DEEL 9. DE’OT HICHOT (IV)

Aanbevolen wordt om ook, parallel aan deze verhandeling, “De Introductie tot de Talmoed” hoofdstukken 1.2.3.4 en Deel 1.2.3.4.5.6.7.8 van VAN MAIMONIDES, RABBI MOZES ben MAIMON te lezen op onze website www.bethhamidrash.org onder Studies en Archief.

TRACTAAT HICHOT DE’OT

DE REGELS VAN HET GEDRAG

 

KORTE INHOUD:

V: Het gedrag van de wijze moet voorbeeldig zijn wat betreft eten en drinken, sexuele omgang en lichamelijke behoeften, in zijn spreken en openbaar optreden, kleding, beheer van zijn bezit, handelstransacties.

Hoofdstuk V

1.Zoals een wijze herkenbaar is aan zijn wijsheid en eigenschappen, waarmee hij zich van het overige volk onderscheidt, zo moet hij ook herkenbaar zijn aan zijn daden, zijn voeding, zijn drinken, zijn seksuele omgang, de wijze waarop hij zijn behoefte doet, zijn spreken en lopen, zijn kleding, de behartiging van zijn zaken en zijn handeldrijven. AI deze handelingen moeten ten zeerste net en verzorgd zijn. [2] Hoe doet hij dat? Een geleerde moet geen slokop zijn, maar voedsel eten dat geschikt is om zijn lichaam gezond te houden, zonder dat hij er onmatig van eet. Hij moet er niet op uit zijn zich vol te stoppen, zoals degenen die zich vullen met eten totdat hun buik ervan opzwelt. Op hen wordt in de traditie de tekst toegepast: ‘Ik zal drek over uw gezichten uitstrooien, de drek van uw feesten’ (Mal. 2, 3); de Wijzen zeiden: Dat slaat op mensen die eten en drinken en alle dagen feest hebben.42

[3] Zij zeggen: ‘Eet en drink, want morgen sterven wij’ (Jes. 22, 13). Dat is het eten van zondaars en de Schrift veroordeelt hun tafels met de woorden: ‘Want alle tafels zijn vol braaksel, uitwerpselen, geen plek is over’ (Jes. 28, 8). Maar de wijze eet slechts één gerecht, of twee, en daarvan eet hij voldoende om in leven te blijven. Dat is wat Salomo zei: ‘De rechtvaardige eet ter verzadiging van zijn ziel’ (Spr. 13, 25).

2.[4] En wanneer een wijze dit weinige eet dat hem toekomt, eet hij dat alleen thuis aan zijn eigen tafel en niet in een uitspanning of op de markt, behalve wanneer het echt nodig is, om zijn aanzien bij de mensen niet te schaden. Hij moet niet bij onwetenden (am ha-arets) eten en ook niet aan die ‘tafels vol walgelijk braaksel’. Hij moet niet her en der maaltijden houden en ook niet in grote gezelschappen aan maaltijden mee eten. Alleen past het hem mee te eten aan maaltijden met een religieus karakter, zoals bij verlovingen en huwelijken, en dan alleen wanneer een geleerde de dochter van een andere geleerde huwt. Vroegere rechtvaardigen en vromen aten nooit mee aan een maaltijd die niet van henzelf was.

3 [5] Wanneer een wijze wijn drinkt, drinkt hij slechts zoveel als nodig is om het voedsel in zijn ingewanden te weken. leder die zich bedrinkt is een onwaardige zondaar, die zijn verstand te kort doet. En iemand die voor de ogen van het gewone volk dronken wordt, begaat een daad van godslastering. Het is verboden midden op de dag te drinken, zelfs al is het maar weinig, tenzij het bij het eten hoort. Want drinken in samenhang met een maaltijd bedwelmt niet; de waarschuwing geldt alleen voor drinken na het eten.

4. [6] Ook al is het zo dat men bij zijn eigen vrouw altijd toegang heeft, toch is het gepast om zich kuis 43 te gedragen. Men moet niet als een haan achter zijn vrouw aan zitten maar, als men daartoe de kracht heeft, bestemme men daarvoor de vrijdagavond. Wanneer men met haar praat, moet dat niet gebeuren in het begin van de nacht wanneer men vol en verzadigd is, en ook niet tegen het einde wanneer men weer hongerig is, maar midden in de nacht, wanneer het voedsel in de ingewanden verteerd is.

