SHAVOE’OT – WEKENFEEST 5771

De Talmoed stelt dat Koning David stierf op Shavoe’ot. (Jeroeshalmi, Betza. 2:4) Tevoe’or Shor en Binyan Ari’el noteren het volgende:

Er is gezegd dat De Heilige, geprezen zij Hij, de jaren van de rechtvaardigen van dag tot dag vervolledigt. Dus daaruit kan worden afgeleid dat David werd geboren op Shavoe’ot. Shavoe’ot is dus, de hiloela en geboortedag van Koning David. [hiloela, ziels hereniging met zijn oorsprong, spirituele celebratie].

De Zohar noteert dat het vers, “Ik heb te verkondigen, dat G’D tegen mij zei, ‘Jij bent Mijn zoon, Ani (Ik) heb je deze dag voortgebracht (Psalm.2:7), dit werd gezegd door David op de dag van zijn bar mitzwa, toen hij zijn veertiende jaar inging. Een heilige ziel werd in hem ingeven van het niveau van Ani tefila: letterlijk. Ik ben gebed: “Tefilla geeft aan Knesset Yisraël, letterlijk, Vergadering van Israël; in de Zohardische en Kabbalistische geschriften is dit de aanduiding van de Shechina en de Sefira van Malchoet, zoals is geschreven vaAni Tefilla [Ani is Tefilla;” Zohar III: 49b. De conclusie is gebaseerd op het  principe dat de term Ani Knesset Yisraël Shechina aanduidt, zoals wordt gesteld in de Zohar I:260b en III:276a. De ziel ingegeven aan Koning David op de dag van zijn bar mitzwa, was daarom van de Shechina.

Voor alle zekerheid, de nefesh elokiet [G’ddelijke ziel) wordt ingegeven op het moment van de besnijding, zoals wordt aangegeven door de Alte Rebbe, aan het begin van de Shoelchan Aroech. Echter dit refereert alleen aan nefesh, roeach, neshama. Daarna, na gepast naleven van iemands avodah, verdient iemand hogere niveaus en op dat moment wordt iemand ook de niveaus van Atziloet ingegeven.

Dit is de reden waarom Rabbi Shimon bar Jochai een groot verheugend feest  bereidde, zoals voor een bruiloft, op de dag van zijn zoons bar mitzwa. Toen Rabbi Shimon bar Jochai werd gevraagd naar de reden van deze wijze van viering, verklaarde hij dat het was om de bar mitzwa van zijn zoon rabbi Eleazar te markeren, aangezien dit alles wordt aangegeven in de Zohar Chadash.

In de context van Shavoe’ot, de verjaardag van David zijnde, volgt hieruit dat Koning David dit vers op Shavoe’ot zei.

Koning David voegde dit vers toe aan het Boek van Tehilliem, Psalmen.

Van Koning David is gezegd in Rosh Hashana 25a. Zohar I:192b, Koning David van Israël leeft en zal voortdurend leven, en “Mijn dienaar David zal heerser zijn over hen, wat refereert aan het Messiaanse tijdperk. Onze tekst relateert zowel aan David als Mashiach. De komst van Mashiach is het hartgrondige verlangen van elke Jood. Daarom in de bovenstaande context, ligt het in het vermogen van elke Jood om dit te realiseren.

De verwerkelijking van wensen kan gerealiseerd worden door studie van Thora en het in acht nemen van mitzwot. Dit houdt ook in het praktiseren van het reciteren van Tehilliem.

De Zohar II:107a stelt dat David de “nar van de Koning” wordt genoemd, omdat hij een uitwerking heeft op de Hemelse vreugde. Deze karakteristiek van hem geldt voor alle tijden. Hij brengt het hele jaar vreugde teweeg. Maar het geldt specifiek voor de dag van zijn geboorte en hiloela.

Shavoe’ot is vervolgens een moment om met vreugde het praktiseren van het reciteren van Tehilliem te versterken. Het reciteren van Tehilliem wordt gekwalificeerd als Thorastudie net zoals reciteren van alle passages van de Schrift.

***************************************************


De Midrash zegt: toen de Almachtige de Thora gaf aan Israël, verlangde Hij de zekerheid dat zij zich aan de Thora zouden houden. De Joden antwoordden, “Onze patriarchen zullen onze zekerheid zijn,” en “Onze profeten zullen onze zekerheid zijn,” maar dit werd niet acceptabel genoeg gevonden. Toen zeiden zij, “Onze kinderen zullen onze zekerheid zijn,” en dat was acceptabel voor G’D en Hij gaf hen de Thora, van groot tot klein, dit was aan de kinderen te danken.

We refereren aan G’D als “Hij die de Thora geeft,” in de tegenwoordige tijd. Want Matan Thora is iets voortdurends, elke dag weer opnieuw. Dus elke dag moeten onze kinderen Thora leren en geleid worden volgens de Thora. Zoals al eerder is aangehaald, zoals een kind dagelijks begint met het cheider, moet dit ook worden gedaan met vreugde. Er is geen reden om bezorgd te zijn voor de toekomst, bezorgd te zijn hoe het kind eventueel in zijn levensonderhoud zal kunnen voorzien. Men moet zich realiseren dat door het kind Thora te laten leren men het verbindt met het “Leven van alle werelden” en dat Hij die leven verleent ook in levensonderhoud voorziet. Dus zal er zeker voldoende zijn om te voorzien in de eventuele materiële behoeften van het kind voor onderhoud: “Ik zal jullie regen in de seizoenen geven, en het land zal producten voortbrengen,” (Leviticus. 26:4) alle zegeningen die ouders wensen voor hun kinderen.

Dit alles wordt specifiek bereikt door deugdzaamheid van Thorastudie. “Wanneer jullie je levenswandel naar Mijn verordeningen richt” (Leviticus. 26:3), en aan G’D het “eerste van arisotechem (jullie deeg) offeren,” (Bemidbar. 15:20) in de zin van het lezen van dit woord als een idioom van arisah (wieg), zodat het eerste wat men doet bij het ontwaken in de morgen het reciteren van Modeh ani levanecha is, zal het kind ook worden gezegend met materieel succes. Dus wanneer het kind wordt begeleid met het leren van Thora, moet dit gedaan worden met de meest grote vreugde, in het vol bewustzijn dat dit de enige weg is voor zijn geluk, niet alleen spiritueel geluk maar ook materieel geluk.

CHAG SAMEACH

 

De veelbetekenende dagen van de Omer

Volgens de stellingen van Kabbala ontberen de dagen van de Omer het complete Licht van HaShem dat voor het eerst voort scheen in Egypte op de Pesach nacht en opnieuw op de Sinaï 50 dagen later op Shavoeot. [het ontvangen van de Thora op de Berg Sinaï]

Gedurende dit interludium, zijn de hemelse sefirotische Lichten in een staat van “herbouw”. Dag in Dag uit, niveau voor niveau worden de G’ddelijke Lichten, gereveleerd op Pesach, “opnieuw geladen”.

Deze procedure continueert tot Shavoeot wanneer alle Lichten zijn herbouwd en opnieuw zijn geladen, dus in staat om de Thora te reveleren. Echter in de tussentijd zijn deze intermediaire dagen, dagen van onvoltooiing en gebrek aan Licht.

Daarom, institutionaliseerden de Geleerden, zich bewust van deze spirituele waarheid, dat tijdens de dagen van de Omer men zich gedraagt in een staat van rouw en spirituele oplettendheid, Zoals iemand die in rouw is, knippen wij gedurende die tijd ons haar niet, geen nieuwe kleren en houden geen feestelijke bijeenkomsten zoals bruiloften.

Volgens de Kabbalisten duren deze bepalingen de gehele periode van de Omer, tot aan de dag voor Shavoeot. Maar niet iedereen is zo voorzichtig als de Kabbalisten. Traditioneel religieuze Ashkenazische Joden nemen deze restricties alleen in acht tot de 33e dag van de Omer, Sefardiem één dag meer.

Zelfs vandaag, zoals in de tijd van Rabba Akiva, hebben we verschillende niveaus van studenten. De Kabbalisten van vandaag kunnen vergeleken worden met het hoogste level van studenten van Rabbi Akiva, terwijl de overige studenten vergeleken kunnen worden met de eenvoudigen die nog niet de hogere verheven status bereikt hebben.

De Kabbalisten van vandaag zijn in feite de moderne studenten van Rabbi Akiva, redacteur van Sefer Yetzira of Rabbi Shimon Bar Jochai (Rabbi Akiva’s erfgenaam), auteur van de Zohar. Van Kabbalisten van vandaag, net zoals van de studenten van de grote Leraren vóór hen, wordt verlangd dat zij leven op het hogere niveau, boven en hoger dan de gewone studenten om hen heen. Zij moeten hiervoor gerespecteerd en bewonderd worden.

De Omer is een tijd voor ons om uiterst zorgvuldig te zijn. De Omer is een tijd waarin we spiritueel kwetsbaar zijn in het ontvangen van vergoeding van negatiefgedrag. De Omer is een tijd van een spirituele “Wet van Murphy”, de wet van behoud van ellende, die stelt dat als iets fout kan gaan, het fout zál gaan en wel in de ergst denkbare mate.

We kunnen niet de veelbetekende invloed die de Omer over ons brengt veranderen. Doch, wij kunnen ons concentreren op wat eventueel fout kan gaan, door het juiste te doen.

Tijdens deze 49 dagen van de Omer wanneer de krachten van strengheid heersen over het Joodse Volk, signaleren de Kabbalisten dat er algemene hemelse eenheid van de Sefirotische krachten is.

Daarom onthouden zij zich van de poging om zo’n eenwording uit te voeren in hun gebeden. Gedurende de tijd van de Omer voeren de Kabbalisten geen meditatie uit in het gebed, met uitzondering van deOmer telling zelf.

Tijdens de telling van de Omer, participeert de Kabbalist in de herbouw van de sefirotische structuur, sefira voor sefira, week voor week, tot alles is gecompleteerd op de 50e dag, de nacht van Shavoeot.

Elke afzonderlijke week van de zeven weken, herstelt één van de sefirot. Elke dag van de week herstelt één van de zeven aspecten binnen elk van de zeven sefirot. Dus tijdens de eerste week is de sefira van Chesed herbouwd. Op dag één is, de Chesed van Chesed herbouwd, op dag twee, is de Gevoera van Chesed herbouwd, op dag drie is de Tiferet van Chesed herbouwd enz.

In week twee is de sefira van Gevoera herbouwd op de zelfde wijze. Op dag één van de tweede week is Chesed van Gevoera herbouwd, op dag twee van de tweede week is de Gevoera van Gevoera herbouwd enz.

Op de 49e dag van de Omer is uiteindelijk Malchoed van Malchoed herbouwd.

Op de 50e dag, de kroon van Keter, wordt chochma en Bina toegevoegd aan de herbouwde lagere zeven binnen de zeven, dus completerend het geheel, wat met zich mee brengt de revelatie van de Thora.

Deze cyclus herhaalt zich elk jaar. Het is niet alleen een gebeurtenis in de tijd, het is evenzo een gebeurtenis in het denken. Het is een psychologisch proces van innerlijke groei en spirituele ontwikkeling dat we voorbestemd zijn te volgen. Net zoals we de spirituele Lichten in de hemelse wereld bouwen, zo bouwen we ook de innerlijke “Lichten” van expanderend bewustzijn in ons. Wat voor grotere expansie van bewustzijn kan er zijn dan het ontvangen van de Thora.

Niettegenstaande dat de Thora komt in de tijd dat die komt, moeten wij eerst het onontbeerlijke vat bouwen om het op een gepaste wijze te kunnen ontvangen. Niet voor niets noemt de Talmoed de studenten van Thora, bouwers, want zij bouwen de hemelse wereld van de sefirot en leren ons hoe we de innerlijke wereld van spirituele ontwikkeling, mentaal vermogen, emotionele veiligheid en fysieke zekerheid kunnen bouwen.

De Omer is een tijd om voorzichtig te zijn. Het is niet een tijd bang te zijn. Als we onze harten richten op de Hemel en onze ogen op het bouwen van de sefirot elk van de 49 dagen, zullen we gezegend worden door HaShem en beschermd zijn voor al het schadelijke.

De opdracht van het bouwen van de sefirot tijdens de Omer kan worden gevonden in meeste Orthodoxe Siddoers (gebedenboeken). Ongeacht wat iemand al dan niet begrijpt, zal men aandacht schenken aan wat elke dag van de telling betekent. Het kleine beetje licht dat iemand in zichzelf toelaat op die dag, zou genoeg kunnen zijn om iemand te bewaren voor de veelzeggende kracht van de Omer die latent over ons aanwezig is gedurende deze tijd.

Moge HaShem Zijn volk Israël en de gehele mensheid beschermen en ons een veilige telling en voltooiing van de Hemelse Lichten brengen.


 

HET TELLEN VAN DE OMER IS NIET ALLEEN MAAR STIJGEN OF AFDALEN

Het moet een combinatie zijn van beide. Zodat, hoe hoger we kunnen gaan tengevolge van de illuminatie die we hebben ontvangen op Pesach, des te krachtiger het Licht zal zijn dat we kunnen neerhalen in de zichtbare wereldse details van ons leven. En des te meer krachtig Licht we kunnen neerhalen in de zichtbare wereldse details van ons leven, des te meer reveleren we de aanwezigheid van G’ddelijkheid in deze wereld, des te meer verheffen en verhogen we ons en het hele universum steunt op G’D. En hoe meer we onszelf kunnen verheffen, des te intenser is het licht dat we neerwaarts halen.

Uiteindelijk culmineert het hele neerhalende proces in zo een krachtig Licht, dat het de gehele wereld zal belichten en al het fysieke transformeert zodat alles wat gescheiden is van G’ddelijkheid, spiritueel wordt.

Dit wordt aangegeven in de Talmoed: “Bar Kappara zet uiteen: De werken van de rechtvaardigen zijn groter dan G’D’s creatie van Hemel en Aarde!” (Ketoewot 5a). Wat betekent “door het werk van menselijke hand”? De mens heeft de capaciteit om door de façade van materie heen te kijken, om de existentie van de Oneindige Schepper achter de Schepping te bevatten, om zich met Hem te verbinden, aan Zijn Eigenschappen vorm te geven, en een rol te spelen in Zijn Drama, en om de hele wereld aan Hem op te dragen als een offer.

Op andere plaatsen wordt hiernaar verwezen in de omvorming van het woord “Or” gespeld met de letter ayin, wat huid betekent (relaterend aan fysiekheid) en aan “Or” gespeld met een alef, wat “licht” betekent, (relaterend aan spiritualiteit).

Toen G’D de wereld creëerde, bracht dit een neergaand proces met zich mee van spiritualiteit naar “energie”(Licht) naar “materie” (Huid). Wanneer we door de façade van materie kijken naar het innerlijke niveau van spiritualiteit dat het zijn existentie geeft, verheffen we “materie” (Huid) terug naar zijn “energieoorsprong” (Licht).

Dit idee [dat wij degenen moeten zijn die als instrument dienen in het bestralen van de gehele realiteit met het licht van G’ddelijkheid] is de personificatie van Lag BaOmer, de 33e dag van de OmerTelling, ter ere van Rabbi Shimon bar Jochai, door kaarsen en vuur in de openlucht aan te steken en het leren van de Zohar. In de Zohar reveleert Rabbi Shimon de diepste esoterische begrippen van de Thora, het mysterie van transformatie van fysiekheid (“Or” met een ayin) in spiritualiteit (“Or” met een alef).

Rabbi Tzwi Elimelech van Dinov ( Bnei Yissasschar, Chodesh Iyar, Maarar 3) verklaart de Mishna in Avot 2:9, waar Rabbi Jochanan ben Zakai zijn studenten vraagt: Wat is de juiste weg [met andere woorden, de meest belangrijke weg voor iemand te bewandelen en te leven in deze wereld]? Rabbi Eliezer antwoordt, “ayin tov” [een goed oog”]; Rabbi Jehoshoea antwoord, “chaver tov” [“een goede vriend”]; Rabbi Jossi antwoordt, “shacher tov” [“een goede buur”]; Rabbi Shimon antwoordt, “ha’roeh et ha’nilad” [de bekwaamheid om de consequentie te zien van iemands handelingen]; Rabbi Elazar ben Arach antwoordt, “lev tov” [“een goed hart”]; Rabbi Jochanan ben Zakai prees hen allen, maar zei dat Rabbi Elazar ben Arach’s antwoord al de anderen inhield.

Bnei Yissasschar verklaart waarom “lev tov” een goed hart zo belangrijk is. Hij vermeldt dat de numerieke waarde van “Lev”  (“hart”) 32 is, terwijl dat van “Tov” (“goed”) 17 is. Hij benadrukt de diepe leerstelling van de Zohar op het vierde vers in de Thora,  “G’D zag dat het Licht (Orgoed (Tov) was, en G’D maakte een scheiding tussen het Licht en de duisternis” (Genesis. 1:4), dat “Tov” een codewoord is voor “Or”, met andere woorden, de “Or HaGanoez”, het Oneindige Verhulde Licht verborgen in de Thora.

Hij merkt op dat de eerste keer dat het woord “Tov” wordt aangehaald in dit vierde vers, volgt na exact 32 woorden (het is het 33e woord van de Thora).

Hij continueert met te verklaren dat de 49 dagen van de Omer ordelijk zijn verdeeld in 32 opbouwende dagen naar Lag BaOmer, en 17 dagen van Lag BaOmer. De betekenis van “Lev Tov” in termen van de Omer, zegt hij, is de zuivering van het menselijk hart, met andere woorden, de purificatie van de menselijke persoonlijkheid, de karaktertrekken die ons gegeven zijn toen we geboren werden.

Dit is wat exact gebeurde toen we vertrokken uit Egypte op Pesach. We tellen 49 dagen om ons hart te zuiveren zodat we de Thora aan de Berg Sinaï konden ontvangen “als één man met één hart” (Rashi, Exodus. 19:2)

Het zelfde is elk jaar waar. We tellen 49 dagen (met andere woorden, we doen het eigen maken van purificatie en zuivering van ons hart), teneinde de Thora te kunnen ontvangen op Shavoe’ot. Dit is vooral vanaf Lag BaOmer. Lag BaOmer is de overgang naar de laatste 17 (=”Tov” “goed”) dagen van de Omer omdat op die dag het Verborgen Licht van de Thora, die Rabbi Shimon bar Jochai reveleerde in de Zohar, neerwaarts begint te schijnen in ons leven.

De verdeling van 49 in 32 en 17 is absoluut niet willekeurig. Met uitzondering van de eerste week van Pesach zelf, staan de eerste 32 dagen van de Omer bekend als zeer moeilijk. Alleen met de gedenkdag van het overlijden van Rabbi Shimon, worden de dingen meer ontspannen en worden meer en meer vreugdevol als we ons verder bewegen door de 17 interveniërende “goede” dagen dichter naar ons doel: de revelatie van het Licht van de Ein Sof al neerdalend in Malchoet van Malchoet op Shavoeot.

Eigenlijk is hier sprake van een paradox.

Veronderstel dat je naar de top van een extreme hoogte klimt. Je doel is de top, maar wanneer je die nadert gebeurt er iets. Het zicht van de top wordt voor je ogen verborgen! Op een vreemde manier verlies je het eigenlijke zicht van het doel als je nadert. Bovendien wordt het terrein ruwer en het klimmen moeilijker. Daarbij wordt de lucht extreem ijl, zodat het moeilijker en moeilijker wordt om te ademen. Je bent gedwongen om vaker te stoppen. Zelfs voelt het aan alsof de zwaartekracht sterker wordt. Met als resultaat, dat je langzamer vooruit komt. Om deze obstakels te kunnen neutraliseren, moet je je zelf geestelijk opkrikken met de gedachte dat je dichterbij bent dan ooit. Kijk hoe ver je gekomen bent! Het is nu niet het moment om op te geven!

Weggaan van Egypte en zich omhoog bewegen naar de Berg Sinaï is als het beklimmen van deze berg. Op een zeker punt is de oorspronkelijke drijvende kracht van het licht dat scheen niet genoeg. Een of andere inspiratie is nodig, niet van het voorbijgaande, maar van het toekomstige. En toch als je vordert, de berg omhoog, wordt het gaandeweg ruwer. Als het niet vanwege het licht was aan de top van de berg neerwaarts schijnend in onze zielen, ons verheffend, ons naar Zich toetrekkend, zouden we geen kans maken het te halen.

Laten we wel wezen, we kunnen niet meer doen wat we kunnen doen. We zijn gelimiteerd. Zonder bovennatuurlijke assistentie van Boven, kunnen wij nooit en te nimmer ons doel bereiken. Natuurlijk is het belangrijk dat we alles doen wat we kunnen doen, want menselijke inspanning is essentieel, maar voorbij een bepaald punt zijn onze handelingen ineffectief.

Waarom moet dat zo zijn? Omdat als we echt serieus zijn aangaande onze purificatie en verheffing, is wellicht de meest belangrijke en essentiële bijdrage van onze kant bescheidenheid. Natuurlijk moeten we het werk doen, maar op een zeker punt moet het ons duidelijk worden dat ons vermogen om alles te doen een gift van G’D is

Als we ons deze belangrijke karakteristiek, deze belangrijke les eigen maken, dan worden ineens de obstakels niet zo groot. We beginnen te acclimatiseren in deze ijle hoogten en realiseren ons dat wij niet werkelijk geleefd hebben tot dit moment. De blijdschap is overweldigend. De vreugde is bedwelmend. We geraken dichterbij! Nu, na 49 dagen, wanneer G’D Zijn Oneindig Licht neerwaarts schijnt in ons, is het totaal verschillend. Niet omdat voor ons of Hem, maar omdat, in Zijn Perfecte Wijsheid en uit Zijn Oneindige liefde voor ons, Hij ons een ervaring van de perfecte vereniging en verbinding geeft van Hem en ons, het werken van Hem door ons, van ons weten dat het absoluut Hem is. We hadden 49 dagen nodig om te begrijpen, maar het was het waard.

Elk jaar is Lag BaOmer de overgang in de laatste 17 (=”Tov”, “Goed”) dagen van de Omer omdat op die dag het Verborgen Licht van de Thora, die Rabbi Shimon bar Jochai slechts gedeeltelijk reveleerde in de Zohar, neerwaarts begint te schijnen in ons leven. Deze illuminatie is zelfs krachtvoller als we het Eind der Historische Tijden naderen en beseffen. Teneinde de krachten van diversiteit te overwinnen die zal trachten te voorkomen dat wij aankomen aan de uiteindelijke Sinaï, die staat aan het einde van onze reis door de wildernis van de historie, schijnt het Verborgen Licht neerwaarts in onze zielen sterker en sterker. G’D verheft ons opwaarts naar Hem. We moeten het ons enkel realiseren, in het bijzonder op dat cruciale ogenblik wanneer sommige van onze grootse tzadikiem heen zijn gegaan. Als zij zich Boven verzamelen om zich te verbinden met alle groten van het verleden, om samen de laatste Verlossing te bewerkstelligen, moeten wij ook ontwaken uit de droom van Deze Wereldse bewustzijn en tot het einde volhouden om het doel waarvoor we in deze tijd zijn geboren te vervullen.

Dus nogmaals, de essentie van de Omerperiode is het werk dat we moeten doen om ons het Licht van de Ein Sof eigen te maken, dat we voor een ogenblik hebben ervaren op Pesach, om onszelf te zuiveren van Beneden gedurende de 49 interveniërende dagen tussen Pesach en Shavoeot.  Dan, op de 50e dag, een dag die boven het tellen uitgaat, boven onze capaciteit om zelf te bereiken, schijnt het Licht opnieuw neerwaarts in al zijn volledigheid. Voor dit moment echter willen wij de vaten voorbereiden om het correct te ontvangen.

 

 

DE OORSPRONKELIJKE NIEUWE MAAN

De nieuwe maan van Niesan is een zeer belangrijke dag vanwege vele redenen. Inderdaad, de Joodse traditie citeert er tien, waaronder:

  1. 1. Het was op die dag dat Israël haar eerste mitzwa ontving als een volk in voorbereiding op het verlaten van Egypte, de instructie ten aanzien van Niesan als eerste van de maanden van het jaar, zowel als het gehele systeem van de Joodse kalender met al zijn mysteries aangaande hoe we de meesters van tijd worden.
  2. 2. Het was de dag dat we het Tabernakel opdroegen in de woestijn, het toekomstige prototype van de Heilige Tempel in Jeruzalem.
  3. 3. Het was de dag dat G’D in werkelijkheid de wereld had geschapen, volgens Rabbi Jehoshoea in de Talmoed.

Al deze ideeën zijn intrinsiek onderling verbonden met het gemeenschappelijke thema van vervanging en vernieuwing.

In Niesan ontwaakt de natuur van zijn winterslaap en alles bruist met nieuw leven. Zo ook de ziel, nieuwe levenskracht en mogelijkheden manifesteren zich. Twee termen, voorjaarsschoonmaak en voorjaarskoorts, vertegenwoordigen de zeer reële wijze waarin deze energie ons raakt. We zijn klaar voor nieuwe richtingen en nieuwe inzichten, klaar om te breken met de beperkingen van het verleden en de toekomst met nieuw optimisme en enthousiasme te omarmen.

Dit is de eerste mitzwa gegeven aan het Joodse Volk aangevend de essentiële kracht van vernieuwing in ons nationaal leven. Heeft een volk ooit zo vele keren opnieuw moeten beginnen, in een lange en gemartelde historie? Maakt niet uit onder welke omstandigheden, we hebben volhard en onszelf ontelbare keren vernieuwd in allerlei samenlevingen op deze aardbol. Deze essentiële kracht existeert in elke Joodse ziel en is een van de mysteries van onze overleving. Het miraculeuze bijeenbrengen van de ballingen en de wederopbouw van ons historisch geboorte land in het huidige Israël van vandaag getuigt van deze waarheid.

We refereren niet alleen aan vernieuwing, maar aan een zelfs meer essentiële kracht om nieuwe inzichten en spirituele energie in zijn geheel te reveleren. Het vers in Prediker (1:9) stelt, dat er “niets nieuw onder de zon” is, implicerend dat “onder” de zon niets nieuw is, maar “boven” de zon altijd iets nieuw is. Elke Joodse ziel is op de diepste wijze verbonden met de plaats “boven de zon”.

Moge we gezegend worden de vervulling te zien van de frase: “Een nieuw licht zal schijnen op Zion en moge we allen spoedig het licht verdienen.”Mag een nieuwe wereld orde en een nieuwe verhouding met G’D, zoals nooit tevoren, zich uitspreiden naar alle vier hoeken van de Aarde.

ROSH CHODESH NIESAN TOV

IN EEN SCHRIKKELJAAR ZIJN ER TWEE ADARS

TWEE ARTIKELEN OVER DE MAAND ADAR:


HET BEHOUDEN VAN HET KOSMISCHE EVENWICHT

HET ZWANGERE JAAR


Aan de seculiere Gregoriaanse kalender wordt elke vier jaar, in de maand februari, een extra dag toegevoegd, aangezien de zonomwenteling bijna 365 en een kwart dag in beslag neemt. Het Joodse systeem van het schrikkeljaar is veel drastischer, het moet, het is verplicht.

De Thora gebiedt ons om de weg van maansvernieuwing te volgen, met andere woorden, het houden van een maankalender (zie Exodus-Shemot, 12:2). Aangezien de maancyclus ongeveer 29.5 dag is, bevat een maanjaar van 12 maanden 354 dagen (de maanden duren afwisselend tussen 29 en 30 dagen, een maand kan geen 29.5 duren, dan zou een kalenderjaar 365 1/4 dagen zijn). Een van de consequenties van het houden van een maankalender zal zijn dat onze feestdagen (zoals de Islamitische feestdagen) elk jaar circa 11 dagen vroeger zouden plaatsvinden in vergelijking met de kringloop van de zon, zodat de feestdagen, elke drie jaar meer dan een zonnemaand eerder zouden vallen en elke negen jaren, een heel seizoen.

