SHABBAT WAJIKRÁ

******************************************

HET BOEK WAJIKRÁ

Over de betekenis van het merkwaardige boek Leviticus, dat enerzijds de modernste sociale en ethische voorschriften behelst, anderzijds een eredienst beschrijft die velen in onze dagen maar liever voor “verouderd” houden. Toch is het verband tussen sociale gerichtheid en eredienst essentieel.

DE NAAM

Wajikrá (“en HIJ riep”) heet het derde boek van Mozes. Naar het woord waarmee het begint: “Wajikrá el Mozes” (Nu riep HIJ Mozes). Of het boek altijd al zo genoemd werd is niet zeker. In de Tannaïtische literatuur heet het meestal “Torat Kohaniem” (“instructie voor de priesters”) naar de inhoud van het boek. Hellenistische kringen spraken van Levitikon: het boek der Levieten. Het woord Levites betekende in die kringen overigens gewoon “priester”; de priesters komen tenslotte uit de stam Levi. Levitikon is dus eigenlijk de Griekse vertaling van Torat Kohaniem. Zo heet het boek ook in de Septuaginta, de Griekse bijbelvertaling, gemaakt terwille van de vergriekste Joden in het oude Egypte (3e eeuw voor de gangbare jaartelling). Van de Septuaginta ging de benaming vervolgens over op de Christelijke Latijnse vertalingen. Levitikon werd daar Leviticus. En zo heet het boek sindsdien allerwege buiten de Joodse kring.

DE INHOUD

Wajikrá is het boek dat vorm geeft aan de kostbaarste opdracht van het Joodse volk: de heiliging van het leven in al zijn facetten. Voor het eerst in de geschiedenis ervoer een volk het als zijn opdracht zich niet aan het aardse te onttrekken, niet eraan te willen ontstijgen, zich niet te onthechten, maar het aardse zelf te maken tot een tempel Gods. Dit is wat in Joodse termen levensheiliging heet.

Die levensheiliging heeft verschillende kanten. Ze betreft de relatie met G’D, de relatie met de mensen (en met zichzelf), de relatie met de aarde en de relatie met de tijd. Al die aspecten komen in Boek Wajikrá aan de orde.

Daaruit valt ook op te maken dat de heiliging van de relatie tussen het volk en G’D het grootste deel van het boek beslaat: 17 van de 27 hoofdstukken. Dat verklaart dan meteen de naam Torat Kohaniem (“instructies voor de priesters”), dat in het Grieks Levitikon en het Latijn Leviticus, werd.

EEN BEROEMD HOOFDSTUK

Zeventien hoofdstukken met hoofdzakelijk voorschriften omtrent de offerdienst en beschrijvingen van de eredienst, maken Wajikrá tot een boek waarmee moderne generaties vaak moeite hebben. In Christelijke kring schijnt het nauwelijks te worden gelezen. En maar al te makkelijk wordt vergeten dat juist Boek Wajikrá een hoofdstuk herbergt dat samen met de Tien Uitspraken het meest zijn stempel heeft gedrukt op het sociale en ethische denken van de mensen overal ter wereld.

In het 19e hoofdstuk staat bijvoorbeeld de uitspraak door Hillel voor de kern van de gehele Tora is gehouden: “Heb je naaste lief als jezelf” (Lev. 19,18). In dat hoofdstuk staan voorschriften over de zorg voor de armen; in dat hoofdstuk wordt opgeroepen het loon van de arbeid dezelfde dag nog uit te betalen, geen laster te spreken, geen klassejustitie te bedrijven, eerbied te hebben voor grijze haren, vreemdelingen te behandelen als ingezetenen.

Vanzelfsprekendheden voor onze dagen, al worden ze dagelijks met voeten getreden. Maar die algemeen menselijke waarden zijn dan wel via de Hebreeuwse bijbel tot de wereld doorgedrongen.

DE BETEKENIS VAN DE EREDIENST

Hoe verontrustend dat deze zo moderne sociale en ethische voorschriften in een boek opgenomen zijn met zulke verouderde voorschriften rond de offerdienst!. En toch is die samenhang essentieel. En alleen maar ongerijmd wanneer we ons niet realiseren wat priesterschap en eredienst in Israël betekenen. In haast alle culturen zijn (of waren) priesters de uitverkorenen, die het alleenrecht hebben zich met het goddelijk te verstaan; afgewend van het gepeupel en het gewone aardse leven, en toegewend naar de ijle verten van het onzienlijke.

