden. Om die reden mogen we ook ethische, filosofische en mystieke ‘redenen’ van de mitzwot onderzoeken.

 KLANKREDENERING

 Er zijn twee reeksen van Shofar klanken die geblazen worden op Rosh HaShana. De eerste reeks wordt tekiat m’joeshav genoemd, ‘zittende stoot’, en de tweede reeks wordt ‘tekiat m’oemad’, staande stoot genoemd. We komen hier op terug om het verschil te bespreken tussen deze twee typen. Laten we eerst aantekenen dat door het blazen van de eerste reeks, die bestaat uit dertig Shofar klanken, we de mitzwa van Shofar hebben vervuld. De vraag is, waarom we verder moeten gaan met het blazen van een tweede reeks, de ‘tekiat m’oemad’? De Talmoed zegt dat de reden voor de tweede reeks is “l’arvev et hasatan”, om de Satan in verwarring te brengen. (Rosh HaShana. 16b)

De grote 11e eeuw commentator, Rabbi Shlomo Yizchaki, beter bekend als Rashi schrijft, dat als de Satan ziet dat we de mitzwot eren en lief hebben, en zelfs een extra reeks van Shofar klanken op ons nemen, hij, de Satan zo verstomd is dat hij mensen niet kan hinderen bij de uitvoering van de mitzwot en hij hen niet kan aanklagen voor hun misstappen.

Rashi’s kleinkinderen, de auteurs van Tosefot, schrijven dat de tweede reeks is geassocieerd met “de klank van de Grote Shofar”. De Grote Shofar, volgens de profetie, is een mystieke klank die het begin van de kosmische Verlossing zal aankondigen. Als deze tijd komt “zal de dood worden verzwolgen”, deverdeeldheid en hetkwaad en ook de Satan zelf, zal verdwijnen.  Om die reden, als de Satan onze tweede reeks van de Shofar tonen hoort, op Rosh HaShana, wordt hij geagiteerd en kan zich niet richten op zijn taak om te verhinderen.

De letterlijke betekenis van teroe’ah, ‘blazen van de Shofar’ is “het breken”, van het woord re’oe’a, ‘gebroken’, wat etymologisch het maken van gebroken tonen, klanken suggereert en klanken die obstakels breekt. Doch ten aanzien van de Grote Shofar van de Toekomstige Verlossing, zegt de Thora “Op die dag zal de Grote Shofar taka zijn,” verwijzend naar de ononderbroken, langdurende klank, genoemd tekiah. Dit is een klank van sterkte en vertrouwen in plaats van die van gebrokenheid. “Takiah komt van het woord teka, wat ook fysieke intimiteit of copulatie betekent (Yevamot 54a). Daarom is het een toon die “verzamelt” en verenigt.

De Shofar werd soms geblazen om mensen waakzaam te maken voor een komende veldslag. Deze klank bezielt vrees, het doorbreekt de alledaagse menselijk staat van denken. Dit kan een van de redenen zijn dat de Rambam zegt dat de Shofar het besef van teshoeva oproept. De klank doordringt het ego als het ware en brengt de innerlijke antagonist tot beven en instorting. 

ZITTEND EN STAAND

De tonen van de eerste reeks worden “zittende stoot” genoemd omdat het ons technisch is toegestaan om te zitten tijdens het luisteren van de toonklanken. Allegorisch echter kunnen de toonklanken betekenen dat de toonklanken zelf zitten. Wanneer een persoon zit, is de rechte lijn van de stand van zijn lichaam “gebroken” in hoeken. Een deel van de lijn strekt zich dan uit horizontaal, ‘brekende’ de ruimte rond de lijn en breidt zich uit in die ruimte. Dit is een illustratie van hoe de klanktonen van de eerste reeks zich uitbreiden in de innerlijke ruimte van het ego en de innerlijke Satan breekt.

De klanktonen van de tweede reeks zijn “staande stoot”, omdat we staan in het Amidah Gebed wanneer zij worden geblazen. Als iemand staat breidt hij niet langer uit in horizontale ruimte als in een zittende stand, maar maakt de lijn van het lichaam recht, brengend daarbij de ruimte rondom hem dichterbij en verheft zijn energie opwaarts. Dit brengt de Satan in de war, want nadat hij is “gebroken” en weggezonden, wordt hij plotseling ‘ingesloten’ en ‘verheven’.

RECITATIES

Eerste Reeks

Voordat we de eerste Shofar reeks blazen, reciteren we specifiek gekozen Psalmverzen die ons voorbereiden om te mediteren op het geluid van de Shofar. In de eerste keuze, Psalm 47, komt de Naam Elokiem zeven keer voor. Elokiem representeert G’ddelijke constrictie: als de beperking of verhulling van het onbeperkte. Door zeven keer deze Naam te reciteren, beginnen we met het doorbreken van de zeven sluiers die Realiteit verhullen. Dan reciteren we het vers Tehilliem (Psalm), 118:4, “Van een ruimte van constrictie roep ik Ha Shem; HIJ antwoordt mij vanuit een ruimte van uitgebreidheid.”  Nogmaals, we richten ons op het te boven komen van de twee tegenstrijdige energieën, bewegend van een staat van innerlijke constrictie naar een staat van uitgebreidheid. Daarna reciteren we zes verzen. De eerste letters van deze verzen vormen een acrostichon, een naamdicht, “kra satan,”scheur de Satan aan flarden”. Ten slotte herhalen we een vers van Psalm 47: “Ala Elokiem b’teroeah,” ‘Elokiem is verheven met een teroeah’.

Wanneer de Shofar is geblazen, zal de Naam Elokiem zelf worden verheven naar een meer expansief niveau, waar alle spirituele opposities worden opgelost.

Het woord shofar zelf impliceert constrictie en het blazen van de shofar symboliseert het opblazen van alle constricties. Shofar wordt gespeld met een Shin, Vav, Pé en Résh. Numerieke waarde, Shin 300, Vav-Pé 86 en Résh 200. Al deze drie nummers zijn intrinsiek, op een ingewikkelde wijze verbonden met de Naam Elokiem.

Zes en tachtig is de numerieke waarde van de letters die de Naam Elokiem spellen.

Alef-1. Lamed-30. Hé-5. Joed-10. Mem-40 =86.

Driehonderd is de numerieke waarde van de deze zelfde letters, tellend de volle waarde van elke letter. De letter Alef wordt gespeld Alef-1. Lamed-30. Pé-80 = 111.

De letter Lamed wordt gespeld Lamed-30. Mem-40. Dalet-4 =74

De letter Hé wordt gespeld Hé-5. Joed-10 =15

De letter joed wordt gespeld Joed-10. Vav-6. Dalet-4=20.

De letter Mem wordt gespeld Mem-40. Men-40 =80.

111+74+15+20+80 =300.

Twee Honderd is de numerieke waarde van deze vijf letters wanneer ze cumulatief wordengeteld. Alef is=1. Alef Lamed=31. Alef Lamed Hé=36. Alef Lamed Hé Joed=46. Alef Lamed Hé Joed Men=86. 1+31+36+46+86=200. Wanneer we een Shofar in onze handen nemen en blazen met de intentie van hart door de Naam Elokiem, de juiste Kavanah, een meditatieve concentratie, verstandelijk en emotioneel, dan zijn alle restricties aan stukken.  Mediterend is iets van groot belang:  Havaja Elokim

 

TWEEDE REEKS

In de tweede reeks blazen van Shofar, reciteren we het vers beginnend met de woorden “Lohibit avon b’yakov,” ‘Zie geen enkele onvolledigheid in Jacob.’ Het woord Jacob is gerelateerd aan het woord voor “hiel”. Het vers suggereert dat we ons nu niet hoeven te concentreren op of te vechten met enige belemmering waar dan ook binnen onze “hiel”, onze lagere zelf, want de negativiteit van de Satan is geneutraliseerd. We proeven nu reeds het expansieve begrip van de Toekomstige Verlossing.

Gedurende dit deel van liturgische dienst reciteren we ook verzen met het dringende verzoek om de G’ddelijke Realiteit “over de hele wereld te regeren,” verzen die G’D’s herinnering bevestigen aan de liefde voor ons, en verzen die beschrijven hoe G’D Zich aan ons heeft geopenbaard vooraan de Berg Sinai. Sommige verzen spreken van de Grote Shofar die de Komende Verlossing van de Mensheid zal aankondigen. Het geluid van de Grote Shofar zal ons verzamelen als we de Verbanning verlaten, ons verenigend: “…..zij zullen komen van Ashoer en van Egypte.” Al deze verzen duiden op een thema van gescheiden delen samen brengen, in plaats van verspreiding en uit elkaar vallen.

Eenwording is het geheim van “verzachten” “zoeten”.

UNIFICATIE

Het woord shofar wordt gespeld Shin-Vav-Pé-Résh. We kunnen dit woord opsplitsen en het analyseren om er spirituele betekenis van af te leiden.

Pé en Résh (of ‘par’) hebben samen een numerieke waarde van 280. Het getal 280 is ook de som van de “mantzpach”, de vijf letters van het Hebreeuwse alfabet die van vorm veranderen wanneer ze staan aan het eind van een woord, de zogenaamde sluitletters, (Mem/40, Noen/50, Tzadik/90, Pé/80 en Chaf/20. Omdat deze vorm alleen verandert aan het einde van woorden, worden de “mantzpach”, beschouwd als ‘limiterende’ letters; dus representeren zij de vijf gevoerot, of diniem, de vijf basis krachten van constrictie als beperking en verhulling in het universum.

Shin en Vav samen spellen het woord shav, ‘gelijk’. Dus de ‘shav par’, de shofar, unificeert en maakt de gevoerot en hun expansieve tegenovergestelden gelijk, op zodanige wijze dat de krachten van strengheid in deze wereld worden verzacht, gezoet. Wanneer deze verzoetende werking is voltooid, zal de G’ddelijke Wil van de Barmhartige regeren over de hele wereld.

Moge we deze verdienste ervaren zowel innerlijk en als een externe realiteit.

SHANA TOVAH  VEKETIVAH VACHATIMAH TOVAH

 

PARASHAT HA’AZINOE

Midrash Tanchoema Naso; Bamidbar Rabba 13:6

Neig het oor (Deuteronomium 32:1 – 32:52)

Omdat alle aspecten van de Thora zijn gerelateerd aan de seizoenen waarin zij gelezen worden, ligt het voor de hand dat de lessen van Mozes uitzonderlijk relevant zijn gedurende de Tien Dagen van Inkeer, in welke we parasha Ha’azinoe lezen.

Hoe bereiken we niveaus?