Nochtans is het in de Thora gedetailleerd aangegeven dat Pesach [Joodse paasfeest] altijd moet worden gevierd in het voorjaar (Deuteronomium. 16:1) en Soekot [Loofhuttenfeest] gedurende de herfst (ibid. 16:12).

Om de feestdagen in overeenstemming te houden met hun positie ten opzichte van de seizoenen, moet een aanpassing worden toegepast om de maankalender in harmonie te houden met de zonnecyclus, en inderdaad werd een buitengewone voorziening getroffen. In het 3e , 6e , 8e , 11e , 14e , 17e en 19e jaar, van elke cyclus van 19 jaar, wordt voor de maand waarin Pesach valt, een extra maand toegevoegd, en niet een dag. Zo’n een jaar wordt “shana m‘oeberret” genoemd, letterlijk “een zwanger jaar”.

Dit jaar, 5768 , is zo’n jaar, een zwanger jaar met een dertiendemaand en ook met een bijkomende betekenis en potentiële ontwikkeling. Laten we kijken naar de interessante lessen die kunnen worden getrokken uit de “verzoening” van de zon en de maan en de praktische toepassingen ervan overwegen voor ons persoonlijk leven:

De maan en zoncyclus symboliseren twee spirituele grondprincipes, namelijk, vernieuwing en consequentheid.

De zon symboliseert stabiliteit in die zin dat de hoeveelheid licht die elke dag wordt uitgestraald constant is. De “zon kringloop” in ons leven is ons regelmatig patroon van naleving van onze grondbeginselen en doelstellingen, gebieden waar het belangrijk is om stabiel en consequent te zijn.

De maan symboliseert verandering in die zin dat de hoeveelheid licht die wordt gereflecteerd ononderbroken varieert. Als zodanig, is de “maan kringloop” in ons leven het streven naar verbetering, vooruitgang en groei, en nuttig voor iemands creativiteit.

Elk wijze van dienst doen, standvastig en veranderlijk, bezit een bepaald voordeel. Wanneer mitzwot worden uitgevoerd met standvastigheid over een periode van tijd, leidt de herhaling zelf naar een doen van dienst die deel gaat uitmaken van onze natuurlijke aard (zie Mishna Awot 4:2).

Iemands dienst aan G’D wordt een geheel als deze tegengestelde kringlopen gecomplementeerd worden, juist zoals de zon en de maan een gelijkwaardige rol spelen in het bepalen van de Joodse kalender en zijn feestdagen.

De Dertiende Maan

Laten we nu de maand zelf in aanmerking nemen. Het interessante is dat het de zelfde naam heeft als de twaalfde maand: Adar. Dus, in elk “zwanger” jaar hebben we een Adar I en een Adar II. Twee volle maanden die Adar impliceren. Hoe buitengewoon!

Adar, welke het feest van Poeriem bevat, is de officiële geluksmaand van het Joodse Volk. Dat is zelfs in de Joodse wet opgenomen, waar het wordt aanbevolen om een rechtsstrijd te plannen in de maandAdar. Het is evenzo de officiële vreugdemaand, zo als geschreven, “zodra de maand Adar begint, groeit de vreugde!”

Gedurende zestig dagen (6 Februari – 6 April) is het een mitzwa om extra vreugdevol te zijn. Moge al onze lezers deze mitzwa serieus nemen. Als je extra godsdienstig hierover wilt zijn, moet je in toenemende mate elke dag gelukkig zijn in vergelijking met elke vorige dag van Adar. Moge G’d ons allen helpen met dit te volbrengen door onze uiteindelijke vreugde te bespoedigen, de volledige verlossing van het Joodse Volk en de gehele Mensheid.

DE MAAND VAN MAZAL

Toen de aartsvijand van de Joden, Haman, het lot raadpleegde voor de geschikte tijd voor de aanvang van zijn persoonlijke oorlog tegen de Joden, was hij opgetogen over het feit dat de datum van het dodelijke decreet viel in de maand van Adar. De reden voor zijn blijheid was dat hij vond dat iedere andere maand van de Joodse kalender gunstige hulp bood aan het Joodse Volk, maar in Adar, zag hij dat Mozes op de zevende dag was overleden. Haman was er zó van overtuigd dat deze datum voor het Joodse Volk rampzalig zou zijn, dat hij Adar tot deadline maakte voor het decreet.

Echter, Haman wist niet, dat de 7e Adar ook de geboortedatum van Mozes was, wat het een zeer gunstige maand voor het Joodse Volk maakt, niet alleen tijdens de gebeurtenis van Poerim, maar ook vandaag. Hoe elimineert de vreugde van Mozes geboorte de tragedie dat de 7e ook de dag van zijn overlijden is en wat zijn de bijzondere eigenschappen van de maand Adar die het Joodse Volk een goede lotsbeschikking verlenen?

Adar valt onder de constellatie van de vis. Haman zag niets gelukkigs of speciaal voordelig in de constellatie van de vis. Hij dreigde het Joodse Volk te verzwelgen zoals een vis voedsel verzwelgt. Maar hij zag niet dat er een grotere vis was, en dat hij zelf verzwolgen zou worden. Juist zoals een grote vis een kleinere verzwelgt, zo is de tragedie van Mozes overlijden verzwolgen door zijn geboorte, want die vreugde is groter, dan de droefheid van de rouw.

Hoe kunnen wij dit weten? De Lubavitcher Rebbe merkt op dat de ziel van iemand krachtiger schijnt op zijn of haar geboortedag. Het aspect van de ziel die in iemand huist, is in feite een vonk van de eigenlijke bron van de ziel, de Neshama, welke boven blijft.
Deze Neshama die boven de aardse Neshama staat, wordt “mazal” genoemd. Iemands mazal is krachtiger op zijn geboortedag omdat de mazal, vitaliteit in de ziel laat vloeien en zodoende de ziel op die dag op één perfecte lijn brengt.
Alhoewel wij allen individuele geboortedagen hebben, is de geboortedag van Mozes als een collectieve geboortedag van het Joodse Volk.
Waarom is dat zo? Omdat de leider van het Joodse Volk gelijk staat aan het Joodse Volk als collectief (zie Rashi op Numeri. 21:21). Aangezien elke generatie een vonk van de ziel van Mozes heeft, is zijn geboortedag de essentie van de geboorte van alle zielen van het Joodse Volk. Daarom is de Mazal van het Joodse Volk sterker en krachtiger in de maand Adar.

Adar is ook de maand van completering en rectificatie van het maanjaar ten opzichte van het zonnejaar en bereid ons voor op openbaring. In een schrikkeljaar zijn er twee Adars. In zo een jaar, welke incompleet was, bereikt het zijn volle potentie. Juist zoals het Joodse Volk vaak vergeleken wordt met de maan is Adar een geschikte tijd in het bereiken van iemands spiritueel potentieel.

ROSH CHODESH TOV

 

 

SHAWOE’OT – WEKENFEEST

De Zohar 1 verklaart dat de feestdag van Sjawoe’ot meer verheven is dan alle andere feestdagen. Het wordt tussen Pesach en Soekot gevierd, omdat het het absolute middelpunt van alles is; want de Thora is het absolute middelpunt.

Sjawoe’ot wordt maar één dag gevierd, in tegenstelling tot Pesach en Soekot, welke respectievelijk zeven en acht dagen. Dit doet niets af aan haar bijzonderheid, want de dag van Sjawoe’ot bewerkstelligt het feit van “Wie is gelijk Uw volk, zoals Israël, één natie in deze wereld.”2

Dit absolute denkbeeld betekent , dat ultieme eenheid is gegrondvest in de Thora welke daarom speciaal was gegeven in de derde maand.3

Centralisatie, in het midden, heeft twee voordelen: a) De centrale positie is meer eminent dan de twee uiteinden. De Gamara stelt daarom, “De meester gaat in het midden , de senior discipel aan de rechter en de junior discipel aan de linker kant.”4

b) Het middenpunt is de oorsprong voor alle andere richtingen, want het gaat op naar keter de kern en bron van alle Sefirot.5

De centralisatie van het feest van Sjawoe’ot heeft deze beide eigenschappen: a) Sjawoe’ot is op zichzelf méér subliem dan alle anderen feesten; en b) op Sjawoe’ot is ons de Thora gegeven welke alle andere feesten bevat.

Het hoofd aspect van Sjawoe’ot, zoals is verklaard, is Thora. De superioriteit van Thorastudie over het doen van mitzwot zijn beide zichtbaar in deze eigenschappen:

a) Thorastudie is hoger dan alle mitzwot, zoals onze wijzen zeggen , “De studie van Thora is equivalent aan hen allen.”6

b) Thorastudie is de oorsprong en leidt naar alle mitzwot ” Thorastudie is hoger omdat het tot uitvoering leidt.”7

Aldus, nader verklaart: De 613 voorschriften corresponderen met de 613 componenten in het menselijke lichaam: 248 geboden corresponderen met de 248 organen en 365 verboden corresponderen met de 365 bloedvaten.8 Thora correspondeert met de hersenen, het intellect.9

Het overwicht van het intellect over de componenten van het lichaam is tweevoudig: a) De vitale kracht van de hersenen reikt uit over alle anderen lichaamsdelen.

b) het brein bundelt de vitaliteit van alle andere lichaamsdelen en is tevens een bron voor hen.10

Analoog aan dit is het geciteerde overwicht van de Thora over alle andere mitzwot.

Centralisatie heeft het bijkomstig voordeel om op te stijgen naar het hart en essentie van keter, welke zelfs het niveau te boven gaat van de oorsprong en bron van de sefirot in Keter.11

Hetzelfde geldt ten aanzien van Thora. De twee eigenschappen van ” leidt tot uitvoering ” en ” superioriteit over alle mitzwot ” zijn vermogens in de mitzwa van Thorastudie. Echter, de Thora heeft van zichzelf de bijkomende omstandigheid van het absolute zijn van ” de Wijsheid van de Almachtige “: “Ik ben met Hem als een handwerker”.12

Dit is inderdaad de ware betekenis van Thorastudie lishma, “voor zijn eigen belang, ” m.a.w. “voor het belang van de Thora zelf.”

Dat impliceert dat iemand niet leert voor het belang om kennis te vergaren en hoe hij zich moet gedragen, noch voor het belang van het doen van mitzwot of Thorastudie, maar puur voor het belang van de Thora zelf. Dit is vergelijkbaar met een kind dat zijn vader voor een lange tijd niet heeft gezien en sterk naar hem verlangt.

Bij weerzien wil het kind zijn vader omhelzen en hem kussen.

Het kind zal dit niet doen, omwille van enig voordeel te behalen voor zichzelf, maar strikt om het belang van de vader zelf.

Hetzelfde is het geval met een Jood: elk vrij moment maakt hij van de gelegenheid gebruik om zijn Vader, de Koning te omhelzen,  m.a.w. de Thora, hij denkt aan niets anders. Hij denkt niet over leiding voor actie, noch over de vervulling van het voorschrift van Thorastudie. Hij grijpt en omhelst de Thora zelf, want “de Thora en de Heilige, geprezen zij Hij, zijn geheel één.13

CHAG SAMEACH

Noten:

1. Zohar III:96a

2. Samuel 7:23

3. Siewan

4. Joma 37a

5. Zie onze website www.bethhamidrash.org Archief, Kabbala en Chassidisme, mystieke concepten en de Orde van de Sefirot.

6. Pe’a 1:1

7. Kidoeshiem 40b.

8. Zohar I. 170b

9. Tanchoema, Vajelech:2, Zohar II:62b, Zohar III:85a.

10. Tanja, 51

11. Zie noot 5

12. Spreuken 8:30, Tanchoema Bereshiet 1, Bereshiet Rabba 1:1.

13. Zohar I. 24a, Zohar II. 90b

SHABBAT WAJIKRÁ

******************************************

HET BOEK WAJIKRÁ

Over de betekenis van het merkwaardige boek Leviticus, dat enerzijds de modernste sociale en ethische voorschriften behelst, anderzijds een eredienst beschrijft die velen in onze dagen maar liever voor “verouderd” houden. Toch is het verband tussen sociale gerichtheid en eredienst essentieel.

DE NAAM

Wajikrá (“en HIJ riep”) heet het derde boek van Mozes. Naar het woord waarmee het begint: “Wajikrá el Mozes” (Nu riep HIJ Mozes). Of het boek altijd al zo genoemd werd is niet zeker. In de Tannaïtische literatuur heet het meestal “Torat Kohaniem” (“instructie voor de priesters”) naar de inhoud van het boek. Hellenistische kringen spraken van Levitikon: het boek der Levieten. Het woord Levites betekende in die kringen overigens gewoon “priester”; de priesters komen tenslotte uit de stam Levi. Levitikon is dus eigenlijk de Griekse vertaling van Torat Kohaniem. Zo heet het boek ook in de Septuaginta, de Griekse bijbelvertaling, gemaakt terwille van de vergriekste Joden in het oude Egypte (3e eeuw voor de gangbare jaartelling). Van de Septuaginta ging de benaming vervolgens over op de Christelijke Latijnse vertalingen. Levitikon werd daar Leviticus. En zo heet het boek sindsdien allerwege buiten de Joodse kring.

DE INHOUD

Wajikrá is het boek dat vorm geeft aan de kostbaarste opdracht van het Joodse volk: de heiliging van het leven in al zijn facetten. Voor het eerst in de geschiedenis ervoer een volk het als zijn opdracht zich niet aan het aardse te onttrekken, niet eraan te willen ontstijgen, zich niet te onthechten, maar het aardse zelf te maken tot een tempel Gods. Dit is wat in Joodse termen levensheiliging heet.

Die levensheiliging heeft verschillende kanten. Ze betreft de relatie met G’D, de relatie met de mensen (en met zichzelf), de relatie met de aarde en de relatie met de tijd. Al die aspecten komen in Boek Wajikrá aan de orde.

