Kabbala & Chassidisme – VOORWOORD “DE MYSTIEKE TRADITIE”

De mystieke dimensie van Judaïsme is de absolute ziel van de Thora.

De Existentie van een mystieke dimensie en traditie in Judaïsme is een voldoende bewezen en een reeds lang gevestigd feit. Echter, geeft de algemene gedachte allerlei verschillende voorstellingen weer.

Het meest vereenzelvigd opgeroepen beeld van “mystiek” en “Kabbala” is die van magie, amuletten, incantatie, geesten, en anderen niet natuurlijke fenomenen. Deze beelden op zich, brengen verschillende reacties teweeg. Één uiterste is zo gefascineerd, dat zij willen speuren in de geheime wereld van de mystiek, om zich in staat te stellen de natuurlijke orde van dingen te manipuleren, een ander uiterste is die, die onder het voorwendsel van het rationeel zijn, het totale concept afdoen als zijnde primitieve fantasie en bijgeloof, geworteld in onwetendheid en naïviteit.

Om heel duidelijk te zijn, er is zoiets als Kabbala ma’asit “praktische Kabbala“, met een systeem en techniek die transcendentaal uitreikt over de natuurlijke orde. Zijn toetsing echter is onderhevig en afhankelijk aan Kabbala iyunit, de filosofische theorie en perspectief van het Joodse mysticisme, welke op zijn beurt is beperkt tot aan de totale afbakening van de Joodse traditie (pardes, R. Jismael)

Kabbala perse richt zich op het principe van de alomtegenwoordige realiteit van G-D. De authentieke mysticus zoekt naar de ‘aanraking’ van het Goddelijke en daarin te worden geabsorbeerd. Hij zoekt geen macht, nastreving van zelfverheffing en bekwaamheid tot manipulatie is vreemd voor hem.

Zijn doel is om zichzelf weg te cijferen en uit te reiken boven de vergankelijke waarde van materie en tijdelijke realiteit. Kabbala ma’asit in dat opzicht is compleet het tegenovergestelde, daarom wordt vanuit de opinie van de ware mysticus het afgedaan als gevaarlijk en averechts. (zie de strikte waarschuwingen van R.Isaac Luria de Ari in R.Chaim Vital, Sha’ ar Hamitzvot, R.Moshe Cordovero, Pardes Rimonim, R.Josef David Azulay,Petach Einayim).

Kabbala iyunit vertegenwoordigt een compleet (hoewel complex) systeem van zijnsleer, kosmogonie en kosmologie, zoals Tzimtzum, sefirot, Olamot, Orot,

Kelim, Partzufim enz. Deze studie behandeld de algemene natuur en perspectief van de Joodse Mystiek en zijn plaats binnen het normatieve Jodendom, de unieke aspecten die zich onderscheiden van haar niet Joodse tegenhangers en het belang om het doorgeven en begrijpelijk maken aan de volgende generatie.

MYSTIEKE CONCEPTEN
Een introductie van kabbalistische concepten en doctrines.

Deze studie handelt over de fundamentele concepten en doctrines die zijn origine heeft in de basis werken van de Kabbala, zoals Sefer Yetzirah en de Zohar-geschriften. Maar in deze werken verschijnen zij meestal embryonaal en rudiment. Zij namen hun geaccepteerde gezaghebbende vorm aan alleen in de verstandelijke uiteenzettingen en verklaringen van R. Mozes Cordovero en R. Isaac Luria.

Hoofdstuk 1. ANTROPOMORFISME EN METAFORA

1. Antropomorfisme

De terminologie van kabbala, en dus de volgende uiteenzettingen van onze studie, zijn in zeer hoge mate antropomorfistisch. De termen zijn ontleend van menselijke concepten en de empirische wereld. De reden is uiteraard dat zij de enige soort van woorden zijn, die de mens op een zinvolle wijze kan hanteren.

De vormen van het concept ruimte en tijd zijn opgelegd aan de geest van de mens die leeft in een wereld van ruimte en tijd. Het is voor deze uitdrukkelijke rede dat de Thora, de Profeten, en onze Geleerden antropomorfistische taal gebruiken, zoals het is verklaard “De thora spreekt in de taal van mensen.”