In Israël heeft eredienst evenwel een heel andere betekenis. In Israël is de eredienst er niet voor G’D, maar voor de mensen. Hij is er om de mensen te herinneren aan hun OPDRACHTGEVER en aan hun opdracht. Die opdracht is: het aardse leven te maken tot een HEILIGDOM, waar G’D zou kunnen wonen. Dat is waarachtige eredienst, zoals de profeten keer op keer onderstrepen. De waarachtige eredienst mag zich niet alleen afspelen in de Beth HaMikdash ( De Tempel ), maar zich ook weerspiegelen in een persoon zelf en in zijn dagelijks leven met anderen. De persoon moet ook als het ware zijn als een heiligdom. Beth HaMikdash en eredienst zijn er als voortdurende herinnering dat heel het dagelijkse leven daarop gericht dient te zijn. Eredienst die dat niet beoogt is afgodendienst.

DE AARDE EEN BETH HAMIKDASH

Die sociale en ethische voorschriften in hoofdstuk 19 moeten dan ook worden gelezen in het perspectief van de levensheiliging. Werken aan de wereld is in de Joodse traditie niet zomaar werken. Het is niet primair werken om brood, of werken om zelfverwerkelijking. “In het werken dat de mens doet, in de veranderingen die hij te eigen behoeve in de schepping aan brengt, blijkt zijn macht over de krachten van de natuur. Maar hij dient deze krachten te onderwerpen aan de verandering van de wereld in een heiligdom G’Ds, een heiligdom waar HIJ zou willen wonen” (Hirsch op Sjemot 35,1).

De sociale en ethische voorschriften zijn niet gegeven om te komen tot een “leefbare wereld”, waarin iedereen verder maar moet zien wat hij van zijn leven maakt. Het sociale aspect is onderdeel van de totale levensheiliging, die alle aspecten van het leven omvat.

Dat is het grote verschil met vergelijkbare sociale suggesties in andere wereldbeschouwingen. Het gaat daar vaak of om een regulering van minder belangrijk geachte zaken, waaraan de mens “eigenlijk” dient te ontstijgen; of om het vinden van een redelijke modus vivendi. En veel minder om het zichtbaar maken van G’D’s bedoeling met de schepping.

******************************************

KOHEEN, KOHEEN GADOL, LEVIE’IM

Kohaniem (Priesters)

Alle nakomelingen van Aaron de Leviet (broer van Mozes), werden apart geplaatst van de andere Levieten om gekend te worden als Kohaniem, zoals het vers zegt: “Ook moet je je broer Aaron en met hem zijn zonen naar je toe laten komen vanuit de Kinderen van Israël om hen tot priester voor Mij aan te stellen….(Exodus 28:1). De functie van de Kohaniem was, uit te voeren de procedure van de verschillende types van offers aan HaShem, volgens de complexe eisen en details van de Thora. Wegens hun heilige positie werden zij overeenkomstig gebonden aan speciale leefregels, welke zijn beschreven in Leviticus 21. Zij waren ontvangers van een zeer bepalende bijdrage, bevoorrecht boven anderen in heilige zaken en werden door de natie als zodanig gerespecteerd ,van hun werd verlangt een nobel gedrag.

Koheen Gadol (Hoge Priester)

De Koheen Gadol was het gezalfde hoofd over de Kohaniem, volgends de functie van Aaron, de eerste Koheen Gadol die presideerde over zijn Koheense zonen (Exodus 28:1, 38 e.v.). Na Aaron`s dood, was zijn zoon El`azar Koheen Gadol, van af die tijd werd de positie gevestigd door aanstelling van nazaten van El`azar (Numeri 20:25-9).

Oorspronkelijk werd de Koheen Gadol alleen benoemd door Opperste Beth Din (Sanhedrin) van zeventig leden, geschikt door zijn buitengewone wijsheid, er waren speciale wetten welke hem verzekerde van eerbewijs (M.T. Klay Beth HaMikdash, III). Zijn inzegeningsceremonie werd formeel verricht, door middel van het aantrekken van acht ambtsgewaden van De Koheen Gadol (Exodus, 29:29-30).