Daaruit valt ook op te maken dat de heiliging van de relatie tussen het volk en G’D het grootste deel van het boek beslaat: 17 van de 27 hoofdstukken. Dat verklaart dan meteen de naam Torat Kohaniem (“instructies voor de priesters”), dat in het Grieks Levitikon en het Latijn Leviticus, werd.

EEN BEROEMD HOOFDSTUK

Zeventien hoofdstukken met hoofdzakelijk voorschriften omtrent de offerdienst en beschrijvingen van de eredienst, maken Wajikrá tot een boek waarmee moderne generaties vaak moeite hebben. In Christelijke kring schijnt het nauwelijks te worden gelezen. En maar al te makkelijk wordt vergeten dat juist Boek Wajikrá een hoofdstuk herbergt dat samen met de Tien Uitspraken het meest zijn stempel heeft gedrukt op het sociale en ethische denken van de mensen overal ter wereld.

In het 19e hoofdstuk staat bijvoorbeeld de uitspraak door Hillel voor de kern van de gehele Tora is gehouden: “Heb je naaste lief als jezelf” (Lev. 19,18). In dat hoofdstuk staan voorschriften over de zorg voor de armen; in dat hoofdstuk wordt opgeroepen het loon van de arbeid dezelfde dag nog uit te betalen, geen laster te spreken, geen klassejustitie te bedrijven, eerbied te hebben voor grijze haren, vreemdelingen te behandelen als ingezetenen.

Vanzelfsprekendheden voor onze dagen, al worden ze dagelijks met voeten getreden. Maar die algemeen menselijke waarden zijn dan wel via de Hebreeuwse bijbel tot de wereld doorgedrongen.

DE BETEKENIS VAN DE EREDIENST

Hoe verontrustend dat deze zo moderne sociale en ethische voorschriften in een boek opgenomen zijn met zulke verouderde voorschriften rond de offerdienst!. En toch is die samenhang essentieel. En alleen maar ongerijmd wanneer we ons niet realiseren wat priesterschap en eredienst in Israël betekenen. In haast alle culturen zijn (of waren) priesters de uitverkorenen, die het alleenrecht hebben zich met het goddelijk te verstaan; afgewend van het gepeupel en het gewone aardse leven, en toegewend naar de ijle verten van het onzienlijke.

In Israël heeft eredienst evenwel een heel andere betekenis. In Israël is de eredienst er niet voor G’D, maar voor de mensen. Hij is er om de mensen te herinneren aan hun OPDRACHTGEVER en aan hun opdracht. Die opdracht is: het aardse leven te maken tot een HEILIGDOM, waar G’D zou kunnen wonen. Dat is waarachtige eredienst, zoals de profeten keer op keer onderstrepen. De waarachtige eredienst mag zich niet alleen afspelen in de Beth HaMikdash ( De Tempel ), maar zich ook weerspiegelen in een persoon zelf en in zijn dagelijks leven met anderen. De persoon moet ook als het ware zijn als een heiligdom. Beth HaMikdash en eredienst zijn er als voortdurende herinnering dat heel het dagelijkse leven daarop gericht dient te zijn. Eredienst die dat niet beoogt is afgodendienst.

DE AARDE EEN BETH HAMIKDASH

Die sociale en ethische voorschriften in hoofdstuk 19 moeten dan ook worden gelezen in het perspectief van de levensheiliging. Werken aan de wereld is in de Joodse traditie niet zomaar werken. Het is niet primair werken om brood, of werken om zelfverwerkelijking. “In het werken dat de mens doet, in de veranderingen die hij te eigen behoeve in de schepping aan brengt, blijkt zijn macht over de krachten van de natuur. Maar hij dient deze krachten te onderwerpen aan de verandering van de wereld in een heiligdom G’Ds, een heiligdom waar HIJ zou willen wonen” (Hirsch op Sjemot 35,1).

De sociale en ethische voorschriften zijn niet gegeven om te komen tot een “leefbare wereld”, waarin iedereen verder maar moet zien wat hij van zijn leven maakt. Het sociale aspect is onderdeel van de totale levensheiliging, die alle aspecten van het leven omvat.

Dat is het grote verschil met vergelijkbare sociale suggesties in andere wereldbeschouwingen. Het gaat daar vaak of om een regulering van minder belangrijk geachte zaken, waaraan de mens “eigenlijk” dient te ontstijgen; of om het vinden van een redelijke modus vivendi. En veel minder om het zichtbaar maken van G’D’s bedoeling met de schepping.

******************************************

KOHEEN, KOHEEN GADOL, LEVIE’IM

Kohaniem (Priesters)

Alle nakomelingen van Aaron de Leviet (broer van Mozes), werden apart geplaatst van de andere Levieten om gekend te worden als Kohaniem, zoals het vers zegt: “Ook moet je je broer Aaron en met hem zijn zonen naar je toe laten komen vanuit de Kinderen van Israël om hen tot priester voor Mij aan te stellen….(Exodus 28:1). De functie van de Kohaniem was, uit te voeren de procedure van de verschillende types van offers aan HaShem, volgens de complexe eisen en details van de Thora. Wegens hun heilige positie werden zij overeenkomstig gebonden aan speciale leefregels, welke zijn beschreven in Leviticus 21. Zij waren ontvangers van een zeer bepalende bijdrage, bevoorrecht boven anderen in heilige zaken en werden door de natie als zodanig gerespecteerd ,van hun werd verlangt een nobel gedrag.

Koheen Gadol (Hoge Priester)

De Koheen Gadol was het gezalfde hoofd over de Kohaniem, volgends de functie van Aaron, de eerste Koheen Gadol die presideerde over zijn Koheense zonen (Exodus 28:1, 38 e.v.). Na Aaron`s dood, was zijn zoon El`azar Koheen Gadol, van af die tijd werd de positie gevestigd door aanstelling van nazaten van El`azar (Numeri 20:25-9).

Oorspronkelijk werd de Koheen Gadol alleen benoemd door Opperste Beth Din (Sanhedrin) van zeventig leden, geschikt door zijn buitengewone wijsheid, er waren speciale wetten welke hem verzekerde van eerbewijs (M.T. Klay Beth HaMikdash, III). Zijn inzegeningsceremonie werd formeel verricht, door middel van het aantrekken van acht ambtsgewaden van De Koheen Gadol (Exodus, 29:29-30).

Het Beth Din van de Kohaniem (Ketoebot 12A) en de Oudsten van de Kehoena (Joma 18b) hielden een zeer nauwkeurig oog op alle details van de dienst in het Heiligdom en verlangde een eed van de Koheen Gadol in functie om uit te voeren de leerstelling van de Geleerden zonder enige deviatie en de dienst van het Heiligdom voortdurend met uiterste nauwgezetheid te doen, in vasthoudend aan de Wet (Theocratische Thora Staat).

S`GAHN

De S`gahn was de Koheen benoemt als de tweede na de Koheen Gadol, vergelijkbaar als een vizier bij een koning. Gedurende de offergaven stond hij altijd rechts van de Koheen Gadol, en alle anderen Kohaniem vielen onder zijn autoriteit. Onder hem was een neergaande serie van acht andere Koheense posities, elke positie had autoriteit over degene onder zich. (Mishne Thora, Klé Beth HaMikdash, III)

Levie`im (Levieten)

Levie`im zijn alle nakomelingen van Levie (een van de twaalf zonen van Jakob en dus een van de broers van Jozef), geboren voor de tijd van Mozes (een achter kleinzoon van Levie). Zij waren apart geplaatst (“geheiligd”) voor de dienst in het Heiligdom. Gedurende het eerste jaar van de Exodus, toen sommige van Israël zondigden aan de affaire met het Gouden Kalf, was de stam van Levie de enigste stam waarvan niet èèn van de 22.000 leden (Numeri 3:39) zondigde. Zie Exodus 32:26-35.

Als beloning voor hun toewijding tot Hem, droeg HaShem de verdienste ten aanzien van de dienst in het Heiligdom over van alle eerstgeborene van Israël naar alle leden van de stam Levie (Numeri 3:11 e.v., 8:17, 40 e.v.)

“In die Tijd zonderde de Eeuwige de stam Levie af om de ark voor het verbond met de Eeuwige te dragen, om staande voor de Eeuwige de dienst voor Hem te verrichten en uit Zijn naam de zegen uit te spreken—tot vandaag de dag.” (Deuteronomium, 10:8).

De Functie van de Levie`im, zo lang als de blijvende Tempel nog niet was gevestigd, was het transporteren van de draagbare componenten van de Mishkan (Tabernakel) met de omvattende heilige objecten, naar zijn verschillende lokaties (Numeri 3).

Een andere functie van hun was, op te treden in dienst van de Koheen Gadol, om de Mishkante bewaking (en later de Tempel) voor het binnenkomen van niet Kohaniem. Hun functie bestond ook uit het begeleiden en bewaken van de offergaven van het volk namens hun in de Mishkan en later in de Beth Ha Mikdash (Tempel).

Werkend volgens een rotatie schema, waren sommige Levie`im poortwachters, belast met het openen en bewaken van de poorten, sommigen waren zangers die begeleidende psalmen zongen bij de verplichte gemeenschappelijke offergaven en de shalmay atserret gedurende de wijn plengoffer;

De trainingperiode van een Levie begon wanneer hij vijfentwintig jaar was en het continueerde voor vijf jaren. Zo lang als de Beth HaMikdash niet permanent was gevestigd op een vaste plaats was de maximale leeftijd vijftig jaar (Numeri, 8:25).

Toen de Beth HaMikdash eenmaal was gevestigd, zou een Levie alleen kunnen worden ontheven van zijn dienst, als zijn stem geschaad zou zijn door ouderdom (Mishne Thora, Klé Beth HaMikdash, 3).

De Levie`im zijn vooral zeer gerespecteerd voor hun enorme bijdrage aan de educatie van de natie. “Zij leren Uw rechtsnormen aan Ja`akov en Uw Thora-voorschriften aan Israël” (Deuteronomium 33:10). (Leerplicht werd ingesteld + 500 v.d.g.j. vanaf de leeftijd van 3 jaar).

Omdat zij uitsluitend waren bestemt in de dienst van G`D en de studie van ZIJN Thora, hadden zij geen aandeel voor zichzelf van het land. Voor die reden (Gids 3:39) waren er specifieke wetten betreffende bijdragen voor de Levie`im, “En laat de Levie, die binnen je poorten verblijf houdt niet in de steek; want hij heeft bij jou deel of erfgoed”. (Deuteronomium, 14:27)

Het is in deze capaciteit van educatieven in welke de Levie`im zijn voorbestemd in de tekst Deuteronomium, 10:8, zoals aan het begin van deze uitleg over de Levie`im.

******************************************

PARASHAT WAJIKRÁ

En Hij riep (Leviticus 1:1 – 5:26)

De Thoralezing van deze week richt zich op de Korbanot, de offers die gebracht werden door het Joodse volk in het Heiligdom in de woestijn en later, in de Tempel in Jeruzalem.

Het introduceert dit onderwerp met het vers:

“Als iemand van jullie een offer voor de Eeuwige wil brengen, dan kan hij van het vee óf van het rund, óf van het kleinvee- zijn offer brengen.”

Grammaticaal zou het logischer geweest als er had gestaan: “Als een persoon te midden van jullie wil offeren” Maar de specifieke Hebreeuwse structuur van het vers geeft aan, dat het offer “van jou” afhankelijk is, van ieder persoon afzonderlijk en van niemand anders.

Het woord Korban heeft zijn wortel in het woord Karov, wat betekent “naderbij of dichterbij. ” Het brengen van een offer betekent nader tot G’D komen. En de Thora leert ons dat nader tot G’D komen afhangt van elk individu afzonderlijk. Geen externe factoren kunnen hem weerhouden. Elk persoon kan dichter tot G’D komen. Als hij dit waarlijk verlangt, kan hij het hoogst mogelijke niveau bereiken. Het impliceert tevens ook dat het offer “van jou” komt, van het dierlijke in de persoon zelf. Want ieder van ons heeft een dierlijke kant. Dit is in wezen niet slecht, want niet alle dieren hebben negatieve eigenschappen zoals wreedheid of parasitisme.

Integendeel, de meeste dieren zijn aangename creaturen en niet gewelddadig tegenover mensen en andere dieren.

Maar ondanks dit, wordt het niet als een positief model beschouwd voor onze dienst aan het G’ddelijke. Want een dier handelt alleen naar zijn eigen instinctieve drang. Het denkt aan niets anders dan voldoening van zijn eigen noden en het behagen daarvan. Zijn zelfgenoegen ligt niet in het verlangen om voordeel te halen boven anderen; het denkt gewoonweg niet aan anderen. Het houdt zich alleen maar met een ding bezig: hoe krijg ik wat ik wil en wat ik nodig heb. Elke persoonlijkheid bezit een bepaalde dierlijke dimensie. Er zijn perioden dat we alleen maar aan ons zelf denken.

Dit hoeft niet noodzakelijk slecht te zijn, maar het kan tot conflict leiden, als twee mensen het zelfde willen en zeker in een laag ontwikkelde staat. Één van de unieke eigenschappen van de mens is dat hij kan redeneren en dat hij in staat is om zijn gevoelens, verlangens, driften te beheersen. Maar als een persoon het dierlijke in hem toestaat om over zijn gedrag te heersen, doet hij niets met dit menselijk potentieel. Hij verlaat deze wereld zoals hij gekomen is, zonder zichzelf te hebben ontwikkeld.

Dit is niet de reden waarom wij tot existentie zijn gebracht. Hij heeft ons geschapen om deze wereld te veranderen, maar deze verandering begint bij onszelf. In plaats van gewoon maar te handelen omdat we het gevoel hebben dat we iets moeten doen, moeten onze handelingen gemotiveerd worden door denkvermogen. We moeten rechtvaardig handelen in ons doen, volgens G’D’s intentie met betrekking tot deze wereld. In plaats van altijd maar nemen, moeten wij extern denken en geven. Het gaat niet om de bevrediging van de eigen ik, het is geven en je zelf geven zonder enig eigenbelang.

Dit is de betekenis van “de verandering van het dierlijke in onszelf” het nader tot G’D brengen.

