SJEMINIE ATSERET – SIMCHAT THORA, PARASHAT WEZOT HABERACHA / BERESHIET

SJEMINIE ATSERET – SLOTFEEST, SIMCHAT THORA – VREUGDE DER WET

 

Soekot en Simchat Thora staan bekend als ‘De tijd van onze vreugde’. Een periode die overstroomt  van zuiver geluk, dat we met emmers kunnen opvangen. Van uit deze optiek dienen deze feestdagen als een natuurlijke beëindiging van de reeks die begon met de Hoge Feestdagen. Op Rosh Hashana en Jom Kippoer delen en verbinden wij de essentie van onze ziel met G’D. Op Soekot en Simchat Thora, komt de vreugde, die deze verbintenis innerlijk voortbrengt, tot uiting.

 

‘Waarom ben je zo overweldigend uitbundig?’, vroeg de geleerde aan de eenvoudige man. Het is Simchat Thora, de dag van vreugde om de Thora.

 

Aangezien jij niet geleerd bent, wat is jou connectie tot de Thora en waarom is het voor jou vandaag een reden om vreugdevol te zijn?

 

‘Wanneer de dochter van je broer trouwt neem je dan niet deel aan de feestvreugde?’ vroeg de eenvoudige man.

 

‘Natuurlijk,’ antwoordde de geleerde, onzeker over de intentie van de eenvoudige man. Nou, om dezelfde reden vier ik deze dag zo uitbundig feest, antwoordde de eenvoudige man. Alle Joden zijn broers van elkaar. Als het vandaag een feestdag is voor geleerden, is het evenzo een feestdag voor mij.

 

In feite is het zo, dat de reden van onze viering van Simchat Thora veel dieper gaat dan de connectie met de Thora die behaald is door studie.

 

Op Simchat Thora vieren wij onze connectie met de essentie van de Thora, een niveau dat het bevattingsvermogen geheel te boven gaat.

 

Om die reden wordt de viering gehouden met gesloten, dicht gebonden Thora.

 

Op Simchat Thora vieren we uitbundig feest omdat we Joden zijn en als Joden delen we de verbintenis  met de essentie van de Thora, een verbintenis die ons innerlijke verbindt met de essentie van G’D.

 

Op dit niveau zijn de eenvoudige man en de geleerde gelijk, want de ziel is een deel van G’D Zelf, zo oneindig en ongebonden als G’D. Dit geldt voor ons allen. Elke Jood heeft een ziel welke in essentie een G’ddelijke vonk is en dank zij deze vonk delen wij een connectie met de essentie van de Thora.

 

Zoals de Zohar verklaart: ‘Israël, de Thora, en de Heilige, Hij zij geprezen, zijn één.’

 

Om die reden vieren de eenvoudige man en de geleerde gelijkwaardig, want de ene is niet méér joods dan de andere.

 

In bepaalde mate is de viering van de eenvoudige zelfs groter, want zijn intellect zit hem niet in de weg, tot zijn connectie met zijn Joodse essentie.

 

Met de uitstroom van vreugde op Simchat Thora, zetten wij onze koers uit in het nieuwe jaar. Met het verkrijgen van herstel met ons innerlijke wezen op de Hoge Feestdagen en de viering van deze connectie met G’D op Soekot en Simchat Thora, prepareren en verhogen wij de sfeer van ons dagelijks functioneren in het komende jaar.

 

 CHAG SEMÉACH, GOED JOM TOV

 

PARASHAT WEZOT HABERACHA / BERESHIET

SHEMINIE ‘ATSERET – SIMCHAT THORA 
Op de feestdag van Sheminie Atseret – Simchat Thora (donderdag 26 en vrijdag 27 september), of de gecombineerde feestdag van Sheminie ‘Atseret-Simchat Thora (donderdag 26 september) in Israel, lezen we het laatste gedeelte van de Thora, WeZot HaBreracha. Direct, aansluitend, begint de voorlezer de eerste Thora paragrafen te lezen van Bereeshiet, als het einde verbinden met een nieuw begin. Het hele gedeelte van Bereshiet wordt gelezen op de eerste Shabbat na Simchat Thora, welke dit jaar 28 september is.