Want “Had zij zichzelf gelimiteerd tot abstracte termen en concepten passend aan G`D, zouden wij noch de termen noch de concepten hebben begrepen.

De gebruikte woorden en ideeën zijn dus zodanig aangepast aan de mentale capaciteit van de toehoorder, dat het onderwerp eerst doordringt tot zijn verstand, in de fysieke zin, waarin de concrete termen worden begrepen.

Dan pas kan men verder gaan naar een begrip dat het gepresenteerde alleen een aangeving is en metafoor, en dat de realiteit te subtiel is, te verheven en te ver weg van ons om haar subtiliteit te kunnen doorgronden.

De wijze denker tracht de essentie te ontdoen van de termen van omhulling (m.a.w. haar materialistisch zin) en wil zijn conceptie verhogen, stapsgewijs zodat hij zoveel als mogelijk kennis van de waarheid zal vergaren, tot aan zijn intellectuele bevattingsvermogen.”

Het is dus om in gedachten te houden voor alle tijden, dat de termen en concepten ontdaan moeten worden van alle tijdelijke, ruimtelijke en lichamelijke bijbetekenissen.

Alle antropomorfistische begrippen en concepten, zijn letterlijk, niet toe te schrijven aan het Goddelijke, zoals het Schrift expliciet verklaart: “Met wie wil je G`D vergelijken? Of welke gelijkenis wil je vergelijken met Hem? …..Met wie wil je me vergelijken dat gelijk IK zou zijn, zegt de HEILIGE” (Isaiah 40:18,25). Deze kardinale premisse is geadopteerd door Maimonides als de derde grondregel van de “Dertien fundamentele grondprincipes van het Jodendom”.

Gelijktijdig echter, zou moeten worden aangetekend dat de antropomorfistisch terminologie zoals gebruikt in het Schrift, de mysticus en bij anderen, niet willekeurig is omdat het valt onder de boven genoemde kwalificatie. Integendeel, deze termen zijn zorgvuldig gekozen en bezitten een wijze en diepzinnige betekenis.

De rabbijnse-Midrashtiek en Mystieke schrifturen refereren overvloedig aan het begrip dat de lagere wereld in het algemeen en de mens in het bijzonder, zijn gecreëerd in het beeld van de hogere wereld. Alle gegrondveste categorieën in de lagere wereld en in de mens zijn homonieme representaties van, en toespelingen op, zekere bovennatuurlijke concepten en begrippen aan welke zij corresponderen. Om alle duidelijkheid, er is geen enkele gelijkenis in welke vorm dan ook, tussen G`D en het gecreëerde en op de bovennatuurlijke niveaus van de absolute spirituele sfeer, er zijn geen dingen zoals, ogen, oren, handen, enz. noch activiteiten en affecties zoals horen, kijken, wandelen, praten enz; echter, al deze ruimte-tijd handelingen en concepten, doen symboliseren, en in feite, komt het om die rede tot het ZIJN in correspondentie tot het originele bovennatuurlijke absolute en zuivere spirituele categorieën.

In een wijd en zijd geciteerde passage verklaard R.Joseph Gikatilla passend deze corresponderende- verhouding in de volgende analogische betekenis.

Wanneer een naam van een persoon is geschreven op een stuk papier is er ongetwijfeld geen gelijkenis, verwijzing of verwantschap tussen de geschreven letters of woorden op papier en de fysio-mentale entiteit van de persoon welke zijn naam is genoteerd. Zelfs als dat schrijven een symbool of teken is relaterend aan of oproept de geest en aanduid de volle concrete entiteit van die persoon. En aldus is het zo met antropomorfisme en antroponymische concepten en termen: ofschoon er geen concreet of directe verwijzing of gelijkenissen zijn tussen hun en de betekenissen die zij proberen uit te drukken, zijn er desondanks toch corresponderende tekens en symbolen die gerelateerd zijn aan en verwijzen naar specifieke categorieën, begrippen en concepten van strikt spirituele aard, niet ruimtelijk en niet tijdelijk.

In die zin moet de antropomorfistische terminologie begrepen worden.

Geef een reactie