Dit associeert de spirituele dienst met het brengen van een offer. Hoe wordt dit bereikt? Door gedachten. Het dierlijke in ons is ook intelligent. Wat wil het? Zich goed voelen. Wanneer het doordringt dat geven meer voldoening kan brengen dan ontvangen en dat het grootste geluk komt van het doen overeenstemmen van onszelf met G’D’s wil, zal het zich eveneens op die manier gaan gedragen.

Daarom moeten wij ons voortdurend openstellen voor inspirerende ideeën en ondersteunende concepten. Op die manier zullen wij gemotiveerd en in staat zijn om over onze eigenbelangen heen te zien en het doel nastreven dat de gehele mensheid ten goede komt.

SHABBAT SHALOM

DE VIER FUNDAMENTELE DIMENSIES VAN “ZIJN” OF VAN VIER VERSCHILLENDE WERELDEN

ARTIKEL RABBIJN ADIN STEINSALTZ, HOOFD VAN HET ISRAËL INSTITUUT VOOR TALMOED PUBLIKATIES IN JERUZALEM.

DE MATERIËLE WERELD EN DE WERELD VAN FORMATIE [ ENGELEN ]

De materiële wereld waarin wij leven, het universum om ons heen dat wij objectief waarnemen, is slechts een deel van een onvoorstelbaar uitgestrekt systeem van werelden. De meeste van deze werelden zijn in wezen geestelijk, ze zijn van een andere orde dan onze gekende wereld. Dit hoeft niet noodzakelijkerwijs te betekenen dat zij ergens anders bestaan; het betekent eerder dat zij in verschillende dimensies van het ‘zijn’ bestaan. Wat belangrijker is: de verschillende werelden doordringen elkaar en werken op een dusdanige wijze op elkaar in, dat ze als elkaars tegenhanger beschouwd kunnen worden, waarbij elk zichzelf weerspiegelt of projecteert op de wereld eronder of erboven, met alle wijzigingen, veranderingen en zelfs vervormingen die het gevolg zijn van een dergelijke wisselwerking. De specifieke wereld van de werkelijkheid die wij in ons dagelijks leven ervaren, is de som van deze oneindig complexe uitwisseling van heen en weer gaande invloeden tussen de verschillende gebieden.

Als ik over hogere of lagere werelden spreek, is het niet mijn bedoeling een werkelijk materiële relatie te beschrijven; want in het rijk van de geest bestaat deze scheiding niet. De woorden ‘hoog’ en ‘laag’ verwijzen alleen naar de plaats van elke specifieke wereld op de ladder van oorzakelijkheid. Als men een wereld ‘hoger’ noemt, betekent dit dat hij oorspronkelijker is, fundamenteler omdat hij dichter bij een oerbron van invloed staat, terwijl een lagere wereld een secundaire wereld zou zijn – in zekere zin, een kopie. Toch is de kopie niet zomaar een imitatie maar eerder een heel systeem,met een min of meer onafhankelijk eigen leven, en een eigen verscheidenheid aan ervaringen, kenmerken en eigenschappen.

De wereld waarin wij leven met alles wat daarbij hoort, wordt de ‘wereld van actie’ genoemd. Deze omvat zowel de wereld van ons zintuiglijke als ons niet-zintuiglijke bevattingsvermogen. Maar deze wereld van actie is niet geheel van dezelfde aard en dezelfde kwaliteit. Het lagere deel van de wereld van actie is bekend als de ‘wereld van de materie’ en van min of meer mechanische processen – dat wil zeggen, de wereld waar de natuurwet overheerst, terwijl boven deze wereld van de materie een ander deel van dezelfde wereld is, dat we de ‘wereld van geestelijke actie’ kunnen noemen. Het gemeenschappelijke van deze beide gebieden van de wereld van actie is de mens, het menselijk schepsel dat zo geplaatst is tussen de werelden dat hij aan beide deelneemt. Als een deel van het natuurkundige systeem van het universum is de mens ondergeschikt aan de natuurkundige, chemische en biologische wetten van de natuur, terwijl de mens, door zijn bewustzijn, zelfs wanneer dit bewustzijn volledig beheerst wordt door zaken van een lagere orde, tot de geestelijke wereld, de wereld van ideeën behoort. Zeker, deze ideeën van de wereld van actie zijn bijna volledig met de materiële wereld verweven; ze ontstaan eruit en reiken verder, maar ze gaan er nooit werkelijk buiten. En dit geldt evenzeer voor de hoogtepunten van de meest verreikende en omvattende filosofie als voor de denkprocessen van de onwetende mens, de primitieve wilde of het kind.

leder aspect van het menselijk bestaan is daarom zowel uit stof als uit geest opgebouwd. En tegelijkertijd is in de wereld van actie het geestelijke ondergeschikt aan het stoffelijke, in overeenstemming met het feit dat de wetten van de natuur het gezicht en de vorm van alle dingen bepalen en als brandpunten fungeren voor alle processen. In deze wereld kan de geest alleen verschijnen en zijn rol spelen wanneer de geest gebaseerd is op de werking van wat wij de ‘krachten van de natuur’ noemen. Met andere woorden: het doet er niet toe hoe abstract een gedachte is of hoe afgescheiden van de zogenaamde werkelijkheid, zij behoort toch tot de wereld van actie.De wereld van actie is echter slechts één wereld binnen een algemeen systeem van vier fundamentele dimensies van ‘zijn’ of van vier verschillende werelden, ieder met haar eigen kosmos en eigen wezen. Deze vier werelden worden in volgorde van de hoogste naar de laagste emanatie” schepping’, ‘formatie’ en ‘actie’ genoemd. Dat wil zeggen dat de wereld onmiddellijk boven de onze, de wereld van formatie is. Om het verschil te begrijpen moet men eerst bepaalde factoren begrijpen die de vier werelden gemeenschappelijk hebben. Deze factoren waren traditioneel bekend als ‘wereld’, ‘tijdvak’ en ‘ziel’. Tegenwoordig zouden we van ‘ruimte’, ‘tijd’ en ‘zelf’ (het beleven van ons ‘zijn’) spreken. Iedere wereld wordt van de andere onderscheiden door de wijze waarop deze drie factoren erin gemanifesteerd worden. In onze wereld bijvoorbeeld is het natuurkundig begrip ‘plaats een noodzakelijk uiterlijk element voor het bestaan van de dingen. Het is de achtergrond waartegen alle objecten bewegen en alle schepselen functioneren. In de hogere werelden, en ook in de wereld van geestelijke actie, wordt datgene wat in de wereld van materiele actie analoog is aan ruimte een ‘hemels paleis’ genoemd. Het is het kader waarbinnen verschillende vormen en wezens samenkomen en verbinding hebben. Misschien mag men het vergelijken met de op zichzelf staande systemen die in de wiskunde als ‘groepen’ of’ velden’ bekend staan en waar-in alle delen van een eenheid zich op een bepaalde manier tot de andere delen en tot het geheel verhouden. Dergelijke systemen kunnen gedeeltelijk of volledig gevuld zijn, of ze kunnen betrekkelijk schaars zijn of leeg. Hoe het ook zij, een dergelijk systeem van verwante bestaansvormen vormt een ‘plaats’ in het abstracte – een ‘hemels paleis’ in de hogere werelden.

Tijd heeft in de andere werelden ook een andere betekenis. In ons ervaringsgebied wordt tijd gemeten aan de hand van de beweging van materiële objecten in de ruimte. Het ‘tijdvak’ zoals het abstract wordt genoemd is het eigenlijke proces van verandering. Het is het overgaan van het ene ding naar het andere, van vorm tot vorm en het omvat ook in zichzelf het concept van oorzaak en gevolg als datgene dat iedere overgangvan vorm naar vorm binnen de grenzen van de wet houdt. Inderdaad wordt dit tijdsysteem bij het omhooggaan in de orde van de werelden steeds abstract er en steeds minder representatief voor alles wat wij in de wereld van de natuurkunde als tijd kennen. Het wordt de pure essentie van verandering, of zelfs van de mogelijkheid tot potentiële verandering.

Tenslotte is wat wij in de materiële dimensie ‘ziel’ noemen, de totaliteit van levende schepselen die in de tijd- en ruimtedimensies van deze wereld functioneren. Hoewel zij een wezenlijk deel van deze wereld vormen, worden zij door hun zelfbewustzijn en kennis van deze wereld onderscheiden van de algemene achtergrond. In de hogere wereld zijn de zielen op gelijke wijze zelfbewuste wezens die handelen binnen het kader van het hemelse paleis en het tijdvak van hun wereld.

De wereld van formatie kan in essentie een wereld van gevoel genoemd worden. Het is een wereld waarvan de voornaamste substantie of soort van beleving van een of andere emotie is, en waarin dergelijke emoties de elementen zijn die de patronen ervan bepalen. De levende wezens erin zijn bewuste manifestaties van bijzondere impulsen – impulsen om een of andere daad uit te voeren of om op hun manier te reageren, of manifestaties van de kracht om een eerste aanzet op te pakken en te verwerkelijken, of een neiging of een inspiratie in vervulling te doen gaan. De levende schepsels van de wereld van formatie, de wezens die erin functioneren zoals wij dit in de wereld van actie doen, worden in het algemeen ‘engelen’ genoemd.

De ene engel onderscheidt zich niet van de andere door de natuurkundige eigenschap dat hij ruimte inneemt, maar door het verschil in niveau – de een hoger of lager dan de ander – met betrekking tot de fundamentele oorzakelijkheid als een verschil in essentie. Zoals wij al gezegd hebben zijn engelen wezens in de wereld van het gebied van emotie en gevoel. en omdat dit het geval is, kan de substantiële eigenschap van een engel een impuls of een energie zijn – een neiging tot liefde of tot het overrompeld worden door angst of medelijden en dergelijke. Om een groter geheel van ‘zijn’ tot uitdrukking te brengen, iets meer omvattends, kunnen wij verwijzen naar ‘een schare engelen’. In het algemene gebied van liefde zijn bijvoorbeeld veel onderverdelingen en talloze schakeringen en gradaties van tedere gevoelens. Geen twee liefdes zijn in emotie gelijk, evenmin als twee gedachten gelijk zijn. Dus iedere algemene en omvattende energie of impuls is een hele schare, misschien zelfs een hemels paleis en is niet op ieder niveau voortdurend hetzelfde. Terwijl bij menselijke wezens emoties wisselen en veranderen zoals mensen van tijd en plaats veranderen al naar gelang de omstandigheden, is een engel geheel de manifestatie van een enkelvoudig emotioneel wezen. De essentie van een engel is daarom op zich begrensd door de beperkingen van een bepaalde emotie net zoals persoonlijkheid en innerlijk het zelf van ieder individu in onze wereld bepalen. Maar een engel is echter niet alleen maar een fragment van bestaan die niets meer kan doen dan het manifesteren van een emotie; het is een totaal en integraal wezen, zich van zichzelf en zijn omgeving bewust en in staat te handelen en te scheppen, en dingen te doen binnen de structuur van de wereld van formatie. Het wezen van de engel is tot op zekere hoogte om, zoals de naam in het Hebreeuws aangeeft, een boodschapper te zijn, een permanent contact te vormen tussen onze wereld van actie en de hogere werelden. De engel is degene die de overdracht van de vitale volheid tussen de werelden bewerkstelligt. De opdracht van een engel gaat in twee richtingen: hij kan God dienen als een afgezant naar lagere gebieden en andere engelen en naar de werelden en de schepselen beneden de wereld van formatie. Hij kan ook dienen als degene die de dingen omhoog draagt, van onze wereld naar hogere werelden.

Het werkelijke verschil tussen de mens en een engel is niet het feit dat de mens een lichaam heeft, want de wezenlijke vergelijking gaat tussen de menselijke ziel en de engel. De ziel van de mens is ingewikkeld van samenstelling en omvat een hele wereld van verschillende existentiele elementen van allerlei soorten, terwijl de engel een enkelvoudig wezen is en daarom in zekere zin een-dimensionaal. Bovendien heeft de mens – door zijn veelzijdigheid, zijn vermogen om tegenstellingen in zich te dragen en zijn gave van een innerlijke zielskracht, de goddelijke vonk die hem tot mens stempelt – het vermogen onderscheid te maken tussen het een en het ander, in het bijzonder tussen goed en kwaad. Dit vermogen maakt het voor de mens mogelijk tot grote hoogten te stijgen maar schept eveneens de mogelijkheid dat hij faalt en afvallig wordt, wat beide niet geldt voor de engel. Vanuit het gezichtspunt van zijn essentie, is de engel eeuwig dezelfde; hij is statisch en onveranderlijk, of hij nu tijdelijk of eeuwig bestaat, en gebonden aan de starre grenzen van hoedanigheid die hem bij zijn schepping zijn gegeven.

Tussen de vele duizenden engelen die in de verschillende werelden gevonden worden, zijn er engelen die vanaf het prilste begin bestaan hebben, omdat zij een onveranderlijk deel van het Eeuwige Wezen zijn en van de vastgestelde orde van het universum. Deze engelen vormen in zekere zin de kanalen van overvloed waardoor de Goddelijke Genade in de werelden opstijgt en afdaalt.

Maar er zijn ook engelen die voortdurend opnieuw geschapen worden, in alle werelden en in het bijzonder in de wereld van actie waar gedachten, daden en belevingen aanleiding geven tot het ontstaan van verschillende engelen. Iedere mitswa (gebod, plicht, goede daad) die een mens doet is niet alleen een daad van transformatie in de materiele wereld, het is ook een geestelijke daad, heilig in zichzelf. En dit aspect in de mitswa, de geconcentreerde spiritualiteit en heiligheid, is het hoofdbestanddeel van dat wat een engel wordt. Anders gezegd: de emotie, de intentie en de wezenlijke heiligheid van de daad gaan samen om de essentie van de mitswa te worden, een bestaan in zichzelf, als iets dat een objectieve werkelijkheid heeft. En omdat dit afzonderlijke bestaan van de mitswa uniek en heilig is schept het de engel, een nieuwe geestelijke werkelijkheid die tot de wereld van formatie behoort. Daardoor strekt het doen van een mitswa zich verder uit dan het gevolg ervan in de materiele wereld; en door de kracht van de geestelijke heiligheid die het in zich heeft – heiligheid in een directe samenhang met alle hogere werelden – veroorzaakt het een primaire en belangrijke transformatie.

