HEILIGHEID (2)

TWEEDE DEEL ARTIKEL OVER HET BEGRIP ‘HEILIG’ DOOR RABBIJN ADIN STEINSALTZ, HOOFD VAN HET ISRAËL INSTITUUT VOOR TALMOED PUBLIKATIES IN JERUZALEM.

(Literatuur en Verklarende Woordenlijst onderaan het artikel.)

De kringloop van de week is een soort samenvatting van de zeven dagen van de Schepping. Iedere dag van de week is niet alleen een gelegenheid om het bijzondere scheppingswerk van die dag aan te geven, maar ook een kader waarbinnen de bijzondere kwaliteit van het bestaan die met een van de Sefierot overeenkomt, zich manifesteert.

Want zoals blijkt zijn de zeven dagen van de week en het bijzondere, dat, zoals ons in Genesis verhaald wordt, op ieder van deze dagen is geschapen, emanaties in de tijd van de hogere Sefierot.

Daarom zijn er dagen van de week die bij bepaalde daden of gemoedstoestanden behoren en andere die bij andere vormen van ‘zijn’ passen. Dinsdag is bijvoorbeeld de manifestatie van de Sefiera van Tiferet (schoonheid of harmonie) en wordt beschouwd als een dag die geschikt is voor succes en geluk. Terwijl van Maandag, de dag van de Sefiera van Gewoera en van Woensdag gezegd wordt dat ze soms een pijnlijke strengheid hebben.

Ook de uren en de delen van de dag hebben hun ritmische patronen die overeenkomen met de subtiele invloeden van de Sefierot zoals die weerspiegeld worden door de schuine stralen van de zon. De ochtend-uren zijn de gunstigste; de middag staat sterk onder invloed van de Sefiera van Gewoera en die wordt nog sterker bij het naderen van de avond, terwijl in de tijd van middernacht tot het ochtendgloren de mooiere en lieflijke kwaliteiten van Tiferet zich manifesteren.

De Shabbat is niet zomaar een dag van de week, zelfs niet een speciale dag; het is een samenvatting van de week en geeft hieraan betekenis. De weekdagen worden gekenmerkt door de Scheppingsdaden, die altijd weer terugkeren door het afdalen van de goddelijke volheid naar de wereld. En in overeenstemming met dit afdalen is het de taak van de mens gedurende de week de wereld overal waar het verkeerd dreigt te gaan, in het juiste spoor te houden.

Dit betekent in materiële zin om de wereld door werken en daden aan de buitenkant te verbeteren, en in geestelijke zin om de wereld te vervolmaken door het doen van mitswot. Want op het gebied van de menselijke ziel vormt het werken aan zichzelf – het voortdurend rechtzetten van fouten en het aanzetten van zijn innerlijk wezen tot activiteit – een onafgebroken creatieve inspanning.

De Shabbat is de wezenlijke rustdag waarop al het werk en de creatieve inspanning worden onderbroken. En dit geldt zowel voor de geestelijke inspanning om aan zichzelf te werken als voor de lichamelijke inspanning om aan de wereld te werken. De week wordt door arbeid of activiteit gekenmerkt, terwijl de Shabbat op rust is gebaseerd, op het wegcijferen van zichzelf in de stroom van heiligheid. En deze zelfverloochening wordt uitgedrukt door het afwijzen van iedere activiteit, in de materiële betekenis het bezig zijn in de wereld, of in geestelijke zin het zich verdiepen in pogingen om de ziel te verbeteren. In feite komt de eigenlijke kracht om de geestelijke essentie van de Shabbat te ontvangen voort uit de bereidheid en het vermogen zich over te geven zijn menselijke en wereldlijke staat op te geven ter wille van de Hoogste Heiligheid, waardoor alle werelden tot een hoger niveau worden verheven.

De kringloop van weekdagen en Shabbatot is zonder einde. Aan de ene kant bereiden de weekdagen de Shabbat voor door de wereld te verbeteren en er volheid aan toe te voegen en het mogelijk te maken de zaken tot een afsluiting te brengen en hen tot een geschikt hoger niveau te verheffen. Aan de andere kant is de Shabbat de bron van volheid voor alle dagen van de week die op haar volgen. Het overgeven van zichzelf op Shabbat is niet eenvoudigweg een kwestie van niet-actief-zijn maar van het zichzelf openstellen voor de invloed van de hogere werelden, en daardoor de kracht te ontvangen voor alle dagen van de week die volgen.