 

PARASHAT WEZOT HABERACHA        En dit is de zegen

 

 

Deuteronomium. 33:1 – 34:12

 

Rabbi Shimon bar Jochai.

 

Het verwelkomen van gasten in de Soeka.

 

Zohar, Emor bladzijde 103b.

 

In Chok L’Jisrael, geeft de Arizal uitleg van parashat Emor van de Zohar, welke correspondeert met parashat WeZot HaBeracha.

 

Kom en zie, op het tijdstip, wanneer een persoon gaat verblijven in de schaduw van de soeka, welke de schaduw van het vertrouwen is, spreidt de G’ddelijk aanwezigheid Haar vleugels over hem uit en Abraham [representerend Chesed], en vijf andere tsadikiem delen hun verblijf met hem.

 

Rabbi Aba zegt, Abraham, en vijf andere tsadikiem, en Koning David maken hun verblijf met hem. Het bewijs hier voor ligt in het “Zeven dagen moeten jullie in hutten [Soekkot] wonen” (Leviticus. 23:42).
De Tekst zegt: “Zeven dagen” en niet “gedurende zeven dagen” [verwijzend naar zeven sefirot van Chesed tot Malchoet]. Gelijk is geschreven “Omdat de Eeuwige in zes dagen hemel en aarde maakte.”

 

Dit laat zien dat de zes dagen, de zes sefirot zijn; ChesedGevoeraTiferet, NetzachHod en Yesod, welke samen, de “zes dagen” worden genoemd.
Door deze sefirot creëerde G’D de hemelen en aarde.

 

Dus zal een persoon door en door gelukkig moeten zijn, gedurende de dagen van Soekkot, en zijn gezicht zal vreugde moeten uitstralen in het hebben van zulke grote spirituele gasten met hem, in de Soeka. Rabbi Aba zegt dat de tekst in het eerste gedeelte van de zin, is geschreven in de tegenwoordige tijd en vervolgens, het tweede gedeelte van de zin, in de toekomende tijd: “Zeven dagen moeten jullie in hutten [Soekkot] wonen, alle ingezetenen in Israël zullen in hutten [Soekkot] wonen.”
De eerste heeft betrekking op de spirituele gasten en de tweede refereert aan mensen in deze wereld.
De eerste, refererend aan de spirituele gasten, is voortgebracht door de gewoonte van Rav Hamnoema Saba: Als hij de soeka binnenging was hij blij en gelukkig [om een vreugdevolle gezicht uitstraling te tonen aan de spirituele gasten] en ging staan bij de ingang [om aan de gasten duidelijk te maken niet binnen te gaan, tenzij de huiseigenaar aanwezig is]. Dan zou hij zeggen: “De gasten zijn uitgenodigd om binnen te komen.”
Vervolgens schikte hij de tafel voor zijn gasten, stond op om hen welkom te heten en sprak de zegening over de mitzwa uit “……..om in de soeka te zitten”. Naderhand zal hij tegen zijn spirituele gasten zeggen, “G’D heeft opgedragen, “Zeven dagen moeten jullie in hutten [Soekkot] wonen”.
Neem alstublieft plaats, gasten van de hogere werelden, neem plaats gasten van het vertrouwen, neem plaats.” Dan zal hij zijn handen opheffen [om zijn 10 sefirot samen te voegen, aangegeven door zijn tien vingers, met de zeven hogere sefirot die hem bezoeken] en vreugdevol zeggen, “Hoe gelukkig is ons deel, hoe gelukkig is het deel van Israël, zoals het is geschreven, “Maar het deel van de Eeuwige is Zijn volk, Ja’akov is Zijn toegemeten erfgoed.” (Deuteronomium. 32:9).

 

Het belang van een gezicht dat geluk uitstraalt is, dat blijdschap een mechanisme is om deze zeven sefirot te verheffen naar het niveau van bina, en het vers brengt het nederige feit voort, dat deze gasten niet komen uit iemands individuele verdienste; maar dat zij eerder komen omdat G’D Israël heeft gekozen als Zijn volk.

GOED JOM TOV

 

PARASHAT BEREESHIET         In het begin                Genesis. 1:1 – 6:8

 

RABBI SHIMON BAR JOCHAI

ZOHAR, p. 23a

 

In de onderstaande vertaling bespreekt Rebbe Shimon de vraag waarom G’D de kwade inclinatie in een persoon heeft gecreëerd. Als iemand geen aanmoediging in zich heeft tot kwaad, zouden er geen kwaadaardige handelingen worden gepleegd die correctie verlangden door berouw en gecorrigeerd gedrag.

 

Rebbe Shimon zegt dat als dit zo was [dat G’D wist dat de mensheid zich zou kunnen laten leiden bij hun kwade inclinatie] waarom is dit alles?

 

Waarom creëerde Hij de wereld?

 

Rebbe Shimon zei tot zijn vrienden, dat als G’D niet de goede en de kwade inclinaties had gecreëerd in een persoon [die zijn zoals licht en duisternis in het universum] een persoon ook niet was gecreëerd met de mogelijkheid om beloning en straf te ontvangen. In plaats daarvan werd de mens gecreëerd met beide inclinaties, en omdat is er geschreven: “Zie, vandaag leg Ik je voor het leven en dood en goed en kwade”( Deuteronomium. 30:15). [Deze “optie” reflecteert iemands vermogen om vrije keuzen te maken.]

 

Zij zeiden tot hem dat zijn uitleg uitstekend is, maar was het niet beter dat de kwade inclinatie in zijn geheel niet was geschapen? Dan zou een persoon niet zondigen en de negatieve effecten in de spirituele werelden zouden niet meer plaatsvinden.

 

Vervolgens worden straf en beloning overbodig.

 

Hij antwoordde hen dat ten aanzien van regels van oordeel, het gepaster is dat de mens werd geschapen op deze manier [vrijheid van keuze en straf en beloning].  De Thora is gecreëerd voor de mensheid en bevat geschreven teksten van straf voor de slechten en beloning voor de rechtvaardigen. Er was geen behoefte voor beloning en straf dan alleen voor de gecreëerde mens. Chaotische anarchie is niet gecreëerd, eerder een geordende staat met controle over de inclinatie [om goed of kwaad te doen].

 

Aldus wordt de mens een partner van G’D die licht en duisternis creëerde. In het kiezen van goed, creëert de mens licht; in het kiezen van kwaad creëert hij duisternis.  Dit verklaart waarom het eerste licht was gecreëerd op de eerste dag van de Schepping, vóór de zon en de sterren. Dat licht heet “goed” en is hier equivalent aan het licht dat wordt opgewekt door een handeling van barmhartigheid.

 

Zij zeiden tot hem dat wat zij nu hoorden, zij nooit tevoren hadden gehoord. Het is zeker dat G’D geen dingen creëert waar geen behoefte aan is.

 

Niet alleen dat, maar de Thora van de geschapen wereld is de kleding van de Shechina.

 

Dit omdat de persoon die kiest voor licht ( door het leren van Thora en het doen van goede daden) de G’ddelijke Aanwezigheid kleedt en verfraait in de laagste wereld met prachtige kleding, en haar in een passende staat brengt om zich te verenigen met haar G’ddelijke bron. 

 

Als de mens niet was geschapen [na de Thora], zou de Shechina zonder kleding zijn, als een bedelaar [in lompen gehuld]. Daarom, als iemand, als het ware, kwaad doet, ontkleedt hij de Shechina,  wat een effect heeft op hem en op deze wereld.

 

Bovendien, allen die de opdrachten van de Thora uitvoeren, kleden de Shechina in haar gewaad.

 

Zoals we eerder hebben uitgelegd m.b.t de opdrachten over het dragen van de kledingstukken van Tzitziet en tefillien. Zoals staat geschreven: “Het is haar enige bedekking [een verwijzing naar de taliet]. Het is een kledingstuk voor zijn huid [een verwijzing naar Tefillien die gemaakt zijn van leer].

 

“In wat zal hij s ’nachts slapen?” duidt op de verbanning van de Shechina, zoals we hebben uitgelegd. [Zie Tikoenei Zohar, Tikoen 69]

 

En zo is het met alle schepselen en dingen in de wereld.

 

SHABBAT SHALOM

 

 

 

 

Geef een reactie