Nauwkeuriger gezegd: iemand die een mitswa doet, die bidt, of zijn geest naar het Goddelijke richt, schept hierdoor een engel. Het is een soort handreiking van de kant van de mens naar de hogere werelden. Maar zo’n engel, die in zijn wezen met de mens die hem geschapen heeft verbonden is, leeft in het algemeen nog steeds in een andere dimensie van ‘zijn’, namelijk in de wereld van formatie. En in deze wereld van formatie krijgt de mitswa zijn zelfstandige inhoud. Dit is het proces waardoor de specifieke boodschap of het offer aan God, een wezenlijk deel in de mitswa, omhoog stijgt en veranderingen teweegbrengt in het systeem van de hogere werelden – vooral in de wereld van formatie. Van hieruit beïnvloeden zij op hun beurt de werelden boven hen. Zo zien wij dat er een hoogste daad wordt verricht, wanneer datgene dat beneden gedaan wordt zich losmaakt van de bijzondere concrete plaats, tijd en persoon, en een engel wordt.

Omgekeerd wordt een engel soms van een hogere naar een lagere wereld gestuurd, want wat wij de boodschap van een engel noemen, kan op vele verschillende manieren geopenbaard worden. De engel kan zijn ware gedaante niet onthullen aan de mens, wiens wezen, zintuigen en waarnemingsinstrumenten slechts toebehoren aan de wereld van actie. In de wereld van actie bestaan geen middelen om de engel te begrijpen. Hij blijft voortdurend tot een andere dimensie behoren, zelfs wanneer hij in de een of andere vorm wordt begrepen. Dit kan vergeleken worden met de frequenties in een elektromagnetisch veld die buiten het beperkte gebied liggen dat gewoonlijk door onze zintuigen kan worden waargenomen. Wij weten dat het menselijke gezichtsvermogen slechts een klein deel van het spectrum opneemt; wat onze zintuigen betreft bestaat de rest niet.

Datgene dat gewoonlijk onzichtbaar is, wordt slechts waargenomen door de daar-toe geschikte instrumenten voor omvorming of interpretatie, of om in de taal van de Kabbala te spreken: als ze gehuld zijn in de kleren of vaten (voertuigen) die het voor ons mogelijk maken hen waar te nemen, zoals bijvoorbeeld radio- of televisiegolven door geschikte vaten of kanalen worden geleid om aan onze zintuigen te worden onthuld. Op dezelfde wijze zijn er aspecten van de werkelijkheid van de geestelijke wereld waarvan wij ons slechts vaag bewust zijn. Zelfs dieren kunnen soms, zij het in beperkte mate, gevoelig zijn voor de aanwezigheid van zo’n geestelijk wezen. De ezel van Bileam bijvoorbeeld, die een engel ‘zag’, zag natuurlijk niet werkelijk een engel. Waarschijnlijk had het dier een of andere vage gewaarwording.

Engelen worden op twee manieren aan menselijke wezens geopenbaard: de ene manier is het visioen van de profeet, de ziener of de heilige – dat wil zeggen een beleving door een mens op het hoogste niveau; de andere manier is een op zichzelf staande daad van inzicht door een gewoon mens die plotseling het voorrecht geniet dingen uit hogere niveaus geopenbaard te krijgen. En zelfs wanneer een dergelijk iemand of een profeet op de een of andere manier de werkelijkheid van een engel beleeft, blijft zijn waarneming, die door zijn zintuigen beperkt is, gebonden aan stoffelijke structuren en zijn taal neigt onvermijdelijk naar uitdrukkingen van feitelijke of verbeelde tastbare vormen. Wanneer de profeet anderen zijn beleving van het zien van een engel tracht te beschrijven of te verklaren, grenst de beschrijving aan het griezelige en fantastische. Uitdrukkingen als ‘gevleugeld hemelwezen’ of ‘ogen van de hoogste wagen’ kunnen slechts een flauwe en ontoereikende afschildering van de beleving zijn, omdat deze beleving tot een ander gebied met een ander systeem van verbeelding behoort. De beschrijving zal noodzakelijkerwijs naar het antropomorfe neigen. Of wanneer, zoals wij weten, het innerlijke wezen van de engel, die door de profeet beschreven wordt met het gezicht van een os maar helemaal geen gezicht heeft – en zeker niet dat van een os -verheldering en weerspiegeling zoekt binnen de stoffelijke realiteit en zichzelf kan uitdrukken op een manier die een zekere gelijkenis vertoont tussen het gezicht van een engel en het gezicht van een os, wat uitdrukking geeft aan een gekende geestelijke kwaliteit.

Dus alle duidelijk uitgesproken visioenen van de profetie zijn niets meer dan wegen om een abstracte vormloze geestelijke werkelijkheid in de woordenschat van de menselijke taal uit te drukken. Maar er kan zeker ook een openbaring van een engel in een hele gewone vorm bestaan, gekleed in een vertrouwd omhulsel, en gemanifesteerd als een ‘normaal’ verschijnsel in de natuur. De moeilijkheid is dat degene die een engel op deze manier ziet niet altijd weet dat het een verschijning is; dat de vuurzuil of het beeld van een mens niet geheel tot het rijk van de natuurlijke oorzakelijkheid behoort. En tegelijkertijd verschijnt de engel – dat wil zeggen, de kracht die vanuit een hogere wereld is gezonden – en tot op zekere hoogte handelt hij in de stoffelijke wereld, waarbij hij of geheel onderworpen is aan de wetten van onze wereld of werkzaam is in een soort vacu�m tussen de werelden, waarin de materiele aard niet meer is dan een soort omhulsel voor een hogere substantie. In de Bijbel ziet Manoach, de vader van Sjimsjom (Samson), de engel in de gedaante van een profeet. Toch voelt hij op onverklaarbare wijze dat het geen mens is die hij ziet, maar dat hij getuige is van een verschijnsel van een andere orde. Pas wanneer de engel volledig van vorm verandert en een vuurzuil wordt, herkent Manoach dat dit wezen, dit wonder dat hij gezien heeft en met wie hij gepraat heeft, geen mens was, geen profeet, maar een wezen van een andere dimensie van werkelijkheid – dat wil zeggen: een engel.

De schepping van een engel in onze wereld en de onmiddellijke overgang van deze engel naar een andere wereld is op zichzelf helemaal geen bovennatuurlijk verschijnsel. Het is een deel van een vertrouwd ervaringsgebied, een integraal deel van het leven dat heel gewoon en zelfs algemeen kan lijken vanwege zijn traditionele geworteldheid in het systeem van de mitswot of de orde van heiligheid. Wanneer wij bezig zijn om een engel te scheppen, zijn wij ons niet gewaar van de engel die geschapen wordt en deze daad lijkt een deel te zijn van de hele structuur van de praktische materiele wereld waarin wij leven. Op dezelfde wijze heeft de engel, die ons vanuit een andere wereld gezonden wordt, niet altijd een betekenis of invloed die verder reikt dan de normale natuurkundige wetten. Het gebeurt inderdaad dikwijls dat de engel zichzelf nauwkeuriger openbaart in de natuur, in de gewone wereld van oorzaak en gevolg en alleen een profetisch inzicht of voorgevoel kan aantonen wanneer en in welke mate het het werk van hogere krachten is. Want de mens is door zijn aard gebonden aan het systeem van de hogere werelden, zelfs terwijl dit systeem gewoonlijk niet aan hem geopenbaard wordt en hem niet bekend is. Als gevolg hiervan lijkt het systeem van hogere werelden voor hem natuurlijk, net zoals het geheel van zijn tweezijdige bestaan, dat zowel materie als geest omvat, hem vanzelfsprekend lijkt. De mens verbaast zich helemaal niet over deze doorgangen waar hij voortdurend in de wereld van actie doorheen gaat, van het rijk van het stoffelijke bestaan naar het rijk van het geestelijke bestaan. Bovendien kan dat wat van de andere werelden onze wereld binnendringt, voor ons als een deel van iets heel natuurlijks verschijnen. Men kan zeggen dat de werkelijkheid van de engel en de wereld van formatie een deel vormen van een systeem van ‘natuurlijk’ zijn dat net zo gebonden is door de wet als dat aspect van het bestaan dat wij rechtstreeks kunnen waarnemen. Daarom hoeft noch het bestaan van de engel, noch zijn ‘boodschap’ die hem van wereld tot wereld voert, de werkelijkheid van de natuur in de ruimste zin van het woord te doorbreken.

Het domein van de engelen, de wereld van formatie, is een algemeen systeem van onstoffelijke wezens, waarvan de meesten wezenlijk heel eenvoudig en duurzaam zijn. Iedere engel heeft een duidelijk omschreven karakter, dat gemanifesteerd wordt op de manier zoals hij in onze wereld functioneert. Daarom wordt er gezegd dat een engel maar een boodschap kan uitvoeren, want het wezen van een engel ligt buiten de bestaande veelzijdigheid van de mens. Het bijzondere wezen van een engel kan blijken uit verschillende dingen en afzonderlijke vormen, maar het blijft op zichzelf, zoals een gewone natuurkracht. Hoewel de engel een wezen is dat een goddelijk bewustzijn heeft, worden zijn specifieke essentie en functie hierdoor niet veranderd, net zoals natuurkrachten in de wereld specifiek en enkelvoudig zijn in de manier waarop zij functioneren en hun essentie niet steeds veranderen. Hieruit volgt dat net zoals er heilige engelen zijn die deel uitmaken van en geschapen zijn door het heilige systeem, er ook destructieve engelen zijn, die ‘duivels’ of ‘demonen’ worden genoemd en die de emanatie zijn van de verbinding van de mens met die aspecten van de werkelijkheid die tegengesteld zijn aan heiligheid. Ook hier scheppen de daden van de mens en zijn manieren van bestaan in al hun vormen engelen, maar engelen van een andere soort, van een ander niveau en een andere werkelijkheid. Dit zijn vijandige engelen die deel kunnen uitmaken van een lagere wereld of zelfs van een hogere, meer geestelijke wereld – dit laatste omdat zelfs al behoren zij niet tot het rijk van heiligheid, er in alle werelden en systemen van zijn een wederzijdse doordringing en invloed bestaat tussen het heilige en het niet-heilige.

HET CHASSIDISME

Antwerpen, 3 mei 1999

HET CHASSIDISME.

De Baäl Shem-Tov werd geboren in 1698 in het kleine stadje Okup in het Pools-Russisch grensgebied. De Baäl-Shem-Tov is zonder twijfel een historisch figuur geweest en de uitspraken aan hem toegeschreven, zijn vrijwel letterlijk van hem afkomstig. Ook de bijzonderheden over zijn levensloop, variëren van persoonlijke details tot een keur van wonderverhalen, behoren in elk geval tot de vroegste Chassidische traditie.

Rabbi Jisraël Baäl Shem Tov wordt daarin beschreven als zoon van een Tsaddiek-Nistar, Rabbi Eliëzer genaamd, waarover weinig bekend is. Bij de geboorte van Jisraël stierf zijn moeder en toen hij vijf jaar oud was, ging ook zijn vader heen. Voordat hij stierf, gaf hij zijn zoon het volgende testament mee: Weet, mijn zoon Jisraël, en gedenk het al je levensdagen, dat G-d de Almachtige, altijd met je is. Wees nooit bang voor iets of iemand, doch vrees uitsluitend je hemelse Vader. En denk er altijd aan elke Jood zonder onderscheid wie, waar of wat hij is, uit het diepst van je hart en met al het vuur van je ziel, lief te hebben.

Dit spirituele testament is niet zonder belang, omdat de voornaamste doctrines van het chassidisme hierop terug te voeren zijn, in het bijzonder de houding van het chassidisme ten opzichte van de gewone man en de opvattingen over de Alomtegenwoordigheid van G-d.

De leringen van het chassidisme.

1. Ahavath Jisraël

2. G-ddelijke Voorzienigheid

3. Vreugde

4. De Tsaddiek

5. Messianisme

1. Ahavath Jisraël.

In het chassidisme is deze broederliefde de hoeksteen van de chassidische gemeenschappen geworden. De chassidische dans is dan ook niet alleen een teken van blijdschap en opgewektheid, maar vooral symbolisch voor de onderlinge verbondenheid.

Het principe van Ahavath Jisraël – liefde voor de andere jood – berust op de gedachte, dat de zielen van alle leden van het joodse volk met elkaar in verbinding staan. Oorspronkelijk waren alle zielen in één grote ziel, de ziel van Adam. In de loop der tijden zijn van deze "zielensubstantie" steeds individuele zielen afgenomen en in een lichaam geplaatst. De som en de totaliteit van al deze individuele zielen vormen één gestructureerde constructie. Iedere individuele ziel vertegenwoordigt één-of soms ook maar een onderdeel van een orgaan. Deze constructie is de eigenlijke collectieve volksziel en verklaart ook de definitie van het joodse volkszijn en volkswezen.

Op deze wijze zijn er ook verschillen in niveau tussen de zielen: er zijn er zielen van het hoofd, van het hart en zielen van de voeten. De eersten zijn de leiders en de laatste zijn de gewone mensen. Maar zoals het hoofd zich niet zonder voeten kan voortbewegen en zijn wil uitvoeren, zo kan de ziel van het hoofd niet zonder de veel lagere ziel van de voeten. Chassidiem redeneren nog verder. Wanneer iemand zijn teen bezeert, kan hem dit hoofdpijn bezorgen. Zo is het wel en wee in spirituele en materiele zin van elk onderdeel van het lichaam-tot het meest onbelangrijke toe van belang voor het geheel. Sommige chassidische groeperingen baseren een groot deel van hun handelwijze op deze gedachte. Zij benaderen anderen en proberen hen religieus te motiveren of verrichten sociaal werk.

Het Chassidisme gaf hier ook mee aan, dat de ongeletterde een eigen plaats in de gemeenschap behoort in te nemen en niet veracht mag worden zoals voor het Chassidisme gebeurde. De Baäl Shem Tov legde het belang van de ander uit aan de hand van een allegorische verklaring van Mozes ontmoeting met het brandend doornbos, waarin zich een vuur bevond, dat niet verteerde. De geleerde wordt namelijk traditioneel vergeleken met een boom, die vruchten draagt. De Baäl Shem Tov vergeleek in tegenstelling daarmee de ongeletterde met een doornbos, maar dan met een heilig vuur van binnen, waarmee hij aangaf, dat de emotionele kwaliteiten van de ongeletterde van een hogere waarde en belang kunnen zijn dan het intellect van de geleerde.

Op die manier wordt ook verklaard en toegelicht het hoogste peil van nederigheid die de Thora toeschrijft aan Mozes de grootste Profeet en de grootste leermeester aller tijden.(Numeri 12-3) Daar staat letterlijk geschreven: "De Man Mozes was uitermate bescheiden, meer dan enig mens op de oppervlakte van de aarde. Mozes weet en denkt in de allereerste plaats dat hij al zijn bijzondere en uitzonderlijke bekwaamheden cadeau gekregen heeft van G-d in de wieg, bij zijn geboorte. De enige verdienste van de mens is de inspanning die iemand doet om zijn potentiele bekwaamheden te ontwikkelen. Maar daar kruipt veel- erg veel tijd in en deze tijd die krijgt hij dank zij de meest gewone en eenvoudige mensen. Moest hij zelf zijn brood bakken, zijn kleren naaien, zijn schoenen produceren of repareren enz.enz. dan had hij ook nooit de kans gekregen om op te groeien tot deze grote volksleider, Profeet en G-ddelijke man die hij geworden is.

2. De G-ddelijke voorzienigheid

Eens zaten de Baäl Shem Tov en zijn leerlingen bij elkaar en spraken over G-ds leiding aan het gebeuren in de wereld. De Baal Shem Tov nam zijn leerlingen mee naar buiten en wees hun op een blaadje, dat juist van de boom viel. Er stak een wind op en het blad dwarrelde een eindje verder over de grond en bleef ergens liggen. Op die plaats kwam een wurm uit de aarde te voorschijn, die van het blaadje begon te eten. Daarmee liet de Baäl Shem Tov aan zijn volgelingen zien, dat zelfs het kleinste gebeuren zijn betekenis heeft.

Uiteindelijk gaan deze leringen veel verder en benadrukken, dat al hetgeen de mens overkomt – het aangename zowel als het minder aangename – een plaats heeft in het doel van de schepping.

Wanneer mensen elkaar ontmoeten, gebeurt dat met een reden: de een kan leren van de ander. Volgens de Baäl Shem Tov gold dit niet alleen voor ontmoetingen tussen Joden, maar ook voor contacten tussen niet-Joden. In het Oost-Europa van de 18e eeuw met zijn vele vervolgingen was dit een geheel nieuw geluid, dat aan de ene kant het kwaad, dat men in zijn leven ervoer, verzachte en aan de andere kant de mogelijkheid voor normale relaties tussen Joden en niet-Joden in beginsel inhield.

3. Vreugde

Chassidisme is in de Westerse wereld misschien het meest bekend geworden om zijn praktische vervulling van het gebod "dient G-d in vreugde." (Psalmen 100:2) Chassidisme leerde dat G-d er genoegen in schept, dat de mens tevreden en gelukkig is. Zelfs wanneer iemand eigenschappen heeft, die niet in overeenstemming zijn met de Idealen van de Thora, is men desondanks verplicht om toch vreugdevol gestemd te zijn. Ook moet men alles trachten te ervaren vanuit een gezichtspunt, dat alles ten goede geschapen is en zich uiteindelijk ten goede zal keren. In Chassidische groepen is de beleving van deze gedachte vooral tijdens het gebed te merken. Sommige groepen vallen op door hun vrolijke melodieën, die door de voorzanger worden ingezet en die door iedereen worden meegezongen. Gebeden worden vaak hardop gezegd, waarbij het lichaam bewogen wordt. Geregeld komen de leden van een groep bij elkaar en vertellen verhalen over hun Rebbe of over andere Rebbes. Zo’n bijeenkomst eindigt vaak in een dans, waarbij men elkaar een hand geeft en langzaam op de toon van een melodie in een kring ronddanst. Op zulke momenten voelt men, dat men lid van een eigen groep is en dat het leven meer biedt dan de dagelijkse beslommeringen.

4. De Tsaddiek.

In het Jodendom algemeen, maar vooral – en in het bijzonder – in de Chassidische leer wordt benadrukt dat de Thora een werk is, dat gewaardeerd dient te worden onafhankelijk van de tijd en de situatie, waarin het geschreven is. In het Chassidisme inderdaad heeft deze gedachte er
toe geleid om alle gebeurtenissen opnieuw aan de eigen tijd en generatie te relateren. Dat wil zeggen, dat al hetgeen in de Thora verteld wordt, in elke tijd opnieuw plaats vindt. Deze uit de Kabbala afkomstige opvatting, houdt dan in, dat bijvoorbeeld de verlossing uit Egypte individueel gezien kan worden als de bevrijding van de mens uit zijn eigen – menselijke – beperkingen, hetgeen gebaseerd is op een woordspeling op het woord voor Egypte in het Hebreeuws, dat anders uitgesproken begrenzing betekent. Meer in het algemeen slaat de bevrijding van het joodse volk uit de Egyptische slavernij op de Messiaanse toekomstverwachting.

Een ander hieruit afgeleid principe is, dat elke generatie zijn mozesfiguur kent en dat er ook ruimte is voor andere leiders, zoals ook het geval was in die periode van de Joodse historie. Zoals Mozes voor het volk bad en bemiddelde, zo treedt ook de Chassidische leider, de Rebbe op.

Hij wordt verondersteld een ziel te bezitten van een hoger niveau dan de gewone mens waardoor hij in staat is zich in optimale vorm aan alle ge- en verboden te houden. De zielen van anderen zijn met hem verbonden en hij is in staat om de mens aan te geven, welke weg hij in zijn leven moet gaan. Van een Rebbe wordt dus verwacht, dat hij een Tsaddiek (lett.:een rechtvaardige en absoluut plichtgetrouw)is.

Het voornaamste verschil tussen de Tsaddiek en lagere spirituele niveau is, dat de Tsaddiek de menselijke neiging tot kwaad eerst helemaal beheerst en onderdrukt- en dan volledig omgevormd heeft tot goed. Daarmee verschilt hij van gewone mensen. De laatsten zijn wel in staat om hun neiging tot slecht steeds te overwinnen, maar niet om deze geheel uit te schakelen. In de praktijk houdt dit in, dat een gewoon mens steeds een strijd te voeren heeft met zijn slechte neiging (volgens het Jodendom is er altijd in de mens een neiging tot kwaad en een neiging tot goed), maar daarin nooit tot rust komt. Een Tzaddiek is echter de belichaming van goed en wordt daarom beschouwd als een heilig mens, die over capaciteiten beschikt, die verder gaan dan het vlak van het natuurlijke. Dit laatste wordt door Chassidisch Rebbes zelf onderkend (Weiner 1969:175).Dit bovennatuurlijke inzicht is voor Chassidiem een reden te meer om in allerlei gevallen eerst advies aan de Rebbe te vragen voordat men een beslissing neemt.

Zo heeft de Thora een veel actuelere plaats in de Chassidische zingeving gekregen dan bij sommige andere stromingen het geval is. De historie van het Joodse volk is veel meer dan geschiedenis. Men ervaart haar dagelijks in zijn contacten met anderen en in het bijzonder in zijn relatie met de Rebbe.

5. Messianisme

Één van de werken, welke in de ontstaansperiode van het Chassidisme is verschenen, de "Keter Shem Tov",begint met te verhalen van een Hemelse ervaring van de Baäl Shem Tov, waarin hem wordt meegedeeld, dat door zijn leringen de Verlosser voor het Joodse volk zou komen:

Tijdens het Nieuwjaarsfeest (Rosh-Hashana) in het jaar 5507 steeg mijn ziel omhoog… en ik zag wonderbaarlijke dingen , die ik tot dusver niet gezien had…ik steeg van niveau tot niveau tot ik de verblijfplaats van de Messias binnentrad…En ik vroeg de Messias: wanneer komt gij en hij antwoordde mij…ten tijde dat uw leringen verspreid zullen zijn en geopenbaard in de wereld en uw bronnen uitgedragen zullen zijn naar buiten. (Spreuken 5:16)

Uit dit citaat blijkt overduidelijk, dat het Chassidisme van mening is, dat juist door haar leer de Messiaanse tijd zal aanbreken. Daarmee is het terecht om het Chassidisme als een Messiaanse beweging te zien, hoewel aan de andere kant Chassidiem er geen opvattingen op na houden, dat deze toekomstverwachting alleen op hun eigen groep van toepassing is. Ook ontkennen ze de legitimiteit van andere stromingen in het orthodoxe Jodendom niet.

Voor het dagelijkse handelen is de betekenis van dit messianisme niet te onderschatten. Chassiedim verwachten, dat één van de religieuze leiders, die tevens een afstammeling van koning David is, zich als verlosser van het Joodse volk bekend zal maken. Op basis van een aantal andere opvattingen ziet men de vervulling van deze verwachting in onze tijd. Sommige Chassidische groepen doen dan ook moeite om de Chassidische literatuur buiten hun eigen gemeenschap te verspreiden. Om de zelfde reden worden de belangrijkste werken in de moderne talen vertaald en uitgegeven. Op deze wijze hoopt men aan een spoedige intrede van het nieuwe tijdperk mee te werken.

DE ONTWIKKELING VAN HET CHASSIDISME TOT IN DE HUIDIGE TIJD.

Toen de Baäl-Shem-Tov zijn leringen verkondigde, vormde er zich om hem heen een kring leerlingen. Deze bestond uit twee verschillende groepen. In de eerste plaats sloten zich een aantal Talmoedisten en mystici bij de nieuwe beweging aan, die tot die directe leerlingen van de meester zouden behoren. Daarnaast voelden vele ongeletterden zich gegrepen door het Chassidisme, waarin zij een eigen plaats konden innemen.

De Baäl-Shem-Tov maakte zijn leer bekend door op verschillende plaatsen voor de mensen te spreken, maar vooral door in zijn eigen woonplaats geregeld verklaringen te geven op de wekelijks te lezen gedeelten uit de Thora. Pas na zijn verscheiden werden zijn leringen opgeschreven door zijn vriend en leerling Rabbi Jakob Jossef van Polnohi. Hoewel dit omstreeks 20 jaar na het heengaan van de Baäl-Shem-Tov geschiedde, is het aannemelijk, dat de geciteerde uitspraken letterlijk van de Baäl-Shem-Tov afkomstig zijn. Dit is op te maken uit een nu nog bestaand instituut in Chassidische gemeenschappen, dat zijn herkomst in eerste instantie dankt in een tijd dat tape en bandrecorder nog niet bestonden, namelijk dat van de bergazerer (lett.:herhaler).Om de toespraken en voordrachten van de Chassidische Rebbes te kunnen onthouden, functioneert bij sommige groepen iemand als Herhaler. Elk woord , dat de Rebbe heeft uitgesproken, onthoudt hij. Na afloop van een dergelijke rede, die soms zes tot acht uur duurt, komen de Chassiedim bijeen en hij herhaalt woord voor woord wat de Rebbe gezegd heeft. Van sommige bergazerers is bekend, dat zij op die plaatsen, waar de Rebbe gekucht had, ook kuchten. Dat dit instituut bewaard is gebleven, is te danken aan de Shabbathwetten, die het gebruik van elektrische apparatuur op de Shabbat verbieden. Daardoor is de bergazerer met zijn fotografisch geheugen ook nu nog noodzakelijk, wil men de woorden van de Rebbe op schrift stellen. Een dergelijk fenomeen toont aan, dat men de Mondelinge-Overlevering in primitieve gemeenschappen vaak ernstiger moet nemen dan men in eerste aanleg geneigd zou zijn te doen. Wanneer andere mogelijkheden niet bestaan of niet gebruikt kunnen worden, blijkt de mens over een beter gehoor en geheugen te beschikken dan verwacht wordt.

Deze uitweiding over het belang van de mondelinge- overlevering is hier zeer relevant, want in tegenstelling tot dat wat in onze maatschappij gebruikelijk is, krijgt op deze wijze het gesproken woord een eigen en meer fundamentele betekenis. Daarbij is de aard van een mondelinge overlevering misschien anders  dan een schriftelijke. Over de laatste komt de discussie veel gemakkelijker tot stand wanneer men het op schrift oneens met elkaar is, wordt een weerwoord geschreven en zo verder. Een mondeling overgeleverde traditie kan veel sacraler zijn en leent zich hier dan niet voor. Bij het ontstaan van de verschillende groeperingen in het Chassidisme is dit een voornaam punt. �berhaupt is de mondelinge leer in essentie gebaseerd op twee fundamentele en rotsvaste toezeggingen: dat ten 1e het Joodse volk eeuwig zal blijven bestaan,(Malachi 3,-6)en ten 2e dat de Thora nooit zal vergeten worden in het volk Israël (Deuteronomium 31,-21 en Isa’e 59,-21).Dit feit is een garantie dat er nooit een onderbreking zal ontstaan in de traditie en de overdracht van de mondelinge leer. Ook het Chassidisme boogt op d
eze rotsvaste garantie. Elke groep beroept zich op de overlevering, die door een oorspronkelijke leider eens is uitgesproken en waarop geen beroep mogelijk is. Dat leidt tot een bijzondere waardering van die thema’s, die door deze leider benadrukt zijn en daarmee tot een eigen karakter van die groep aanhangers. Wanneer aan de ene kant de verspreiding van de wereldreligies direct gerelateerd moet worden aan het op schrift stellen van hun ideeën, moet aan de andere kant de standvastigheid van religieuze overtuigingen in kleinere gemeenschappen verbonden worden met het sacrale van de mondeling overgeleverde traditie. Het is dan ook niet zonder reden, dat in het Jodendom het lange tijd-tot de verwoesting van de tweede Tempel-verboden was de zogenaamde mondelinge leer op schrift te stellen. Daarbij is het vanzelfsprekend, dat het hier gaat om uitspraken van mensen, waarvan men de overtuiging bezit, dat hun woorden een bijzondere betekenis bezitten.

Ook de opvolger van de Baäl-Shem-Tov, Rabbi Dov Ber van Mezeritch (?-1772), had een kring van geleerden om zich heen. Deze leerlingen verspreiden zich over geheel Oost-Europa en verspreiden daar het Chassidisme verder. Overeenkomstig het bovenstaande legde elke Rebbe het accent op een specifiek element van het Chassidisme van de Baäl-Shem-Tov en op deze wijze kreeg elke groep zijn eigen, specifieke kleur. Zonder er al te diep op in te gaan, is het noodzakelijk twee hoofdrichtingen in het Chassidisme te onderscheiden, die elk een eigen ontwikkeling hebben doorgemaakt. Tot in deze tijd speelt deze onderscheiding een belangrijke rol om de verschillende groepen te kunnen plaatsen.

In het oorspronkelijke Chassidisme werd vooral de nadruk gelegd op een meer emotionele religieuze beleving. Chassidim onderscheidden zich in die tijd door een zeer geëmotioneerd gebed en in het algemeen door een manifestatie van hun religieuze gevoelens in het dagelijkse handelen. In principe waren daarbij twee benaderingen mogelijk. De ene bestond hieruit, dat men door uiterlijke middelen, zoals zang en dans zich opwekte tot religieuze verrichtingen. De andere was van intellectuele aard: door bespiegeling over G-d en de schepping probeerde men religieuze emoties op te wekken.

Deze innerlijke, mediatieve methode werd op Kabbalistische gronden in het bijzonder door één van de leerlingen van de Maggied van Mezeritch geprefereerd boven de andere. Deze leerling, Rabbi Schneur Zalman van Liadi (1745-1812), richtte de zogenaamde Chabad-richting op, waarbij het woord Chabad de afkorting is van de Hebreeuwse termen voor drie intellectuele eigenschappen, die onderscheiden worden, waarmee iemand volgens deze richting zijn gevoelens van eerbied en liefde tot G-d moet opwekken. De huidige Lubavitcher Chassidiem zijn de vertegenwoordigers van deze richting.

In tegenstelling met de Chabad behoren de andere Chassidische stromingen tot de Chagas richting.

Deze laatste afkorting slaat op drie emotionele eigenschappen, die door deze chassidim direct worden aangegrepen om tot religieuze verrichtingen te komen. In het algemeen kan gezegd worden, dat Chabad zich onderscheid van Chagas door een meer intellectuele dan emotionele benadering en door meer de nadruk te leggen op innerlijk dan op uiterlijk. Chabad-Chassidiem beschouwen daarom meditatie als essentieel. Het gebed behoeft geen uiterlijke kenmerken te dragen. Daarentegen bereiden veel Chabad-Chassidiem hun dagelijkse ochtendgebed voor door Chassidische geschriften te bestuderen en daarover na te denken.Tijdens het gebed worden deze bespiegelingen voortgezet. Er ligt bijzondere nadruk op uiterlijke kenmerken zoals kleding. De muziek van Chabad is duidelijk mediatief. De groep staat open voor buitenstaanders en is goed georganiseerd. Waarheidsgetrouw hoeft hierbij vermeld te worden dat deze verschillen tussen Chabad – en Chagas Chassidim alleen maar slaat op het Chassidische en mystieke beleven van het Chassidisme. Op het gebied van Thorastudie in de ruimste zin is er praktisch geen verschil.

Chagas Chassidiem zijn direct herkenbaar aan hun kleding. Vele groepen hebben daarin kenmerken, welke hun niet alleen van wat in het westen gebruikelijk is, onderscheiden,maar ook van andere Chassidiem. Op bijzondere dagen draagt men verschillende soorten bontmutsen en kleurige of zwarte kaftans. Door de week een eenvoudiger kaftan en een zwarte hoed. Bij alle Chassidiem is het gebruikelijk de baard geheel te laten staan. Tevens zijn zij herkenbaar aan de lengte van hun oorlokken enz. Het uiterlijk aspect zet zich verder door dan de kleding. De innerlijke discipline kan niet onafhankelijk gezien worden van de uiterlijke sociale controle,die in sommige van deze zeer intieme en gesloten groepen, erg vergaat. Buitenstaanders vinden moeilijk toegang. Het groepslidmaatschap is eigenlijk alleen mogelijk, wanneer men zich ook ruimtelijk in de nabijheid van een vestiging van een groep bevindt. De organisatorische mogelijkheden van zo’n groep zijn dan ook beperkt in deze zin. De melodieën van Chagas-Chassidiem zijn vaak simpel en vrolijk of meeslepend en gevoelvol. In tegenstelling tot de Chabad,waar de Rebbe in eerste instantie gids en leraar op de levensweg is, fungeert de Chagas-Rebbe meer als "Wunderebbe",die ingrijpt in de natuurlijke gang van zaken. Hij moet crisissituaties oplossen door zijn advies en gebed en door zijn contact met de bovennatuur zijn Chassidiem bijstaan. Op dit ogenblik is de Lubavitcher richting in het Chassidisme de enige represantant van de Chabad-stroming. Alle andere Chassidiem behoren tot de Chagas. Opvallend is, dat Chabad als enige stroming in het Chassidisme met een eigen schriftelijke traditie, bestaande uit een literaire werkzaamheid van de Lubavitcher Rebbes over meer dan twee eeuwen,die geresulteerd heeft in meer dan honderd publicaties met als hoofdwerk het boek "Tanja"van de eerste Lubavitcher leider, geen afsplitsingen in zijn historie kent, terwijl alle andere Chassidische groepen daardoor juist gekenmerkt worden. In de geschiedenis van de Chagas hebben leerlingen van leerlingen steeds nieuwe groepen gevormd. Hoewel in de tweede wereldoorlog gehele dynastieën zijn uitgeroeid,zijn er weer nieuwe ontstaan. Vele groepen hebben zich na de oorlog in Israël gevestigd en leiden daar een bloeiend religieus leven. Sommige groepen hebben eigen wijken opgericht en andere hebben eigen dorpen. Momenteel is het Chassidisme over de vier windstreken verspreid met als centra Israël en Amerika.

RABBIJN J.FRIEDRICH

Een wekelijkse vernieuwing

Wanneer mijn grootvader een brief schreef of een afspraak noteerde, dan was er slechts één manier waarop hij de datum aangaf: de eerste, de tweede, of de derde dag in “Het leven van Sara” of in “Jitro” of in “Jullie zullen heilig zijn”. Dit zijn enige titels van de wekelijkse afdelingen van de vijf boeken van de Thora, welke elke Shabbat van het jaar in de synagoge worden gelezen.

De dagen van de week hebben in het Hebreeuws geen naam. Men verwijst ernaar als yom rishon – de eerste dag naar Shabbat toe -, yom sheni- de tweede dag naar Shabbat toe – enz. En naar elke Shabbat apart wordt verwezen door verwijzing naar de Thora-afdeling die op die Shabbat gelezen wordt.

De generatie van mijn grootvader wist – precies zoals vele joden van vandaag – welke afdeling van de Thora in een bepaalde week werd gelezen. Iedereen wist ook dat de hele lezing van de Pentateuch wordt voleindigd op Simchat Thora en iedereen wist dat op dezelfde dag met de Thora-lezing opnieuw wordt begonnen van het begin af aan.

De eerste Shabbat na Simchat Thora heet Shabbat Bereshiet. Op deze Shabbat wordt verteld over het begin van de schepping en het is deze Shabbat die het begin markeert van de cyclus van Thora-afdelingen die wekelijks het hele jaar door gelezen worden.

De wekelijkse lezing van de Thora is nooit beperkt geweest tot het ritueel in de synagoge. Evenmin was ze beperkt tot Shabbat. Gedurende de hele week vergezelde ze elke jood, jong en oud, geleerde en eenvoudige van geest. Elke dag van het jaar leefde men er mee zoals met de dagelijkse zonsop- en ondergang. Het werd koud en het begon te sneeuwen wanneer “Mi-kets” of “Va-yigash” werd gelezen, en het werd warm wanneer “Shoftim” en “Re'eh” er aankwamen. Men wist dat de lente er was wanneer de afdelingen van het boek Leviticus werden gelezen.

De gelezen tekst bleef altijd dezelfde. Het is niet toegelaten ook maar een iota aan de geschreven Thora te veranderen. Maar in de ogen van de lezers scheen de tekst nooit oud of vol herhalingen, verouderd of achterhaald. Elk jaar, telkens weer als de lezing van een nieuwe week in het vooruitzicht kwam, zag hij er fris en nieuw uit. Steeds nieuwe inzichten werden in de tekst gevonden en de stroom van nieuwe vertalingen en commentaren hield nooit op.

“Er zijn” – zo zeggen de rabbijnen – “zeventig gezichten aan de Thora”. En deze zeventig werden er zevenhonderd en meer. Er was altijd een nieuw gezicht wanneer iemand de afdeling las. Het was altijd fascinerend en boeiend.

Een paar honderd jaar geleden schreef iemand een boek dat niet minder dan negenhonderd dertien verschillende interpretaties bevatte van het woord Bereshiet, het eerste woord van de Thora. Hij stopte bij negenhonderd dertien omdat dit de getalwaarde is van het woord volgens het systeem van de Gematria, waarin b = 2, r = 200, a = 1, sh=300, i=10 en t=400.

Lezers van de Thora hebben zich nooit druk gemaakt over de sullige vraag, welke vaak ook gesteld werd door de zogenaamde “wetenschappelijke geest”: welke van al de commentaren is de “ware” of de “echte”? Als knappe studenten in de hermeneutiek en de moderne literaire kritiek wisten ze dat het verschil tussen grote literatuur en minder grote literatuur juist hierin bestaat dat de eerste kan worden geïnterpreteerd op verschillende niveaus die allen gelijkelijk “waar” en “echt” zijn. En wat geldt voor grote literatuur, geldt zeker voor het woord van de Almachtige.

De Rabbijnen vergelijken de Thora met een brief van een geliefde die een verre reis ondernam. Hoe vaak hebben we niet, verlangend naar de afwezige geliefde, een brief gelezen en herlezen? Hoeveel niveaus van betekenis hebben we er niet in gevonden? En hoeveel verschillende interpretaties van elk woord kwamen niet in ons hoofd bij elke nieuwe lezing?

De Thora is de brief die onze Geliefde achterliet toen Hij vertrok naar een ver land, waar we geen direct contact met Hem kunnen hebben. De enige wijze waarop we bij Hem kunnen zijn is door de brief te lezen en te herlezen. We doen dit elke Shabbat als we een afdeling van de Thora lezen. Als we geluk hebben, dan horen we Hem en voelen we Hem telkens en telkens weer, altijd weer opnieuw en altijd weer anders.

Elke week biedt ons niet enkel een nieuwe tekst, maar ook een nieuwe ervaring. De inhoud van de afdeling wordt deel van het huishouden van die week. De Thora-lezing was nooit uitsluitend het eigendom van geleerden of rabbijnen. leder had er deel aan, ieder op zijn eigen niveau.

De omvangrijke literatuur van de Midrash met zijn populaire uitleggingen, parabels en verhalen, kwam tot stand door Rabbijnen en predikers die de Thora-afdelingen onderwezen aan de massa's over een periode van zowat duizend jaar (tussen zowat 300 jaar vóór de gangbare jaartelling tot het jaar 700). Deze activiteit werd vervolgens verder gezet door grote middeleeuwse Thora-uitleggers als Saadia, Rashi, Ibn Ezra, Rashbam en Nachmanides, en gedurende de daarop volgende eeuwen in velerlei populaire werken, geschreven in de talen die joden in de diaspora spraken.

Wat de bloemlezing Me-Am Lo'ez voor honderden jaren voor de Ladino-sprekende joodse gemeenschap betekende, was de Tse'ena oe-re'ena voor hen die Jiddisch spraken. Deze boeken brachten de boodschap en de inzichten van de Thora in elk huis. De Tse'ena oe-re'ena, die voornamelijk door vrouwen werd gelezen, kende niet minder dan 210 edities.

Reb Meir Holder, die het boek recentelijk in een nieuwe vertaling voorstelt aan de Engelse Iezer, beschrijft de plaats van het Yiddische werk in het leven van de Oosteuropese shtetl: “Onze vrome overgrootmoeder in het vroegere land koos een rustig uurtje uit. Ze maakte zich los van de dagelijkse bezigheden en installeerde zich in haar lievelingshoekje tussen de wieg en het vuur. Ze opende de veel doorbladerde 'Tsennarenne' (zoals het Hebreeuws in het Yiddisch werd uitgesproken). Haar halsdoek gladstrijkend, zette ze zich neer om in het boek met de bekende houtsneden de lotgevallen te volgen van de kinderen van Israël in de tijden van weleer. De bladzijden vertelden haar over de wekelijkse Thora-afdeling.

Ze deelde de angst van Sara over het bijna-offer van Isaak. Ze verlangde nederig naar de zelfverloochening van moeder Rachel. Ze wiste een onschuldige traan weg over de jonge Josef in de put met schorpioenen. Ze rilde bij het lezen van de grimmige details van de slavernij in Egypte. Ze verheugde zich met Mirjam bij het trekken door de Rode Zee. En ze vond troost voor de dagelijkse beproevingen van de goloes (ballingschap) door het beschouwen van de geestelijke beloningen waarmee de matriarchen van het verleden samen met de getrouwe moeders van alle generaties in de komende wereld worden gezegend.”

De talen waarin de Thora werd geïnterpreteerd, kunnen radicaal veranderd zijn in de recente generaties. Wat evenwel niet verandert, is de functie van de afdeling van de week als bron van eeuwig vernieuwde inspiratie, altijd op tijd, een leidraad voor allen.

SHABBAT SHALOM.

P.P