Net als de heiligheid van een plaats, is de heiligheid van een dag, van een bepaalde tijdseenheid er innerlijk in aanwezig en kan niet op een andere dag worden overgedragen. Niettemin hangt de beleving van deze heiligheid die objectief is, af van iemands geestelijke bereidheid en openheid. Hoe intensiever en oprechter de voorbereidingen gedurende de week in de wereldlijke loop van iemands leven zijn, hoe heiliger de Shabbat is.Hoe hoger het geestelijk niveau van iemand in het algemeen is, hoe vuriger het gevoel wordt van het algemeen opstijgen – en dat geldt voor alle werelden – op deze dag.

Terwijl dus de kringloop van de weekdagen en de Shabbat zich eindeloos herhaalt, is hij nooit dezelfde. Er zijn subtiele verschillen in de stroom van de volheid, net zoals mensen zelf verschillen. En toch is iedere aparte week een archetype, een samenvatting van het oorspronkelijke patroon van Genesis.

De cycli van de maand en het jaar zijn enigszins verschillend, omdat zij gebonden zijn aan de gebeurtenissen in de natuur, zoals de bewegingen van de zon en de maan, of aan sociaal-nationale gebeurtenissen die een betekenis hebben gekregen die buiten het historische ligt. De joodse maand is bijvoorbeeld een maancyclus, die alleen maar betrekking heeft op de standen van de maan: de wassende maan vormt het begin van de maand en de afnemende maan het laatste deel. De meeste feestdagen vinden plaats bij volle maan of bijna volle maan. Tegelijkertijd neemt de eerste dag van de maand, als het nieuwe maan is, een speciale plaats in in de cyclus van het jaar. De jaarlijkse cyclus van de zon steunt echter vanwege zijn heiligheid op de feestdagen en heilige dagen, waarop een vermeldenswaardige gebeurtenis uit het historisch verleden en de goddelijk bepaalde toekomst ritueel verbonden zijn met het heden.

Op deze wijze zijn heilige dagen verbonden met belangrijke historische gebeurtenissen zoals de Uittocht uit Egypte op Pesach (Pasen), het ontvangen van de Thora op de berg Sinaď op Sjawoeot (Pinksteren) of de tocht van de kinderen Israëls door de woestijn op Soekkot (Loof-huttenfeest). Deze heilige dagen zijn niet eenvoudigweg bedoeld als gedenkdagen om de herinnering aan de gebeurtenis levend te houden, het zijn goddelijk vastgestelde tijden, gewijd aan een vernieuwing van dezelfde openbaring die eens op dié dag van het jaar heeft plaatsgehad, een herhaling en een herstel van dezelfde krachten. Hierdoor is de wijding van de heilige dagen niet alleen afgeleid van een oorspronkelijke goddelijke openbaring, maar ook van het voortdurend opnieuw heilig verklaren door Israëlvan deze openbaring, door de manier waarop het deze dagen heilig houdt.

Behalve de feestdagen die een of andere oorspronkelijke openbaring in de geschiedenis herhalen, zijn er ook heilige dagen die de tijd of het jaar zelf moeten heiligen. Nieuwjaarsdag is, bij wijze van spreken, de eerste dag van de mens in de geschapen wereld. Op dezelfde manier is jom Kippoer, Grote Verzoendag, de dag waarop de Hoogste Heiligheid wordt geopenbaard en de mens boven alle werelden uitstijgt. Dit wordt mogelijk gemaakt door de goddelijke vergeving en kwijtschelding van zonden, die de neerwaartse druk van krachten die uit overtredingen en schaamtevolle gedachten voortkomt overwint en een onmetelijke nieuwe zuiverheid van de relatie van de mens tot God teweegbrengt.