Het Beth Din van de Kohaniem (Ketoebot 12A) en de Oudsten van de Kehoena (Joma 18b) hielden een zeer nauwkeurig oog op alle details van de dienst in het Heiligdom en verlangde een eed van de Koheen Gadol in functie om uit te voeren de leerstelling van de Geleerden zonder enige deviatie en de dienst van het Heiligdom voortdurend met uiterste nauwgezetheid te doen, in vasthoudend aan de Wet (Theocratische Thora Staat).

S`GAHN

De S`gahn was de Koheen benoemt als de tweede na de Koheen Gadol, vergelijkbaar als een vizier bij een koning. Gedurende de offergaven stond hij altijd rechts van de Koheen Gadol, en alle anderen Kohaniem vielen onder zijn autoriteit. Onder hem was een neergaande serie van acht andere Koheense posities, elke positie had autoriteit over degene onder zich. (Mishne Thora, Klé Beth HaMikdash, III)

Levie`im (Levieten)

Levie`im zijn alle nakomelingen van Levie (een van de twaalf zonen van Jakob en dus een van de broers van Jozef), geboren voor de tijd van Mozes (een achter kleinzoon van Levie). Zij waren apart geplaatst (“geheiligd”) voor de dienst in het Heiligdom. Gedurende het eerste jaar van de Exodus, toen sommige van Israël zondigden aan de affaire met het Gouden Kalf, was de stam van Levie de enigste stam waarvan niet èèn van de 22.000 leden (Numeri 3:39) zondigde. Zie Exodus 32:26-35.

Als beloning voor hun toewijding tot Hem, droeg HaShem de verdienste ten aanzien van de dienst in het Heiligdom over van alle eerstgeborene van Israël naar alle leden van de stam Levie (Numeri 3:11 e.v., 8:17, 40 e.v.)

“In die Tijd zonderde de Eeuwige de stam Levie af om de ark voor het verbond met de Eeuwige te dragen, om staande voor de Eeuwige de dienst voor Hem te verrichten en uit Zijn naam de zegen uit te spreken—tot vandaag de dag.” (Deuteronomium, 10:8).

De Functie van de Levie`im, zo lang als de blijvende Tempel nog niet was gevestigd, was het transporteren van de draagbare componenten van de Mishkan (Tabernakel) met de omvattende heilige objecten, naar zijn verschillende lokaties (Numeri 3).

Een andere functie van hun was, op te treden in dienst van de Koheen Gadol, om de Mishkante bewaking (en later de Tempel) voor het binnenkomen van niet Kohaniem. Hun functie bestond ook uit het begeleiden en bewaken van de offergaven van het volk namens hun in de Mishkan en later in de Beth Ha Mikdash (Tempel).

Werkend volgens een rotatie schema, waren sommige Levie`im poortwachters, belast met het openen en bewaken van de poorten, sommigen waren zangers die begeleidende psalmen zongen bij de verplichte gemeenschappelijke offergaven en de shalmay atserret gedurende de wijn plengoffer;

De trainingperiode van een Levie begon wanneer hij vijfentwintig jaar was en het continueerde voor vijf jaren. Zo lang als de Beth HaMikdash niet permanent was gevestigd op een vaste plaats was de maximale leeftijd vijftig jaar (Numeri, 8:25).

Toen de Beth HaMikdash eenmaal was gevestigd, zou een Levie alleen kunnen worden ontheven van zijn dienst, als zijn stem geschaad zou zijn door ouderdom (Mishne Thora, Klé Beth HaMikdash, 3).

De Levie`im zijn vooral zeer gerespecteerd voor hun enorme bijdrage aan de educatie van de natie. “Zij leren Uw rechtsnormen aan Ja`akov en Uw Thora-voorschriften aan Israël” (Deuteronomium 33:10). (Leerplicht werd ingesteld + 500 v.d.g.j. vanaf de leeftijd van 3 jaar).

Omdat zij uitsluitend waren bestemt in de dienst van G`D en de studie van ZIJN Thora, hadden zij geen aandeel voor zichzelf van het land. Voor die reden (Gids 3:39) waren er specifieke wetten betreffende bijdragen voor de Levie`im, “En laat de Levie, die binnen je poorten verblijf houdt niet in de steek; want hij heeft bij jou deel of erfgoed”. (Deuteronomium, 14:27)

Het is in deze capaciteit van educatieven in welke de Levie`im zijn voorbestemd in de tekst Deuteronomium, 10:8, zoals aan het begin van deze uitleg over de Levie`im.

