ROSH HASHANA

HET JOODSE NIEUW JAAR

ROSH HASHANA 5764 – 27/28 SEPTEMBER 2003

De Lubavitcher Rebbe, Rabbi Menachem M. Sneerson, in gezegende herinnering, heeft zowel Joden als de gehele mensheid, voorzien van spirituele en praktische leiding.

Met brede visie heeft hij een weg aangegeven en omlijnd naar zelfverbetering voor al diegenen die met hem in contact kwamen en voor de samenleving als geheel. Gerespecteerd door zijn volgelingen en voorstanders voor zijn voorbeeldige spirituele eigenschappen en door anderen voor zijn begaanheid met ethische en menselijke waarden, had hij een grote invloed op onze tijd.

Als veelzijdige persoonlijkheid – hij verenigde verschillende functies: Talmoedist, halachist (wetgever), Bijbels exegeet, en Rebbe van de Chabad Chassidische traditie – in de vast opgestelde orde van zijn Thora verhandelingen.

In deze verhandelingen expliceert de Rebbe de verschillende aspecten van de verhouding tussen G’D, Thora en Israël.

Lezers en luisterend en kregen een panoramisch inzicht van alle niveaus van Thorastudie: peshat (letterlijk) remez (aanduiding op) derush (ethische homiletiek) en sod (esoterische betekenis). Alles gezien door het prisma van het Chabad Chassidisch denken en gevormd tot een coherent geheel.

De verhandelingen met betrekking tot de Joodse feestdagen geven een overzicht van de primaire concepten van Chabad chassidoet, welke zich richt op: A. de G’D-Jood, Jood-G’D verhouding; B. de Jood als lid van een collectieve gemeenschap; C. de individuele Jood in verhouding tot zichzelf.

De sleutel van deze verhoudingen zijn de vereniging tussen G’D en de overigen van de schepping en in het bijzonder de vereniging tussen G’D, de Thora en het Joodse Volk. De Rebbe’s diepzinnig denken verheldert deze vereniging, maar zijn benadrukking belast niet de intellectuele inspanning alleen. Herhaaldelijk benadrukt hij de praktische implicaties voor Joden en hun dienst aan G’d.

En inderdaad, de vraag voor zelfkennis, verbondenheid met het G’ddelijke, en voor eenheid onder het Joodse Volk, ligt uiteindelijk in de taak van het dagelijks reveleren van het G’ddelijke in de wereld.

De intellectuele en emotionele oproep van deze verhandelingen vormen een diepgaande studieleringen. Deze verhandelingen hebben de inspanningen

van zijn uitgezondenen en volgelingen geïnspireerd en gestuurd en stelden hen in staat om diepzinnige invloed aan te wenden op de internationale Joodse gemeenschap.

Sommige verhandelingen gaan over de volgende vragen en concepten: waarom moeten Joden op Rosh Hashana vragen voor mondaine, fysieke benodigdheden, de periode van de kroningsplechtigheid van G’D als Koning van het Universum?

Antwoord: Vragen om fysieke noden in gebed komt voort uit de innerlijke essentie van een Jood en gaat zelfzucht te boven. Een Jood bidt voor fysieke behoefden om in staat te zijn G’D’s wil te vervullen, het vervullen van G’D’s wil realiseert spiritualiteit in deze wereld.

Op de tweede dag van Rosh Hashana wordt de Akeida (de binding van Izaak op het altaar als offer) gelezen. Abraham’s bereidheid om zijn enige zoon te offeren brengt de verbazingwekkende capaciteit van het Joodse Volk voort om zelfopoffering te tonen voor Judaïsme. Ondanks dat Abraham zichzelf al had bewezen door negen voorgaande beproevingen, geeft een raadselachtige Talmoedische verklaring aan dat het belang van deze beproevingen afhing van zijn succes in de laatste. Wat maakt deze beproeving dan zo cruciaal? Antwoord: Er is een verschil tussen zelfopoffering die gebaseerd op een intellectuele rationele redenen ter bevordering van een ideaal en een zelfopoffering die compleet gebaseerd is op vertrouwen van en onderwerping aan G’D, welke het tegenovergestelde is van het intellect.

Volgens de Chassidische gedachte, opende Abraham’s laatste beproeving het "spirituele kanaal" van zelfopoffering voor alle verdere generaties van het Joodse Volk. Het is deze heroïsche eigenschap die de Joden in staat stelt om de "beproevingen en uitdagingen van verbanningen" te doorstaan, door welke zij uiteindelijk de Messiaanse Verlossing zullen bereiken.

DE ROEP VAN DE SHOFAR

TWEE CHASSIDISCHE PARABELEN

Het geluid van de Shofar staat centraal in de inachtneming van Rosh Hashana en is het middelpunt van de feestdagen, zoals is aangegeven door de verklaring in de Talmoed, dat het spiritueel gegeven van de kroning van G’D als Koning en het oproepen van de herinnering van het Joodse Volk vóór G’D, wordt geactualiseerd door het blazen van de Shofar.

Het volgende excerpt van een sicha (verhandeling) geeft de diepere betekenis weer door middel van twee gedetailleerde Chassidische parabels, van het blazen van de Shofar en hun verbintenis met de hoofdthema’s van de inachtneming van Rosh Hashana.

HOE WORDT DIT TOT STAND GEBRACHT?

De Talmoedische geleerde Rabba verklaart1: "G’D zegt tot het Joodse Volk: Op Rosh Hashana, reciteer voor Mij (verzen van Koningschap), (verzen van) herinnering, en (laat horen) de klanken van de shofar. Koningschap, dat jullie Mij als Koning over jullie proclameren; herinnering, dat jullie geheugen vóór Mij zal komen; hoe kan dit bereikt worden? Door de geluidsklanken van de shofar."

Wat is de zin van de Talmoedische verklaring dat shofar de betekenis is om G’D te proclameren als Koning en het Joodse Volk oproepen te herinneren?

We vinden twee parabels met betrekking tot het blazen van de shofar in chassidische werken. Één in naam van Rabbi Israel Baal Shem Tov.2

DE PARABEL VAN DE BAAL SHEM TOV

Er was eens een koning die maar één zoon had, die zeer onderlegd was en de oogappel van zijn vader. De koning besloot, voor het welzijn van de prins, dat hij zou reizen naar een ver afgelegen land om wijsheid en kennis te vergaren over het menselijke gedrag.

De koning voorzag zijn zoon van een brede escorte, een groep van notabelen en eminente staatsfunctionarissen, en een gevolg van bedienden om hem bij te staan. De koning schonk hem evenzo grote rijkdom, zodat hij met gemak en in luxe naar de vele landen en verre eilanden kon reizen. Hij hoopte dat de prins tot een hoog geestelijk niveau zou groeien bij het verwerven van wijsheid en ervaring.

Gedurende de lange reis gewende de zoon zich aan de grote luxe, en verspilde het geld aan zucht naar fysieke lusten; zijn levensstijl werd een continue toenemende vraag naar sensualiteit en zelfvoldoening.

Dit resulteerde uiteindelijk in de verkoop van alles wat hij bezat.

Ten slotte belandde hij zielsalleen in een ver afgelegen land waar men zijn vader niet kende was. Vanuit bittere armoede en leed besloot hij huiswaarts te keren. Maar er was zoveel tijd voorbijgegaan dat hij zijn eigen taal was vergeten. Bij terugkomst in zijn eigen land, probeerde hij te communiceren in gebarentaal en symbolische tekens, dat hij de zoon van de koning was, maar het volk begreep hem niet. Uiteindelijk bereikte hij de plaats van het koninklijke paleis en opnieuw probeerde hij met allerlei gebaren en tekens aan de aanwezige mensen duidelijk te maken wie hij was, maar het mocht niet baten. In volledige wanhoop schreeuwde hij met luide stem, in de hoop dat zijn vader hem zou horen en herkennen. Plotseling werd de koning gewaar dat dit de stem van zijn zoon was, huilend met grote smart. Dit riep al zijn vaderlijke gevoelens van liefde en begaanheid op, en hij omarmde en kuste zijn zoon.

Deze allegorie geeft de verhouding weer tussen G’D en het Joodse Volk, want alle Joden worden omschreven als
de zonen van G’D.

De zielen van Israël zijn naar deze wereld gezonden om wijsheid te vergaren, op dezelfde wijze als de lange reis van de prins. In spirituele zin betekent dit dat door Thora en mitzwot, de ziel voortdurend naar een hoger niveau kan groeien. Echter, de lichamelijke fysieke verlangens en de zucht naar lust brengt de ziel naar een ver afgelegen plaats, waar hij vervreemdt van zijn Vader, en waar hij de herinnering verliest van zijn aangeboren taal, de Thora.

Alleen in het terugkeren naar de Koning en door een simpele, maar hartverscheurende schreeuw, is de ziel herenigd met G’D, de Vader van het Joodse Volk. Dit is de bijzonderheid van de Rosh Hashana shofar uitstoot, de kreet welke komt en zich verheft vanuit het diepste van het Joodse hart.

Het is een werkelijk diepzinnige expressie van berouw, wroeging voor het verleden en een oprechte overtuiging voor de toekomst, om de Vader, G’D’s wil, te gehoorzamen. Deze schreeuw roept een begaanheid op, een G’ddelijke antwoord, Hij bewijst Zijn liefde aan Zijn enige zoon met vergeving voor zijn vroegere daden.

DE PARABEL VAN LEVI JITZCHAK VAN BERDITCHEV

De Tweede parabel staat beschreven in Kedoeshat Levi,3 een Thora compendium van Chassidische leringen van Rabbi Levi Jitzchak van Berditchev:

Eens reisde een koning door een groot woud. Hij drong zo diep in het woud door dat hij er in verdwaalde, en kon onmogelijk de weg terug vinden.

In het diepste van het woud ontmoette hij eenvoudige boeren, en vroeg hun om hem uit het woud te leiden, maar zij waren niet in staat om hem te helpen, want zij hadden nooit gehoord van de koningsallé, welke direct leidt naar het koninklijke paleis.

Ten slotte vond de koning een wijs en begrijpelijk man en vroeg om zijn hulp. De wijze bemerkte onmiddellijk dat het de koning was, en was diep ontroerd bij deze ontmoeting. In zijn wijsheid, leidde hij de koning onmiddellijk naar het juiste pad en begeleidde hem tot in het koninklijke paleis en stond hem bij tot aan het punt dat hij volledig in ere was hersteld en plaats genomen had op zijn majestueuze troon.

De redder, vond uiteraard, grote gunst bij de koning.

Tijd verging en de wijze man handelde onfatsoenlijk op zo danige wijze dat het de koning ergerde. De koning beschouwde hem als iemand die de koninklijke wetten had overschreden en sleepte hem voor het gerecht.

De man wist dat hij zeer streng zou worden aangepakt. In grote angst knielde hij voor de koning en smeekte om de verlening van een gunst, voordat het gerecht zou oordelen. Hij wenste te worden gekleed in dezelfde kleren die droeg bij de eerste ontmoeting met de koning in het woud. En ook de koning zou de originele kleding dragen van toen. De koning aanvaardde zijn verzoek. Toen de woudontmoeting opnieuw was geënsceneerd door het dragen van hun originele kleding, herinnerde de koning zich krachtig en helder de levensreddende vriendelijkheid van zijn redder. Grote vergevensgezindheid werd bij hem opgewekt toen hij zich eveneens herinnerde hoe hij opnieuw in ere werd hersteld op de troon. Met begaanheid en genade vergaf de koning grootmoedig zijn redder en bracht hem terug naar zijn hoge positie van eer.

Ook dit verhaal karakteriseert de verhouding tussen G’D en het Joodse Volk. Ten tijde van de grote Sinaï openbaring, ging G’D van natie tot natie en bood hen de Thora aan, maar zij weigerden. Wij, het Joodse Volk, accepteerden de Thora verheugd en met vreugde, en bevestigden dit met "we zullen doen en we zullen horen."4

We hebben nu gezondigd en gerebelleerd tegen Hem. Een van de meest belangrijke chassidische concepten verklaart dat de mitzwot (opdrachten) de spirituele "kledingstukken" zijn van de ziel.5 Wanneer de shofar wordt geblazen, is het vergelijkbaar als te zijn gekleed in de "kledingstukken" van de mitzwot. Het herinneren van de originele acceptatie door de Joden van de Thora, roept G’D’s vergevingsgezindheid op voor al onze zonden, Hij schrijft ons onmiddellijk in voor een goed leven, etc.

Deze twee parabels kunnen vergeleken worden met thema’s van de zegeningen die we zeggen voor Malchiot (koningschap) en Zichronot (herinnering) op het moment van het shofar blazen tijdens de Rosh Hashana gebedsdienst. De eerste parabel benadrukt de handelingen van de zoon van de koning: zijn terugkeer en het eenvoudig, hartverscheurend uitschreeuwen, een allegorische expressie van onze acceptatie van "het juk van (G’D’s) Koningschap."

De tweede parabel benadrukt de herinnering aan de opmerkelijke eigenschap van het Joodse Volk kenbaar gemaakte tijdens het geven van de Thora, welke in latere tijd opriep dat "jullie herinnering zal vóór Mij (G’D) komen om gunst."

Nu kunnen we de voornoemde Talmoed begrijpen: "Hoe kan koningschap en herinnering worden opgeroepen�" En het antwoord: "door middel van de Shofar," want het geluid van de shofar is een replicatie van ons uitschreeuwen als we berouw hebben en opnieuw G’D’s soevereiniteit accepteren in de gebedsdienst "proclameer Mij om Koning te zijn over jullie."

Het brengt evenzo aan het licht de relatie herinnering tot de mitzwa "kledingstukken" van het Joodse Volk welke "kom vóór Mij om gunst."

L’SHANA TOVA

LIKKOETEI SICHOT, VOL. 34, PP. 183-185

NOTEN:

1. Rosh Hashana 32b
2. Hemshech Vekacha 5637, Hfd 38
3. Drush leRosh Hashana, "Bechatzotzerot"
4. Exodus 24:7 5. Tanya, Hfd. 4

zie ook Rosh Hashana onder Joodse Feestdagen of doorzoek het Archief

Geef een reactie