Omdat de heiligheid van een feestdag niet is afgeleid van de historische gebeurtenissen die hij gedenkt, maar uit de openbaring die erachter ligt, verdienen bepaalde historische gebeurtenissen het helemaal niet dat ze eeuwig als heilige dagen voortduren. Daarom kan een historische gebeurtenis alleen als gedenkdag worden herdacht met een treurige of een vreugdevolle inhoud, maar hoeft geen deel uit te maken van de orde van eeuwig geheiligde dagen. De gedenkdagen van bepaalde dieptragische gebeurtenissen zoals de verwoesting van de Tempel, worden generaties lang tot rouwdagen gerekend. Pas als de wereld een bepaalde mate van verlossing zal hebben bereikt, mogen deze dagen in vergetelheid raken. Tot dan toe worden bepaalde dagen van het jaar, zoals het eerste deel van de maand Av, beschouwd als treurdagen en minder gunstige dagen, waarop vaak rampen voorkomen of opnieuw geschieden, waardoor droevige herinneringen worden versterkt.

Behalve de feest- en vastendagen die aan het volk in zijn geheel toebehoren, markeren andere dagen belangrijke gebeurtenissen uit het leven van bijzondere persoonlijkheden die op alle mensen of op een deel ervan invloed hebben gehad, en er zijn dagen waarop gebeurtenissen uit de geschiedenis van bepaalde families of individuen worden herdacht. De sterfdagen van grote mannen (in het jodendom zijn alleen heiligen groot) worden bijvoorbeeld voor het merendeel niet als rouwdagen beschouwd, maar als vreugdevolle dagen ter herinnering aan de heiligheid van de man en zijn uiteindelijke geestelijke overwinning in de dood. Ook verjaardagen of andere dagen van persoonlijk belang worden dikwijls tot een deel van de individuele cyclus van het jaar gemaakt. Waar het om gaat is dat alleen die dagen waarlijk heilige dagen zijn, die hun wijding aan God ontlenen – dat wil zeggen dat op een bepaalde datum in de loop van de tijd de goddelijke overvloed geopenbaard wordt en zichzelf ieder jaar blijft openbaren.

Een derde aspect van heiligheid is dat van de menselijke ziel, de heiligheid van de mens. En zelfs deze heiligheid komt niet uit de mens zelf voort. Iemand kan groot en wijs zijn en de beste eigenschappen bezitten; hij kan zelfs een tsaddiek en een Chassied zijn; maar het wezen van heiligheid komt alleen tot hem voorzover hij met God, de bron van het heilige, is verbonden. Iemand kan op verschillende manieren met de bron van heiligheid verbonden zijn. Er bestaat een overgeërfde heiligheid, die aan de familie behoort, die door God gegeven is aan degenen die Hem op een bepaalde manier dienen.

Hieronder kan men de heiligheid van Israël als een geheel verstaan of dat van de zoons van Aaron, het erfelijke priesterschap. Dan is er de meer betekenisvolle heiligheid die voortkomt uit de verbinding van de mens met God, die bijvoorbeeld door de mitswot bereikt kan worden. Als de mens zich volledig houdt aan de heilige voorschriften voor zijn gedrag en zich geheel van slechte daden onthoudt, wordt hij gehuld in een voortdurende en onophoudelijke verbinding met God. Daarboven bestaat de meer intellectuele vereniging met de goddelijke heiligheid door de bestudering en kennis van de Thora. Als iemand met zijn hele ziel en zaligheid de Thora leert en zichzelf grondig vertrouwd maakt met de wetten en geboden, raakt hij nauw verbonden met de Thora, die een van de manifestaties is van de Hoogste Heiligheid. Nog hoger is het vermogen van de mens zich over te geven, zijn eigen wil te laten varen en Gods wil te zijn. Als een mens dat niveau van zelfverloochening bereikt, bereikt hij ook een niveau van heiligheid dat zich op verschillende manieren in overeenstemming met zijn geestelijke bekwaamheden openbaart.

Soms geeft een mens zich alleen binnen het gebied van de Thora en de mitswot aan de goddelijke heiligheid over. En als hij dan nog verder probeert te komen, kan hij een bepaalde identificatie bereiken met iets, dat hij slechts kent in termen van hogere wijsheid.

