SJEMINIE ATSERET – SIMCHAT THORA, PARASHOT HABERACHA / BERESHIET

Soekot en Simchat Thora staan bekend als ‘De tijd van onze vreugde’. Een periode die overstroomt  van zuiver geluk, dat we met emmers kunnen opvangen. Van uit deze optiek dienen deze feestdagen als een natuurlijke beëindiging van de reeks die begon met de Hoge Feestdagen. Op Rosh Hashana en Jom Kippoer delen en verbinden wij de essentie van onze ziel met G’D. Op Soekot en Simchat Thora, komt de vreugde, die deze verbintenis innerlijk voortbrengt, tot uiting.

‘Waarom ben je zo overweldigend uitbundig?’, vroeg de geleerde aan de eenvoudige man. Het is Simchat Thora, de dag van vreugde om de Thora.

Aangezien jij niet geleerd bent, wat is jou connectie tot de Thora en waarom is het voor jou vandaag een reden om vreugdevol te zijn?

‘Wanneer de dochter van je broer trouwt neem je dan niet deel aan de feestvreugde?’ vroeg de eenvoudige man.

‘Natuurlijk,’ antwoordde de geleerde, onzeker over de intentie van de eenvoudige man. Nou, om dezelfde reden vier ik deze dag zo uitbundig feest, antwoordde de eenvoudige man. Alle Joden zijn broers van elkaar. Als het vandaag een feestdag is voor geleerden, is het evenzo een feestdag voor mij.

In feite is het zo, dat de reden van onze viering van Simchat Thora veel dieper gaat dan de connectie met de Thora die behaald is door studie.

Op Simchat Thora vieren wij onze connectie met de essentie van de Thora, een niveau dat het bevattingsvermogen geheel te boven gaat.

Om die reden wordt de viering gehouden met gesloten, dicht gebonden Thora.

Op Simchat Thora vieren we uitbundig feest omdat we Joden zijn en als Joden delen we de verbintenis  met de essentie van de Thora, een verbintenis die ons innerlijke verbindt met de essentie van G’D.

Op dit niveau zijn de eenvoudige man en de geleerde gelijk, want de ziel is een deel van G’D Zelf, zo oneindig en ongebonden als G’D. Dit geldt voor ons allen. Elke Jood heeft een ziel welke in essentie een G’ddelijke vonk is en dank zij deze vonk delen wij een connectie met de essentie van de Thora.

Zoals de Zohar verklaart: ‘Israël, de Thora, en de Heilige, Hij zij geprezen, zijn één.’

Om die reden vieren de eenvoudige man en de geleerde gelijkwaardig, want de ene is niet méér joods dan de andere.

In bepaalde mate is de viering van de eenvoudige zelfs groter, want zijn intellect zit hem niet in de weg, tot zijn connectie met zijn Joodse essentie.Met de uitstroom van vreugde op Simchat Thora, zetten wij onze koers uit in het nieuwe jaar. Met het verkrijgen van herstel met ons innerlijke wezen op de Hoge Feestdagen en de viering van deze connectie met G’D op Soekot en Simchat Thora, prepareren en verhogen wij de sfeer van ons dagelijks functioneren in het komende jaar.

CHAG SEMÉACH, GOED JOM TOV

PARASHAT WEZOT HABERACHA / BERESHIET

SHEMINIE ‘ATSERET – SIMCHAT THORA 
Op de feestdag van Sheminie Atseret – Simchat Thora (donderdag 16 en vrijdag 7 oktober), of de gecombineerde feestdag van Sheminie ‘Atseret-Simchat Thora (donderdag 16 oktober) in Israël, lezen we het laatste gedeelte van de ThoraWeZot HaBreracha. Direct, aansluitend, begint de voorlezer de eerste Thora paragrafen te lezen van Bereeshiet, als het einde verbinden met een nieuw begin. Het hele gedeelte van Bereshiet wordt gelezen op de eerste Shabbat na Simchat Thora, welke dit jaar 28 september is.

PARASHAT WEZOT HABERACHA        En dit is de zegen

Deuteronomium. 33:1 – 34:12

Rabbi Shimon bar Jochai.

Het verwelkomen van gasten in de Soeka.

Zohar, Emor bladzijde 103b.

In Chok L’Jisrael, geeft de Arizal uitleg van parashat Emor van de Zohar, welke correspondeert met parashat WeZot HaBeracha.

Kom en zie, op het tijdstip, wanneer een persoon gaat verblijven in de schaduw van de soeka, welke de schaduw van het vertrouwen is, spreidt de G’ddelijk aanwezigheid Haar vleugels over hem uit en Abraham [representerend Chesed], en vijf andere tsadikiem delen hun verblijf met hem.

Rabbi Aba zegt, Abraham, en vijf andere tsadikiem, en Koning David maken hun verblijf met hem. Het bewijs hier voor ligt in het “Zeven dagen moeten jullie in hutten [Soekkot] wonen” (Leviticus. 23:42).
De Tekst zegt: “Zeven dagen” en niet “gedurende zeven dagen” [verwijzend naar zeven sefirot van Chesed tot Malchoet]. Gelijk is geschreven “Omdat de Eeuwige in zes dagen hemel en aarde maakte.”

Dit laat zien dat de zes dagen, de zes sefirot zijn; ChesedGevoeraTiferet, NetzachHod en Yesod, welke samen, de “zes dagen” worden genoemd.
Door deze sefirot creëerde G’D de hemelen en aarde.

Dus zal een persoon door en door gelukkig moeten zijn, gedurende de dagen van Soekkot, en zijn gezicht zal vreugde moeten uitstralen in het hebben van zulke grote spirituele gasten met hem, in de Soeka. Rabbi Aba zegt dat de tekst in het eerste gedeelte van de zin, is geschreven in de tegenwoordige tijd en vervolgens, het tweede gedeelte van de zin, in de toekomende tijd: “Zeven dagen moeten jullie in hutten [Soekkot] wonen, alle ingezetenen in Israël zullen in hutten [Soekkot] wonen.”
De eerste heeft betrekking op de spirituele gasten en de tweede refereert aan mensen in deze wereld.
De eerste, refererend aan de spirituele gasten, is voortgebracht door de gewoonte van Rav Hamnoema Saba: Als hij de soeka binnenging was hij blij en gelukkig [om een vreugdevolle gezicht uitstraling te tonen aan de spirituele gasten] en ging staan bij de ingang [om aan de gasten duidelijk te maken niet binnen te gaan, tenzij de huiseigenaar aanwezig is]. Dan zou hij zeggen: “De gasten zijn uitgenodigd binnen te komen.”
Vervolgens schikte hij de tafel voor zijn gasten, stond op om hen welkom te heten en sprak de zegening over de mitzwa uit “……..om in de soeka te zitten”. Naderhand zal hij tegen zijn spirituele gasten zeggen, “G’D heeft opgedragen, “Zeven dagen moeten jullie in hutten [Soekkot] wonen”.
Neem alstublieft plaats, gasten van de hogere werelden, neem plaats gasten van het vertrouwen, neem plaats.” Dan zal hij zijn handen opheffen [om zijn 10 sefirot samen te voegen, aangegeven door zijn tien vingers, met de zeven hogere sefirot die hem bezoeken] en vreugdevol zeggen, “Hoe gelukkig is ons deel, hoe gelukkig is het deel van Israël, zoals het is geschreven, “Maar het deel van de Eeuwige is Zijn volk, Ja’akov is Zijn toegemeten erfgoed.” (Deuteronomium. 32:9).

Het belang van een gezicht dat geluk uitstraalt is, dat blijdschap een mechanisme is om deze zeven sefirot te verheffen naar het niveau van bina, en het vers brengt het nederige feit voort, dat deze gasten niet komen uit iemands individuele verdienste; maar dat zij eerder komen omdat G’D Israël heeft gekozen als Zijn volk.

GOED JOM TOV

PARASHAT BEREESHIET

In het begin

Genesis. 1:1 – 6:8

Rabbi Jitzchak Luria

Zichtbaar vanuit het niet Zichtbare

Etz Chaim, geschriften van de Ari, Sha’ar Rishon, Droesh Igoeliem V’Yosher, Anat Beth.

Weet dat vóór enig uitvloeisel was voortgekomen of enig geschapene werd gecreëerd, was er een enkel [compleet en perfect], hemels [verheven, transcendentaal] Licht dat de hele existentie vulde. Er was geen lege “plaats”, of lege ruimte. De hele realiteit was gevuld met OR EIN SOF [Licht Zonder Einde, of eenvoudig, Oneindig Licht]. Er was geen categorie van “begin” en geen categorie van “eind”. Alles was één, verenigd, simpel, ongedifferentieerd, alomtegenwoordig en homogeen Oneindig Licht, “Or Ein Sof” genoemd.

Wanneer het oprees in Zijn Wil om werelden en uitvloeisels te laten voortkomen, om tot licht te brengen, met andere woorden, de perfectie van Zijn handelingen, Zijn Namen en Zijn eigenschappen kenbaar te maken, wat het eigenlijke doel van her Scheppen van alle universums is, trok en beperkte Hij Zijn Oneindige Essentie weg van het middelpunt van Zijn, dat is van het absolute middelpunt van Zijn Licht [om een “plaats” te creëren waarbinnen een systeem van differentiële dimensies of werelden kunnen voortkomen en tot stand kunnen worden gebracht]. Aangezien oneindigheid uiteraard geen middelpunt heeft, wordt dit alleen gezegd vanuit het gezichtspunt van de “ruimte” die op het punt staat te worden gecreëerd. Hij beperkte dus dat Licht, distantieerde het naar het uiterste, rond dit middelpunt, achterlatend een vrije ruimte hol en leeg…

En Ziedaar, na deze beperking, die resulteerde in de schepping van een “vrijgekomen ruimte” een holle leegte in het midden van het Oneindige licht van Ein Sof, was er een “plaats” voor alles wat voort kan worden gebracht, [Atziloet] creëerde [Beriya], vormde [Yetzira], en completeerde [Asiya]. Hij trok voort een enkele rechte Straal van Zijn Oneindig Omgevend Licht [en verlengde het neerwaarts] in de vrijgekomen ruimte. Deze Straal daalde in fases neer in de vrijgekomen ruimte. Het hoogste uiteinde van deze Straal raakte en kwam voort van het Oneindige licht van de Ein Sof [ dat de Ruimte omgaf] en strekte zich neerwaarts [in de vrijgekomen ruimte richting middelpunt] maar niet helemaal tot de bodem [zodat het niet het ineen storten van de vrijgekomen ruimte veroorzaakt, met als gevolg dat het zich opnieuw verenigt met G’D’s Oneindig licht]. Het was door deze Straal [dienend als een kanaal] dat het Licht van de Ein Sof neerwaarts werd getrokken en beneden werd uitgespreid. In deze vrijgekomen ruimte, emaneerde, creëerde en vormde en completeerde Hij vervolgens alle werelden. Door deze Straal, welke diende als een beperkt kanaal, spreidde het uitvloeiende Hemelse Licht van de Ein Sof voort en vloeide neerwaarts in de universums die waren gevestigd binnen die Lege Ruimte.

SHABBAT SHALOM

SOEKOT- LOOFHUTTENFEEST, SHABBAT CHOL HAMO’ED SOEKOT

De Zohar vertelt ons dat de “Ushpizien,” (letterlijk, invitatie om plaats te nemen), de zeven “Herders” van het Joodse Volk, iedere Jood in zijn Soeka bezoekt, elke nacht een ander. En elk van hen is een paradigma voor één van de zeven G’ddelijke eigenschappen.

1e dag – Abraham – chesed

2e dag – Isaac – gevoera

3e dag – Jacob – tiferet

4e dag – Mozes – netzach

5e dag – Aaron – hod

6e dag – Josef – jesod

7e dag – David – malchut

Aan Rabbi Menachem Mendel van Kotsk, werd eens verteld dat een zekere tsadiek, die van zich zelf zei, dat hij elk jaar alle zeven Ushpizien in zijn soeka ziet. de Kotsker antwoordde: “Ik zelf zie ze niet, maar desondanks geloof ik de verklaring van onze Wijzen ,in zaliger nagedachtenis, dat zij naar elke Soeka komen. En door dit te geloven, zie ik meer dan zij doen met hun ogen!”

GOED JOM TOV SHABBAT SHALOM

DE TIEN DAGEN VAN INKEER EN JOM KIPPOER

Door oprecht gebed kan onze spirituele identiteit volledig worden veranderd.

Jom Kippoer, één van de meest heilige dagen van het Joodse volk, complementeert de “Tien dagen van Inkeer” die beginnen op Rosh Hashana. Het vers dat de Rabbijnen gebruiken om deze dagen te beschrijven is “Zoek naar G’D zo lang Hij gevonden kan worden, roep Hem wanneer Hij nabij is”(Jesaja 55:6), geciteerd in Tractaat Rosh Hashana 18a. Zij verklaren dat G’D dicht bij elke Jood is tijdens deze dagen. Deze kennis en ingeboren gevoel helpen ieder persoon een grotere inspanning te verwezenlijken om nog dichter bij G’D te komen. Gedurende elke van de Tien Dagen groeit deze energie tot het zijn hoogte punt bereikt op Jom Kippoer en brengt ons naar het niveau van “aangezicht tot aangezicht” met G’D, een niveau van verbinding die het hele jaar aanhoudt. Dit verheven niveau is verwant aan het niveau dat Mozes bereikte op de Berg Sinaï, toen hij de tweede stel stenen tafelen van het verbond ontving.

Het was de gewoonte van de Ari, de grote kabbalist van Safed, om elk van de dagen Psalm 130 toe te voegen aan de liturgie voor het Shema en zijn zegeningen in de ochtenddienst. Deze Psalm begint met de woorden, “ Een opstijgend lied, Uit de diepten roep ik U, G’D, mijn Meester, luister naar mijn stem, mogen Uw oren aandacht hebben voor mijn smekende roep.” De eenvoudige betekenis van dit vers is dat een persoon G’D aanroept vanuit de diepten van zijn pijn en conflict. Echter de innerlijke dimensie van het vers verlangt van ons meer: “Vanuit de diepten” refereert aan het niveau van bewustzijn dat haalbaar is voor elke Jood, door onze concentratie en inspanning roepen we G’D aan vanuit ons innerlijke zijn, de diepten van onze ziel.

Rabbi Shneur Zalman van Liadi verklaart dat het woord voor “diepten”, “ma’oekiem”, letterlijk, “vanuit de diepten” moet zijn. De Psalmist gebruikt het woord “ma’amakiem”, letterlijk van diegene die diepte maken, implicerend daad, iemand die dieper graaft in zijn ziel, voorbij alle façaden, naar een plek van innerlijke oneindige waarheid. Als je verzekerd wilt zijn dat je roep zal worden gehoord, moet het van deze plek komen. De Tien Dagen van Inkeer geven ons de mogelijkheid om de diepste diepten van ons innerlijk te bereiken.

De Baal Shem Tov wordt geciteerd toen hem werd gevraagd, “Hoe kunnen we de vrijpostigheid bezitten om te denken dat als we bidden, G’D, de orde van de natuurlijke structuur van de Schepping zal veranderen om ons verzoek in te willigen?” Hij antwoordde dat elk persoon een stroom van zegeningen krijgt uit de hemel; iemands negatieve gedrag veroorzaakt dat deze zegeningen worden gereduceerd en zelfs worden geblokkeerd. Wanneer een persoon bidt vanuit het diepste van zijn ziel, diep gravend en zichzelf open stelt, verandert er iets in de persoon zelf, het verandert hem compleet. Het Hemelse Gerecht kan dan deze blokkaden verwijderen. Het besluit dat veroorzaakte dat zegeningen werden afgesneden is niet meer van toepassing omdat door gebed die persoon zich heeft getransformeerd in iemand anders.

Laat de Tien Dagen van Inkeer niet voorbij gaan zonder gebruik te maken van deze nabijheid tot G’D.

ALS JOM KIPPOER, GROTE VERZOENDAG, OP SHABBAT VALT

En dit zal voor jullie een eeuwige wet zijn : In de zevende maand, op de tiende van de maand, moet je vasten en geen enkel werk verrichten, noch de proseliet noch de vreemdeling. Want op die dag zal men verzoening voor jullie verkrijgen om jullie te louteren, van al jullie zonden zullen jullie tegenover de Eeuwige rein worden.
Het is een Shabbat van Shabbaton voor jullie, een dag waarop je vast en geen enkel werk verricht, een eeuwige wet. (Leviticus. 16:29-31)

We weten dat Shabbat een concept van de Thora is. Van deze twee verzen kunnen we zien, dat beide, Shabbat en Jom Kippoer “Shabbat van Shabbaton” worden genoemd, de ultieme expressie van Shabbat. Wanneer de twee samenkomen bereiken de gebundelde interessen ongekende hoogten.

De Talmoed verklaart, “Als heel Israël twee maal achtereenvolgens Shabbat zou houden, zouden zij onmiddellijk worden verlost.” (Shabbat 118b)
Het boek Noam Megadiem (parasha Emor), van Rabbi Eliezer Ish Horowitz, een discipel van Rabbi Elimelech van Lizhensk, geeft een fascinerende interpretatie weer van deze Talmoedpassage; dat de twee Shabbatten verwijzen naar de twee Shabbatten welke samenvallen. Dat kan alleen zijn als Jom Kippoer samenvalt op Shabbat. Dan is de directe mogelijkheid van onmiddellijke verlossing van ons volk voorhanden. Het enige wat we moeten doen is, ze in acht nemen, onszelf van ganser harte plaatsen in dienst van de dag, zonder te worden afgeleid.

In principe is in elke Jom Kippoer de mogelijkheid aanwezig van een snelle verlossing. De heilige Zohar (parashat Noach) verklaart, dat zelfs als het volk in een enkele synagoge volledig teshoewa zou doen, op Jom Kippoer, het Joodse Volk onmiddellijk zou worden verlost! Dit is des te meer dit jaar het geval, wanneer de twee ultieme Shabbatten samenvallen. Een unieke gelegenheid.

Moge de komst van Mashiach deze Jom Kippoer een realiteit zijn.

GOED JOM TOV EN SHABBAT SHALOM

ROSH HASHANA – PARASHAT HA’AZINOE

DE DIEPERE REDEN VOOR HET BLAZEN VAN DE SHOFAR

 Voordat we dieper ingaan op enkele mystieke esoterische aspecten van het blazen van de shofar op Rosh HaShana, moeten we begrijpen waarom we de shofar blazen. Als de Thora spreekt van Rosh HaShana, de eerste dag van de Zevende Maand, zegt het eenvoudig: “Dit zal voor jou een ‘dag van teroe’ah’ zijn. De geleerden van de Talmoed (Rosh HaShana. 33b) begrijpen en maken hieruit met zekerheid op dat het een dag van blazen van de Shofar moet zijn en een andere Talmoedische passage zegt, we blazen de Shofar simpelweg omdat “Rachmana amar teko,” ‘de Barmhartige het zegt’. Het vereist geen te begrijpen reden voor het doen van mitzwot, want zij vinden hun oorsprong in de absolute eenvoud van G’D’s Eenheid.

Niettemin zijn we denkende wezens en we zijn gecreëerd om te trachten de zin en de bedoeling te vinden. Om die reden mogen we ook ethische, filosofische en mystieke ‘redenen’ van de mitzwot onderzoeken.

 KLANKREDENERING

 Er zijn twee reeksen van Shofar klanken die geblazen worden op Rosh HaShana. De eerste reeks wordt tekiat m’joeshav genoemd, ‘zittende stoot’, en de tweede reeks wordt ‘tekiat m’oemad’, staande stoot genoemd. We komen hier op terug om het verschil te bespreken tussen deze twee typen. Laten we eerst aantekenen dat door het blazen van de eerste reeks, die bestaat uit dertig Shofar klanken, we de mitzwa van Shofar hebben vervuld. De vraag is, waarom we verder moeten gaan met het blazen van een tweede reeks, de ‘tekiat m’oemad’? De Talmoed zegt dat de reden voor de tweede reeks is “l’arvev et hasatan”, om de Satan in verwarring te brengen. (Rosh HaShana. 16b)

De grote 11e eeuw commentator, Rabbi Shlomo Yizchaki, beter bekend als Rashi schrijft, dat als de Satan ziet dat we de mitzwot eren en lief hebben, en zelfs een extra reeks van Shofar klanken op ons nemen, hij, de Satan zo verstomd is dat hij mensen niet kan hinderen bij de uitvoering van de mitzwot en hij hen niet kan aanklagen voor hun misstappen.

Rashi’s kleinkinderen, de auteurs van Tosefot, schrijven dat de tweede reeks is geassocieerd met “de klank van de Grote Shofar”. De Grote Shofar, volgens de profetie, is een mystieke klank die het begin van de kosmische Verlossing zal aankondigen. Als deze tijd komt “zal de dood worden verzwolgen”, deverdeeldheid en hetkwaad en ook de Satan zelf, zal verdwijnen.  Om die reden, als de Satan onze tweede reeks van de Shofar tonen hoort, op Rosh HaShana, wordt hij geagiteerd en kan zich niet richten op zijn taak om te verhinderen.

De letterlijke betekenis van teroe’ah, ‘blazen van de Shofar’ is “het breken”, van het woord re’oe’a, ‘gebroken’, wat etymologisch het maken van gebroken tonen, klanken suggereert en klanken die obstakels breekt. Doch ten aanzien van de Grote Shofar van de Toekomstige Verlossing, zegt de Thora “Op die dag zal de Grote Shofar taka zijn,” verwijzend naar de ononderbroken, langdurende klank, genoemd tekiah. Dit is een klank van sterkte en vertrouwen in plaats van die van gebrokenheid. “Takiah komt van het woord teka, wat ook fysieke intimiteit of copulatie betekent (Yevamot 54a). Daarom is het een toon die “verzamelt” en verenigt.

De Shofar werd soms geblazen om mensen waakzaam te maken voor een komende veldslag. Deze klank bezielt vrees, het doorbreekt de alledaagse menselijk staat van denken. Dit kan een van de redenen zijn dat de Rambam zegt dat de Shofar het besef van teshoeva oproept. De klank doordringt het ego als het ware en brengt de innerlijke antagonist tot beven en instorting. 

ZITTEND EN STAAND

De tonen van de eerste reeks worden “zittende stoot” genoemd omdat het ons technisch is toegestaan om te zitten tijdens het luisteren van de toonklanken. Allegorisch echter kunnen de toonklanken betekenen dat de toonklanken zelf zitten. Wanneer een persoon zit, is de rechte lijn van de stand van zijn lichaam “gebroken” in hoeken. Een deel van de lijn strekt zich dan uit horizontaal, ‘brekende’ de ruimte rond de lijn en breidt zich uit in die ruimte. Dit is een illustratie van hoe de klanktonen van de eerste reeks zich uitbreiden in de innerlijke ruimte van het ego en de innerlijke Satan breekt.

De klanktonen van de tweede reeks zijn “staande stoot”, omdat we staan in het Amidah Gebed wanneer zij worden geblazen. Als iemand staat breidt hij niet langer uit in horizontale ruimte als in een zittende stand, maar maakt de lijn van het lichaam recht, brengend daarbij de ruimte rondom hem dichterbij en verheft zijn energie opwaarts. Dit brengt de Satan in de war, want nadat hij is “gebroken” en weggezonden, wordt hij plotseling ‘ingesloten’ en ‘verheven’.

RECITATIES

Eerste Reeks

Voordat we de eerste Shofar reeks blazen, reciteren we specifiek gekozen Psalmverzen die ons voorbereiden om te mediteren op het geluid van de Shofar. In de eerste keuze, Psalm 47, komt de Naam Elokiem zeven keer voor. Elokiem representeert G’ddelijke constrictie: als de beperking of verhulling van het onbeperkte. Door zeven keer deze Naam te reciteren, beginnen we met het doorbreken van de zeven sluiers die Realiteit verhullen. Dan reciteren we het vers Tehilliem (Psalm), 118:4, “Van een ruimte van constrictie roep ik Ha Shem; HIJ antwoordt mij vanuit een ruimte van uitgebreidheid.”  Nogmaals, we richten ons op het te boven komen van de twee tegenstrijdige energieën, bewegend van een staat van innerlijke constrictie naar een staat van uitgebreidheid. Daarna reciteren we zes verzen. De eerste letters van deze verzen vormen een acrostichon, een naamdicht, “kra satan,”scheur de Satan aan flarden”. Ten slotte herhalen we een vers van Psalm 47: “Ala Elokiem b’teroeah,” ‘Elokiem is verheven met een teroeah’.

Wanneer de Shofar is geblazen, zal de Naam Elokiem zelf worden verheven naar een meer expansief niveau, waar alle spirituele opposities worden opgelost.

Het woord shofar zelf impliceert constrictie en het blazen van de shofar symboliseert het opblazen van alle constricties. Shofar wordt gespeld met een Shin, Vav, Pé en Résh. Numerieke waarde, Shin 300, Vav-Pé 86 en Résh 200. Al deze drie nummers zijn intrinsiek, op een ingewikkelde wijze verbonden met de Naam Elokiem.

