TZIMTZUM 2

Aldus, “toen het ontstond in de Goddelijke Wil” om de wereld en zijn creaturen voort te brengen, was de eerste handeling in het creatieve proces, het scheppen van ruimte in welke de Goddelijke uitstraling en de uiteindelijke ontwikkeling en de eindige wereld een plaats zou kunnen hebben om te existeren. Deze ‘oer ruimte’ werd voortgebracht door samentrekking of terugtrekking” en concentratie van goddelijkheid in zichzelf: het alomtegenwoordige, oneindige Licht van de En Sof werd ‘teruggetrokken’ tot in zichzelf: dat houdt in, het werd afgeschermd, gedimd, verborgen en verhuld en waar het was gedimd — waar deze verborgenheid en verhulling van het Licht gebeurde—een ‘lege’ plaats, een leegte (makom panoej: chalal) ontwikkelde oer ruimte.

Dit is de handeling van de eerste tzimtzum, de radicale handeling van dilug en kefitzah, als het ware: een handeling van Goddelijke Zelf Beperking, anders gezegd, het tegenovergestelde van openbaring.

Echter letterlijk betekend dit niet dat de chalal leeg en zonder Goddelijke straling is, dat de goddelijke aanwezigheid in letterlijke zich totaal heeft teruggetrokken. Zo een interpretatie zou suggereren een onrechtmatige toekenning van ruimtelijkheid—- stoffelijkheid tot het oneindige——en overtreed het principe van alomtegenwoordige bevestiging in de meest letterlijke zin door Schrift en Traditie. (Er is geen plaats op aarde zonder de Goddelijke aanwezigheid (Shechina). Machilta de Rashbie en Midrash HaGadol-Shamot.)

De chalal is metaforisch gesproken als een leegte, in relatie tot wat is ‘daarboven’ of ‘buiten’ is de chalal: buiten de chalal is er een totale manifestatie van het Or En Sof terwijl binnen de chalal het Licht is verhuld. De En Sof zelf, het lichtgevende (Ma-or) van waar het Licht uit voortkomt , is totaal onaangetast, niet beïnvloed, ongewijzigd door tzimtzum. Tzimtzum gerelateerd alleen naar het Licht van de En Sof . Bovendien, zelfs in Het Licht per se hoe dan ook is geen echte verandering: het is niet verminderd noch verwijderd maar slechts verhuld. Maar zelfs deze verhulling en verborgenheid is strikt genomen uiterst relatief: relatief aan de leegte en haar aansluitende inhoudelijken, zonder—strikt genomen—het Licht zelf in enig opzicht te affecteren. Bovendien, in relatie tot de leegte is er een absolute en totale terugtrekking: enig residu of spoor (reshimoe) van het Licht blijft in de chalal. Ondanks al deze quotaties en metaforische interpretaties van terugtrekken van het Licht, is deze eerste handeling van tzimzum een radicale sprong (dilug) dat creëert de mogelijkheid voor het plaatsvinden van een gradueelproces en evolutie van uitvloeiing en om te culmineren in het creëren van eindigheid en materiele eenheden.

De principieel doelstelling van tzimtzum is om een chalal te creëren waarin de Goddelijke creaturen in staat zullen zijn om te kunnen existeren en in leven blijven, in tegenstelling tot het opgaan in de Goddelijke Almacht. De oneindige staling van het Goddelijk Licht gedimd en verhuld als het ware zal nu niet langer opnemen en nullificeren de inhoudelijken van de chalal op een manier zoals bijvoorbeeld, dat een vonk totaal geconsumeerd en nullificeerd wordt in de vlam zelf, of hoe bijvoorbeeld het licht van een kandelaar zou worden geabsorbeerd en nullificeerd in het intense licht van de zon.

In de tweede fase van het scheppende proces wordt een open straal of straling van het Goddelijke Licht voortgebracht in de oer ruimte. Deze dunne straal of ‘Lijn’ (kav) bestraald de chalal en is de bron van de opeenvolgende uitvloeiing of uit stromingen: beide zijn de scheppende en leven gevende kracht van de schepping (chalal en Lijn); het is de immanentie van G`D in de schepping terwijl het verhullende Licht de alles omvattende transcendentie is van G`D innemend de gehele schepping. Echter ondergaat de kaf zelf ook een reeks van talrijke successievelijk samentrekkingen en verhullingen. Elk van deze samentrekkingen en verhullingen maken het mogelijk om een successievelijk lagere fase of schepping te doen laten plaats vinden om uiteindelijk culminerend in de laagste fase, vertegenwoordigend door deze eindige, materiele en pluralistische wereld. Het is via deze kav dat het proces van successievelijk uitvloeiing en causale ontwikkeling plaats vindt. Anders dan de eerste tzimtzum —- welke wijze is door dilug (‘sprong’) kan van deze ontwikkeling en evolutie gesproken worden als zijnde gradueel en causaal.

Geef een reactie