Als hij een eenheid met zo’n grote kracht zou bereiken, is hij in staat op goddelijke invloed te reageren en zal hij worden overspoeld door een openbaring van de Heilige Geest en zijn hele leven zou dienovereenkomstig veranderen. Dit niveau is inderdaad door de geschiedenis heen door vele grote mannen bereikt, doordat zij zich aan de mitswot en de Thora hielden, en door hun hele manier van leven. En boven dit niveau zijn er nog een paar uitverkorenen, die van tijd tot tijd in de menselijke geschiedenis het voorrecht hebben zó ontvankelijk te zijn voor de goddelijke volheid dat zij profetische kracht gekregen hebben. En zelfs bij profetische kracht kan men verschillende niveaus onderscheiden. Er zijn profeten die een voorbijgaand visioen hebben: zij voelen zich alsof een hogere macht hen dwingt en beelden en gedachten in hen voortbrengt. Op een hoger niveau spreekt de Sjechiena die hem ‘de woorden in de mond legt’. Dit gebeurt als de profeet zijn hele leven in een of andere verbinding tot de goddelijke wil staat en hij zelf als een instrument ter openbaring dient. Op het hoogste niveau van heiligheid staan die mensen die een staat bereikt hebben, waarin hun hele persoonlijkheid en al hun daden onverbrekelijk met de goddelijke heiligheid verbonden zijn. Van deze mensen wordt gezegd dat zij een wagen’ voor de Sjechiena geworden zijn en net als de Wagen zijn zij volledig overgegeven aan Hem die op de plaats van de bestuurder zit, de troon van glorie. Zelfs terwijl zij net als alle andere mensen van vlees en bloed zijn, maken zij deel uit van de troon van glorie zelf.

Het leven van een heilig mens wordt voor iedereen een voorbeeld en een model om na te volgen. Een heilig mens kan een grote koning of een vrome tsaddiek zijn, een wijze of een leider van zijn generatie. Maar hij kan ook een van de verborgen heiligen zijn, wiens heiligheid door de mensen onopgemerkt blijft. Maar op welke wijze de heiligheid zich vertoont en onverschillig hoe verbonden het kan zijn met iemandpersoonlijkheid, het blijft toch afhankelijk van zijn verbinding met de goddelijke volheid.De gewone mens die contact met een heilige heeft gekregen, wordt daardoor in een bepaald contact met ware heiligheid gebracht. In deze zin geldt dat hoe hoger het niveau van heiligheid van een vroom mens is, hoe meer hij is als een engel (en in zekere zin zelfs meer dan een engel), waar hij optreedt als een drager van heiligheid die de goddelijke volheid van de ene wereld naar de andere overbrengt. Door zijn zegeningen, zijn daden en gebeden schenkt hij deze volheid aan wie hij uitverkiest. De mens die innerlijk contact maakt met zo’n heilige door hem liefde en toewijding te tonen, steunt daarbij de stroom van goddelijke volheid in de wereld. Dit wordt in de joodse traditie sinds onheuglijke tijden bedoeld wanneer aan diegenen toewijding wordt betoond die superieur in heiligheid zijn of een uitstraling van heiligheid hebben. Dergelijke gezegende mensen bezitten de gave een soort band te scheppen die hen nader tot elkaar brengt, waarbij het niets uitmaakt, of de heilige persoon verbonden is met God doordat hij een groot geleerde van de Thora is of omdat hij alleen maar een vroom mens is. Het is een mitswa op zichzelf om de heilige te eren, in eerbied tegen hem op te zien en hem lief te hebben. Bovendien is het een middel tot direct contact met heiligheid. En net zoals een innerlijke verbinding met de heiligheid van plaats of tijd iemand wijding geeft en verheft, doet de heilige mens dit ook, hoewel de bijkomende factor van het bewust overdragen van gelukzaligheid dit contact stellig tot het meest ontroerende en belangrijkste van alle menselijke relaties maakt.

——

Verklarende Woordenlijst:

Biena - inzicht Chogma - wijsheid Da’at - kennis, weten De’a - kennis
Emanatie - uitvloeiing van de totale werkelijkheid uit een hoger principe
Gemieloet chassadiem – het doen van weldaden
Gnosticisme - verzamelnaam voor religieuze stromingen,voornamelijk in de 1e eeuw na Chr.
Halacha – (letterl. het gaan) de wet, de wetsregels in de joodse traditie.
Jom Kippoer - Grote Verzoendag
Kabbala – (letterl. traditie) mystieke stroming in het jodendom.
Kadosh-
heilig
Kiddoesh – de inwijding van de Sjabbat en de feestdagen.
Ma’arziev - avondgebed
Mincha - middaggebed
Mitswa – gebod, plicht, goede daad
Pesach – Paasfeest
Rosh Hashana - Nieuwjaarsfeest
Sefiera - wezen
Shachariet - ochtendgebed
Shawoe’ot - Pinksterfeest
Shechiena - aanwezigheid van God
Soekkot - Loofhuttenfeest
Talmoed - (letterl. Studie) verzameling commentaren en diskussies. Er bestaat een Palestijnse en een Babylonische Talmoed. Misjna en Gemara vormen samen de Talmoed.
Tefila - gebed
Tesjoewa – inkeer
Tora - de leer, onderwijzing, instructie. De eerste vijf boeken van de Hebreeuwse Bijbel.
Tsaddiek - rechtvaardige

Literatuur:

R.C. Musaph-Andriesse. Wat na de Tora kwam. Ten Have, Baarn I973.

G.G. Scholem. Kabbala. Keter, Jerusalem, I 974.

G.G. Scholem. Major Trends in Jewish MYstz’cz’sm. Schocken, New York, 1961.

G. G. Scholem (ed.). Zohar. Schocken, New York, I949.

A.Steinsaltz. The essential Talmud. Bantam Books, New York, I 976.

H. Weiner. The Kabbala Today. Collier Books, New York, 197I.

HEILIGHEID (1)

EEN TWEEDELIG ARTIKEL OVER HET BEGRIP ‘HEILIG’ DOOR RABBIJN ADIN STEINSALTZ, HOOFD VAN HET ISRAËL INSTITUUT VOOR TALMOED PUBLIKATIES IN JERUZALEM.

(Literatuur en Verklarende Woordenlijst onderaan het artikel en in Notities)

In de heilige taal is de grondbetekenis van het concept van ‘het heilige’ de scheiding: het sluit in dat iets apart staat en afgezonderd is. Het heilige is datgene wat buiten de grenzen ligt, onaanraakbaar en volkomen buiten bereik; het kan niet begrepen of zelfs omschreven worden, omdat het zo geheel anders is dan al het andere. Heilig-zijn betekent: wezenlijk anders zijn.

Er is veel in de wereld dat groot, goed, edel of mooi kan zijn zonder dat het noodzakelijkerwijs iets van de essentie van het heilige in zich heeft, want het heilige kan niet worden gekwalificeerd. Het kan in feite op geen enkele andere manier worden omschreven dan door de allerhoogste aanduiding – ‘heilig’. De aanduiding zelf is het verwerpen van alle andere namen en titels.

Hieruit volgt dat de enige die heilig genoemd kan worden God is; en de Heilige, Gezegend Hij, de Allerhoogste en Heilige, is anders dan al het andere, omdat Hij onmeetbaar ver is, verheven en transcendent. Niettemin spreken we van de uitstrooiing van heiligheid over de wereld, over alle werelden, in overeenstemming met hun niveaus en zelfs over onze wereld met alle delen waaruit hij bestaat – tijd, plaats en ziel. En in feite zijn wij zelfs in staat onze ontvankelijkheid voor heiligheid te vergroten door onszelf open te stellen voor zijn invloed.

De heiligheid van plaats wordt gemanifesteerd als een reeks concentrische cirkels, waarvan het centrum het Heilige der Heilige is dat in Jeruzalem staat. De Heilige Tempel is op zichzelf slechts een soort ‘geestelijk werktuig’, nauwkeurig gebouwd overeenkomstig de aanwijzingen van de Thora en de

woorden van de profeten met het doel om heiligheid te helpen verankeren in de stoffelijke wereld – dat wil zeggen om als brandpunt te dienen in het contact tussen de onbereikbare Allerhoogste Heiligheid en de plaatselijke werkelijkheid. Het totale ontwerp van de Tempel, met alle details van de buitenhoven tot de rituele objecten en vaten, is een soort projectie van de hogere wereld op de onze. Ieder deel van de Tempel kan, vanuit een bepaald gezichtspunt bezien, als homogeen worden beschouwd met een heel systeem van werelden buiten ons. Of, om het anders te zeggen, de Tempel is in al zijn details een symbolisch model van de Wagen. En het Heilige der Heilige is de plaats van de openbaring van de goddelijke glorie, het aanrakingspunt of kruispunt tussen de verschillende werelden en tussen het ene bestaansniveau en het andere.

Het Heilige der Heiligen is derhalve een punt dat tegelijkertijd in onze wereld én in andere werelden gesitueerd is. Als zodanig is het een plaats die onderworpen is aan de wetten van alle werelden en daarom buiten de gewone wetten van tijd en plaats staat. Daarom was het Heilige der Heiligen voor iedereen verboden met uitzondering van de korte tijd dat de hogepriester van Israël er eens per jaar, op Grote Verzoendag, binnen mocht gaan.

Zoals men kan vermoeden, wordt de heiligheid van deze plaats alleen manifest wanneer alles is zoals het moet zijn, wanneer de Tempel op de daartoe bestemde plaats staat en wanneer alles in de Tempel zo volmaakt geordend en gerangschikt is dat hij vervuld is van de SHechiena. Omdat echter de plaats die (door profetische openbaring) gekozen is de enige plaats in de ruimte is waar een dergelijke goddelijke verbinding ten alle tijde gelegd kan worden, blijft de heiligheid van de plek bestaan zelfs wanneer de Tempel er niet langer staat. Zodat zelfs terwijl deze heiligheid nu niet manifest is, de mogelijkheid van zijn manifestatie eeuwig aanwezig is. Van de plaats van de Tempel strekken de cirkels van heiligheid zich steeds verder in de ruimte uit, waarbij zij zwakker worden wanneer zij terugwijken van het Heilige der Heiligen naar de Binnenhof van de Tempel en van de Binnenhof naar de Heilige Stad Jeruzalem, van de Heilige Stad Jeruzalem naar het hele Heilige Land en dan natuurlijk daarbuiten.

Ieder van deze begrensde ruimten houdt een grote reeks verplichtingen en voorrechten in. Hoe heiliger de plaats is, hoe strikter de algemene verplichting zich hiertoe op een bepaalde manier te verhouden -daarbij komen nog de meer specifieke verplichtingen die zijn opgelegd aan degenen die in een geheiligd gebied leven of, zoals de priesters, er werken.

Alhoewel de mogelijkheid tot heiligheid altijd aanwezig is, is het zo dat de heiligheid van het land van Israël niet op juiste wijze gemanifesteerd kan worden tenzij alle samenstellende delen van de cirkels van heiligheid die uitstralen van het centrum in Jeruzalem op hun juiste plaats zijn. Dus als de Tempel niet op de juiste plaats staat, worden alle aspecten van heiligheid die eruit voortkomen vaag en onzeker, waarbij sommige in een toestand van latente heiligheid verzinken en slechts een mogelijkheid en een beginpunt aanduiden. De heiligheid van het Heilige Land heeft niets te maken met wie de bewoners zijn of wat zij doen; het is een keuze van bovenaf, die het menselijk begrip te boven gaat.

De heiligheid van een plaats is objectief, het is iets dat op zichzelf staat. Maar om zich bewust te zijn van deze heiligheid, moet men zich verwaardigen een bepaalde beleving te ondergaan. Want heiligheid wordt zelden uiterlijk zichtbaar in de materiële wereld. De plaatsen waar het wordt herkend, worden dikwijls gebruikt om met de meest grote inspanningen de Hoogste Bron van volheid aan te roepen. De openbaring van heiligheid heeft evenmin op een bepaalde plaats altijd een volledig positief effect, want om op de goede manier ontvankelijk te zijn voor heiligheid, moet men een hoge graad van zuiverheid hebben bereikt. Als bewustzijn en zuiverheid ontbreken, kan het gevoel van heiligheid worden verduisterd of zelfs nauwelijks worden begrepen en als gevolg daarvan kan het effect precies het tegenovergestelde zijn van een wijding. De krachtige stimulerende roep die uitgaat van een heilige plaats wordt dikwijls in evenwicht gehouden door gevoelens die juist heiligheid ontkennen en er tegen in opstand komen. Want overal waar heiligheid is zijn er ook parasiterende krachten die onweerstaanbaar tot heiligheid worden aangetrokken en proberen ervan te leven en tegelijkertijd proberen het te vernietigen. Alleen wanneer het hele apparaat van openbaring vaststaat en volmaakt is geordend, kan een heilige plaats zich aan iedereen zonder onderscheid openbaren, zonder rekening te houden met de subjectieve geestestoestand van een mens of van de aanwezigheid van parasiterende, vernietigende krachten.

De heiligheid van een plaats zou dus inhouden dat er op een bepaald punt in de natuurkundige ruimte een of andere openbaring van de Hoogste Heiligheid is geweest, dat verkozen was om drager te zijn van de goddelijke volheid. Er zijn ook andere gewijde plaatsen, plaatsen die niet in deze volledige betekenis van het woord heiligheid bereikt hebben, maar niettemin onder de invloed zijn gekomen van een of andere heilige gebeurtenis of persoonlijkheid. De graven van heiligen en wijzen bijvoorbeeld, of de plaatsen waar zij gedenkwaardige daden hebben verricht, kunnen grote geestelijke waarde krijgen. Maar dergelijke plaatsen zijn niet van dezelfde orde en mogen niet verward worden met de ware verbinding tussen God en de plaats die geopenbaard is in de stralende heiligheid van de Heilige Tempels.

Heiligheid wordt ook in de tijd gemanifesteerd en er zijn gewijde dagen in de week, in de maand en in het jaar. Het begrip tijd is in het joodse denkmodel niet een lineaire stroom. Tijd is een proces waarin verleden, heden en toekomst met elkaar verbonden zijn, niet alleen door oorzaak en gevolg, maar ook als een harmonisatie van twee bewegingen: vooruitgang en een tegenbeweging naar achteren, elkaar omcirkelend en terugkerend. Het lijkt meer op een spiraal die uit de Schepping opstijgt. Er is altijd een bepaalde terugkeer naar het verleden; het verleden is nooit een toestand die voorbij is gegaan en niet meer bestaat, maar meer een toestand die voortdurend terugkeert en op een of ander belangrijk punt, waarvan de betekenis steeds verandert door de wisselende omstandigheden, opnieuw begint. Er vindt dus een voortdurende terugkeer naar grondpatronen van het verleden plaats, hoewel het nooit mogelijk is van ieder moment een nauwkeurige tegenpool te hebben.

De reikwijdte van deze terugkeer naar het verleden is verschillend; er is een cirkelende, elkaar kruisende en in elkaar grijpendebeweging. De oercyclus is die van dag en nacht; daarna komen de week, de maand, het jaar, de cyclus van de halve eeuw van het jubeljaar en de grote cycli van duizend jaar en zevenduizend jaar.

WOENSDAG 5 JUNI TWEEDE GEDEELTE.

—-

Verklarende Woordenlijst

Biena - inzicht
Chogma - wijsheid
Da’at - kennis, weten
De’a - kennis
Emanatie - uitvloeiing van de totale werkelijkheid uit een hoger principe
Gemieloet chassadiem – het doen van weldaden
Gnosticisme
- verzamelnaam voor religieuze stromingen,voornamelijk in de 1e eeuw na Chr.
Halacha – (letterl. het gaan) de wet, de wetsregels in de joodse traditie.
Jom Kippoer - Grote Verzoendag
Kabbala – (letterl. traditie) mystieke stroming in het jodendom.
Kadosh- heilig
Kiddoesh – de inwijding van de Sjabbat en de feestdagen.
Ma’arziev
- avondgebed
Mincha - middaggebed
Mitswa – gebod, plicht, goede daad
Pesach – Paasfeest
Rosh Hashana - Nieuwjaarsfeest
Sefiera - wezen
Shachariet - ochtendgebed
Shawoe’ot - Pinksterfeest
Shechiena - aanwezigheid van God
Soekkot - Loofhuttenfeest
Talmoed - (letterl. Studie) verzameling commentaren en diskussies. Er bestaat een Palestijnse en een Babylonische Talmoed. Misjna en Gemara vormen samen de Talmoed.
Tefila - gebed
Tesjoewa – inkeer
Tora - de leer, onderwijzing, instructie. De eerste vijf boeken van de Hebreeuwse Bijbel.
Tsaddiek - rechtvaardige

Literatuur

R.C. Musaph-Andriesse. Wat na de Tora kwam. Ten Have, Baarn I973.

G.G. Scholem. Kabbala. Keter, Jerusalem, I 974.

G.G. Scholem. Major Trends in Jewish MYstz’cz’sm. Schocken, New York, 1961.

G. G. Scholem (ed.). Zohar. Schocken, New York, I949.

A.Steinsaltz. The essential Talmud. Bantam Books, New York, I 976.

H. Weiner. The Kabbala Today. Collier Books, New York, 197I.