SHABBAT RE’ÉE

PARASHAT RE’ÉE

Zie (Deuteronomium 11:26 – 16:17)

Deut. 11:26 – 32 Zie ( Hebre. Re’ée ) heden leg ik jullie voor: zegen en vloek.

Het inzicht dat bij Awraham doorbrak, nl. Dat de wereld niet onderworpen is aan een blind noodlot, maar aan de vrije keuze van de mens om zijn Schepper van het al te dienen, krijgt op de Sinaï zijn beslag: daar wordt het volk geleerd hoe te kiezen tussen zegen en vloek en dat de keuze voor G’D de keuze is voor het leven. Sindsdien zijn goed en kwaad geen blind fatum meer maar gevolg van menselijk handelen.

Deut. 14:1- 2 Kinderen zijn jullie voor de Eeuwige jullie God. Maak je geen insnijdingen [Hebr. Lo titgodedóe] en maak geen kale plek tussen je ogen wegens een dode. Want een heilig volk ben je voor de Eeuwige je God. Jou heeft de Eeuwige gekozen om Hem te zijn tot een dierbaar volk ult alle volken op aarde.

Het zichzelf verwonden als teken van rouw was in heel de toenmalige wereld gangbaar. Echo's daarvan vinden we bij de profeten. Zo beschrijft Jeremia (48:37 en zle Jesj. 15:2) de rouw van Moav: Alle hoofden zijn kaal, alle baarden afgesneden, op alle handen insnijdingen en op de lendenen een zak. Waarom wordt Israël deze expressie verboden? Volgens Rasji mogen we de andere volken hierin niet volgen: 'Want jullie zijn kinderen van de Allerhoogste en dient er dus mooi ult te zien, en met gekerfd en kaal'. Ibn Ezra legt rechtstreeks verband met de rouw: Besef ook dan dat Hij je meer liefheeft dan een vader zijn kinderen. Kerf jezelf dus niet wanneer je zoiets overkomt, want alles wat Hij over je brengt is ten goede, ook al snap je het niet, zoals ook kleine kinderen niet altijd snappen wat hun ouders hun aandoen, maar wel op hen vertrouwen. Voor de Ramban verwijst 'heilig volk' naar het voortbestaan na de dood. Een sterfgeval is geen afscheid voor goed. Zelfverminking als teken van rouw ontkent dit. Daarom verbieden onze leraren ook alle overdreven rouw ( Talmoed Bavli Mo'eed katan, 27b), ook bij een vroege dood. Maar natuurlijk niet het wenen, want ook hier op aarde weent men bij een afscheid.

Rabbijn S.R. Hirsch zaliger legt verband met een vorig gedeelte. Daar waarschuwt Mosjé tegen een kritiekloos meegaan met de meningen van leraren en dierbare verwanten. Het verbod op de insnijdingen houdt volgens Rabbijn Hirsch in dat 'een ander ons niet zozeer in zijn ban mag houden, dat we geheel in hem opgaan en na zijn dood ook onze eigen persoonlijkheid wegwerpen als van nul en gener waard,. Want dat houdt zelfverminking in wezen in.' Bij Lev. 19:28, waar dit verbod het eerst wordt gegeven, tekent Rabbijn Hirsch aan: 'Hoe dierbaar, waardevol of belangrijk het bestaan van iemand anders ook voor ons zijn mag, onze eigen betekenis en onze eigen waarde mogen nooit eindigen of verschralen met zijn verscheiden. leder heeft in zijn aardse bestaan zijn eigen waarde en betekenis voor God … Het thuiskeren van iemand die belangrijk voor ons is, moet ons eerder opwekken om met dubbele energie de leegte te vullen die zijn overlijden in de dienst aan God heeft achtergelaten.

In Talmoed Bavli Jevamot 13b en 14a wordt in het Lo titgodedóe ('maak je geen insnijdingen') ook nog een andere betekenis gelezen, namelijk: maak geen insnijdingen, geen 'sekten', in het lichaam van het volk, dat een 'heilig volk' is, en in zijn gedrag de eenheid Gods weerspiegelen moet. Volgens Rasji (op Talmoed Bavli 13b) ligt het gevaar van sekten in de suggestie dat er 'twee Thora's' zouden zijn, of volgens Ritba zelfs 'twee Godheden'. Naast de eenheid Gods, moet het volk echter niet minder de rijkdom van Zijn Woord weerspiegelen.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie