SHABBAT WA’ETCHANAN

TISJA beAV

Vastendag van 9 AW – Verwoesting van de Eerste en Tweede Tempel

Zo'n 2500 jaar geleden, stuurde een aantal van de joden die hadden bijgedragen tot de 'terugkeer van Tsion' en de herbouw van de Tweede Tempel een brief aan de profeten en priesters, met de vraag:

Moeten we nu nog rouwen en vasten in de 5e maand (de maand Av), zoals we zo vele jaren hebben gedaan?' (Zech. 7:3). De vraag was natuurlijk genoeg: Nu de Tempel herbouwd werd en het nationale leven hersteld, leek het zinloos een vasten in ere te houden waarmee de verwoesting van Tempel en staat werd herdacht. In zijn antwoord (7:4-14) gaat Zecharia in op de betekenis van dit vasten. Die Iigt niet alleen in het rouwen, maar in de les die het herdenken met zich meebrengt, in het ontwikkelen van de morele gevoeligheid van degeen die vast. Zecharia besluit met te zeggen dat het vasten inderdaad tot een dag van vreugde en blijdschap worden zal, maar pas wanneer waarheid en vrede wérkelijk worden liefgehad (8:19). Ult de geschiedenis weten we dat ook tijdens de Tweede Tempel de 9e Av dag van herinnering bleef. De historische situatie was inderdaad veranderd. Maar de boodschap die door de dag gedragen wordt bleef onveranderd'.

PARASHAT WA’ETCHANAN

En ik smeekte (Deuteronomium 3:23 – 7:11)

'Wa'etchanan is qua fundamentele thema's een van de rijkste sidrot in onze Thora. We vinden er het geven van de Thora op Sinaï en de Tien Woorden het begrip 'eenheid Gods'*** (het 'Sjema Jisrael'); het gebod de Eeuwige lief te hebben, het belang van de studie van Thora, het ontzag voor de Eeuwige. En we vinden er de zin die de hele Thora samenvat (6:18): En je moet doen wat juist en goed is in de ogen van de Eeuwige.

Het is niet voldoende te doen wat juist is, d.w.z. naar de strikte letter van de wet, want dat kan lelden tot hardvochtigheid. Een waarachtig mens ontleent geen voordeel aan de letter van de wet. Er is een hogere gerechtigdheid, en die vraagt van ons meer te doen dan het volgen van de letter. De mens moet handelen voorbij de grenzen van de wet: lifniem meshoerat hadien, zeggen de leraren van de Talmoed: Jerusalem werd verwoest omdat de rechtbanken het recht te strikt hanteerden (Bava Metsia 30:2).

Raba, de zoon van Bar Chana, huurde dragers om vaten wijn te transporteren. Door onvoorzichtigheid braken de vaten. Raba nam ter compensatie hun mantels in beslag. De dragers gingen in beroep bij Rav, die besliste dat de mantels moesten worden teruggegeven. Maar ze vroegen verder: We zijn arme mensen en hebben de hele dag gezwoegd en nu hebben we niets. Rav besliste dat hun loon moest worden uitbetaald. Raba protesteerde: alles wat hij deed was legaal geweest. Waarop Rav zei: Dat is ook zo. Maar de Schrift zegt ook (Spr. 2:20): Opdat je gaat op de weg van de goeden en de paden der rechtvaardigen aanhoudt. Rasji leest in 6:18 bovendien nog de plicht tot overeenstemming te komen, waarbij beide partijen de ander iets toegeven. Daarmee wordt gehoor gegeven aan de woorden van Zecharia (8:16): Voltrek het oordeel van recht èn vrede.

*** Sjema Jisrael

Er zijn maar weinig teksten uit de Thora die elke dag in onze gebeden worden gezegd. De belangrijkste ervan is het Sjema Jisrael, het 'Hoor Israel'. Onder het Sjema Jisrael verstaan we niet alleen Deut. 6:4, dat met die woorden begint, maar ook de daarop volgende zinnen 5-9 (En je moet liefhebben de Eeuwige je G’D, enz.) alsmede Deut. 11:13 -21 (En het zal zijn: wanneer je luistert naar Mijn geboden enz.) en Num. 15:37- 41 Spreek tot de kinderen Israels en zeg ze dat ze zich schouwdraden maken, enz.).

Deze passages vormen, omringd door berachot (zegeningen), het middelpunt van zowel het ochtend- als het avondgebed.

Deze verweving van berachot en Thorateksten is kenmerkend voor de joodse gebeden, die altijd een twee-richtingverkeer inhouden: van beneden naar boven (de berachot, waarin de mens zich tot G’D richt) en van boven naar beneden (de Thorateksten, waarin G’D Zich tot de mens richt).