Zes en tachtig is de numerieke waarde van de letters die de Naam Elokiem spellen.

Alef-1. Lamed-30. Hé-5. Joed-10. Mem-40 =86.

Driehonderd is de numerieke waarde van de deze zelfde letters, tellend de volle waarde van elke letter. De letter Alef wordt gespeld Alef-1. Lamed-30. Pé-80 = 111.

De letter Lamed wordt gespeld Lamed-30. Mem-40. Dalet-4 =74

De letter Hé wordt gespeld Hé-5. Joed-10 =15

De letter joed wordt gespeld Joed-10. Vav-6. Dalet-4=20.

De letter Mem wordt gespeld Mem-40. Men-40 =80.

111+74+15+20+80 =300.

Twee Honderd is de numerieke waarde van deze vijf letters wanneer ze cumulatief wordengeteld. Alef is=1. Alef Lamed=31. Alef Lamed Hé=36. Alef Lamed Hé Joed=46. Alef Lamed Hé Joed Men=86. 1+31+36+46+86=200. Wanneer we een Shofar in onze handen nemen en blazen met de intentie van hart door de Naam Elokiem, de juiste Kavanah, een meditatieve concentratie, verstandelijk en emotioneel, dan zijn alle restricties aan stukken.  Mediterend is iets van groot belang:  Havaja Elokim

 

TWEEDE REEKS

In de tweede reeks blazen van Shofar, reciteren we het vers beginnend met de woorden “Lohibit avon b’yakov,” ‘Zie geen enkele onvolledigheid in Jacob.’ Het woord Jacob is gerelateerd aan het woord voor “hiel”. Het vers suggereert dat we ons nu niet hoeven te concentreren op of te vechten met enige belemmering waar dan ook binnen onze “hiel”, onze lagere zelf, want de negativiteit van de Satan is geneutraliseerd. We proeven nu reeds het expansieve begrip van de Toekomstige Verlossing.

Gedurende dit deel van liturgische dienst reciteren we ook verzen met het dringende verzoek om de G’ddelijke Realiteit “over de hele wereld te regeren,” verzen die G’D’s herinnering bevestigen aan de liefde voor ons, en verzen die beschrijven hoe G’D Zich aan ons heeft geopenbaard vooraan de Berg Sinai. Sommige verzen spreken van de Grote Shofar die de Komende Verlossing van de Mensheid zal aankondigen. Het geluid van de Grote Shofar zal ons verzamelen als we de Verbanning verlaten, ons verenigend: “…..zij zullen komen van Ashoer en van Egypte.” Al deze verzen duiden op een thema van gescheiden delen samen brengen, in plaats van verspreiding en uit elkaar vallen.

Eenwording is het geheim van “verzachten” “zoeten”.

UNIFICATIE

Het woord shofar wordt gespeld Shin-Vav-Pé-Résh. We kunnen dit woord opsplitsen en het analyseren om er spirituele betekenis van af te leiden.

Pé en Résh (of ‘par’) hebben samen een numerieke waarde van 280. Het getal 280 is ook de som van de “mantzpach”, de vijf letters van het Hebreeuwse alfabet die van vorm veranderen wanneer ze staan aan het eind van een woord, de zogenaamde sluitletters, (Mem/40, Noen/50, Tzadik/90, Pé/80 en Chaf/20. Omdat deze vorm alleen verandert aan het einde van woorden, worden de “mantzpach”, beschouwd als ‘limiterende’ letters; dus representeren zij de vijf gevoerot, of diniem, de vijf basis krachten van constrictie als beperking en verhulling in het universum.

Shin en Vav samen spellen het woord shav, ‘gelijk’. Dus de ‘shav par’, de shofar, unificeert en maakt de gevoerot en hun expansieve tegenovergestelden gelijk, op zodanige wijze dat de krachten van strengheid in deze wereld worden verzacht, gezoet. Wanneer deze verzoetende werking is voltooid, zal de G’ddelijke Wil van de Barmhartige regeren over de hele wereld.

Moge we deze verdienste ervaren zowel innerlijk en als een externe realiteit.

SHANA TOVAH  VEKETIVAH VACHATIMAH TOVAH

 

PARASHAT HA’AZINOE

Midrash Tanchoema Naso; Bamidbar Rabba 13:6

Neig het oor (Deuteronomium 32:1 – 32:52)

Omdat alle aspecten van de Thora zijn gerelateerd aan de seizoenen waarin zij gelezen worden, ligt het voor de hand dat de lessen van Mozes uitzonderlijk relevant zijn gedurende de Tien Dagen van Inkeer, in welke we parasha Ha’azinoe lezen.

Hoe bereiken we niveaus?

Gedurende het gehele jaar is de dienst van een Jood aan G’D het meest betrokken met “aardse dingen”, Thora en de mitzwot. Met de komst van de Tien Dagen van Inkeer echter, voelt elke Jood zich onvoldaan met zijn aardse toestand en heeft hij het verlangen om teshoewa te doen, terug te keren en omhuld te worden door G’D.
“Een persoon fundeert heiligheid vanuit zijn verlangens”. Vandaar dat dit verlangen om absoluut één te zijn met G’D z’n persoon direct beïnvloed, waardoor hij een staat bereikt “dichtbij de hemel” (het G’ddelijke) en “weg van de wereld”.
Doch dit is echter alleen maar de eerste fase. Spoedig daarna is zijn dorst naar G’ddelijke openbaring gelest en dezelfde persoon realiseert zich vrij snel, dat G’D’s essentie veel gemakkelijker bereikbaar is, door de wereld te transformeren tot een verblijfplaats voor Hem. De persoon voelt zich dan “dichterbij de wereld en ver van de hemel”, hij beseft dat niets belangrijker is, dan dat aardse wezens dragers van G’D’s essentie worden. En dit wordt volbracht door het vervullen van G’D’s gepassioneerde verlangen om een verblijfplaats te hebben, voor Zijn Essentie, in de lagere sferen, met andere woorden, deze wereld.

SHABBAT SHALOM

HET HALACHISCH TREURPROCES

De culminatie van Tisha Be’aw in de cyclus van de Joodse kalender biedt een diepzinnig inzicht in de totstandkoming, functie en formulering van Halacha.

Tisha Be’aw ( de 9de dag van de maand Aw ) herdenkt de verwoesting van de Eerste en de Tweede Tempel. In de totstandkoming van de te volgen regels die nodig waren om de harten en zielen van de overlevende Joden, veroordeelt tot verbanning, te engageren stonden de Rabbijnen voor een enorm dilemma ten aanzien van de toekomstige generaties.

Uiteraard treurden de eerste overlevenden met een oprecht sterk verlangen omdat ij de schroeiende impressies van het stervende as en het verlies van de brandende Tempel van nabij hadden ervaren.

Maar wat zou er gebeuren met hun nakomelingen, als de Tempel een ruïne zou blijven? Zouden de komende generaties waarlijk de centralisatie van de Tempel in het leven van Joden kunnen doorgronden? En zeer belangrijk, als Jeruzalem en haar Heilige Tempel waren vergeten, was er een kans om als natie te overleven?

De Joodse historie is het levende bewijs dat de geraamde methode van de Rabbijnen een succes is. Als we het levensgedrag van Joden analyseren gedurende de Drie Weken ( tussen de 17de dag van de maand Tammoez, de dag waarop de muren van Jeruzalem werden doorbroken, en de 9de dag van de maand Aw, toen de Eerste en de Tweede Tempel opgingen in vlammen ) leren we het geheim van het geniaal Rabbijns denken.

Wat we zien zijn fases in het treurproces. De 17de Tammoez doet zijn intrede door een lichte schok, vasten van even voor zonsopgang tot aan het vallen van de avond. Eveneens vanaf deze dag zijn alle festiviteiten van de komende drie weken sterk begrensd. Geen samenkomende festiviteiten of trouwpartijen; het haar laten knippen en ( volgens vele gewoonten ) scheren verboden. De eerste dag van de maand Aw markeert de tweede treurronde. Negen dagen, uitgezonderd Shabbat, wordt er geen vlees gegeten, noch wijn gedronken, kleding wordt niet gewassen en het zwemmen voor plezier is verboden.

Dan gedurende de actuele week in welke het vasten van Tisha Be’Aw valt ( volgens vele gewoonten ) is zich scheren en sociale bijeenkomsten verboden.

De meest intense uitdrukking van treurnis is gereserveerd voor de dag van de 9de Aw zelf, 24 uur niet eten en drinken gelijk aan Jom Kippoer. We dragen geen leren schoenen, geen seksuele omgang.

We brengen de eerste helft van de dag zittend op de grond door of op een laag stoeltje en stellen het aanleggen van Tefillien uit tot het middaggebed, omdat Tefillien wordt gezien als een sierraad, onverenigbaar met treuren. Door ons open te stellen voor successievelijk fasen van psychische ontberingen ( de Drie Weken, de Negen Dagen, de week van de vastendag en de vastendag zelf ) hebben de Rabbijnen door de eeuwen heen ons getraind hoe we ons moeten gedragen van een minimale emotionele betrokkenheid naar een intens moment, de immense omvang van de verwoesting van de Tempel, van bewust beleven zelfs tweeduizend jaar later.

De treurprocedure van de Drie weken van Tammoez en Aw in vergelijking met een individueel rouwende over het verlies van een dierbare, ontdekken we, op een kleine uitzondering na, een verbazend parallel. Weeklagen over Jeruzalem voert ons vanuit een schappelijke naar een meer strengere uiting van treuren tot aan de laatste dag, de indrukwekkende dag, waar wij ons zittend op een laag stoeltje bevinden en waarlijk het verlies ervaren van Zion onder gezang van de regelmatig terugkerende melodie van klaagliederen.

Maar met plotseling overlijden, is de treurervaring omgekeerd.

De krachtige uiting van pijn is aan de eerste dagen voorbehouden, de intensiteit neemt daarna in gradaties af. De rouw over een dierbare begint door te zitten op een laag stoeltje en eindigt met het verbod van groepfestiviteiten.

De reden is zeer duidelijk. Het verliezen van een hecht familielid laat een gapende wond na, zo rauw en zo kwetsbaar dat aan de pijn onmiddellijk vorm moet worden gegeven. De verplichting voor gebed en tefillin zijn uitgesteld tot na de begrafenis. Voor de komende zeven dagen ( shiwa ) zit de rouwende op de grond of een laag stoeltje; hij verlaat het huis niet en scheert zich niet.

Na de zeven dagen keert hij terug tot simpele routine buitenshuis, en voor dertig dagen uit zich zijn verdriet door onthouding van scheren en haarknippen. Uiteindelijk, wanneer de maand voorbij is, kan hij zijn fysieke uiterlijk op orde brengen, maar een geheel jaar moet voorbij gaan voordat hij deel kan nemen aan openbare festiviteiten en feestelijk vieringen. De Joodse wet poogt erkentelijkheid te betuigen voor de traumatische schok van de treurende, geeft aan zijn gevoelens de juiste uitingen en vergemakkelijkt hem de weg terug tot de gemeenschap; dit kan niet worden bereikt in een week, of zelfs in een maand, zodat de terugkeer van de treurende in de gemeenschap gradueel is.

Maar treuren over de Tempel, wiens existentie afstandelijk is, van etherisch gehalte, verschilt radicaal met het verdriet van een wees of een weduwe; Halacha poogt ons bewust te maken van de betekenis van het verlies van de Tempel, dit kan alleen bereikt worden door een gradueel proces. Dus van lichtere naar meer moeilijker regels.

Door de twee treurprocessen naast elkaar te plaatsen, kunnen wij begrijpen hoe Halacha penetreert binnen het menselijke gedrag.

Napoleon passeerde eens een synagoge, zegt de legende, waar vanuit klaaggezangen te horen waren, hij wilde weten welke grote tragedie de Joden had overvallen. Zijn adjudanten informeerden hem dat de klaagliederen vanwege de verwoesting van de Tempel in Jeruzalem was, de keizer was zeer verrast dat het nieuws hem nimmer had bereikt. Toen hij bovendien ontdekte dat de gebeurtenis 1800 jaar eerder had plaatsgevonden, was hij uiterst verbaasd.

Napoleon commentarieerde toen dat als een natie zo lang kan treuren over een gebouw dat zij nooit hebben gezien, de dag moet komen dat het Joodse Volk de herbouw zal zien—, en in de voetstappen van de Tempel- leerstelling: wereldvrede. Mag dit spoedig het geval zijn.

Begin Tisha Be’aw en vasten maandagavond 31 juli, half uur voor zonsondergang.

SJAWOE’OT – WEKENFEEST

De Zohar 1 verklaart dat de feestdag van Sjawoe’ot meer verheven is dan alle andere feestdagen. Het wordt tussen Pesach en Soekot gevierd, omdat het het absolute middelpunt van alles is; want de Thora is het absolute middelpunt.

Sjawoe’ot wordt maar één dag gevierd, in tegenstelling tot Pesach en Soekot, welke respectievelijk zeven en acht dagen. Dit doet niets af aan haar bijzonderheid, want de dag van Sjawoe’ot bewerkstelligt het feit van “Wie is gelijk Uw volk, zoals Israël, één natie in deze wereld.”2

Dit absolute denkbeeld betekent , dat ultieme eenheid is gegrondvest in de Thora welke daarom speciaal was gegeven in de derde maand.3

Centralisatie, in het midden, heeft twee voordelen: a) De centrale positie is meer eminent dan de twee uiteinden. De Gamara stelt daarom, “De meester gaat in het midden , de senior discipel aan de rechter en de junior discipel aan de linker kant.”4

b) Het middenpunt is de oorsprong voor alle andere richtingen, want het gaat op naar keter de kern en bron van alle Sefirot.5

De centralisatie van het feest van Sjawoe’ot heeft deze beide eigenschappen: a) Sjawoe’ot is op zichzelf méér subliem dan alle anderen feesten; en b) op Sjawoe’ot is ons de Thora gegeven welke alle andere feesten bevat.

Het hoofd aspect van Sjawoe’ot, zoals is verklaard, is Thora. De superioriteit van Thorastudie over het doen van mitzwot zijn beide zichtbaar in deze eigenschappen:

a) Thorastudie is hoger dan alle mitzwot, zoals onze wijzen zeggen , “De studie van Thora is equivalent aan hen allen.”6

b) Thorastudie is de oorsprong en leidt naar alle mitzwot ” Thorastudie is hoger omdat het tot uitvoering leidt.”7

Aldus, nader verklaart: De 613 voorschriften corresponderen met de 613 componenten in het menselijke lichaam: 248 geboden corresponderen met de 248 organen en 365 verboden corresponderen met de 365 bloedvaten.8 Thora correspondeert met de hersenen, het intellect.9

Het overwicht van het intellect over de componenten van het lichaam is tweevoudig: a) De vitale kracht van de hersenen reikt uit over alle anderen lichaamsdelen.

b) het brein bundelt de vitaliteit van alle andere lichaamsdelen en is tevens een bron voor hen.10

Analoog aan dit is het geciteerde overwicht van de Thora over alle andere mitzwot.

Centralisatie heeft het bijkomstig voordeel om op te stijgen naar het hart en essentie van keter, welke zelfs het niveau te boven gaat van de oorsprong en bron van de sefirot in Keter.11

Hetzelfde geldt ten aanzien van Thora. De twee eigenschappen van ” leidt tot uitvoering ” en ” superioriteit over alle mitzwot ” zijn vermogens in de mitzwa van Thorastudie. Echter, de Thora heeft van zichzelf de bijkomende omstandigheid van het absolute zijn van ” de Wijsheid van de Almachtige “: “Ik ben met Hem als een handwerker”.12

Dit is inderdaad de ware betekenis van Thorastudie lishma, “voor zijn eigen belang, ” m.a.w. “voor het belang van de Thora zelf.”

Dat impliceert dat iemand niet leert voor het belang om kennis te vergaren en hoe hij zich moet gedragen, noch voor het belang van het doen van mitzwot of Thorastudie, maar puur voor het belang van de Thora zelf. Dit is vergelijkbaar met een kind dat zijn vader voor een lange tijd niet heeft gezien en sterk naar hem verlangt.

Bij weerzien wil het kind zijn vader omhelzen en hem kussen.

Het kind zal dit niet doen, omwille van enig voordeel te behalen voor zichzelf, maar strikt om het belang van de vader zelf.

Hetzelfde is het geval met een Jood: elk vrij moment maakt hij van de gelegenheid gebruik om zijn Vader, de Koning te omhelzen,  m.a.w. de Thora, hij denkt aan niets anders. Hij denkt niet over leiding voor actie, noch over de vervulling van het voorschrift van Thorastudie. Hij grijpt en omhelst de Thora zelf, want “de Thora en de Heilige, geprezen zij Hij, zijn geheel één.13

CHAG SAMEACH

Noten:

1. Zohar III:96a

2. Samuel 7:23

3. Siewan

4. Joma 37a

5. Zie onze website www.bethhamidrash.org Archief, Kabbala en Chassidisme, mystieke concepten en de Orde van de Sefirot.

6. Pe’a 1:1

7. Kidoeshiem 40b.

8. Zohar I. 170b

9. Tanchoema, Vajelech:2, Zohar II:62b, Zohar III:85a.

10. Tanja, 51

11. Zie noot 5

12. Spreuken 8:30, Tanchoema Bereshiet 1, Bereshiet Rabba 1:1.

13. Zohar I. 24a, Zohar II. 90b

PESACH

AHAVAT JISRAËL

EIGENBELANG OF GEMEENSCHAPPELIJKBELANG

Het onderwerp van deze sicha van de Rebbe, Rabbi Menachem M. Scheerson, bediscussieert de verantwoordelijkheid van elke Jood voor het fysieke en spirituele welzijn van anderen, zowel individueel als gemeenschappelijk. Het paradigma, het supreme voorbeeld van actieve verantwoordelijkheid en ware leiderschap, is onze grote leider Mozes, door het volgen van G’D’s directieven in het leiden van het Joodse Volk van slavernij naar vrijheid en in het dienst doen aan G’D.

“GA NAAR JULLIE VERANTWOORDELIJKHEDEN”

De Thora vertelt ons dat, toen in G’D’s opdracht Mozes en Aaron tegen de farao kwamen vragen om het Joodse Volk vrij te laten, “de Koning van Egypte hen antwoordde, ‘Mozes en Aaron, waarom verstoren jullie de natie? Ga naar jullie verantwoordelijkheden!’”

Bij de term ” jullie verantwoordelijkheden! ” bedoelde de Farao, hun persoonlijke inspanningen, niet het zwoegen en slaven van het Joodse Volk in het algemeen. Dit geeft aan dat de gehele stam Levie, de stam van Mozes en Aaron, was vrijgesteld van slavenarbeid die aan de rest van het Joodse Volk verplicht was opgelegd.

Nachmanides verklaart “dat het voor elke natie gebruikelijk was om Wijzen te hebben die anderen onderwezen in hun [inheemse] leerstellingen.” Ad loc.

Aan de stam van Levie was deze bijzondere status gegeven, en vrijstelling van werk omdat zij dienden als de “Wijzen en Oudsten” van het Joodse Volk. Toen de farao tegen Mozes en Aaron zei: “Ga naar jullie verantwoordelijkheden!,” bedoelde hij, naar hun rol als leraren van het Joodse Volk. De woorden van de farao impliceerden ook het argument dat Mozes en Aaron tevreden moesten zijn met hun eigen persoonlijke vrijheid en niet het volk moesten aanmoedigen om de wetten van het land te overtreden en te stoppen met hun werk. Het feit dat Mozes en Aaron te allen tijde vrij waren om het Joodse Volk te onderwijzen in de Thoratraditie, zou genoeg moeten zijn om hen tevreden te stellen.

De Zohar verklaart dat “de wijsheid van Egypte alle andere naties overtreft ( in die periode ).” Bovendien was de Farao zelf, een groot geleerde. ( Zohar Chadash II 52b )

Er ligt dus een belangrijke betekenis in de woorden van de farao. En inderdaad vertellen onze Wijzen ons dat de slavernij van Egypte zo zwaar was dat het “onmogelijk was voor een slaaf om te vluchten uit Egypte.” ( Mechilta, Exodus 18:11 )

Aangezien, volgens het Hemelse decreet, de tijdsduur van de verbanning in Egypte voor een periode van vierhonderd jaar zou zijn,( Genesis 15:13 ) dienden waarschijnlijk deze zware omstandigheden in Egypte als bestemming en volbrenging van dit decreet. Met als gevolg dat de Farao argumenteerde dat er geen enkele poging ten aanzien van de tijdslengte van de G’ddelijke verkondiging zou moeten worden gedaan. De slavernij was zo bepaald en moest continueren; Mozes en Aaron moesten zich bezighouden met aan hun toevertrouwde Thorastudie en onderwijzen.

DE ARGUMENTATIE VAN EEN VIJAND

Ondanks het feit dat dit een redelijk standpunt lijkt te zijn, moeten wij niettemin bewust zijn dat dit een argument van de Farao is, onze vijand. Had men zijn woorden geaccepteerd, dan was de mogelijkheid van vrijheid en verlossing van Egypte compleet verloren gegaan.

Want, zoals de grote mystieke leraar de Arizal het stelt, het was nodig dat de verlossing van het Joodse Volk in grote haast plaatsvond. Waren zij langer gebleven, zelfs maar voor een korte tijd, zouden zij totaal geabsorbeerd zijn geworden door het kwaad in Egypte en de mogelijkheid van vrijheid hebben verloren.

Ondanks dat de argumenten van de Farao logische lijken, zijn zij niet overweegbaar voor het Joodse Volk, met zijn mogelijkheid om de beperkingen van het menselijk intellect en de natuurlijke orde van dingen te boven te gaan. Ondanks het aanvankelijke decreet van slavernij voor vierhonderd jaar, besloot G’D de gang van de historische gebeurtenissen te versnellen door een verspringing teweeg te brengen om de verbanning te beëindigen. De bittere ervaring van slavernij, bij G’ddelijk decreet, eindigde sneller dan de Farao had aangenomen.

Deze gebeurtenis in onze historie heeft diepgaande implicaties voor elk persoon. Geen enkele Jood zou moet zwichten voor de veronderstelling dat iemand alleen maar bezorgd moet zijn voor zijn eigen welzijn en zekerheid en mag denken ” Ik heb mijn eigen ziel gered”. Noch moet hij zich overgeven aan het aannemelijk maken dat lesgeven van tijd tot tijd van Thora, de adequate betrokkenheid is met de spirituele noden van anderen. Waarom zou hij zich moeten bekommeren over de omvang van inachtneming van mitswa’s van andere Joden? Waarom zou hij proberen vast testellen of een Jood toegewijd is aan het dienen van G’D ofwel onderdanig is aan de autoriteit van een kwade Farao? Dit was namelijk de werkelijke argumentatie van de Egyptische Farao, welke radicaal door Mozes en Aaron werd verworpen.

HET UITBREKEN VAN EEN BRAND

We moeten de situatie vergelijken met het uitbreken van een brand in een huis. Niemand haalt het in zijn hoofd om te denken of hij hier wel of niet in betrokken zou willen worden. Ieder normaal mens zou proberen zo snel mogelijk te handelen in de vereiste hulpverlening om mensenlevens te redden. Als dit van toepassing is op fysieke veiligstelling, dan is het des te meer relevant dat beide, het fysieke en het spiritueel, veilig worden gesteld. Snelheid is essentieel, levens moeten gered worden.

Er is een diepzinnige schakel die alle Joden verbindt. Betreffende de aard van deze verwantschap, relayeert de zesde Lubavitcher Rebbe, Rabbi Josef Jitzchak, in naam van de Baal Shem Tov: De verplichting van liefde voor een mede- Jood is niet alleen relevant voor familieleden, vrienden en bekenden, maar strekt zich zelfs uit naar een Jood waar ook ter wereld, op een van wijze “zoals je je zelf lief hebt.” Juist zoals eigenliefde geen grenzen kent, zo moet een Jood onbegrensd betrokken zijn met zijn mede-Jood.

Rabbi Josef Jitzchak zei, dat het de fervente wens van de Mezritcher Maggid was dat hij een Sefer Thora zou willen kussen met het zelfde intense gevoel en liefde die zijn leraar, Rabbi Israel Baal Shem Tov, had voor zijn mede-Jood. Alhoewel de mitswa van Ahavat Jisraël [liefde voor een mede-Jood] een zware verplichting oplegt aan elke Jood, is ons niettegenstaande gezegd dat ” G’D Zijn schepping niet zal overbelasten.” ( Avodah Zara 3a )

Dus kunnen we er zeker van zijn dat G’D ons heeft begiftigd met de spirituele capaciteit om deze verantwoordelijkheid uit te voeren.

Maar het is noodzakelijk dat we zeer snel handelen, zelfs zonder enig uitstel. Juist zoals het in Egypte het geval was, blijft het Joodse Volk in verbanning, of verdient zij verlossing.

De verplichting van liefde en verantwoording voor iedere Jood heeft zeer diepgaande gevolgen, zelfs voor iemand wiens primaire bezigheid Thorastudie is, inbegrepen jesjiewastudenten en toegewijde leraren en geleerden. Men mag niet zelfingenomen zijn over persoonlijk prestatie en bekwaamheid, ten koste van anderen door onachtzaamheid. Aangezien alle Joden komah sheleimah zijn, één collectieve ziel, is een tekortschieting van een andere Jood, een vlek op de identiteit van de Thorageleerde. Zelfs een eminent persoon is geëffectueerd door tekortkomingen van personen die van een lager niveau zijn.

De Thora verklaart, ” Jullie staat vandaag allen voor de Eeuwige, jullie G’D: jullie aanvoerders, jullie stamhoofden, jullie oudsten en jullie rechtsbeambten, alle mannen van Jisraël, jullie kinderen, jullie vrouwen, de vreemdeling bij jou die zich in je legerkamp bev
indt, zowel houthakker als waterschepper.” ( Deuteronomium 29,9-10 )

We moeten zeer bewust zijn van het feit dat we gezamenlijk voortdurend in de aanwezigheid van G’D staan.

De “houthakker en waterschepper” kunnen niet enkel en uitsluitend voor hun mogelijke tekortkomingen verantwoordelijk worden gesteld. Integendeel, de primaire verantwoordelijkheid ligt bij de “hoofden der stammen.”

Hun argument, dat hun eigen zelfverbetering hun meest primaire belang is, is totaal onaanvaardbaar in Hemelse ogen.

Wanneer we geheel bewust en doordrongen zijn van onze “komah sheleimah,” één verenigde spirituele identiteit, zal ons dat motiveren om dienovereenkomstig te handelen, en van allen “één [perfecte] eenheid te maakt.”

We zullen dan de verdienste verwerkelijken “van het doen van UW ( G’D’s) Wil met heel het hart.”

In die tijd zal er de vervulling zijn van de Messiaanse openbaring van G’ddelijkheid: “op die dag is de Eeuwige EEN en ZIJN NAAM is EEN.” ( Zecharia 14,9 )

Likkutei Sichot, Vol. 16, pp. 29-32

Chag Sameach ve Shabbat Shalom Chol Hamoëd  Pesach 

POERIEM

KONINGIN ESTHER FYSIEKE SCHOONHEID WAS EEN MANIFESTATIE VAN HAAR SPIRITUELE STATUS.

RABBI SHIMON BAR JOCHAI.

ZOHAR 169b.

Rebbe Shimon spreekt in deze passage met een ziel van de spirituele Tuin van Eden (Paradijs).

Rebbe Shimon zegt: Ik weet zeker dat daar [in de lagere Tuin van Eden] jullie gekleed gaan in de glorie van een lichaam dat puur en heilig is.

Dat lichaam van zielen is een lichaam van licht dat gemaakt is van het spirituele licht, dat is opgewekt door het verrichten van mitzwot in de fysieke wereld.

Was er ooit iets gelijk aan deze kleding in de fysieke wereld? Dat een persoon in deze wereld in het zelfde lichaam verschijnt zoals jij verschijnt in de spirituele werelden.

Rebbe Shimon wil weten of er mensen waren in de fysieke wereld die zo rechtvaardig waren dat hun lichamen een extensie was van hun zuivere spiritualiteit.

Hij antwoordde hem: “Twee jonge mensen, die gekleed waren te midden van ons stelden deze vraag aan het Hoofd van de Academie, nadat zij spijt ondervonden ten opzichte van een zonde, die ongeschikt is voor de openbaarheid. Dit is wat zij vroegen aan het Academie Hoofd, en hij antwoordden hen: Dat er wel degelijk zo een gebeuren was in de fysieke wereld. Van waar leren we dat? Van het vers: “ En het gebeurde op de derde dag[van haar vasten] dat Esther zich koninklijk (letterlijk “malchoet”) kleedde en in het binnenhof van het koninklijke paleis stond, tegenover de residentie van de Koning…..”(Esther 5:1). Dit betekent dat zij zich kleedde in het evenbeeld van de spirituele wereld, omdat het woord “koninklijk” verwijst naar de geest van heiligheid.

De [sefira] van malchoet, koninklijk, is van de hemelse sferen en [ondanks het feit dat het in de fysieke sfeer is] houdt het in zich, de atmosfeer van de hogere spirituele sfeer.

Na drie dagen van vasten en gebed, had Koningin Esther haar fysieke lichaam tot zo’n extensie gezuiverd en gepurificeerd, dat zij waardig was om de spirituele kleding te ontvangen, zelfs in deze fysieke realiteit.
Haar schoonheid moet een wonderbaarlijke aanschouwing geweest zijn, en verklaart waarom zij gunst vond in de ogen van Koning Achaswerus.

En toen Esther tegenover Koning Achaswerus stond en deze haar verschijning van spirituele licht zag, was haar voorkomen als een engel van G’D. Toen [hij haar zag], verliet zijn ziel hem voor een moment.

Eveneens zo was het met Mordechai, zoals is geschreven, “En Mordechai verwijderde zich van de aanwezigheid van de Koning in koninklijke kleren” ( Esther 8:15 ).
Dit was letterlijk de kleding, of externe verschijning van de sefira van malchoet
[van Zeir Anpin], het evenbeeld of gezicht van die hogere wereld.
Daarom is er geschreven dat “de angst voor Mordechai had hun bevangen” (ibid. 9:3).
Zij waren bang voor Mordechai wegens het angstaanjagende van zijn spirituele verschijning, en niet voor Achaswerus.

Goed Poeriem.

KABBALISTISCHE MEDITATIE OP CHANOEKA

B:H

KABBALISTISCHE MEDITATIE OP CHANOEKA LAAT ZIEN DAT VERLOSSING AFHANKELIJK IS VAN BEWUSTZIJN.

In de volgende meditatie, introduceert de Ari aan ons de mystieke methode hoe wij, in de verdienste van Chanoeka, sublieme heiligheid neerhalen naar de lagere sferen die zelden verbonden is met dergelijk verheven goddelijk licht. Rebbe Nachman van Breslov leert dat de feestdag van Chanoeka, waarvan de naam is geworteld in het Hebreeuwse woord “chinoech”, “educatie” of “wennen”, ons stuurt in onze voortdurende worsteling met de krachten die proberen om ons van G’D te distantiëren, die van de macht van onzuivere verbeelding, of in het Hebreeuws “m’damei”, door onze imaginatieve vermogens te purificeren, zijn we in staat om de primaire kracht achter al onze negatieve karaktereigenschappen en illusies te breken. (Likoetei Halachot Chanoeka 1:1)

Het woord “m’damei”, waarvan de numerieke waarde (89) gelijk is aan het woord “Chanoeka”, is geworteld in de letters dalet en mem, die het Hebreeuwse woord “bloed” vormen. Bloed representeert onder andere, de negatieve krachten van oordeel, onze missie is om het verzachten. Via de 44 (de numerieke waarde van dalet, 4, en mem, 40) lichtjes die we aansteken gedurende Chanoeka (inclusief de shammes) en het opwekkende bewustzijn die zij belichamen, worden de klipot voor ons genullificeerd. [Dit is ook gerelateerd aan de traditie van verhoogd geven van liefdadigheid (“geld”) gedurende Chanoeka, want het Aramese woord voor geld is “Dami” die de zelfde stam letters deelt met “m’damei”]. Zoals wij zo duidelijk in onze tijd getuigen, dat alles lijkt te staan tussen onze huidige situatie en de complete verlossing is onze vastberadenheid en duidelijkheid van onze nationale wil. In het licht van deze inzichten, is Chanoeka, waarin we onze verlossing vieren van vreemde mogendheden die proberen ons te verleiden om onze G’D en Zijn Thora in de steek te laten, een bijzonder gunstig moment voor meditatie, vooral op het licht van de kaarsjes of olie lampjes van de Chanoeka Menora.

De mystieke meditaties die iemand moet hebben voor het aansteken van de [Chanoeka] lichtjes gaat primair om een hemelse en volledig mystieke eenwording genaamd Ner [Hebreeuws voor “kaars”]. Kortom, er zijn drie primaire aspecten van de unificatie Zeir Anpin en Noekva: Havayah [verenigd] met Eh – yeh (die een numerieke waarde heeft van 47), Havayah met Elo – hiem ( gelijk aan 112), en Havayah met Ado – nai (gelijk aan 91). Soms wordt één aspect verenigt, soms twee en soms alle drie, waarin het bovenstaande wordt helemaal verenigd wordt en [dan] Noekva “Ner heet “, [waarvan de numerieke waarde 250 is], gelijk aan het totaal van de zes bovengenoemde G’ddelijke Namen.