Gedurende het gehele jaar is de dienst van een Jood aan G’D het meest betrokken met “aardse dingen”, Thora en de mitzwot. Met de komst van de Tien Dagen van Inkeer echter, voelt elke Jood zich onvoldaan met zijn aardse toestand en heeft hij het verlangen om teshoewa te doen, terug te keren en omhuld te worden door G’D.
“Een persoon fundeert heiligheid vanuit zijn verlangens”. Vandaar dat dit verlangen om absoluut één te zijn met G’D z’n persoon direct beïnvloed, waardoor hij een staat bereikt “dichtbij de hemel” (het G’ddelijke) en “weg van de wereld”.
Doch dit is echter alleen maar de eerste fase. Spoedig daarna is zijn dorst naar G’ddelijke openbaring gelest en dezelfde persoon realiseert zich vrij snel, dat G’D’s essentie veel gemakkelijker bereikbaar is, door de wereld te transformeren tot een verblijfplaats voor Hem. De persoon voelt zich dan “dichterbij de wereld en ver van de hemel”, hij beseft dat niets belangrijker is, dan dat aardse wezens dragers van G’D’s essentie worden. En dit wordt volbracht door het vervullen van G’D’s gepassioneerde verlangen om een verblijfplaats te hebben, voor Zijn Essentie, in de lagere sferen, met andere woorden, deze wereld.

SHABBAT SHALOM

HET HALACHISCH TREURPROCES

De culminatie van Tisha Be’aw in de cyclus van de Joodse kalender biedt een diepzinnig inzicht in de totstandkoming, functie en formulering van Halacha.

Tisha Be’aw ( de 9de dag van de maand Aw ) herdenkt de verwoesting van de Eerste en de Tweede Tempel. In de totstandkoming van de te volgen regels die nodig waren om de harten en zielen van de overlevende Joden, veroordeelt tot verbanning, te engageren stonden de Rabbijnen voor een enorm dilemma ten aanzien van de toekomstige generaties.

Uiteraard treurden de eerste overlevenden met een oprecht sterk verlangen omdat ij de schroeiende impressies van het stervende as en het verlies van de brandende Tempel van nabij hadden ervaren.

Maar wat zou er gebeuren met hun nakomelingen, als de Tempel een ruïne zou blijven? Zouden de komende generaties waarlijk de centralisatie van de Tempel in het leven van Joden kunnen doorgronden? En zeer belangrijk, als Jeruzalem en haar Heilige Tempel waren vergeten, was er een kans om als natie te overleven?

De Joodse historie is het levende bewijs dat de geraamde methode van de Rabbijnen een succes is. Als we het levensgedrag van Joden analyseren gedurende de Drie Weken ( tussen de 17de dag van de maand Tammoez, de dag waarop de muren van Jeruzalem werden doorbroken, en de 9de dag van de maand Aw, toen de Eerste en de Tweede Tempel opgingen in vlammen ) leren we het geheim van het geniaal Rabbijns denken.

Wat we zien zijn fases in het treurproces. De 17de Tammoez doet zijn intrede door een lichte schok, vasten van even voor zonsopgang tot aan het vallen van de avond. Eveneens vanaf deze dag zijn alle festiviteiten van de komende drie weken sterk begrensd. Geen samenkomende festiviteiten of trouwpartijen; het haar laten knippen en ( volgens vele gewoonten ) scheren verboden. De eerste dag van de maand Aw markeert de tweede treurronde. Negen dagen, uitgezonderd Shabbat, wordt er geen vlees gegeten, noch wijn gedronken, kleding wordt niet gewassen en het zwemmen voor plezier is verboden.

Dan gedurende de actuele week in welke het vasten van Tisha Be’Aw valt ( volgens vele gewoonten ) is zich scheren en sociale bijeenkomsten verboden.

De meest intense uitdrukking van treurnis is gereserveerd voor de dag van de 9de Aw zelf, 24 uur niet eten en drinken gelijk aan Jom Kippoer. We dragen geen leren schoenen, geen seksuele omgang.

We brengen de eerste helft van de dag zittend op de grond door of op een laag stoeltje en stellen het aanleggen van Tefillien uit tot het middaggebed, omdat Tefillien wordt gezien als een sierraad, onverenigbaar met treuren. Door ons open te stellen voor successievelijk fasen van psychische ontberingen ( de Drie Weken, de Negen Dagen, de week van de vastendag en de vastendag zelf ) hebben de Rabbijnen door de eeuwen heen ons getraind hoe we ons moeten gedragen van een minimale emotionele betrokkenheid naar een intens moment, de immense omvang van de verwoesting van de Tempel, van bewust beleven zelfs tweeduizend jaar later.

De treurprocedure van de Drie weken van Tammoez en Aw in vergelijking met een individueel rouwende over het verlies van een dierbare, ontdekken we, op een kleine uitzondering na, een verbazend parallel. Weeklagen over Jeruzalem voert ons vanuit een schappelijke naar een meer strengere uiting van treuren tot aan de laatste dag, de indrukwekkende dag, waar wij ons zittend op een laag stoeltje bevinden en waarlijk het verlies ervaren van Zion onder gezang van de regelmatig terugkerende melodie van klaagliederen.

Maar met plotseling overlijden, is de treurervaring omgekeerd.

De krachtige uiting van pijn is aan de eerste dagen voorbehouden, de intensiteit neemt daarna in gradaties af. De rouw over een dierbare begint door te zitten op een laag stoeltje en eindigt met het verbod van groepfestiviteiten.

De reden is zeer duidelijk. Het verliezen van een hecht familielid laat een gapende wond na, zo rauw en zo kwetsbaar dat aan de pijn onmiddellijk vorm moet worden gegeven. De verplichting voor gebed en tefillin zijn uitgesteld tot na de begrafenis. Voor de komende zeven dagen ( shiwa ) zit de rouwende op de grond of een laag stoeltje; hij verlaat het huis niet en scheert zich niet.

Na de zeven dagen keert hij terug tot simpele routine buitenshuis, en voor dertig dagen uit zich zijn verdriet door onthouding van scheren en haarknippen. Uiteindelijk, wanneer de maand voorbij is, kan hij zijn fysieke uiterlijk op orde brengen, maar een geheel jaar moet voorbij gaan voordat hij deel kan nemen aan openbare festiviteiten en feestelijk vieringen. De Joodse wet poogt erkentelijkheid te betuigen voor de traumatische schok van de treurende, geeft aan zijn gevoelens de juiste uitingen en vergemakkelijkt hem de weg terug tot de gemeenschap; dit kan niet worden bereikt in een week, of zelfs in een maand, zodat de terugkeer van de treurende in de gemeenschap gradueel is.

Maar treuren over de Tempel, wiens existentie afstandelijk is, van etherisch gehalte, verschilt radicaal met het verdriet van een wees of een weduwe; Halacha poogt ons bewust te maken van de betekenis van het verlies van de Tempel, dit kan alleen bereikt worden door een gradueel proces. Dus van lichtere naar meer moeilijker regels.

Door de twee treurprocessen naast elkaar te plaatsen, kunnen wij begrijpen hoe Halacha penetreert binnen het menselijke gedrag.

Napoleon passeerde eens een synagoge, zegt de legende, waar vanuit klaaggezangen te horen waren, hij wilde weten welke grote tragedie de Joden had overvallen. Zijn adjudanten informeerden hem dat de klaagliederen vanwege de verwoesting van de Tempel in Jeruzalem was, de keizer was zeer verrast dat het nieuws hem nimmer had bereikt. Toen hij bovendien ontdekte dat de gebeurtenis 1800 jaar eerder had plaatsgevonden, was hij uiterst verbaasd.

Napoleon commentarieerde toen dat als een natie zo lang kan treuren over een gebouw dat zij nooit hebben gezien, de dag moet komen dat het Joodse Volk de herbouw zal zien—, en in de voetstappen van de Tempel- leerstelling: wereldvrede. Mag dit spoedig het geval zijn.

Begin Tisha Be’aw en vasten maandagavond 31 juli, half uur voor zonsondergang.

SJAWOE’OT – WEKENFEEST

De Zohar 1 verklaart dat de feestdag van Sjawoe’ot meer verheven is dan alle andere feestdagen. Het wordt tussen Pesach en Soekot gevierd, omdat het het absolute middelpunt van alles is; want de Thora is het absolute middelpunt.

Sjawoe’ot wordt maar één dag gevierd, in tegenstelling tot Pesach en Soekot, welke respectievelijk zeven en acht dagen. Dit doet niets af aan haar bijzonderheid, want de dag van Sjawoe’ot bewerkstelligt het feit van “Wie is gelijk Uw volk, zoals Israël, één natie in deze wereld.”2

Dit absolute denkbeeld betekent , dat ultieme eenheid is gegrondvest in de Thora welke daarom speciaal was gegeven in de derde maand.3

Centralisatie, in het midden, heeft twee voordelen: a) De centrale positie is meer eminent dan de twee uiteinden. De Gamara stelt daarom, “De meester gaat in het midden , de senior discipel aan de rechter en de junior discipel aan de linker kant.”4

b) Het middenpunt is de oorsprong voor alle andere richtingen, want het gaat op naar keter de kern en bron van alle Sefirot.5

De centralisatie van het feest van Sjawoe’ot heeft deze beide eigenschappen: a) Sjawoe’ot is op zichzelf méér subliem dan alle anderen feesten; en b) op Sjawoe’ot is ons de Thora gegeven welke alle andere feesten bevat.

Het hoofd aspect van Sjawoe’ot, zoals is verklaard, is Thora. De superioriteit van Thorastudie over het doen van mitzwot zijn beide zichtbaar in deze eigenschappen:

a) Thorastudie is hoger dan alle mitzwot, zoals onze wijzen zeggen , “De studie van Thora is equivalent aan hen allen.”6

b) Thorastudie is de oorsprong en leidt naar alle mitzwot ” Thorastudie is hoger omdat het tot uitvoering leidt.”7

Aldus, nader verklaart: De 613 voorschriften corresponderen met de 613 componenten in het menselijke lichaam: 248 geboden corresponderen met de 248 organen en 365 verboden corresponderen met de 365 bloedvaten.8 Thora correspondeert met de hersenen, het intellect.9

Het overwicht van het intellect over de componenten van het lichaam is tweevoudig: a) De vitale kracht van de hersenen reikt uit over alle anderen lichaamsdelen.

b) het brein bundelt de vitaliteit van alle andere lichaamsdelen en is tevens een bron voor hen.10

Analoog aan dit is het geciteerde overwicht van de Thora over alle andere mitzwot.

Centralisatie heeft het bijkomstig voordeel om op te stijgen naar het hart en essentie van keter, welke zelfs het niveau te boven gaat van de oorsprong en bron van de sefirot in Keter.11

Hetzelfde geldt ten aanzien van Thora. De twee eigenschappen van ” leidt tot uitvoering ” en ” superioriteit over alle mitzwot ” zijn vermogens in de mitzwa van Thorastudie. Echter, de Thora heeft van zichzelf de bijkomende omstandigheid van het absolute zijn van ” de Wijsheid van de Almachtige “: “Ik ben met Hem als een handwerker”.12

Dit is inderdaad de ware betekenis van Thorastudie lishma, “voor zijn eigen belang, ” m.a.w. “voor het belang van de Thora zelf.”

Dat impliceert dat iemand niet leert voor het belang om kennis te vergaren en hoe hij zich moet gedragen, noch voor het belang van het doen van mitzwot of Thorastudie, maar puur voor het belang van de Thora zelf. Dit is vergelijkbaar met een kind dat zijn vader voor een lange tijd niet heeft gezien en sterk naar hem verlangt.

Bij weerzien wil het kind zijn vader omhelzen en hem kussen.

Het kind zal dit niet doen, omwille van enig voordeel te behalen voor zichzelf, maar strikt om het belang van de vader zelf.

Hetzelfde is het geval met een Jood: elk vrij moment maakt hij van de gelegenheid gebruik om zijn Vader, de Koning te omhelzen,  m.a.w. de Thora, hij denkt aan niets anders. Hij denkt niet over leiding voor actie, noch over de vervulling van het voorschrift van Thorastudie. Hij grijpt en omhelst de Thora zelf, want “de Thora en de Heilige, geprezen zij Hij, zijn geheel één.13

CHAG SAMEACH

Noten:

1. Zohar III:96a

2. Samuel 7:23

3. Siewan

4. Joma 37a

5. Zie onze website www.bethhamidrash.org Archief, Kabbala en Chassidisme, mystieke concepten en de Orde van de Sefirot.

6. Pe’a 1:1

7. Kidoeshiem 40b.

8. Zohar I. 170b

9. Tanchoema, Vajelech:2, Zohar II:62b, Zohar III:85a.

10. Tanja, 51

11. Zie noot 5

12. Spreuken 8:30, Tanchoema Bereshiet 1, Bereshiet Rabba 1:1.

13. Zohar I. 24a, Zohar II. 90b

PESACH

AHAVAT JISRAËL

EIGENBELANG OF GEMEENSCHAPPELIJKBELANG

Het onderwerp van deze sicha van de Rebbe, Rabbi Menachem M. Scheerson, bediscussieert de verantwoordelijkheid van elke Jood voor het fysieke en spirituele welzijn van anderen, zowel individueel als gemeenschappelijk. Het paradigma, het supreme voorbeeld van actieve verantwoordelijkheid en ware leiderschap, is onze grote leider Mozes, door het volgen van G’D’s directieven in het leiden van het Joodse Volk van slavernij naar vrijheid en in het dienst doen aan G’D.

“GA NAAR JULLIE VERANTWOORDELIJKHEDEN”

De Thora vertelt ons dat, toen in G’D’s opdracht Mozes en Aaron tegen de farao kwamen vragen om het Joodse Volk vrij te laten, “de Koning van Egypte hen antwoordde, ‘Mozes en Aaron, waarom verstoren jullie de natie? Ga naar jullie verantwoordelijkheden!’”

Bij de term ” jullie verantwoordelijkheden! ” bedoelde de Farao, hun persoonlijke inspanningen, niet het zwoegen en slaven van het Joodse Volk in het algemeen. Dit geeft aan dat de gehele stam Levie, de stam van Mozes en Aaron, was vrijgesteld van slavenarbeid die aan de rest van het Joodse Volk verplicht was opgelegd.

Nachmanides verklaart “dat het voor elke natie gebruikelijk was om Wijzen te hebben die anderen onderwezen in hun [inheemse] leerstellingen.” Ad loc.

Aan de stam van Levie was deze bijzondere status gegeven, en vrijstelling van werk omdat zij dienden als de “Wijzen en Oudsten” van het Joodse Volk. Toen de farao tegen Mozes en Aaron zei: “Ga naar jullie verantwoordelijkheden!,” bedoelde hij, naar hun rol als leraren van het Joodse Volk. De woorden van de farao impliceerden ook het argument dat Mozes en Aaron tevreden moesten zijn met hun eigen persoonlijke vrijheid en niet het volk moesten aanmoedigen om de wetten van het land te overtreden en te stoppen met hun werk. Het feit dat Mozes en Aaron te allen tijde vrij waren om het Joodse Volk te onderwijzen in de Thoratraditie, zou genoeg moeten zijn om hen tevreden te stellen.

De Zohar verklaart dat “de wijsheid van Egypte alle andere naties overtreft ( in die periode ).” Bovendien was de Farao zelf, een groot geleerde. ( Zohar Chadash II 52b )

Er ligt dus een belangrijke betekenis in de woorden van de farao. En inderdaad vertellen onze Wijzen ons dat de slavernij van Egypte zo zwaar was dat het “onmogelijk was voor een slaaf om te vluchten uit Egypte.” ( Mechilta, Exodus 18:11 )

Aangezien, volgens het Hemelse decreet, de tijdsduur van de verbanning in Egypte voor een periode van vierhonderd jaar zou zijn,( Genesis 15:13 ) dienden waarschijnlijk deze zware omstandigheden in Egypte als bestemming en volbrenging van dit decreet. Met als gevolg dat de Farao argumenteerde dat er geen enkele poging ten aanzien van de tijdslengte van de G’ddelijke verkondiging zou moeten worden gedaan. De slavernij was zo bepaald en moest continueren; Mozes en Aaron moesten zich bezighouden met aan hun toevertrouwde Thorastudie en onderwijzen.

DE ARGUMENTATIE VAN EEN VIJAND

Ondanks het feit dat dit een redelijk standpunt lijkt te zijn, moeten wij niettemin bewust zijn dat dit een argument van de Farao is, onze vijand. Had men zijn woorden geaccepteerd, dan was de mogelijkheid van vrijheid en verlossing van Egypte compleet verloren gegaan.

Want, zoals de grote mystieke leraar de Arizal het stelt, het was nodig dat de verlossing van het Joodse Volk in grote haast plaatsvond. Waren zij langer gebleven, zelfs maar voor een korte tijd, zouden zij totaal geabsorbeerd zijn geworden door het kwaad in Egypte en de mogelijkheid van vrijheid hebben verloren.

Ondanks dat de argumenten van de Farao logische lijken, zijn zij niet overweegbaar voor het Joodse Volk, met zijn mogelijkheid om de beperkingen van het menselijk intellect en de natuurlijke orde van dingen te boven te gaan. Ondanks het aanvankelijke decreet van slavernij voor vierhonderd jaar, besloot G’D de gang van de historische gebeurtenissen te versnellen door een verspringing teweeg te brengen om de verbanning te beëindigen. De bittere ervaring van slavernij, bij G’ddelijk decreet, eindigde sneller dan de Farao had aangenomen.

Deze gebeurtenis in onze historie heeft diepgaande implicaties voor elk persoon. Geen enkele Jood zou moet zwichten voor de veronderstelling dat iemand alleen maar bezorgd moet zijn voor zijn eigen welzijn en zekerheid en mag denken ” Ik heb mijn eigen ziel gered”. Noch moet hij zich overgeven aan het aannemelijk maken dat lesgeven van tijd tot tijd van Thora, de adequate betrokkenheid is met de spirituele noden van anderen. Waarom zou hij zich moeten bekommeren over de omvang van inachtneming van mitswa’s van andere Joden? Waarom zou hij proberen vast testellen of een Jood toegewijd is aan het dienen van G’D ofwel onderdanig is aan de autoriteit van een kwade Farao? Dit was namelijk de werkelijke argumentatie van de Egyptische Farao, welke radicaal door Mozes en Aaron werd verworpen.

HET UITBREKEN VAN EEN BRAND

We moeten de situatie vergelijken met het uitbreken van een brand in een huis. Niemand haalt het in zijn hoofd om te denken of hij hier wel of niet in betrokken zou willen worden. Ieder normaal mens zou proberen zo snel mogelijk te handelen in de vereiste hulpverlening om mensenlevens te redden. Als dit van toepassing is op fysieke veiligstelling, dan is het des te meer relevant dat beide, het fysieke en het spiritueel, veilig worden gesteld. Snelheid is essentieel, levens moeten gered worden.

Er is een diepzinnige schakel die alle Joden verbindt. Betreffende de aard van deze verwantschap, relayeert de zesde Lubavitcher Rebbe, Rabbi Josef Jitzchak, in naam van de Baal Shem Tov: De verplichting van liefde voor een mede- Jood is niet alleen relevant voor familieleden, vrienden en bekenden, maar strekt zich zelfs uit naar een Jood waar ook ter wereld, op een van wijze “zoals je je zelf lief hebt.” Juist zoals eigenliefde geen grenzen kent, zo moet een Jood onbegrensd betrokken zijn met zijn mede-Jood.

Rabbi Josef Jitzchak zei, dat het de fervente wens van de Mezritcher Maggid was dat hij een Sefer Thora zou willen kussen met het zelfde intense gevoel en liefde die zijn leraar, Rabbi Israel Baal Shem Tov, had voor zijn mede-Jood. Alhoewel de mitswa van Ahavat Jisraël [liefde voor een mede-Jood] een zware verplichting oplegt aan elke Jood, is ons niettegenstaande gezegd dat ” G’D Zijn schepping niet zal overbelasten.” ( Avodah Zara 3a )

Dus kunnen we er zeker van zijn dat G’D ons heeft begiftigd met de spirituele capaciteit om deze verantwoordelijkheid uit te voeren.

Maar het is noodzakelijk dat we zeer snel handelen, zelfs zonder enig uitstel. Juist zoals het in Egypte het geval was, blijft het Joodse Volk in verbanning, of verdient zij verlossing.

De verplichting van liefde en verantwoording voor iedere Jood heeft zeer diepgaande gevolgen, zelfs voor iemand wiens primaire bezigheid Thorastudie is, inbegrepen jesjiewastudenten en toegewijde leraren en geleerden. Men mag niet zelfingenomen zijn over persoonlijk prestatie en bekwaamheid, ten koste van anderen door onachtzaamheid. Aangezien alle Joden komah sheleimah zijn, één collectieve ziel, is een tekortschieting van een andere Jood, een vlek op de identiteit van de Thorageleerde. Zelfs een eminent persoon is geëffectueerd door tekortkomingen van personen die van een lager niveau zijn.

De Thora verklaart, ” Jullie staat vandaag allen voor de Eeuwige, jullie G’D: jullie aanvoerders, jullie stamhoofden, jullie oudsten en jullie rechtsbeambten, alle mannen van Jisraël, jullie kinderen, jullie vrouwen, de vreemdeling bij jou die zich in je legerkamp bev
indt, zowel houthakker als waterschepper.” ( Deuteronomium 29,9-10 )

We moeten zeer bewust zijn van het feit dat we gezamenlijk voortdurend in de aanwezigheid van G’D staan.

De “houthakker en waterschepper” kunnen niet enkel en uitsluitend voor hun mogelijke tekortkomingen verantwoordelijk worden gesteld. Integendeel, de primaire verantwoordelijkheid ligt bij de “hoofden der stammen.”

Hun argument, dat hun eigen zelfverbetering hun meest primaire belang is, is totaal onaanvaardbaar in Hemelse ogen.

Wanneer we geheel bewust en doordrongen zijn van onze “komah sheleimah,” één verenigde spirituele identiteit, zal ons dat motiveren om dienovereenkomstig te handelen, en van allen “één [perfecte] eenheid te maakt.”

We zullen dan de verdienste verwerkelijken “van het doen van UW ( G’D’s) Wil met heel het hart.”

In die tijd zal er de vervulling zijn van de Messiaanse openbaring van G’ddelijkheid: “op die dag is de Eeuwige EEN en ZIJN NAAM is EEN.” ( Zecharia 14,9 )

Likkutei Sichot, Vol. 16, pp. 29-32

Chag Sameach ve Shabbat Shalom Chol Hamoëd  Pesach 

POERIEM

KONINGIN ESTHER FYSIEKE SCHOONHEID WAS EEN MANIFESTATIE VAN HAAR SPIRITUELE STATUS.

RABBI SHIMON BAR JOCHAI.

ZOHAR 169b.

Rebbe Shimon spreekt in deze passage met een ziel van de spirituele Tuin van Eden (Paradijs).

Rebbe Shimon zegt: Ik weet zeker dat daar [in de lagere Tuin van Eden] jullie gekleed gaan in de glorie van een lichaam dat puur en heilig is.

Dat lichaam van zielen is een lichaam van licht dat gemaakt is van het spirituele licht, dat is opgewekt door het verrichten van mitzwot in de fysieke wereld.

Was er ooit iets gelijk aan deze kleding in de fysieke wereld? Dat een persoon in deze wereld in het zelfde lichaam verschijnt zoals jij verschijnt in de spirituele werelden.

Rebbe Shimon wil weten of er mensen waren in de fysieke wereld die zo rechtvaardig waren dat hun lichamen een extensie was van hun zuivere spiritualiteit.

Hij antwoordde hem: “Twee jonge mensen, die gekleed waren te midden van ons stelden deze vraag aan het Hoofd van de Academie, nadat zij spijt ondervonden ten opzichte van een zonde, die ongeschikt is voor de openbaarheid. Dit is wat zij vroegen aan het Academie Hoofd, en hij antwoordden hen: Dat er wel degelijk zo een gebeuren was in de fysieke wereld. Van waar leren we dat? Van het vers: “ En het gebeurde op de derde dag[van haar vasten] dat Esther zich koninklijk (letterlijk “malchoet”) kleedde en in het binnenhof van het koninklijke paleis stond, tegenover de residentie van de Koning…..”(Esther 5:1). Dit betekent dat zij zich kleedde in het evenbeeld van de spirituele wereld, omdat het woord “koninklijk” verwijst naar de geest van heiligheid.

De [sefira] van malchoet, koninklijk, is van de hemelse sferen en [ondanks het feit dat het in de fysieke sfeer is] houdt het in zich, de atmosfeer van de hogere spirituele sfeer.

Na drie dagen van vasten en gebed, had Koningin Esther haar fysieke lichaam tot zo’n extensie gezuiverd en gepurificeerd, dat zij waardig was om de spirituele kleding te ontvangen, zelfs in deze fysieke realiteit.
Haar schoonheid moet een wonderbaarlijke aanschouwing geweest zijn, en verklaart waarom zij gunst vond in de ogen van Koning Achaswerus.

En toen Esther tegenover Koning Achaswerus stond en deze haar verschijning van spirituele licht zag, was haar voorkomen als een engel van G’D. Toen [hij haar zag], verliet zijn ziel hem voor een moment.

Eveneens zo was het met Mordechai, zoals is geschreven, “En Mordechai verwijderde zich van de aanwezigheid van de Koning in koninklijke kleren” ( Esther 8:15 ).
Dit was letterlijk de kleding, of externe verschijning van de sefira van malchoet
[van Zeir Anpin], het evenbeeld of gezicht van die hogere wereld.
Daarom is er geschreven dat “de angst voor Mordechai had hun bevangen” (ibid. 9:3).
Zij waren bang voor Mordechai wegens het angstaanjagende van zijn spirituele verschijning, en niet voor Achaswerus.

Goed Poeriem.

KABBALISTISCHE MEDITATIE OP CHANOEKA

B:H

KABBALISTISCHE MEDITATIE OP CHANOEKA LAAT ZIEN DAT VERLOSSING AFHANKELIJK IS VAN BEWUSTZIJN.

In de volgende meditatie, introduceert de Ari aan ons de mystieke methode hoe wij, in de verdienste van Chanoeka, sublieme heiligheid neerhalen naar de lagere sferen die zelden verbonden is met dergelijk verheven goddelijk licht. Rebbe Nachman van Breslov leert dat de feestdag van Chanoeka, waarvan de naam is geworteld in het Hebreeuwse woord “chinoech”, “educatie” of “wennen”, ons stuurt in onze voortdurende worsteling met de krachten die proberen om ons van G’D te distantiëren, die van de macht van onzuivere verbeelding, of in het Hebreeuws “m’damei”, door onze imaginatieve vermogens te purificeren, zijn we in staat om de primaire kracht achter al onze negatieve karaktereigenschappen en illusies te breken. (Likoetei Halachot Chanoeka 1:1)

Het woord “m’damei”, waarvan de numerieke waarde (89) gelijk is aan het woord “Chanoeka”, is geworteld in de letters dalet en mem, die het Hebreeuwse woord “bloed” vormen. Bloed representeert onder andere, de negatieve krachten van oordeel, onze missie is om het verzachten. Via de 44 (de numerieke waarde van dalet, 4, en mem, 40) lichtjes die we aansteken gedurende Chanoeka (inclusief de shammes) en het opwekkende bewustzijn die zij belichamen, worden de klipot voor ons genullificeerd. [Dit is ook gerelateerd aan de traditie van verhoogd geven van liefdadigheid (“geld”) gedurende Chanoeka, want het Aramese woord voor geld is “Dami” die de zelfde stam letters deelt met “m’damei”]. Zoals wij zo duidelijk in onze tijd getuigen, dat alles lijkt te staan tussen onze huidige situatie en de complete verlossing is onze vastberadenheid en duidelijkheid van onze nationale wil. In het licht van deze inzichten, is Chanoeka, waarin we onze verlossing vieren van vreemde mogendheden die proberen ons te verleiden om onze G’D en Zijn Thora in de steek te laten, een bijzonder gunstig moment voor meditatie, vooral op het licht van de kaarsjes of olie lampjes van de Chanoeka Menora.

De mystieke meditaties die iemand moet hebben voor het aansteken van de [Chanoeka] lichtjes gaat primair om een hemelse en volledig mystieke eenwording genaamd Ner [Hebreeuws voor “kaars”]. Kortom, er zijn drie primaire aspecten van de unificatie Zeir Anpin en Noekva: Havayah [verenigd] met Eh – yeh (die een numerieke waarde heeft van 47), Havayah met Elo – hiem ( gelijk aan 112), en Havayah met Ado – nai (gelijk aan 91). Soms wordt één aspect verenigt, soms twee en soms alle drie, waarin het bovenstaande wordt helemaal verenigd wordt en [dan] Noekva “Ner heet “, [waarvan de numerieke waarde 250 is], gelijk aan het totaal van de zes bovengenoemde G’ddelijke Namen.

Havayah = 26
Eh-yeh
= 21
Havayah
= 26
Elo-him
= 86
Havayah
= 26
Ado-nai
= 65 Plus 6, voor elke naam, de kolel,
= “Ner” (250), gespeld
noen (50), reish (200)

In de eerste zegen [“……Die ons heeft opgedragen het Chanoekalicht aan te steken”] wordt op alle drie [bovenstaande unificaties] gezinspeeld [in het woord “kaars”].

In de tweede zegen [“……..Die wonderen verricht….”], de tweede unificatie waar op gezinspeld wordt.

En in de derde zegen [“……Die ons leven heeft gegeven….”] de laagste van alle waarop gezinspeeld wordt.

De opdracht om het mirakel van Chanoeka bekend te maken vereist dat we onze menora aansteken op een plaats die zichtbaar is voor voorbijgangers en op een tijdstip niet te laat, zodat zich niemand meer op straat bevindt om het te zien. De boven genoemde termen geven aan, dat de kracht van Chanoeka zo groot is, dat gedurende de feestdag, de meest verheven hemelse niveaus van heiligheid (gerepresenteerd door de bovengenoemde unificaties van de G’ddelijke namen), zelfs toegankelijk zijn in de laagste sferen. Deze minder verheven domeinen worden gerepresenteerd door de term “marktplaats” (in het Hebreeuws, “shoek”, gerelateerd aan het woord voor “dij”, geassocieerd met de sefira van Hod. De achtste sefira van boven), een plaats die gekarakteriseerd wordt door verspreiding, disharmonie en gevoeligheid voor Externe Krachten. Chanoeka laat ons zien dat vonken van heiligheid overal zijn en biedt ons de mogelijkheid om deze vonken te verlossen, om zelfs heilig licht te laten schijnen in de sferen van duisternis.

CHAG ORIEM SAMÉACH – GELUKKIGE FEESTDAGEN VAN LICHT

DE KABBALA VAN SOEKOT (LOOFHUTTENFEEST)

De details van de mysteries van Soekot vullen vele bladzijden in de geschriften van de Kabbalisten. Specifieke details tarten de vertaling vanwege de vele complicaties in het verklaren van de diepgaande Kabbalistische spirituele concepten. Nederlands en andere talen ontberen eenvoudig de juiste woorden die gebruikt kunnen worden om behoorlijk de esoterie van de Thora over te brengen.

De mysteries van het Soekotfeest kunnen worden gevonden in het woord Soeka zelf. Gespeld met de vier Hebreeuwse letters, net zoals de Heilige Naam  JOED-HÉ-VAV-HÉ, bergt het woord Soeka in feite de Heilige Naam  JOED-HÉ-VAV-HÉ in zich. De numerieke waarde van het woord Soeka (Samech, Vav, Kav, Hé) is 91. 91 is een heilig getal in Kabbala. De twee letters Kav en Vav in Soeka zijn numeriek gelijk aan 26. Dit is de numerieke waarde van  JOED-HÉ-VAV-HÉ waar deze Naam binnen het woord wordt verborgen. Wanneer 26 wordt afgetrokken van 91 blijft 65 over, een ander belangrijk kabbalistisch getal. 65 is de numerieke waarde van de heilige Naam Adonai. Dus samen bestaat het woord Soekot uit twee heilige Namen. Doch deze twee Namen zijn veel meer dan heilige woorden. Deze twee Namen delen een bijzondere en heilige verwantschap.

Adonai is de Naam die we aanwenden om G’D aan te spreken. JOED-HÉ-VAV-HÉ is de Naam zoals het is geschreven. JOED-HÉ-VAV-HÉ is in gedachten, Adonai is in spraak. Hierin ligt het mysterie. De heilige Naam JOED-HÉ-VAV-HÉ geeft het verborgen latente potentieel intrinsiek weer, terwijl de Naam Adonai een aspect van dat potentieel weergeeft. Wanneer gecombineerd, geven JOED-HÉ-VAV-HÉ en Adonai daarom de vereniging van het G’ddelijk potentieel en de manifestatie van dat potentieel weer.

In de sfeer van de sefirot, correspondeert de Naam  JOED-HÉ-VAV-HÉ met de zes sefirot (Chesed, Gevoera, Tiferet, Netzach, Hod en Yesod). Samen worden deze zes Zeir Anpin genoemd, Zeir Anpin, het “Kleine of Smalle Gezicht”. Zeir Anpin is het gezicht dat ongezien is in ons universum, toch is het de oorspong van alle dingen die hier gebeuren. Dit “Gezicht” van G’D is wat gezien wordt in de Hemelen. Het “Gezicht” van Zeir Anpin is gecentraliseerd op de sefira Tiferet, die het hemelse Hart en de bron is van de heilige geschreven Thora.

De naam Adonai daarentegen,  refereert aan de sefira Malchoet, de heilige Shechina. De Shechina wordt ook Noekva genoemd (het feminiene), de gezellin van Zeir Anpin. Het is door de Shechina/Malchoet dat Zeir Anpin hier in ons fysieke universum wordt gemanifesteerd. De Shechina is de levenskracht die tot alle vorm aspecten leidt in het fysieke universum. De Shechina is dat aspect van G’D dat aan alles dicteert wat het verondersteld is om te zijn. De Shechina is de onderliggende kracht van de natuurwetten. De Shechina creëert natuur, door als kanaal te dienen voor Zeir Anpin. Zodanig is Noekva de spreekwoordelijke gezellin van Zeir Anpin. De twee moeten in gepaste harmonie zijn omwille van de continuïteit van het universum. Zonder het -één zijn- van Zeir Anpin en Noekva zou ons fysieke universum terugkeren naar de koude primordiale soep, de leegte zonder enig leven en bewustzijn.

Zeir Anpin en Noekva moeten zich in een continue staat van -één zijn- bevinden om de hemelse overvloed van G’ddelijke energie te laten vloeien in ons universum. Leven is altijd vloeiend en vibrerend, zo ook de Thora. Zoals Zeir Anpin algemene vormen bepaalt van alles wat moet zijn zo voorziet Noekva de in details. Zoals het boven is, zo is het beneden. Dit is het mysterie van de geschreven en de mondelinge Thora. Zeir Anpin manifesteert de geschreven vorm van de Thora, geëtst en gegraveerd in de heilige letters. Noekva ademt in deze letters en geeft hen hun betekenis en parameters. Zoals allen die een Thoraleven leiden weten, is het onze mondelinge Thora die vorm en inhoud geeft aan de heilige geschreven Thora.  De twee tezamen zijn als man en vrouw, onvolledig zonder elkaar. Zoals het beneden is, zo is het boven.

In Kabbala refereert Zeir Anpin ook aan de Heilige, Geprezen zij Hij. Noekva/ Malchoet, zoals we zeiden, refereert aan G’D’s Shechina. De vereniging van Zeir Anpin en Noekva is dus een eenwording van de zeven sefirot die de Actief/ Gevende (masculien) en de Passief/Onvangende (feminien) grondbeginselen in de Schepping verenigt.

Hiernaar  wordt ook verwezen als de eenwording van de spirituele sferen van de Hemel en de fysieke sferen van de wereld. Hier in deze wereld wordt dit gemanifesteerd in de vorm van de eenwording van de geschreven en de mondelinge Thora. Dus de eenwording van de Heilige, Geprezen zij Hij en Zijn Shechina is de gehele zin van de Schepping en de reden waarom de mensheid en in het bijzonder het Joodse Volk de verplichting werd opgelegd om de mitzwot in acht te nemen. Dit diepgaande concept wordt scherpzinnig aan ons geopenbaard in de letters die het woord Soeka spellen. Dit universele concept van harmonie en continuïteit is de onderliggende “Gedachte van G’D” waanneer Hij ons opdraagt om zeven dagen in Soekot (loofhutten) te verblijven.

Het soekotfeest duurt zeven dagen. Deze zeven dagen corresponderen met de Sefirotische eenwording van de zes sefirot van Zeir Anpin en de Sefira Malchoet/Noekva. Deze zeven dagen verenigen de hemelse sefirot en stralen hun invloed op ons uit. Doch zoals met vele dingen in deze fysieke wereld, moet men op de juiste plaats en op de juiste tijd zijn om datgene te ontvangen wat ontvangen kan worden.

Moge G’D ons allen zegenen om te participeren in deze heilige mitzwot en deel te laten nemen in het teweegbrengen van de heilige Hemelse eenwording.

CHAG SAMEACH, GOED JOM TOV

VERBORGEN WAARHEDEN OVER JOM KIPPOER

Op Rosh HaShana, gaat de wereld door een natuurlijk kosmisch energie veld dat een invloed uitoefent om een reeds bestaande staat van evenwicht in de menselijke psyche te herstellen. Waar we staan als individu in relatie tot onze oorspronkelijke hogere menselijke staat, definieert voor ons het type van aanpassing waaraan elk van ons zal worden onderworpen. Deze cyclus is mechanisch en natuurlijk verordineerd door de Schepper als een inherent middel om gerechtigheid te doen doordringen in de wereld, die lijkt te ontbreken. In wezen is elk van ons aanzienlijk uit de pas met ons innerlijke hogere zelf, daarom kan de hoeveelheid van ons opnieuw in evenwicht brengen, waaraan we onderhevig zijn, tamelijk intens zijn. Het feit dat dit systeem werkt op eigen initiatief, wekt de indruk dat het eerder deterministisch is, dat we er niets aan kunnen doen. Waarneer we eenmaal het specifieke punt in ruimte en tijd hebben gepasseerd, vallen we dus onder de invloed van het veld waar we doorheen gaan.

Gedurende een lange periode in de menselijke historie, was deze cyclus inderdaad absoluut deterministisch. Echter hogere krachten intervenieerden in de menselijke historie en gaven ons de Thora. Door de Thora reveleren we aan onszelf het gepaste pad van heraanpassing aan ons hogere zelf door het vrijmaken van krachtige vermogens van Denken die diep in ons wonen.

Op Rosh HaShana blazen we de Shofar om ons innerlijke zelf duidelijk te maken dat het moet ontwaken. De volgende tien dagen eindigend met Jom Kippoer vormen het proces van de psychische/ psychologische bewustwording.

Om de verborgen krachten van Jom Kippoer op de juiste wijze te kunnen begrijpen, moeten we als het ware vorsen in de derde dimensie. Zoals we allen weten existeren we in een tijd- ruimte continuüm. Deze twee dimensies definiëren voor ons de natuurlijke wereld. Maar er is ook een derde natuurlijke dimensie, in overeenstemming met het G’ddelijk ontwerp, echter overeenkomstig onze huidige menselijke limitaties wordt dit vaak verkeerd begrepen en gezien als zijnde bovennatuurlijk. Ik heb het over de derde dimensie van de menselijke geestelijke Ziel die transdimensionaal bewustzijn bevat. Ondanks al deze abstracte concepten spreek ik eigenlijk over iets heel eenvoudigs. Tijd, ruimte en ziel werken allen op elkaar in, deze drie samen zijn de drie dimensies van het universum. De ziel is de hoogste van deze dimensies en heeft het vermogen om de andere twee te vervangen.

Maar het vermogen van de ziel kan alleen zijn natuurlijke invloed over tijd/ruimte uitoefenen, wanneer het een geheel is en volledige controle heeft over zijn geestvermogens. Wij menselijke wezens verloren de beheersing over ons denken met wat we noemen “de val van de mens” in Eden. Dit leidde naar de splitsing die we vandaag het natuurlijke en het bovennatuurlijke noemen, het bewuste en het onbewuste van de ziel.

Vandaag in onze huidige gemoedstoestand volgt alles de natuurlijke orde, tenzij anders verordent door een bovennatuurlijke kracht. Dit is zowel een spirituele als psychologische waarheid. De Thora kwam in deze wereld afkomstig van z’n Hogere Kracht, een kracht verder dan tijd, ruimte en menselijk verstand. Goed kennend onze ondergeschiktheid aan de natuurlijke orde [hoe actueel], aan die krachten die kunnen doden en vernietigen, injecteert de Hogere Kracht in de natuurlijke orde een bovennatuurlijke procedure die, wanneer die op een gepaste wijze in acht wordt genomen, de sterveling de gelegenheid geeft om tijdelijk boven zijn sterfelijkheid uit te reiken.

Verzoening betekent een terugkeer naar evenwicht. Onevenwichtigheid wordt gecreëerd door het lichtzinnige oppervlakkige en dwaze gedrag van mensen. Wanneer we ongepast handelen doen we meer dan alleen onnatuurlijk handelen, we veroorzaken in feite dat de stroom van natuurlijke energie omkeert en op een onnatuurlijke wijze vloeit. Wanneer energie vloeit op een onnatuurlijke wijze, resulteert dit in het creëren van onnatuurlijke gevolgen. Dit is de oorzaak van calamiteiten en leed in het leven.

Gebruikmakend van Thora symboliek, de natuurlijke orde van het universum werd gecreëerd en continu gehandhaafd door de Heilige Naam Elokiem. In de Thora numerologie, gematria, is deze Naam gelijk aan de waarde van 86, die de zelfde waarde heeft als het woord, HaTeva, wat “natuur”betekent. Elokiem is het onpersoonlijke “uiterlijke” Gezicht of de expressie van G’ddelijk vermogen die de dominante kracht van leven is in ons natuurlijk fysiek en eindig universum.

De Thora bespreekt de Schepping door te zeggen dat Elokiem de Hemelen en de Aarde schiep. De specifieke keuze van heilige Namen die hier gebruikt worden in het Scheppingsverhaal leert ons dat alles, zowel onze fysieke en  parallel hiermee de niet fysieke dimensies in existentie zijn gebracht volgens het domein, kracht en vermogen van wat we natuur wet kunnen noemen, een wet die werkt onder zeer nauwkeurige en strikte condities. Pas later in het Scheppingsverhaal wordt de Heilige Naam van Joed Ké Vav Ké geïntroduceerd.

Deze naam is ook een symbool voor verschillende aspecten van G’ddelijke energie, een die inwerkt met tijd en ruimte gebaseerd op het derde hogere principe van de ziel. Uiteindelijk werkt het universum automatisch overeenkomstig zijn vooraf gevormde ontwerp. Dit wordt alleen veranderd, gewijzigd of beïnvloed als bewustzijn van allerlei intervenieert.

Het Verstand van de G’ddelijke Observator doordringt ruimte, tijd en alleen door een daad van Wil kan de wijze waarop ruimte en tijd werkt en functioneert wijzigen. Deze invloed is totaal buiten de normale operationele parameter van het ruimte en tijd mechanisme. Het is daarom boven wat we noemen de wetten van de natuur. Het is een willekeurig element, niet onderhevig aan natuurlijke wetten, zoals wij die kennen. Dit willekeurige element kan niet worden getoetst, proefondervindelijk worden onderzocht of zelfs worden begrepen met ons huidig gelimiteerd niveau van menselijke intelligentie. Het willekeurig element dat we Hoger of G’ddelijk bewustzijn kunnen noemen, is een Denkproces ver boven alles wat we heden te dage begrijpen binnen de context van onze gelimiteerde moderne wetenschap. Toch is het dit willekeurig element van Hogere Intelligentie dat intervenieert op een duidelijk regelmatige basis op talrijke wijzen, waar te nemen of niet, dat leidt tot situaties en omstandigheden buiten de normen van de natuur wet.

Vanuit menselijk perspectief lijken deze interventies vaak bovennatuurlijk, wat al dan niet zo is. Maar bijna altijd verwijzen we er naar als mirakels. Wat we nog steeds niet begrijpen is, dat zelfs deze mirakels een methodische basis hebben. Mirakels zijn niets anders dan een Hogere Bewustzijn interveniërend in ruimte en tijd.

Ons ontstaan kwam van een Unieke Eenheid en onze continuerende existentie is niets anders dan een constante expressie van deze Unieke Eenheid. De Unieke Eenheid verwoordt en handhaaft natuur wetten voor het dagelijks runnen van Zijn project, ons universum. Echter Het intervenieert welke taak Het kiest uit te voeren, wanneer Het kiest en hoe Het kiest. Het is niet onderhevig aan onze wetten, omdat Het Zelf deze wetten heeft gemaakt en er per definitie boven staat. Het kan deze wetten bewerken, overtreden, versterken of die wetten afschaffen.

De Hogere Intelligentie van de Unieke Eenheid werkt in Elokiem. Elokiem is Zijn “Gezicht”, maar diep binnenin is een ander schema, een schema dat voor ons willekeurig is, geïnteresseerd in hogere waarden dan de parameters van natuurlijke ruimte en tijd. De hogere waarden belangrijk voor de De Hogere Intelligentie van de Unieke Eenheid zijn kenbaar in ons universum als kleine aspecten van ons zelf. Deze kleine vonken verstandelijke intelligentie zijn individuele monaden, ondeelbare entiteiten van bewustwording. Elk van hen wordt een ziel genoemd. Gevormd naar het Beeld van hun oorsprong, elke monade van bewuste intelligentie draagt in zich een vorm, een gezicht of lichaam. Dit lichaam zelf existerend in ruimte tijd, is onderhevig aan zijn wetten. Echter de monade zelf is van een hogere sfeer, een andere dimensie. Daarom is het onderhevig aan de hogere wetten van de Hogere Intelligentie van de Unieke Eenheid.

De Hogere Intelligentie van de Unieke Eenheid in het Gezicht van Elokiem is wat we noemen Joed Ké Vav Ké. Het is het diepere Hogere Gezicht van het G’ddelijke, die de Vader van de menselijke ziel is, juist zoals de Wereld de moeder van de menselijke fysieke vorm is. Juist zoals er dualiteit uitgedrukt wordt in de Unieke Eenheid, zo ook leven wij mensen overeenkomstig in  dualistische realiteiten die we het fysieke en het spirituele noemen. Alleen is er niet echt iets spiritueels aan spiritualiteit, want in werkelijkheid is wat wij spiritualiteit noemen in feite gewoonweg een ander deel van ons bewustzijn, het diepste gedeelte van onze ziel. Het is zo diepgaand dat we vaak zijn realiteit niet kunnen doorgronden, laat staan zijn bestaan, om die reden is dit deel van onszelf gewoonlijk totaal onbekend. In de wetenschap of psychologie noemen we dit deel van ons zelf ons onderbewuste. Het is realiteit, het existeert en het beheerst alles wat we zijn en wat ons overkomt, alleen zijn we ons totaal niet bewust van de aanwezigheid en invloed.

Ons individuele onderbewustzijn is onze verbinding met Joed Ké Vav Ké en zorgt er voor om menselijk te zijn, ondanks het feit dat natuur wetten ons aanmoedigen om niet anders te handelen dan dieren. Anders dan de leden van het dierlijke koninkrijk horen de mensen, diegenen die steeds de verbinding handhaven, de innerlijke stem spreken in wat we geweten noemen. Deze stem herinnert ons aan wie we zijn en stelt ons in staat het Joed Ké Vav Ké aspect in ons tot uitdrukking te brengen, aldus het individu emanciperend van strenge onderhevigheid aan de natuur wet.

Wanneer het gezicht van Joed Ké Vav Ké wordt ontsluierd, kan het het Gezicht van Elokiem terzijde schuiven door volkomen zuivere Wil of Verlangen. Dus grote revelatie in Thora is, dat Joed Ké Vav Ké Elokiem is, de Eeuwige is onze G’D. Het lijkt een eenvoudige verklaring van tribale religie en religieuze competitie, maar dit is alleen maar een mythe. Wanneer de Thora spreekt over de eenwording van Joed Ké Vav Ké en Elokiem, heeft ze het niet over individuele goden of zoiets, het spreekt over de integratie van de ziel over materie, van het Uitzonderlijke en het onafhankelijk handelende Willekeurig Element. Dus de grote revelatie van de Thora is het verheven bewustzijngevoel over de heerschappij van limitaties (zoals kenbaar door ruimte/tijd natuur wet  parameters). “Joed Ké Vav Ké is Elokiem” wanneer Hoger Bewustzijn de natuur wet overschrijd en ruimte/tijd werkt in overeenstemming met zijn Willekeurig Element. Dit verklaart het ontstaan van iets wat verzoening wordt genoemd en een uitzonderlijke dag waarop dit zal plaatsvinden, Jom Kippoer.

De Thora is een revelatie en een gift van Joed Ké Vav Ké. Het is gegeven aan  Israël om de Hemel te dienen ten behoeve van de mensheid. Israël, zoals de Thora stelt, handelt als een priesterschap of intermediair tussen de Hemel boven en de wereld beneden. Door het in acht nemen van Thora en mitzwot, verheft Israël haar collectieve bewustzijn, om de taak te vervullen als een “licht voor de volkeren”. Israël werd gekozen om een zware last te dragen en te onthullen. De historie documenteert Israëls talrijke collectieve tekortkomingen in het uivoeren van haar taak, terwijl de historie niet altijd verslag doet van haar talrijke successen. Dienend als een intermediair is Israël verantwoordelijk voor het uitvoeren van specifieke rituele opdrachten [mitzwot], dat heeft zowel een oer effect op hen zelf als op het collectieve onbewuste van de wereld. De specifieke rituelen van Jom Kippoer illustreren dit.

Verzoening betekent één worden in de juiste verhouding met de Hemel. Het betekent zich opnieuw richten, opstellen in een kostbaar evenwicht van subtiele energieën die bestaan tussen de lifeforce, noodzakelijk voor alle dingen in deze wereld en zijn oorsprong, de bron erbuiten.

GMAR CHATIMA TOVA

MOGEN U EN JULLIE DIERBAREN EN HEEL HET HUIS ISRAËL WORDEN VERZEGELD IN HASHEMS BOEK VAN HET LEVEN VOOR EEN GOED, ZOET EN GEZEGEND JAAR

Juda Groenteman

ROSH HASHANA 5777

EEN G’DDELIJK VERZOEK

Onze Geleerden beschrijven de G’ddelijke Dienst van Rosh HaShana als volgt.

G’D vraagt het Joodse Volk: “Zeg [verzen die] koningschap [weergeven] voor Mij, om Mij Koning te maken over jullie, [en verzen die] herinnering [oproepen] zodat een aandenken zal komen voor Mij voor goed. Door wat wordt dit bereikt? Door de Shofar.” (Rosh HaShana 16a, refereert specifiek aan de drie zegeningen: Malgiot, Zigronot, Shoferot, in de Moessafdienst op Rosh HaShana)

In de volgende verhandeling verklaart de Alter Rebbe dat deze zegeningen drie verschillende grondthema’s in onze verhouding met G’D weergeven. Door de zegeningen van Malgiot, Zigronot te reciteren, roepen we de openbaring van G’D’s Koningschap over ons af, door te herinneren aan het verbond tussen G’D en het Joodse Volk.

“Door wat wordt dit bereikt? Door de shofar,” want de klanktonen van de shofar voegt een derde grondthema toe,als een kroon op het hartgrondig uitdrukken, aan het oprechte teshoeva van het Joodse Volk. Het geeft het innerlijke uitschreeuwen van de ziel weer, een roep naar G’D voorbij de grenzen van reden en logica. Want op Rosh HaShana wordt de innerlijke G’ddelijke essentie van onze harten opgeroepen. Met als resultaat dat onze G’ddelijke dienst zich volledig richt op het vestigen van een binding met G’D’s Essentie, zoals is geschreven: “Ik zal zoeken naar Uw Gezicht, met andere woorden, Uw innerlijke dimensie, O G’D.” (Psalm 27:8, gereciteerd gedurende de maand Elloel, continuerend op Rosh HaShana en de hele maand Tishré tot aan Hoshana Rabba.)

Doorgaans is onze verhouding met G’D afhankelijk van Zijn externe dimensies, de wijze waarop Hij Zich manifesteert in deze wereld. Op Rosh HaShana echter, verbinden wij ons aan de essentie van Zijn Koningschap. Om een verbinding op dat niveau te kunnen bewerkstelligen, is herinnering nodig. In zijn essentie is G’D ver verwijderd van al het aardse bestaan. Door de herinnering aan Zijn innerlijke liefde voor het Joodse Volk is er een motivatie om te verbinden. Dit wordt bereikt door het blazen van de shofar die Zijn absolute Essentie oproept.

Het doel van het verbond die G’D vestigde met het Joodse Volk is “om jullie te verheffen Zijn Volk te zijn.” Weergevend: “Er is geen koning zonder een volk.”

(Rabbenoe Bachaya commentaar op Bereishiet. 38:30) Met andere woorden, voor het bestaan van een koning moet er een “volk” zijn, een volk die op een vergelijkbaar niveau Hem kan erkennen. Met betrekking tot G’D’s Koningschap, is dit ogenschijnlijk onmogelijk, want er is geen vergelijking mogelijk met Hem. Niettemin verbindt Hij Zichzelf met het Joodse Volk door een verbond. Dit verheft hen op een niveau van verbinding met G’d als Koning.

Het is een interactief proces. Door het oproepen en uitdrukking geven aan hun G’ddelijk innerlijke, motiveren de Joden G’D om aan hen te herinneren en het verbond te belichten dat Hij deelt met hen. Door zo’n liturgische dienst, roepen zij Zijn zegeningen op voor een jaar, zowel in materiële als spirituele voorspoed.

Zie hoe op de volgende wijze onze Geleerden de G’ddelijk Dienst op Rosh HaShana beschrijven: “De Heilige, geprezen zij Hij zegt:’ “Zeg [verzen die] koningschap [weergeven] voor Mij, om Mij Koning te maken over jullie, [en verzen die] herinnering [oproepen] zodat een aandenken zal komen voor Mij voor goed.’ Door wat wordt dit bereikt? Door de Shofar.” (Rosh HaShana 16a, refereert specifiek aan de drie zegeningen: Malgiot, Zigronot, Shoferot, in de Moessafdienst op Rosh HaShana)

Want het vers zegt op Rosh HaShana: “Dit is het begin van Uw daden, een herinnering aan de eerste dag.” Op Rosh HaShana was de eerste mens Adam geschapen en hij verklaarde: “G’D is Koning; Hij omhulde Zichzelf in pracht,” omdat toen Zijn soevereiniteit werd geopenbaard.

Op dat moment, kwam het bewustzijn van G’D’s soevereiniteit als een resultaat van een ontwaking van Boven. Tegenwoordig echter moeten wij een “herinnering van de eerste dag” overbrengen, door een oproep van beneden. Wij moeten de openbaring van G’D’s Koningschap over ons afroepen door te herinneren aan het verbond en de verbinding die we delen met Hem.

Dit wordt bereikt door de shofar, die teshoevah ilaah representeert, de hogere dimensie van teshoevah, uitschreeuwend met een stem die voortkomt vanuit de diepte van ons hart. De diepte is de essentie van het innerlijk hart van een ieder, de plaats waar vermogens van spraak niet is te controleren, vanwege een eenvoudige kreet. Daarom staat er , “er is geen spraak en woorden” slechts een shofar stoot; een eenvoudige toon. Het is juist binnen de toonklank zelf, dat er verscheidene dimensies van impulsen zijn (kermen, snikken…).

De verklaring van dit concept kan worden begrepen op basis van het vers in Tehilliem. 27:8: “Om U zegt Mijn hart, Zoek naar Mijn innerlijke dimensie.” Panai, vertaalt als “innerlijke dimensie”, refereert aan de innerlijke dimensie van het hart. Want er zijn twee dimensies ten aanzien van de kreet van het hart, een innerlijke dimensie en een externe dimensie.

De externe dimensie van het hart wordt gemotiveerd door kennis: meditatie over de grootheid van G’D en de uitstraling van G’D’s Oneindige Licht aan de gecreëerde wezens; al de menigten van de sublieme spirituele werelden; onze wereld, met alles wat zich daarin bevindt, dat alles tot bestaan is gebracht vanuit het absolute niets [zoals we zeggen in onze gebeden]: “In Zijn goedheid, vernieuwd Hij ononderbroken het werk van de Schepping, en U verleend aan hen allen leven.” (Nechemia. 9:6, onderdeel van het Pesoeké De Zimra ochtendgebed.

Wanneer iemand zijn mediatie wil verdiepen en ook daartoe een wil heeft die dit verlangen deelt, zal hij worden aangemoedigd om te schreeuwen vanuit zijn hart. Zijn hart zal roepen tot G’D en aangetrokken worden tot Hem met een sterk verlangen en dorst om zich aan Hem te hechten.

[Met andere woorden, zijn overdenkingen over G’D’s grootheid zal een uitschreeuwen van het hart teweegbrengen, en een diepe liefde voor G’D doen ontstaan. Desalniettemin refereert deze liefde nog steeds aan het “externe aspect” van de persoon en van G’d omdat:

a )Betreffende de persoon, de liefde die ontstaat is een gevolg van het intellect. Dus het geeft niet zijn ware innerlijke zelf.

b) Betreffende G’D, z’n liefde relateert aan de dimensie van G’ddelijkheid die de schepping tot stand brengt. Dit is alleen het externe aspect van Zijn existentie, niet Zijn innerlijke.

Deze liefde wordt weergegeven in het vers van Hoshea. 11:10, “ Zij zullen volgen nadat G’D brult als een leeuw.” Dit verwijst naar de leeuw in Jechezkiél’s visioen van het G’ddelijke Voertuig “het gezicht van de leeuw aan de rechterzijde” (Jechezkiél. 1:10), die alle engelen in het kamp van de Aartsengel Michael inhouden, wiens dienst en gebrul wordt geïdentificeerd met de rechter vector, het aspect van liefde.

De grootheid van hun liefde en hun sterk verlangen om zichzelf op te heffen en te worden opgenomen in G’D’s Oneindige Licht die hen tot zijn heeft gebracht en leven gaf. De behoefte te willen opgaan is een gevolg van hun begrip van hoe zij tot existentie zijn gebracht vanuit ex nihilo, en dat hun levensenergie, de handhaving van hun existentie en de invloed die daaraan wordt verleend een neerwaartse beweging is die ieder moment door Hem wordt gegeven.

Dit alles wordt “de externe dimensie” van het hart genoemd, omdat het stamt van G’D’s externe dimensie, de stralende weergave van Zijn Licht op de gecreëerde wezens. Hoewel het bevattingsvermogen van de gecreëerde wezens in staat zijn om te worden verheven tot dit begrip, overeenkomstig ieders vermogen, representeert het echter alleen G’D’s uitstraling.

Met andere woorden, de wijze waarop Hij uitstraalt voor anderen, is niet de wijze Hij die Hij is voor Zichzelf.

De glorie en de Essentie van de Heilige, geprezen zij Hij, daarentegen, is verheven en eerwaardig, zoals kan worden geconcludeerd uit het vers in Tehilliem 148:13, “Zijn naam is alleen verheven.” Implicerend dat zelfs Zijn naam op een niveau die “alleen” is en ongeëvenaard, want “er is geen gedachte die Hem kan vatten”. (Tikkoenei Zohar. p.17a)

En er is geschreven in Malachi. 3:6: “Ik G’D, verander niet,” want net als voor de Schepping van de werelden, existeert Hij en Zijn naam alleen,” zo existeren zij ook op dit niveau zelfs na de Schepping van de werelden, zoals als wordt verklaard in andere bronnen. (Likkoetei Thora, Bamidbar. p.70c)

Dit concept kan worden verklaard op basis van onze dagelijkse gebeden: “De Koning Die verheven is, uniek voor alle tijd, hoog geprezen, verheerlijkt en te eerbiedigen.

De intentie van de frase is dat “voor alle tijd”, voor de schepping van de werelden was de eigenschap van koningschap aanwezig, afzonderlijk en alleen als “Zijn Naam”. Zelfs nu, bij het bestaan van een historie van de werelden, is G’D, desondanks toch “hoog geprezen, verheerlijkt en eerwaardig” boven deze Historie, ofschoon Zijn invloed niet een openlijke geopenbaarde verschijning betreft. Hij Zelf maakt er ook geen deel vanuit en is niet afhankelijk van deze Schepping, Hij blijft er buiten onveranderd en onaangetast.

Dit wordt aangegeven door het vers in Devariem, 4:24: “De Eeuwige, je G’D, is een verterend vuur.” De intentie van de analogie is dat het vuur van nature opwaarts stijgt, dan dat het neerdaalt en zich verspreid. Evenzo, G’D blijft als het ware verwijderd van alle existentie. De invloed en uitstraling van G’D’s Oneindige Licht in de werelden dat neerdaalt, is analoog aan de eigenschap van water. Het licht daalt neer in gradaties van een hogere sfeer naar een lagere sfeer in als een ketting. Dit proces is alleen relevant nadat G’D’s Licht verschillende typen van contracties heeft ondergaan en zichzelf heeft gekleed in verschillende niveaus van existenties als vele sluiers om de openbaring van G’D’s Essentie en Glorie te verhullen.

Mocht het Licht niet z’n verhulling ondergaan, zouden de existentie van werelden worden te niet gedaan. Het zou zijn alsof ze nooit hadden bestaan en ze zouden terugkeren tot het niets. Het is niet relevant daartegen om te spreken van enige invloed komende van G’D alsof Hij is geopenbaard in Zijn Glorie en Zijn Essentie, niet op een wijze van memale kol almin, Letterlijk, “dat alle werelden vult”, met andere woorden, het Licht wordt geopenbaard in elke wereld aangaande zijn eigen natuurlijk aard. noch op een wijze van sovev kol almin. Letterlijk, “dat alle werelden omgeeft”, een Licht dat te transcendent is om te worden geopenbaard binnen de werelden zelf, vandaar dat wordt beschreven als zijnde boven hen. Desalniettemin deelt het ook een verbinding met de werelden. G’D’s Essentie, daarentegen is totaal boven de Schepping.

Dienovereenkomstig wordt Hij “de sublieme G’D” genoemd, met andere woorden, verheven, eerbiedwaardig en hoog, compleet boven het niveau van alle gecreëerde wezens.

Vanuit dit essentiële niveau is de mogelijk voor de mens om het uitschreeuwen [tot G’D] van zijn innerlijke hart teweeg te brengen, boven het niveau van enig begrip, zodat hij niet zal worden gesepareerd van G’D’s Eenheid, zodat zijn hart zal branden “met vlammen van vuur” met “een vuur dat stijgt uit eigen beweging”, zonder enige reden of logica, “om de ziel voort te laten stromen in de boezem van zijn Vader”, om zich over te geven door te verklaren ‘G’D is Een, “want Zijn volk is een deel van G’D”, en “Israël rees op in G’D’s gedachte, in zijn innerlijke dimensie”, zoals is verklaard in Zohar II, p119a, Zohar III, p. 33a en andere bronnen.

Bovenstaand roepen, behoeft de innerlijke dimensie van G’D van een verhullende staat te komen tot openbaring, hetgeen mogelijk is vanwege de innerlijke dimensie van Zijn Koningschap om te worden geopenbaard aan ons, zoals is geschreven in jirmeyahoe 31:2: “Van verre verschijnt G’D aan mij”.

Dit is de intentie van de Zichronot zegen, want zicaron, “herinnering” refereert aan iets dat ver weg van ons is. Daarom is er gezegd,”U herinnert de daden van de wereld,” want zij zijn ver verwijderd van het Licht van Zijn gelaat. Wij wekken G’D’s herinnering op van Zijn innerlijke liefde voor het Joodse Volk vanwege Zijn Essentie en innerlijk Wezen door het geluid van de shofar, die een eenvoudige klank voortbrengt als van de innerlijke dimensie van het hart, zoals boven is uitgelegd.

KESIVA VACHASIMA TOVA, dat je mag worden ingeschreven en verzegeld voor een goed jaar en de zegen, LESHANA TOVA UMESUKA, een goed en zoet jaar.

Juda Groenteman

 

 

ROSH CHODESH ELLOEL

De maand Elloel is de maand van barmhartigheid, waarin de dertien eigenschappen van G’ddelijke barmhartigheid uitstralen. Dit is de maand van medelijden, waarin de poorten van G’ddelijkheid geopend zijn voor al diegene die verlangen om dichterbij heiligheid te komen en G’D te dienen door inkeer, gebed en Thorastudie.

Dit is de laatste maand van het jaar dat eindigt, die het heden passeert naar het verleden.

Het is de maand van spiritueel zelfonderzoek en inventarisatie, waarop iemand zich bezint hoe hij het afgelopen jaar heeft doorleefd en volledig teshoewa doet over wat onwenselijk was en zich voorneemt om uiterst nauwgezet en waakzaam te zijn met het in acht nemen van de mitswot, eerlijke en zorgvuldige studie van Thora en tefilla en zich eigen maakt aan positieve karaktereigenschappen.

Dit is de maand van voorbereiding op het nieuwe jaar.

Elloel is de zesde maand gerekend van af de maand Niesan, welke wordt aangegeven in de Thora als de eerste maand van het joods nationaal jaar. In het algemene kalenderjaar van de joodse traditie echter, is Tishri de eerste van alle maanden, vandaar dat Elloel de laatste maand is.

De naam Elloel werd aangenomen, zoals alle anderen, bij de repatrianten van de eerste Babylonische verbanning, zoals onze wijzen hebben verklaard: “de namen van de maanden kwamen van Babylon”. Omdat Elloel de laatste maand van het jaar is en direct voorafgaat aan Rosh HaShana (de dag van het gerecht voor alle wereldbewoners), is het daarom de maand van teshoewa en het reciteren van Selichot, de traditionele gebeden voor vergeving.

Vanaf de Sinaï waren er dagen van verzoening tussen G’D en Israël. Toen de Israëlieten de zonde van het gouden kalf pleegde, besteeg Mosje de berg en smeekte voor Goddelijke barmhartigheid en vergiffenis, G’D was verzoenend naar hem en zei:” Hou uit twee Tafelen van steen, zoals de eersten “.

Mosje besteeg de berg op Rosh Chodesh Elloel en verbleef daar veertig dagen tot de tiende Tishri. Op de tiende Tishri bracht hij het tweede paar stenen tafelen naar beneden, welke G D had gegeven aan Israël als een teken van hernieuwde Goddelijke begunstiging en genegenheid.

Deze veertig dagen werden van toen af vast gelegd voor alle generaties, als dagen van teshoewa en vergiffenis. Hoewel teshoewa altijd wordt geaccepteerd, zijn deze specifieke dagen uitermate geschikt voor teshoewa en vergiffenis, want zij kenmerken een blijvende terugkeer van Goddelijke meegaandheid.

De periode kenmerkt zich door het reciteren van talrijke Selichot ( gebeden om vergeving ). In sommige plaatsen is het gebruikelijk om Selichot te reciteren gedurende de laatste uren van de nacht van de gehele maand Elloel, met uitzondering van Rosh Chodesh en Shabbat en sommigen beginnen vanaf de vijftiende Elloel. De Ashkanasize rite echter is om Selichot te beginnen te reciteren met de eerste dag van de week in welke Rosh HaShana valt , mits dat er vier dagen resten voor Rosh HaShana . Daarom, als Rosh HaShana valt op de tweede dag of derde dag van de week, begint de recitatie van Selichot op de eerste dag van de voorgaande week.

Beginnend met de tweede dag Rosh Chodesh Elloel tot erev Rosh HaShana worden dagelijks vier sjofartonen ( ramshoorn ) geblazen na shacharit (ochtendgebed): Tekie a, Sjewariem, Teroe a, Tekie a. Deze tonen van de sjofar zijn niet voorgeschreven door de Thora , maar vinden hun oorsprong in de joodse minhagiem (gewoonterecht).

Toen Mosje op Rosh Chodesh Elloel de berg Sinaï besteeg om voor de tweede keer de stenen tafelen te ontvangen, was het kamp vol van sjofarklanken , om duidelijk te maken aan allen Israëlieten, dat Mosje zich omhoog had begeven; zodat zij zich niet opnieuw zouden bezondigen aan afgoderij. Daarom had Israël het gebruik aangenomen om de sjofar te blazen op Rosh Chodesh Elloel en om de herhaalde oproep aan Mosje om de berg te bestijgen; Israël’s teshoewa na de zonde van het gouden kalf ; de vergiffenis die hun was verleend, en het geven van de tweede stel stenen tafelen.

De intentie om deze gebeurtenissen te herinneren is, om ons te sturen naar bekentenis van teshoewa. De sjofar word alleen geblazen na het ochtendgebed, omdat Mosje’s bestijging van de berg plaats vond vroeg in de ochtend.

De aard van de sjofarklank is, het opwekken van schroom in het hart, zoals is geschreven: “Als de sjofar wordt geblazen in de stad, zullen de mensen dan niet huiveren??” (Amos 3).

Het geluid van de sjofar proclameert : ” worden jullie wakker die slapen en worden jullie die ingedommeld zijn gewekt, gaat nauwkeurig jullie daden na en keer terug naar de goede weg ” ( RamBam, Maimonides).

Op erev Rosh HaShana wordt geen sjofar geblazen , met de bedoeling een scheiding aan te brengen tussen het sjofar blazen in Elloel, welke zijn oorsprong heeft in het gewoonterecht en het sjofar blazen op Rosh HaShana welke is opgelegd en voorgeschreven door de Thora.

SELICHOT

De essentie van de Selichot gebeden is , het reciteren van de ” dertien eigenschappen van Goddelijke barmhartigheid ” welke zijn weergegeven in het vers:
EEUWIGE, EEUWIGE, een almachtige G’D, barmhartig, en genadig, lankmoedig, vol van liefde, en waarheid, die liefde blijft betonen aan duizenden geslachten, die misdaad, schuld, en zonden vergeeft, maar niet geheel en al ongestraft laat en die de misdaad der ouders bij die van de kinderen gedenkt tot in het derde en vierde geslacht. ( Shemot 34 6-7 )

Evenzo wordt Widdoej ( zondebelijdenis ) gezegd tijdens selichot, omdat het eveneens een essentieel onderdeel is van de gebeden van vergiffenis.

En de Rabbijnen citeren Rabbi Jochanan die zegt: ” als het vers niet geschreven zou zijn, was het onmogelijk om het te zeggen. We leren van G D s woorden aan Mosje dat G D zich zelf als het ware omhulde met een taliet zoals een shliach tsiboer ( voorganger ) en hem leert de orde van het gebed van de dertien eigenschappen van Goddelijke barmhartigheid en G D zij tot hem: “Telkens als Israël zondigt, laten zij houden aan deze orde van gebed en IK zal hun vergeven”.

De dertien eigenschappen van Goddelijke barmhartigheid zijn als volgt:

1) Eeuwige: IK ben het die medelijdend is voordat de mens zondigt, hoewel IK weet dat hij uiteindelijk zal zondigen.

2) Eeuwige: En IK ben het die medelijdend is nadat de mens zondigt en spijt betuigt.

3) G’D: ook dit is een eigenschap van barmhartig zoals is gezegd : ” Mijn G D waarom heeft u mij verloochend? ” iemand kan niet zeggen tot de eigenschap van strenge gerechtigheid: “Waarom heeft u mij verloochend?”.

4) Die barmhartig is: HIJ is met barmhartigheid met de armen ; m.a.w. als je de armen en zwakken minacht, minacht je mij ook.

5) En Genadig: HIJ is genadig naar de rijken.

6) Lankmoedig: HIJ is geduldig en niet snel met het vorderen van vergelding, in de hoop dat de schuldige teshoewa doet.

7) Vol van liefde: Hij handelt met liefdevolle goedheid naar diegene die gebrek hebben aan verdienste.

8) En waarheid: Hij eert en beloont die zijn wil vervullen.

9) Die liefde blijft betonen tot in het duizendste geslacht: HIJ beschermd de liefdevolle goedheid welke een persoon doet voor HEM tot in het duizendste geslacht, zelf tot het tweeduizendste.

10) Die misdaad: verdraagzaamheid ten aanzien van overtredingen welke mensen begaan opzettelijk.

11) Schuld: HIJ draagt de ongerechtigheid die een persoon begaat in een opwelling van opstandigheid.

12) En zonden vergeeft: HIJ draagt zonden die niet moedwillig zijn begaan.

13) Maar niet geheel en al ongestraft laat: HIJ zal degenen zuiveren die teshoewa doen, maar niet degenen die verzuimen om teshoewa te doen.

De dertien Goddelijke eigenschappen worden alleen gezegd in een Minjan, een gemeenschap van tenminste tien mannen.

DEFINITIE VAN HET CONCEPT TESHOEWA

Teshoewa wordt doorgaans vertaald met berouw. Dat is geen teshoewa, omdat berouw in het Hebreeuws charata is. Niet alleen zijn deze twee termen niet synoniem, ze zijn elkaars tegengestelde. Charata houdt in: wroeging of een schuldgevoel over het verleden en de intentie om zich in de toekomst anders te gaan gedragen. De persoon wenst of beslist een herboren of een nieuw mens te zijn.

Teshoewa betekent terugkeren naar het oude, naar de natuurlijke origine van iemand. Grondprincipe van het concept teshoewa is: het feit dat elk mens in essentie goed is. Begeertes, verlangens en verleidingen kunnen hem tijdelijk afbuigen van zijn eigen wezen. Maar zijn essentie blijft waarheidsgetrouw. Het slechte wat hij doet is niet een deel van hem of doet niet af aan zijn zuivere natuur. Teshoewa is terugkeren naar jezelf, terwijl berouw inhoudt het verleden verdringen en opnieuw starten.

Teshoewa betekent teruggaan naar je G’ddelijke oorsprong, je innerlijke oorsprong die G’ddelijk is en te beseffen je ware ik. Bijvoorbeeld een tsaddik, een totaal rechtvaardig mens, die geen strijd meer in zichzelf hoeft te voeren, die een en al goed is, die alleen maar in dienst staat van G’D en medemens, zo’n mens heeft geen reden tot berouw. En een zondaar die niet in staat is om berouw te hebben, maar beiden kunnen teshoewa doen. De zondaar om terug te keren en de tsaddik om meer goed te doen. De rechtvaardige, ofschoon hij geen zonden doet, streeft constant naar zijn innerlijk, naar G’D. En de zondaar, hoe ver dan ook verwijderd van G’D, kan altijd terug keren, omdat teshoewa is niet iets nieuws creëren, alleen opnieuw ontdekken het goede dat altijd al aanwezig was in jezelf.