ROSH CHODESH ELLOEL

De maand Elloel is de maand van barmhartigheid, waarin de dertien eigenschappen van G’ddelijke barmhartigheid uitstralen. Dit is de maand van medelijden, waarin de poorten van G’ddelijkheid geopend zijn voor al diegene die verlangen om dichterbij heiligheid te komen en G’D te dienen door inkeer, gebed en Thorastudie.

Dit is de laatste maand van het jaar dat eindigt, die het heden passeert naar het verleden.

Het is de maand van spiritueel zelfonderzoek en inventarisatie, waarop iemand zich bezint hoe hij het afgelopen jaar heeft doorleefd en volledig teshoewa doet over wat onwenselijk was en zich voorneemt om uiterst nauwgezet en waakzaam te zijn met het in acht nemen van de mitswot, eerlijke en zorgvuldige studie van Thora en tefilla en zich eigen maakt aan positieve karaktereigenschappen.

Dit is de maand van voorbereiding op het nieuwe jaar.

Elloel is de zesde maand gerekend van af de maand Niesan, welke wordt aangegeven in de Thora als de eerste maand van het joods nationaal jaar. In het algemene kalenderjaar van de joodse traditie echter, is Tishri de eerste van alle maanden, vandaar dat Elloel de laatste maand is.

De naam Elloel werd aangenomen, zoals alle anderen, bij de repatrianten van de eerste Babylonische verbanning, zoals onze wijzen hebben verklaard: “de namen van de maanden kwamen van Babylon”. Omdat Elloel de laatste maand van het jaar is en direct voorafgaat aan Rosh HaShana (de dag van het gerecht voor alle wereldbewoners), is het daarom de maand van teshoewa en het reciteren van Selichot, de traditionele gebeden voor vergeving.

Vanaf de Sinaï waren er dagen van verzoening tussen G’D en Israël. Toen de Israëlieten de zonde van het gouden kalf pleegde, besteeg Mosje de berg en smeekte voor Goddelijke barmhartigheid en vergiffenis, G’D was verzoenend naar hem en zei:” Hou uit twee Tafelen van steen, zoals de eersten “.

Mosje besteeg de berg op Rosh Chodesh Elloel en verbleef daar veertig dagen tot de tiende Tishri. Op de tiende Tishri bracht hij het tweede paar stenen tafelen naar beneden, welke G D had gegeven aan Israël als een teken van hernieuwde Goddelijke begunstiging en genegenheid.

Deze veertig dagen werden van toen af vast gelegd voor alle generaties, als dagen van teshoewa en vergiffenis. Hoewel teshoewa altijd wordt geaccepteerd, zijn deze specifieke dagen uitermate geschikt voor teshoewa en vergiffenis, want zij kenmerken een blijvende terugkeer van Goddelijke meegaandheid.

De periode kenmerkt zich door het reciteren van talrijke Selichot ( gebeden om vergeving ). In sommige plaatsen is het gebruikelijk om Selichot te reciteren gedurende de laatste uren van de nacht van de gehele maand Elloel, met uitzondering van Rosh Chodesh en Shabbat en sommigen beginnen vanaf de vijftiende Elloel. De Ashkanasize rite echter is om Selichot te beginnen te reciteren met de eerste dag van de week in welke Rosh HaShana valt , mits dat er vier dagen resten voor Rosh HaShana . Daarom, als Rosh HaShana valt op de tweede dag of derde dag van de week, begint de recitatie van Selichot op de eerste dag van de voorgaande week.

Beginnend met de tweede dag Rosh Chodesh Elloel tot erev Rosh HaShana worden dagelijks vier sjofartonen ( ramshoorn ) geblazen na shacharit (ochtendgebed): Tekie a, Sjewariem, Teroe a, Tekie a. Deze tonen van de sjofar zijn niet voorgeschreven door de Thora , maar vinden hun oorsprong in de joodse minhagiem (gewoonterecht).

Toen Mosje op Rosh Chodesh Elloel de berg Sinaï besteeg om voor de tweede keer de stenen tafelen te ontvangen, was het kamp vol van sjofarklanken , om duidelijk te maken aan allen Israëlieten, dat Mosje zich omhoog had begeven; zodat zij zich niet opnieuw zouden bezondigen aan afgoderij. Daarom had Israël het gebruik aangenomen om de sjofar te blazen op Rosh Chodesh Elloel en om de herhaalde oproep aan Mosje om de berg te bestijgen; Israël’s teshoewa na de zonde van het gouden kalf ; de vergiffenis die hun was verleend, en het geven van de tweede stel stenen tafelen.

De intentie om deze gebeurtenissen te herinneren is, om ons te sturen naar bekentenis van teshoewa. De sjofar word alleen geblazen na het ochtendgebed, omdat Mosje’s bestijging van de berg plaats vond vroeg in de ochtend.

De aard van de sjofarklank is, het opwekken van schroom in het hart, zoals is geschreven: “Als de sjofar wordt geblazen in de stad, zullen de mensen dan niet huiveren??” (Amos 3).

Het geluid van de sjofar proclameert : ” worden jullie wakker die slapen en worden jullie die ingedommeld zijn gewekt, gaat nauwkeurig jullie daden na en keer terug naar de goede weg ” ( RamBam, Maimonides).

Op erev Rosh HaShana wordt geen sjofar geblazen , met de bedoeling een scheiding aan te brengen tussen het sjofar blazen in Elloel, welke zijn oorsprong heeft in het gewoonterecht en het sjofar blazen op Rosh HaShana welke is opgelegd en voorgeschreven door de Thora.

SELICHOT

De essentie van de Selichot gebeden is , het reciteren van de ” dertien eigenschappen van Goddelijke barmhartigheid ” welke zijn weergegeven in het vers:
EEUWIGE, EEUWIGE, een almachtige G’D, barmhartig, en genadig, lankmoedig, vol van liefde, en waarheid, die liefde blijft betonen aan duizenden geslachten, die misdaad, schuld, en zonden vergeeft, maar niet geheel en al ongestraft laat en die de misdaad der ouders bij die van de kinderen gedenkt tot in het derde en vierde geslacht. ( Shemot 34 6-7 )

Evenzo wordt Widdoej ( zondebelijdenis ) gezegd tijdens selichot, omdat het eveneens een essentieel onderdeel is van de gebeden van vergiffenis.

En de Rabbijnen citeren Rabbi Jochanan die zegt: ” als het vers niet geschreven zou zijn, was het onmogelijk om het te zeggen. We leren van G D s woorden aan Mosje dat G D zich zelf als het ware omhulde met een taliet zoals een shliach tsiboer ( voorganger ) en hem leert de orde van het gebed van de dertien eigenschappen van Goddelijke barmhartigheid en G D zij tot hem: “Telkens als Israël zondigt, laten zij houden aan deze orde van gebed en IK zal hun vergeven”.

De dertien eigenschappen van Goddelijke barmhartigheid zijn als volgt:

1) Eeuwige: IK ben het die medelijdend is voordat de mens zondigt, hoewel IK weet dat hij uiteindelijk zal zondigen.

2) Eeuwige: En IK ben het die medelijdend is nadat de mens zondigt en spijt betuigt.

3) G’D: ook dit is een eigenschap van barmhartig zoals is gezegd : ” Mijn G D waarom heeft u mij verloochend? ” iemand kan niet zeggen tot de eigenschap van strenge gerechtigheid: “Waarom heeft u mij verloochend?”.

4) Die barmhartig is: HIJ is met barmhartigheid met de armen ; m.a.w. als je de armen en zwakken minacht, minacht je mij ook.

5) En Genadig: HIJ is genadig naar de rijken.

6) Lankmoedig: HIJ is geduldig en niet snel met het vorderen van vergelding, in de hoop dat de schuldige teshoewa doet.

7) Vol van liefde: Hij handelt met liefdevolle goedheid naar diegene die gebrek hebben aan verdienste.

8) En waarheid: Hij eert en beloont die zijn wil vervullen.

9) Die liefde blijft betonen tot in het duizendste geslacht: HIJ beschermd de liefdevolle goedheid welke een persoon doet voor HEM tot in het duizendste geslacht, zelf tot het tweeduizendste.

10) Die misdaad: verdraagzaamheid ten aanzien van overtredingen welke mensen begaan opzettelijk.

11) Schuld: HIJ draagt de ongerechtigheid die een persoon begaat in een opwelling van opstandigheid.

12) En zonden vergeeft: HIJ draagt zonden die niet moedwillig zijn begaan.

13) Maar niet geheel en al ongestraft laat: HIJ zal degenen zuiveren die teshoewa doen, maar niet degenen die verzuimen om teshoewa te doen.

De dertien Goddelijke eigenschappen worden alleen gezegd in een Minjan, een gemeenschap van tenminste tien mannen.

DEFINITIE VAN HET CONCEPT TESHOEWA

Teshoewa wordt doorgaans vertaald met berouw. Dat is geen teshoewa, omdat berouw in het Hebreeuws charata is. Niet alleen zijn deze twee termen niet synoniem, ze zijn elkaars tegengestelde. Charata houdt in: wroeging of een schuldgevoel over het verleden en de intentie om zich in de toekomst anders te gaan gedragen. De persoon wenst of beslist een herboren of een nieuw mens te zijn.

Teshoewa betekent terugkeren naar het oude, naar de natuurlijke origine van iemand. Grondprincipe van het concept teshoewa is: het feit dat elk mens in essentie goed is. Begeertes, verlangens en verleidingen kunnen hem tijdelijk afbuigen van zijn eigen wezen. Maar zijn essentie blijft waarheidsgetrouw. Het slechte wat hij doet is niet een deel van hem of doet niet af aan zijn zuivere natuur. Teshoewa is terugkeren naar jezelf, terwijl berouw inhoudt het verleden verdringen en opnieuw starten.

Teshoewa betekent teruggaan naar je G’ddelijke oorsprong, je innerlijke oorsprong die G’ddelijk is en te beseffen je ware ik. Bijvoorbeeld een tsaddik, een totaal rechtvaardig mens, die geen strijd meer in zichzelf hoeft te voeren, die een en al goed is, die alleen maar in dienst staat van G’D en medemens, zo’n mens heeft geen reden tot berouw. En een zondaar die niet in staat is om berouw te hebben, maar beiden kunnen teshoewa doen. De zondaar om terug te keren en de tsaddik om meer goed te doen. De rechtvaardige, ofschoon hij geen zonden doet, streeft constant naar zijn innerlijk, naar G’D. En de zondaar, hoe ver dan ook verwijderd van G’D, kan altijd terug keren, omdat teshoewa is niet iets nieuws creëren, alleen opnieuw ontdekken het goede dat altijd al aanwezig was in jezelf.

 

Geef een reactie