******************************************

PARASHAT WAJIKRÁ

En Hij riep (Leviticus 1:1 – 5:26)

De Thoralezing van deze week richt zich op de Korbanot, de offers die gebracht werden door het Joodse volk in het Heiligdom in de woestijn en later, in de Tempel in Jeruzalem.

Het introduceert dit onderwerp met het vers:

“Als iemand van jullie een offer voor de Eeuwige wil brengen, dan kan hij van het vee óf van het rund, óf van het kleinvee- zijn offer brengen.”

Grammaticaal zou het logischer geweest als er had gestaan: “Als een persoon te midden van jullie wil offeren” Maar de specifieke Hebreeuwse structuur van het vers geeft aan, dat het offer “van jou” afhankelijk is, van ieder persoon afzonderlijk en van niemand anders.

Het woord Korban heeft zijn wortel in het woord Karov, wat betekent “naderbij of dichterbij. ” Het brengen van een offer betekent nader tot G’D komen. En de Thora leert ons dat nader tot G’D komen afhangt van elk individu afzonderlijk. Geen externe factoren kunnen hem weerhouden. Elk persoon kan dichter tot G’D komen. Als hij dit waarlijk verlangt, kan hij het hoogst mogelijke niveau bereiken. Het impliceert tevens ook dat het offer “van jou” komt, van het dierlijke in de persoon zelf. Want ieder van ons heeft een dierlijke kant. Dit is in wezen niet slecht, want niet alle dieren hebben negatieve eigenschappen zoals wreedheid of parasitisme.

Integendeel, de meeste dieren zijn aangename creaturen en niet gewelddadig tegenover mensen en andere dieren.

Maar ondanks dit, wordt het niet als een positief model beschouwd voor onze dienst aan het G’ddelijke. Want een dier handelt alleen naar zijn eigen instinctieve drang. Het denkt aan niets anders dan voldoening van zijn eigen noden en het behagen daarvan. Zijn zelfgenoegen ligt niet in het verlangen om voordeel te halen boven anderen; het denkt gewoonweg niet aan anderen. Het houdt zich alleen maar met een ding bezig: hoe krijg ik wat ik wil en wat ik nodig heb. Elke persoonlijkheid bezit een bepaalde dierlijke dimensie. Er zijn perioden dat we alleen maar aan ons zelf denken.

Dit hoeft niet noodzakelijk slecht te zijn, maar het kan tot conflict leiden, als twee mensen het zelfde willen en zeker in een laag ontwikkelde staat. Één van de unieke eigenschappen van de mens is dat hij kan redeneren en dat hij in staat is om zijn gevoelens, verlangens, driften te beheersen. Maar als een persoon het dierlijke in hem toestaat om over zijn gedrag te heersen, doet hij niets met dit menselijk potentieel. Hij verlaat deze wereld zoals hij gekomen is, zonder zichzelf te hebben ontwikkeld.

Dit is niet de reden waarom wij tot existentie zijn gebracht. Hij heeft ons geschapen om deze wereld te veranderen, maar deze verandering begint bij onszelf. In plaats van gewoon maar te handelen omdat we het gevoel hebben dat we iets moeten doen, moeten onze handelingen gemotiveerd worden door denkvermogen. We moeten rechtvaardig handelen in ons doen, volgens G’D’s intentie met betrekking tot deze wereld. In plaats van altijd maar nemen, moeten wij extern denken en geven. Het gaat niet om de bevrediging van de eigen ik, het is geven en je zelf geven zonder enig eigenbelang.

Dit is de betekenis van “de verandering van het dierlijke in onszelf” het nader tot G’D brengen.

Dit associeert de spirituele dienst met het brengen van een offer. Hoe wordt dit bereikt? Door gedachten. Het dierlijke in ons is ook intelligent. Wat wil het? Zich goed voelen. Wanneer het doordringt dat geven meer voldoening kan brengen dan ontvangen en dat het grootste geluk komt van het doen overeenstemmen van onszelf met G’D’s wil, zal het zich eveneens op die manier gaan gedragen.

Daarom moeten wij ons voortdurend openstellen voor inspirerende ideeën en ondersteunende concepten. Op die manier zullen wij gemotiveerd en in staat zijn om over onze eigenbelangen heen te zien en het doel nastreven dat de gehele mensheid ten goede komt.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie