Reizen

Numeri 30:2 – 32:42 / 33:1 – 36:13

De Thoralezing van deze week is een “dubbele lezing”, bestaande uit twee parshiot (Thoragedeelten)

Omdat de samenstelling van het Joodse kalenderjaar variërende is ( schrikkeljaar, feestdagen die op Shabbat vallen), kunnen er minimaal 46 en maximaal 54 Thoralezingen waarvan 16 gegroepeerd zijn in acht paren.

Rabbie Israël Baal Shem Tov leert, dat er geen toeval is in G’D’s wereld. Ongetwijfeld, voegt de Lubavitcher Rebbe toe, niets is toeval in G’D’s blauwdruk van de schepping, de Thora. Elke week richten we ons naar de “boodschap van de Thora” en verkrijgen advies en inspiratie van de wekelijkse Parasha. ( volgens Rabbie Schneur Zalman van Liadi ) Wanneer er een “dubbele” lezing komt, blijven we ook stilstaan bij de contrasten en connecties tussen de twee Parshiot die de wekelijkse Thora gedeelten verenigen en vormen.

Toevoegd de lering van de grote 16e eeuw geleerde en Kabbalist Rabbie Jeshajahoe Horowitz ( de “Shalo”), dat de wekelijkse Thoralezing een integrale verhouding met de andere tijdsmarkeringen in zich draagt, welke elkaar doorkruisen. Het feit dat een Parasha in een bepaalde maand wordt gelezen, of direct voorafgaand aan een bepaalde feestdag, houdt in dat er een aanvullend facet aan de lessen, welke ons het leven van die week instrueert, is toegevoegd.

Wat is de les van Matót, wat is de essentie van Mas’ée en wat verbindt hen? En wat is de betekenis van het feit dat deze twee Pashiot altijd gelezen worden, soms jaren apart, en andere jaren samen gedurende de “De Drie Weken”, de periode van 21 dagen tussen Tammoez 17 t/m Aw 9 wanneer wij rouwen om de verwoesting van de Heilige Tempel en het begin van de eeuwen lange galoet ( verbanning en spirituele vervanging ) ? Het volgende is gebaseerd op besprekingen die de Lubavitcher Rebbe heeft gehouden, in het bijzonder over deze Thoralezingen, tijdens verscheidene Shabbat bijeenkomsten (farbrengens).

WAT ZIJN DE DIEPERE ASPECTEN VAN HARDHEID

Hardheid is een van die eigenschappen welke wij voortdurend trachten te verwerven en tegelijkertijd trachten onszelf ervan te ontdoen. Er schuilt meer achter een hint van afkeuring wanneer wij een bepaald persoon beschrijven als keihard iemand, maar er is in niet geringe mate ook bewondering. Wij verwerpen, in onszelf en bij anderen, gedrag dat “halsstarrig” en “onbuigzaam” is, maar accepteren de belangrijkheid van het hebben van ruggengraat en te staan op je principes en niet te worden beïnvloed door principes van iemand anders.

Inderdaad, onze reis door het leven verlangt zowel standvastigheid als flexibiliteit, zowel hardheid als buigzaamheid.

Er zijn tijden en situaties die vereisen , zoals onze wijzen het stellen, om “buigzaam te zijn als riet”, “niet hard als een ceder”.

Desalniettemin zijn er ook tijden en situaties waar van ons wordt gevraagd om uiterste halsstarrigheid en stijfkoppigheid te tonen om onze integriteit die wordt bedreigd te behouden en die ons tracht af te houden van onze levensopdracht. De Chassidische meester Rabbie Bunim van Pshischa verwoordt het als volgt, “Een persoon zou twee zakken in zijn mantel moeten hebben. In één zak zou hij moeten hebben het vers, Ik ben alleen maar stof en as; en in de andere de Talmoedische uitspraak; Een persoon is opgedragen om te zeggen:
Voor mijn bestwil werd de wereld geschapen.”

Deze dualistische benadering van het leven is geïmpliceerd in de twee Thoranamen voor de stammen van Israël. Terwijl het volk Israël één entiteit vormt als G’D’s ” bijzonder natie “, zijn zij opgebouwd uit twaalf verschillende stammen, waarvan ieder zijn eigen unieke karakter en potentiele bijdrage levert aan onze nationale opdracht. Vandaar refereert de Thora naar de Israëlische stammen als shevatiem, “takken,” of matot, “roede”,het idee uitdrukkend dat zij scheuten zijn van een en de zelfde stam, verschillend van elkaar , maar toch een deel van een groter geheel.

Ofschoon shevet en mateh beide synoniemen zijn voor “tak”, is shevet een buigzaam flexibele grote tak, terwijl mateh de associatie oproept van een harde stok of roe. Daarin ligt de diepere betekenis van de twee namen voor de stammen van Israël: op bepaalde gelegenheden refereert de Thora tot ons als ” takken” de behoefte van flexibiliteit en meegaandheid in het leven beklemtonend. In andere contexten worden we roeden genoemd, onderstrepend de noodzaak voor standvastigheid en vastberadenheid in het uitdragen van onze opdracht om een “heilig volk” en een “licht onder de naties” te zijn.

Het bovenstaande geeft de lering weer van de Parasha van Matót, die begint met het vers, ” En Mozes sprak tot de hoofden van de stammen…….”hier worden de stammen bij de naam matót genoemd, een benaming die de naam van de Parasha wordt en tevens de essentie van zijn boodschap: dat er tijden zijn in de historie van een volk dat zij de standvastigheid en vastberadenheid ten toon moeten spreiden van een roe, waarbij zij innerlijke overtuiging moeten hebben om overduidelijk te zijn in een vijandige en wispelturige wereld.

DE STAF VAN VERBANNING

Hardheid is een aanwensel, eerder dan een innerlijke staat. Ofschoon de potentie voor hardheid altijd bestaat, wordt het actueel wanneer een onderwerp of zaak vatbaar is voor omstandigheden en invloeden.

Dit is te zien in het shevet/mateh model. Als een tak, shever is, soepel en buigzaam, meegaand met de wind en elke stuwende hand. Maar wanneer het los van de boom is, in het zicht van de eenzame elementen, wordt een ontwortelde roe, vastberaden in mateh.

We zien in de natuur dat wanneer takken van een boom minder vocht gevende voeding ontvangen, afgesneden worden van hun wortels, de latent aanwezige hardheid het hout zichzelf handhaaft door de buigzame takken te transformeren tot een rigide staf, m.a.w. een mateh is een shevet verhard door de ervaring van galut.

Hierin ligt de verbinding tussen de Parasha van Matót en de periode in het jaar waarop de lezing plaats vind.

Gedurende de Drie Weken, rouwen wij om de verbanning van ons geboorte land en de verwijdering van G’D’s openlijke aanwezigheid in ons leven zoals was geopenbaard in de Heilige Tempel in Jeruzalem. We herdenken hoe de shevatiem van Israël— verankerd door hun wortels, bezield door een ononderbroken stoom van spirituele voeding door hun ledematen— werden weggerukt van hun wortels om een natie van daklozen te worden matót.

Maar zelfs als de Thora ons opdraagt om te rouwen over de gebeurtenissen van de Drie Weken, staat zij er op dat onze rouw een constructieve poging moet zijn, een gelegenheid, een focus hoe wij onze verbannende situatie kunnen benutten voor een positief einde.

Zelfs als wij vreselijk lijden over de ontwortelende galut, moeten wij op een of andere wijze voordeel halen, waardoor het verbreken van ons natuurlijk milieu ons sterkt en tot actie aanvoert. Zelfs als wij treuren over de verwoesting van G’D’huis en de afwezigheid van Zijn openbarende presentie in ons leven moeten we de enorme reserves van vertrouwen en vastberadenheid aanboren, die opgeroepen werd door de uitdaging van een vreemd milieu en andere samenleving. Reserves die zich niet zouden hebben geactiveerd als wij een natie van shevatiem waren gebleven, ongestoord van hun stam.

Geef een reactie