[7] Men moet zich niet al te lichtzinnig gedragen en ook geen vuile taal uitslaan, zelfs niet onder elkaar. Want bij overlevering hebben de Wijzen naar aanleiding van het vers ‘Die de mens zijn overleggingen vertelt’ (Amos 4, 13) gezegd: Zelfs over het luchthartige gesprek tussen man en vrouw zal Hij zijn oordeel vellen. 44

[8] Ze mogen niet allebei beschonken, lusteloos of rusteloos zijn, en ook niet een van beiden. Zij mag niet in slaap zijn en hij mag haar niet dwingen als zij onwillig is. Maar met beider goedvinden zal hij een beetje praten, wat plezier maken om in de juiste stemming te geraken en dan met schaamte copuleren zonder heftigheid. Dan moet hij direct weggaan.

5.[9] Het is niet alleen zo dat ieder die zich op deze wijze gedraagt zijn ziel heiligt, zichzelf rein houdt en zijn gedrag verbetert, ook zijn kinderen zullen mooi en ingetogen zijn en ontvankelijk voor wijsheid en vroomheid. Maar ieder die zich misdraagt op de wijze van het gemene volk ‘dat in duisternis wandelt’, krijgt kinderen die zijn zoals zij.

6.[10] Geleerden plegen zich met grote schroomvalligheid te gedragen. Zij stellen zich niet bloot aan spot en ontbloten noch hun hoofd noch hun lichaam. Zelfs wanneer men zich terugtrekt op het toilet, is men schroomvallig, men ontdoet zich niet van zijn kleren voordat men zit en veegt zich niet met de rechterhand af. Men verwijdert zich van de mensen en gaat een diepe grot in om zich daar af te zonderen. Indien men zich achter een omheining afzondert, gaat men een eind uit de buurt, zodat de aanwezigen een eventueel geluid niet horen. Als men zich afzondert in een dal, moet men ver weg gaan, opdat de aanwezigen de ontbloting niet zien. Tijdens de afzondering spreekt men zelfs in uiterste noodzaak niet.

Evenals men zich overdag schroomvallig gedraagt op het toilet, zo doe men dat ook ’s nachts. Altijd en immer moet een mens zich aanleren om zich alleen ’s ochtends en ’s avonds af te zonderen, zodat men zich voorts niet hoeft te verwijderen.

7. [11] Een geleerde moet bij het praten niet staan brullen en schreeuwen, zoals het vee en de wilde dieren doen. Ook moet hij niet te hard praten, maar met ieder mens met wie hij spreekt, spreke hij kalm. Wanneer hij dan zo kalm spreekt, moet hij ervoor waken dat hij zich niet op een afstand houdt, zodat het lijkt op aanstellerij. Hij benadert ieder met een groet45 zodat de mensen bij hem op hun gemak gesteld worden. Hij oordeelt over iedere mens in gunstige zin, spreekt de lof van zijn naaste en doet hem in geen enkel opzicht tekort. Hij bemint de vrede en jaagt die na.

[12] Als hij een gelegenheid vindt waar zijn woorden van nut zijn en gehoor vinden, dan spreekt hij. Zo niet, dan zwijgt hij.

Hoe zal men dat doen?46 Men moet een medemens niet trachten te kalmeren wanneer hij boos is en hem niet aan zijn eden trachten te houden op het moment dat hij ze zweert, totdat zijn gemoed is bekoeld en hij gekalmeerd is. Men moet een nabestaande niet troosten op het moment dat zijn dode nog voor hem ligt, omdat hij zeker tot de begrafenis door verbijstering is bevangen. Evenzo in vergelijkbare gevallen. Men staat niet naar zijn medemens te kijken op momenten van grote tegenslag, maar wendt de blik van hem af. Men moet zijn woorden niet verdraaien, men moet niet toevoegen of weglaten, tenzij het terwille van de vrede is of iets daaraan gelijk. AI met al, men moet alleen spreken over wat waar is, over goede daden of over de wijsheid en dergelijke dingen meer.

Men gaat op de markt geen gesprek aan met een vrouw, zelfs niet met zijn eigen vrouw, zijn zuster of zijn dochter.

8.[13] Een geleerde loopt niet kaarsrecht en met opgestoken veren rond, zoals er gezegd is: ‘Zij lopen rond met gerekte hals en lonkende ogen’ (Jes. 3, 16), maar ook niet langzaam voetje voor voetje, zoals vrouwen en aanstellers, naar er geschreven staat: ‘Trippelend gaande met rinkelende banden aan de voeten’ (Ibid.).

[14] Hij rent niet over de openbare weg rond en gedraagt zich daar niet als een dwaas. Hij moet niet krom gaan lopen als een bultenaar, maar wel naar beneden kijken, als iemand die in gebed verzonken is, en hij loopt gelijkmatig als iemand die in zijn bezigheden verdiept is. [15] Ook aan iemands gang kan men aflezen of hij een verstandig en wijs iemand is of een onnozele dwaas. En zo sprak Salomo in zijn wijsheid: ‘Welke weg een dwaas ook gaat, zijn hart ontbreekt en hij zegt eenieder dat hij dwaas is’ (Pred. 10, 3): hij laat zich aan iedereen kennen als een dwaas.

9.[16] De kleding van een geleerde is netjes en schoon. Het is hem niet geoorloofd dat zich vlekken of vette plekken en dergelijke op zijn kleren bevinden. Ook moet hij zich niet kleden in een koninklijk gewaad met bijvoorbeeld goud of purper erin, waar iedereen naar kijkt, of juist in armelijke kleding die de drager verachtelijk maakt. Het moeten gewone, nette kledingstukken zijn.

[17] De huid moet niet door de kleren heen zichtbaar zijn, zoals bij de te dunne kleding die men in Egypte maakt. De kleren moeten niet over de grond slepen, zoals de kleren van fatten, maar zij moeten reiken tot aan de hielen en de mouw moet tot de vingertoppen komen.

Men moet zijn gebedsmantel niet laten neerhangen, omdat dat fattig lijkt, behalve op Shabbat als men daarvoor geen speciaal stel heeft.47 In de zomer moet men geen opgelapte schoenen dragen die eruit zien als een kledingstuk dat steeds weer hersteld is. Maar in de regentijd is dat geoorloofd als men arm is.

[18] Een geleerde gaat niet geparfumeerd, of met geparfumeerde kleren de markt op. Ook doet hij geen reukwerk op zijn haar. Maar als hij zijn huid met parfum heeft ingewreven om het vuil te verwijderen, is het geoorloofd.

Zo moet hij ook niet ’s nachts alleen uit gaan, tenzij hij een vaste tijd heeft waarop hij uitgaat om te studeren. Dit alles is vanwege de mogelijkheid van verdachtmaking.

10. [19] Een geleerde ‘behartigt zijn zaken met recht’ (vgl. Ps. 112, 5), hij eet en drinkt en voedt zijn huisgenoten naar de mate van zijn vermogen en zijn welstand en hij zwoegt niet meer dan nodig is.

[20] De Wijzen hebben met betrekking tot de juiste leefwijze (derech erets) bevolen dat een mens alleen maar vlees moet eten voor de smaak, zoals er geschreven staat: ‘Zou uw ziel begeren vlees te eten, (dan moogt gij vlees eten zoveel gij wilt)’ (Deut. 12, 20) .48 Voor een gezond persoon is het voldoende dat hij het alleen op Shabbat eet, maar als men rijk genoeg is om iedere dag vlees te eten, dan doe men dat.

[21] De Wijzen hebben bevolen dat een mens altijd minder moet eten dan dat wat hem toekomt gemeten naar zijn rijkdom, maar dat hij zich wel dienovereenkomstig moet kleden en dat hij tegenover zijn vrouw en kinderen zijn respect dient te tonen door ze meer te geven dan hemzelf toekomt. 49

11.[22] Het is bij verstandige mensen de gewoonte om eerst een ambacht te kiezen waarmee men zich in het levensonderhoud kan voorzien. Daarna koopt men een woning en dan huwt men een vrouw, want er staat geschreven: ‘Wie is de man die zich een wijngaard heeft geplant en die niet in gebruik heeft genomen, …wie heeft een huis gebouwd (en dat niet ingewijd), …wie heeft een vrouw in ondertrouw (en die niet gehuwd) …’ (vgl. Deut. 20, 5-7 50). Maar de dwazen beginnen met trouwen en daarna kopen zij een huis, als zij daartoe in staat zijn, en daarna, tegen het eind van hun dagen, komen zij er nog eens toe om een ambacht te zoeken of laten zij zich onderhouden van de liefdadigheid. En daarom staat er in het hoofdstuk van de vervloekingen: ‘Gij zult een vrouw in ondertrouw nemen (die een ander zal bezitten), een huis bouwen (en daarin niet wonen), een wijngaard planten (en die niet in gebruik nemen)’ (Deut. 28, 30), dat wil zeggen: Uw daden zullen in omgekeerde volgorde plaats vinden, zodat ge niet zult slagen. En wat staat er aangaande de zegeningen?

‘En David was verstandig aangaande al zijn wegen en de Heer was met hem’ (1 Sam. 18, 14).

12.[23] Het is een mens verboden al zijn bezittingen op te offeren51 en zo zijn medemensen ten laste te komen. Men moet geen akker verkopen en voor het geld een huis kopen, noch een huis verkopen om daarvoor goederen te kopen of handel drijven met de opbrengst van zijn huis. Wel kan men goederen verkopen om een huis te kunnen kopen. In het kort, een mens moet er op uit zijn om zijn bezittingen voorspoedig te beheren, niet om er kort genoegen aan te beleven of er een beetje van te genieten, terwijl er veel verloren gaat.

13.[24] De transacties van een geleerde moeten op waarheid en betrouwbaarheid berusten. Zijn ja moet ja zijn en zijn nee nee. Hij moet precies zijn bij de afrekening, maar gul en vrijgevig wanneer anderen bij hem kopen en dan niet al te precies zijn. Hij rekent ter plekke af en leent zich niet voor borgstelling, ontvangstbewijzen of depot.

[25] Hij verplicht zich betreffende koop en verkoop ook in die gevallen, die de Thora niet verplicht stelt, en houdt ook dan zijn woord zonder het te veranderen. Wanneer anderen hem rechtens iets schuldig zijn, is hij lankmoedig en vergevingsgezind en is hij bereid op gunstige voorwaarden te lenen. Hij trekt niet andermans beroep aan zich en brengt nooit iemand in het nauw. Samengevat: Hij moet behoren tot degenen die vervolgt worden en niet tot de vervolgers, tot de gekrenkten en niet tot hen die krenken. Aangaande de man die al deze en dergelijke dingen doet heeft de Schrift gezegd: ‘En Hij zei tot mij: Mijn knecht zijt gij, Israël, op wie Ik Mij beroem’ (Jes. 49, 3).

Noten:

42. Vgl. Shabbat 15 lb.

43. Letterlijk: in heiligheid.

44. Vgl. Chagiga 5b.

45. Voor deze en de volgende voorschriften vergelijke men bv. Avot IV, 1 6(20); Ill, 10 (12); I, 6, 12; etc., etc.

46. Voor het volgende zie Avot IV, 18 (20).

47. Ter ere van Shabbat mag men voorwenden dat men een duur, lang afhangend gewaad draagt; zie Shabbat 113a, beneden.

48. Chullin 84a.

49. Chullin 84b.

50. De volgorde in Deut. 20 is: huis, wijngaard (= ambacht), huwelijk, afwijkend van wat Maimonides voorstelt, en dat heeft de uitleggers altijd voor grote problemen geplaatst. Wellicht zag Maimonides huis en ambacht als twee aspecten van dezelfde zaak die, onverschillig in welke volgorde, aan het huwelijk vooraf dienen te gaan. Overigens beantwoordt Deut. 28 aan zijn voorstelling.

51. Aan een hoger doel, zoals de Tempel of de godsdienst.

Geef een reactie