De voor de handliggende vraag is, waarom niet de Tien Woorden de centrale Thora-tekst in onze gebeden zijn geworden? Volgens Rabbi Shimon (jBerachot 1, 5) zijn de Tien Woorden in het Sjema vervat: 1. 'Ik ben de Eeuwige, je G’D' ligt besloten in 'De Eeuwige is onze G’D'; 2. 'geen andere goden' in 'de Eeuwige is Één'; 3. 'gebruik de Naam niet ijdel' in 'je moet houden van de Eeuwige je G’D', want wie van iemand houdt, zweert geen leugens in zijn Naam; 4. 'gedenk de Sjabbat' in 'opdat je gedenken zal' [Num. 15:39, de derde Thora-tekst ult het Sjema]; 5. eer je vader en je moeder opdat het je goed gaat in het land dat de Eeuwige je God je geeft' in 'opdat veel zullen zijn je dagen in het land dat de Eeuwige je voorouders heeft toegezworen [Deut. 11:20, ult de tweede Thora-tekst van het Sjema; 6. 'niet moorden' in 'want dan ga je snel verloren' [Deut. 11:17]; wie moordt wordt gedood; 7. niet echtbreken' in 'je moet niet je hart en je ogen achterna gaan, die jullie als ontuchtigen achternagaan' [Num. 15:39]; 8. 'niet stelen' in 'je zal inzamelen je koren en je most en je olie': nl. dat van jezelf, en niet dat van een ander; 9. 'niet getuigen als vals getuige' in 'Ik ben de Eeuwige je God', want wie onwaarheid spreekt over een ander, spreekt in feite onwaarheid over God; 10. ‘niet begeren het huls van je naaste' in 'en je moet ze schrijven aan de poorten van je huis' en niet aan de poorten van het huls van een ander. De goede verstaander hoort in het Sjema dus tevens de Tien Woorden, ook al worden ze tijdens de dienst niet meer gezegd.

De eerste tekst van het Sjema behelst overigens eveneens tien geboden. In de telling van Aboedraham: 1. G’D’s koninkrijk te aanvaarden ('de Eeuwige onze G’D'); 2. Zijn Eenheid te erkennen; 3. Hem lief te hebben; 4. Thora te studeren; 5. Thora te onderwijzen; 6. en 7. het Sjema te zeggen in de ochtend en in de avond; 8. en 9. de tefilien van hand en hoofd te leggen; 10. de mezoezot aan te slaan aan de poorten van het huis.

Het is een gebod het Sjema tweemaal per dag te zeggen, en wel op grond van de tekst zelf (6:7): Je moet ervan spreken wanneer je gaat Liggen en wanneer weer opstaat. Waarom deze volgorde? Omdat in onze traditie de dag begint met de avond, immers: Het werd avond en het werd ochtend: één dag (Gen. I; 5).

Dat het Sjema ult drie teksten bestaat, verklaart Rambam aldus; De eerste (Deut. 6:4-9) getuigt van de eenheid G’D’s, de liefde voor Hem en het leren; de tweede (Deut. 11:13-21) verwijst naar alle overige geboden; de derde (Num. 15:37- 41, over de schouwdraden), roept ons op ons de geboden voortdurend te herinneren (Hilchot Kriat Sjema 1, 2).

Het allesbeheersende begrip is de liefde voor G’D. De vraag: 'Wat is de liefde tot G’D?' beantwoordt Rasji op grond van Sifré: 'Dat leer je ult laat deze woorden die ik je vandaag gebied in je hart zijn, want door die woorden leer je de Eeuwige kennen en zijn weg te volgen.' In een beroemde passage beschrijft de Rambam de liefde tot G’D aldus: 'Wat is de ware liefde tot G’D? Wie G’D liefheeft met een zo grote, overvloedige en sterke liefde, dat zijn ziel in liefde met de Eeuwige verbonden is; hij er voortdurend aan denkt, als iemand die 'ziek van liefde is' [vgl. Hoogl. 5:8] en die voortdurend vervuld is v
an de liefde voor die vrouw en hij er ononderbroken aan denkt, bij' zijn zitten en bij zijn staan, bij zijn eten en zijn drinken – meer dan dat zal de liefde tot G’D zijn in het hart van wie Hem liefhebben, en voortdurend aan Hem denken, zoals er geboden is met heel je hart en heel je ziel. En daarop doelde Sjlomo toen hij zei want ziek ben ik van liefde [Hoogl. 5:8]. En heel het Hooglied gaat daarover' (Hilchot Tesjoeva 9, 3).

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie