DEEL 7. DE’OT HICHOT (II)

Aanbevolen wordt om ook, parallel aan deze verhandeling, “De Introductie tot de Talmoed” hoofdstukken 1.2.3.4 en Deel 1.2.3.4.5.6 van MOZES MAIMONIDES, RABBI MOZES ben MAIMON te lezen op onze website www.bethhamidrash.org onder Studies en Archief.

TRACTAAT HICHOT DE’OT

DE REGELS VAN HET GEDRAG

Korte Inhoud:

II: Verkeerd gedrag is als een ziekte die genezen moet worden. De wijze is de dokter van de ziel. Genezing verkrijgt men door zich in tegenovergestelde richting van het midden te verwijderen en het verkeerde gedrag door contrastgedrag te corrigeren. Welk gedrag is bedoeld? Zwijgen is de grootste deugd en voorwaarde voor wijsheid. Bedrog, lichtzinnigheid, etc. zijn dodelijk.

III: Extreme onthouding is niet goed. Goed is wat heilzaam is voor het lichaam, zodat de geest niet gehinderd wordt in de verwerving van de kennis van God. Het hoogste doel van ieder gedrag is constante gerichtheid op Gods wezen.

Hoofdstuk II-III

1. Mensen wier lichaam ziek is, proeven bitter als zoet en zoet als bitter. Er zijn zieken die verlangen naar voedsel dat niet geschikt is om gegeten te worden, zoals zand of steenkool, en die een afkeer hebben van goed voedsel, zoals brood of vlees, al naar gelang de ernst van hun ziekte.

Zo is het ook met mensen wier geest ziek is en die verlangen naar verkeerd gedrag en daarvan houden. Zij hebben een hekel aan de goede weg en zijn te lui om die te bewandelen, omdat die hun, als gevolg van hun ziekte, veel te moeilijk is. Zo zegt Jesaja over deze mensen: ‘Wee hen die het kwade goed noemen. en het goede kwaad, die van duisternis licht maken en het licht tot duisternis, die bitter zoet maken en zoet bitter’ (Jes. 5, 20). Over hen is geschreven: ‘Die de rechte paden verlaten om te gaan op wegen van duisternis’ (Spr. 2, 13).

[2] Wat kan dan dienen tot herstel van deze ziekten van de geest? Men gaat daarvoor naar de wijzen, want zij zijn de geneesheren van de ziel. Zij kunnen ziekten genezen door middel van onderwijs in het goede gedrag, totdat ze ons hebben teruggebracht tot de goede weg. Maar zij die hun slechte gedrag onderkennen en toch niet naar de wijzen gaan om genezing te verkrijgen – over hen zegt Salomo: ‘Dwazen verachten wijsheid en tucht’ (Spr. 1, 7).

2. [3] Hoe genezen zij die? Tegen iemand die opvliegend van aard is, zeggen zij dat hij zich moet gedragen alsof het hem niets doet wanneer hij geslagen en uitgevloekt wordt, en dat hij die weg een lange tijd moet gaan, totdat de toorn uit zijn hart is uitgewist. [4] En iemand die hoogmoedig is, moet zich zeer diep vernederen, op de allerlaagste plaats gaan zitten en zich kleden in versleten lompen die de drager ervan verachtelijk maken in de ogen van anderen, en dergelijke dingen meer, totdat de hoogmoed bij hem met wortel en tak is uitgeroeid en hij terug kan keren tot de middenweg, die immers de goede weg is. En wanneer hij tot de weg van het midden is teruggekeerd, zal hij die al zijn dagen blijven volgen. [5] Langs deze lijn zal men ook bij alle andere vormen van gedrag te werk gaan: Wie te extreem naar de ene zijde is gegaan, moet zich ver de andere kant op begeven en zich lange tijd dienovereenkomstig gedragen, totdat hij kan terugkeren naar de goede weg, die van het gemiddelde in alle gedrag.

3.[6] Maar er zijn vormen van gedrag waarin het een mens verboden is zich gematigd te gedragen en waarin men zich tot het uiterste van het ene einde dient te verwijderen. Dat is met name de hoogmoed. Want de goede weg is niet dat een mens gewoon bescheiden is, maar men dient nederig te zijn en ten zeerste onderworpen. Daarom staat er van onze leermeester Mozes ‘zeer bescheiden’ (Num. 12, 3) en niet gewoon bescheiden (anaw). Daarom ook hebben de Wijzen bevolen: Wees zeer, zeer nederig,15 en hebben zij gezegd dat hij die hoogmoedig is, een godloochenaar is, omdat er geschreven staat: ‘(Neem u in acht … ), dat uw hart zich niet verheffe en gij de Heer uw God zult vergeten’ (Deut. 8, 14).16 Verder hebben zij gezegd: De ban over een (geleerde) in wie hovaardigheid (schuilt), al is het slechts gedeeltelijk. 17

[7] Ook boosheid is een buitengewoon slechte eigenschap, waarvan een mens zich verre dient te houden tot het uiterste, zodat men zich kan aanleren niet meer boos te worden, ook niet wanneer het iets betreft waarover men zich met recht boos kan maken. Indien men zijn kinderen of huisgenoten eens goed de les wil Iezen of wanneer men bestuurder is en men de gemeente over iets wil onderhouden en men boos wil zijn opdat ze zich ten goede zullen veranderen, dan moet men zich uiterlijk als boos voordoen om hen terecht te wijzen maar van binnen kalm zijn. Men lijkt laaiend van woede, maar boos is men niet.

[8] De vroegere Wijzen zeiden: Ieder die boos is, is als iemand die afgodendienst bedrijft.18 Ook zeiden zij dat de wijsheid van iedere wijze verdwijnt als hij boos is, en het profeetschap van iedere profeet. Het leven van toornige mensen is geen leven. Daarom hebben zij geboden, dat men zo lang de boosheid op een afstand moet houden, dat het een gewoonte wordt en men geen last meer heeft van dingen die boos maken. Dat nu is de goede weg. Het is de weg van de rechtvaardigen, dat zij beledigd worden maar niet beledigen, zij horen hun beschimping aan maar antwoorden niet. Zij handelen uit liefde en verblijden zich over hun leed.19 Over hen zegt de Schrift: ‘Zij die Hem liefhebben zijn als de zon die opkomt in volle kracht’ (Richt. 5, 31).

4. [9] Een mens dient altijd voornamelijk te zwijgen en alleen maar te spreken over dingen die betrekking hebben op de wijsheid, of over dingen die hij voor het instandhouden van het lichaam nodig heeft. Men heeft gezegd aangaande Rav, de leerling van de heilige Rabbi (Jehuda ha-Nasi), dat hij heel zijn leven lang geen overbodig gesprek heeft gevoerd,20 het soort gesprek dat de meeste mensen voeren. Zelfs over de noden van het lichaam spreke men niet veel. Dienaangaande hebben de Wijzen het gebod gegeven: leder die veel spreekt brengt zonde aan, en ze zeiden ook: Voor het lichaam heb ik niets beters gevonden dan het zwijgen.21

[10] Ook aan de Thora en de wijsheid dient de mens weinige, maar zinvolle woorden te spenderen. Dat is wat de Wijzen geboden toen zij zeiden: Altijd dient een mens zijn leerling bondig te onderwijzen.22 Indien de woorden veel zijn en de inhoud gering, dan spreekt men van dwaasheid, waarvan geschreven staat: ‘Want de droom komt door een menigte ideeën en de stem van een dwaas met veel woorden’ (Pred. 5, 2).

5. [11] Zwijgen behoedt de wijsheid.23 Daarom moet men niet haastig antwoorden en niet veel zeggen. Men onderwijze zijn leerlingen kalm en rustig, zonder schreeuwen en zonder langdradigheid. Dat is wat Salomo heeft gezegd: ‘De woorden van de wijze worden in rust aangehoord’ (Pred. 9, 17).

6. [12] Het is de mens verboden om een gewoonte te maken van vleierij en misleiding. Niet zal men het ene zeggen en het andere denken, maar het inwendige moet zijn als het uitwendige: Wat men in het hart koestert moet hetzelfde zijn als wat men met de mond belijdt. Het is verboden de mensen iets voor te spiegelen,24 en dat geldt evenzeer de niet-jood.

[13] Wat wordt hier bedoeld? Men verkoopt de niet-jood geen onrein vlees alsof het volgens de joodse wet geslacht is, en geen schoeisel gemaakt van de huid van dode dieren alsof het van een wettig geslacht dier is. Men probeert zijn medemens niet over te halen om te blijven eten terwijl men weet dat hij toch niet zal blijven, of hem allerlei aanbiedingen doen in de wetenschap dat hij ze niet zal aannemen. Men opent ogenschijnlijk ter ere van een gast geen vaten wijn die men voor de verkoop toch had moeten openen, en dergelijke dingen meer. Zelfs een enkel woord van misleiding en huichelarij is verboden. Zo moet het zijn: een betrouwbare taal, een oprechte geest en een hart dat rein is van kwaad en boosaardigheid.

7. [14] Een mens moet niet lichtzinnig en spotziek zijn, en ook niet somber en treurig, maar blij moet men zijn. Zo zeiden het de Wijzen: Gelach en lichtzinnigheid zijn een oefening in ontuchtigheid.25 Zij geboden dat men zich niet moet laten gaan in onmatig gelach maar dat men ook niet bedroefd of somber moet zijn. Men trede ieder mens met een vriendelijk gelaat tegemoet.26 [15] Zo moet men ook niet gretig zijn en verzot op rijkdom, noch lui en ledig, maar tevreden moet men zijn, met weinig beslommernis behalve waar het de Thora betreft.27 Over het weinige dat een mens ten deel valt zal hij zich verblijden. Men moet niet twistziek en naijverig zijn, niet begerig en op jacht naar eer. Zo zeiden de Wijzen: Naijver, begeerte en eerbejag brengen de mens naar zijn einde.28 Samengevat: Men dient in heel zijn gedrag de eigenschap der gematigdheid te betrachten, doordat men zijn gedragingen richt op het midden. Dat is wat Salomo zei: ‘(Wik de gang van uw voeten), zodat al uw wegen zuiver gericht zijn’ (Spr. 4, 26).

Hoofdstuk III

1. Iemand zou kunnen zeggen: Aangezien naijver en begerigheid en dat soort dingen de weg van het kwaad vertegenwoordigen en ’s mensen eind bespoedigen, zal ik mij daar verre van houden en mij er van verwijderen tot aan het andere uiterste. Zo iemand eet geen vlees meer en drinkt geen wijn, heeft geen omgang met vrouwen en zorgt niet voor een goede behuizing. Hij kleedt zich niet goed, maar trekt een zak van ruwe wol aan en dergelijke dingen, zoals de priesters van Edom doen.29 Ook dat is een kwade weg die men niet mag begaan. [2] Wie deze weg gaat wordt een zondaar genoemd, omdat er met betrekking tot de Nazir geschreven staat: ‘En hij [de priester] zal verzoening over hem doen, omdat hij heeft gezondigd tegen de ziel’ (Num. 6, 11). De Wijzen zeiden hiervan: Indien de Nazir, die zich slechts van wijn onthoudt, al verzoening nodig heeft, hoeveel te meer niet hij die zich alles ontzegt.30 [3] Daarom hebben de Wijzen geboden dat men zichzelf slechts die dingen ontzegt die in de Thora staan, en dat men zich niet met geloften en eden moet verplichten zich te onthouden van dingen die zijn toegestaan. Zo ook hebben zij gezegd: Is wat de Thora u verbiedt u niet genoeg, dat gij u ook nog andere dingen ontzegt?31

[4] Dienovereenkomstig zijn ook zij die altijd vasten niet op de goede weg en hebben de Wijzen verboden dat men zichzelf kastijdt met vasten.32 Aangaande al deze en dergelijke dingen heeft Salomo het volgende gebod gegeven: ‘Wees niet al te zeer rechtvaardig en houdt U niet te zeer voor wijs. Waarom zoudt gij uzelf ondermijnen?’ (Pred. 7, 16).

2. [5] Een mens dient al zijn daden alleen te richten op het kennen van Hem wiens naam gezegend zij. Laten uw zitten, staan en spreken helemaal hierop zijn ingesteld. Hoe doet men dat? Wanneer men onderhandelt of werk doet om geld te verdienen, laat men dan niet de bedoeling hebben om alleen rijkdom te vergaren. Alleen wat voor het lichaam noodzakelijk is dient men te verwerven, zodat men kan eten en drinken, wonen en huwen. [6] Wanneer men dan eet of drinkt of geslachtelijke omgang heeft, moet men er niet op uit zijn die dingen alleen te doen om er genot aan te beleven, zodat het er op neer komt dat men alleen eet en drinkt wat zoet is voor de tong, of paart om er genot van te hebben. Maar men moet willen eten en drinken om het lichaam en de ledematen gezond te houden.

[7] Daarom moet men niet slechts eten wat de tong streelt, zoals honden en ezels doen, maar men moet voedzame dingen eten, of ze nu bitter zijn of zoet, en geen zaken die slecht zijn voor het lichaam, al zijn ze nog zo smakelijk.

[8] Hoe doet men dat? Hij die warmbloedig is, moet geen vlees of honig eten en geen wijn drinken, zoals Salomo zegt, in overdrachtelijke zin overigens:33 ‘Het eten van veel honig is niet goed’ (Spr. 25, 27), maar zo iemand moet cichoreiwater drinken, ook al is het bitter. Wij zien dus dat men alleen moet eten en drinken voor de gezondheid en om in goede conditie te blijven, omdat een mens immers niet kan leven zonder te eten en te drinken. [9] Evenzo paart men slechts om het lichaam gezond te houden en om nageslacht voort te brengen. Daarom paart men niet op elk moment dat men daar verlangen naar heeft, maar slechts dan wanneer men weet dat een zaadlozing nodig is, bijvoorbeeld voor de gezondheid of om nageslacht te krijgen.

3. [10] Maar hij wiens gedrag alleen maar op zijn gezondheid is gericht en op de welstand en krachtigheid van zijn lichaam en ledematen, of hij die slechts zonen wil krijgen opdat ze zijn werk doen en kunnen zwoegen voor wat hij zelf nodig heeft, zo iemand is niet op de goede weg. Want men moet een gezond en krachtig lichaam willen hebben terwille van een oprechte geest, die in staat is de Heer te kennen. Men kan onmogelijk inzicht hebben en zich verdiepen in de wetenschappen terwijl men ziek is of wanneer een van de ledematen pijn doet. En wanneer men een zoon wil hebben, moet men zich voor ogen houden dat hij misschien een groot geleerde zal zijn in Israël.

[11] We zien dan ook, dat al wie alle dagen van zijn leven deze weg bewandelt, de Heer ten allen tijde dient, zelfs op het moment dat hij onderhandelingen voert of geslachtelijke omgang heeft, omdat hij met al zijn gedachten erop gericht is slechts aan die behoeften te voldoen die nodig zijn voor een gaaf lichaam, dat de Heer kan dienen.

[12] Zelfs wanneer hij slaapt, dan slaapt hij om zijn geest rust te geven en om zijn lichaam te laten uitrusten, zodat het niet ziek wordt en vanwege deze ziekte de Heer niet kan dienen. Ook deze slaap is een vorm van verering van de Alomtegenwoordige. Dit hebben de Wijzen geboden toen zij zeiden: Laten al uw daden zijn terwille van de Hemel,34 en dat is wat Salomo in zijn wijsheid heeft gezegd: ‘In al uw wegen, ken Hem’ (Spr. 3, 6).

 

NOTEN:

15. Avot IV, 4

16. Sota IV, 2.

17. De herkomst van dit citaat is enigszins onduidelijk, maar vgl. Sota 5a.

18. Vgl. bv. Nedarim 22a.

19. Zie voor deze passages: Pesachim 66b, 113b, Shabbat 88b, Joma 23a, Gittin 36b.

20. Vgl. Chagiga 5b.

21. Avot 1, 16 (17).

22. Pesachim 3b; Chullin 63b.

23. Avot Ill, 13 (16).

 

24. Lignov da’at,

letterlijk: iemands weten afnemen.

25. Avot Ill, 13 (16).

26. Avot 1, 14 (15); Demai 11, 3.

27. Vgl. Avot IV, 10 (12)

28. Avot IV, 21.

29. Christelijke monniken en andere geestelijken die ascese praktiseren.

30. Vgl. Ta’anit 1 1 a. Meestal wordt naar aanleiding van de context Num. 6, 11 vertaald als: ‘…omdat hij zich door aanraking van een lijk heeft bezondigd…’. De hier geciteerde interpretatie is gebaseerd op een letterlijke betekenis van de woorden.

31. PT Nedarim IX, 1; 4b, onderaan.

32. Zie bv. Ta’anit 1 la: ‘Samuel zei: leder die vast wordt een zondaar genoemd.’ Dit slaat overigens niet op gezamenlijk vasten terwille van de noden van de gemeenschap.

33. Derekh mashal. Het Spreukenboek is volgens Maimonides niet alleen een verzameling levensregels, maar ook een allegorische uiteenzetting over de natuur van de mens.

34. Avot II, 12 (15).

Geef een reactie