Havayah = 26
Eh-yeh
= 21
Havayah
= 26
Elo-him
= 86
Havayah
= 26
Ado-nai
= 65 Plus 6, voor elke naam, de kolel,
= “Ner” (250), gespeld
noen (50), reish (200)

In de eerste zegen [“……Die ons heeft opgedragen het Chanoekalicht aan te steken”] wordt op alle drie [bovenstaande unificaties] gezinspeeld [in het woord “kaars”].

In de tweede zegen [“……..Die wonderen verricht….”], de tweede unificatie waar op gezinspeld wordt.

En in de derde zegen [“……Die ons leven heeft gegeven….”] de laagste van alle waarop gezinspeeld wordt.

De opdracht om het mirakel van Chanoeka bekend te maken vereist dat we onze menora aansteken op een plaats die zichtbaar is voor voorbijgangers en op een tijdstip niet te laat, zodat zich niemand meer op straat bevindt om het te zien. De boven genoemde termen geven aan, dat de kracht van Chanoeka zo groot is, dat gedurende de feestdag, de meest verheven hemelse niveaus van heiligheid (gerepresenteerd door de bovengenoemde unificaties van de G’ddelijke namen), zelfs toegankelijk zijn in de laagste sferen. Deze minder verheven domeinen worden gerepresenteerd door de term “marktplaats” (in het Hebreeuws, “shoek”, gerelateerd aan het woord voor “dij”, geassocieerd met de sefira van Hod. De achtste sefira van boven), een plaats die gekarakteriseerd wordt door verspreiding, disharmonie en gevoeligheid voor Externe Krachten. Chanoeka laat ons zien dat vonken van heiligheid overal zijn en biedt ons de mogelijkheid om deze vonken te verlossen, om zelfs heilig licht te laten schijnen in de sferen van duisternis.

CHAG ORIEM SAMÉACH – GELUKKIGE FEESTDAGEN VAN LICHT

DE KABBALA VAN SOEKOT (LOOFHUTTENFEEST)

De details van de mysteries van Soekot vullen vele bladzijden in de geschriften van de Kabbalisten. Specifieke details tarten de vertaling vanwege de vele complicaties in het verklaren van de diepgaande Kabbalistische spirituele concepten. Nederlands en andere talen ontberen eenvoudig de juiste woorden die gebruikt kunnen worden om behoorlijk de esoterie van de Thora over te brengen.

De mysteries van het Soekotfeest kunnen worden gevonden in het woord Soeka zelf. Gespeld met de vier Hebreeuwse letters, net zoals de Heilige Naam  JOED-HÉ-VAV-HÉ, bergt het woord Soeka in feite de Heilige Naam  JOED-HÉ-VAV-HÉ in zich. De numerieke waarde van het woord Soeka (Samech, Vav, Kav, Hé) is 91. 91 is een heilig getal in Kabbala. De twee letters Kav en Vav in Soeka zijn numeriek gelijk aan 26. Dit is de numerieke waarde van  JOED-HÉ-VAV-HÉ waar deze Naam binnen het woord wordt verborgen. Wanneer 26 wordt afgetrokken van 91 blijft 65 over, een ander belangrijk kabbalistisch getal. 65 is de numerieke waarde van de heilige Naam Adonai. Dus samen bestaat het woord Soekot uit twee heilige Namen. Doch deze twee Namen zijn veel meer dan heilige woorden. Deze twee Namen delen een bijzondere en heilige verwantschap.

Adonai is de Naam die we aanwenden om G’D aan te spreken. JOED-HÉ-VAV-HÉ is de Naam zoals het is geschreven. JOED-HÉ-VAV-HÉ is in gedachten, Adonai is in spraak. Hierin ligt het mysterie. De heilige Naam JOED-HÉ-VAV-HÉ geeft het verborgen latente potentieel intrinsiek weer, terwijl de Naam Adonai een aspect van dat potentieel weergeeft. Wanneer gecombineerd, geven JOED-HÉ-VAV-HÉ en Adonai daarom de vereniging van het G’ddelijk potentieel en de manifestatie van dat potentieel weer.

In de sfeer van de sefirot, correspondeert de Naam  JOED-HÉ-VAV-HÉ met de zes sefirot (Chesed, Gevoera, Tiferet, Netzach, Hod en Yesod). Samen worden deze zes Zeir Anpin genoemd, Zeir Anpin, het “Kleine of Smalle Gezicht”. Zeir Anpin is het gezicht dat ongezien is in ons universum, toch is het de oorspong van alle dingen die hier gebeuren. Dit “Gezicht” van G’D is wat gezien wordt in de Hemelen. Het “Gezicht” van Zeir Anpin is gecentraliseerd op de sefira Tiferet, die het hemelse Hart en de bron is van de heilige geschreven Thora.

De naam Adonai daarentegen,  refereert aan de sefira Malchoet, de heilige Shechina. De Shechina wordt ook Noekva genoemd (het feminiene), de gezellin van Zeir Anpin. Het is door de Shechina/Malchoet dat Zeir Anpin hier in ons fysieke universum wordt gemanifesteerd. De Shechina is de levenskracht die tot alle vorm aspecten leidt in het fysieke universum. De Shechina is dat aspect van G’D dat aan alles dicteert wat het verondersteld is om te zijn. De Shechina is de onderliggende kracht van de natuurwetten. De Shechina creëert natuur, door als kanaal te dienen voor Zeir Anpin. Zodanig is Noekva de spreekwoordelijke gezellin van Zeir Anpin. De twee moeten in gepaste harmonie zijn omwille van de continuïteit van het universum. Zonder het -één zijn- van Zeir Anpin en Noekva zou ons fysieke universum terugkeren naar de koude primordiale soep, de leegte zonder enig leven en bewustzijn.

Zeir Anpin en Noekva moeten zich in een continue staat van -één zijn- bevinden om de hemelse overvloed van G’ddelijke energie te laten vloeien in ons universum. Leven is altijd vloeiend en vibrerend, zo ook de Thora. Zoals Zeir Anpin algemene vormen bepaalt van alles wat moet zijn zo voorziet Noekva de in details. Zoals het boven is, zo is het beneden. Dit is het mysterie van de geschreven en de mondelinge Thora. Zeir Anpin manifesteert de geschreven vorm van de Thora, geëtst en gegraveerd in de heilige letters. Noekva ademt in deze letters en geeft hen hun betekenis en parameters. Zoals allen die een Thoraleven leiden weten, is het onze mondelinge Thora die vorm en inhoud geeft aan de heilige geschreven Thora.  De twee tezamen zijn als man en vrouw, onvolledig zonder elkaar. Zoals het beneden is, zo is het boven.

In Kabbala refereert Zeir Anpin ook aan de Heilige, Geprezen zij Hij. Noekva/ Malchoet, zoals we zeiden, refereert aan G’D’s Shechina. De vereniging van Zeir Anpin en Noekva is dus een eenwording van de zeven sefirot die de Actief/ Gevende (masculien) en de Passief/Onvangende (feminien) grondbeginselen in de Schepping verenigt.

Hiernaar  wordt ook verwezen als de eenwording van de spirituele sferen van de Hemel en de fysieke sferen van de wereld. Hier in deze wereld wordt dit gemanifesteerd in de vorm van de eenwording van de geschreven en de mondelinge Thora. Dus de eenwording van de Heilige, Geprezen zij Hij en Zijn Shechina is de gehele zin van de Schepping en de reden waarom de mensheid en in het bijzonder het Joodse Volk de verplichting werd opgelegd om de mitzwot in acht te nemen. Dit diepgaande concept wordt scherpzinnig aan ons geopenbaard in de letters die het woord Soeka spellen. Dit universele concept van harmonie en continuïteit is de onderliggende “Gedachte van G’D” waanneer Hij ons opdraagt om zeven dagen in Soekot (loofhutten) te verblijven.

Het soekotfeest duurt zeven dagen. Deze zeven dagen corresponderen met de Sefirotische eenwording van de zes sefirot van Zeir Anpin en de Sefira Malchoet/Noekva. Deze zeven dagen verenigen de hemelse sefirot en stralen hun invloed op ons uit. Doch zoals met vele dingen in deze fysieke wereld, moet men op de juiste plaats en op de juiste tijd zijn om datgene te ontvangen wat ontvangen kan worden.

Moge G’D ons allen zegenen om te participeren in deze heilige mitzwot en deel te laten nemen in het teweegbrengen van de heilige Hemelse eenwording.

CHAG SAMEACH, GOED JOM TOV