DEEL 4. REGELS VAN HET GEDRAG.

Aanbevolen wordt om ook, parallel aan deze verhandeling, “De Introductie tot de Talmoed” hoofdstukken 1.2.3.4 en Deel 1+2+3 van MOZES MAIMONIDES, RABBI MOZES ben MAIMON te lezen op onze website www.bethhamidrash.org onder Studies en Archief.

De Regels van het Gedrag

Zoals we reeds hebben gezien, maken de Regels van het Gedrag, de Hilchot De’ot, deel uit van het eerste boek van de Mishne Tora, het Boek van de Kennis (Sefer ha-Madda’), waarin Maimonides de meest elementaire halacha bespreekt.

Maimonides’ behandeling van de Regels van het Gedrag rust op twee polen, waardoor dit tractaat een prachtig voorbeeld is van het synthetische karakter van de Mishne Tora dat we boven hebben uiteengezet. Niet alleen geeft Maimonides de gebruikelijke synthese van de bijbelse Geboden met de halachische literatuur van de klassiekrabbijnse periode voor zover die uitspraken doet over het gedrag en de omgang van de mensen onderling, ook baseerde hij zijn Regels van het Gedrag op de Leer van het Midden van Aristoteles. Halacha en filosofie verkeren hier onder een dak.

Wat is de halacha waarop de Hilchot De’ot gebaseerd worden? Zeven van de elf Geboden die aan het begin van ons tractaat staan, zijn ontleend aan de bijbelse pericoop Lev. 19, een hoofdstuk dat als geheel handelt over de levensheiliging:

16. Gij zult onder uw volksgenoten niet als lasteraar rondgaan; gij zult uw naaste niet naar het leven staan: Ik ben de Heer.

17. Gij zult uw broeder in uw hart niet haten; openlijk zult gij uw volksgenoot terechtwijzen en niet terwille van hem zonde op u laden.

18. Gij zult niet wraakzuchtig en haatdragend zijn tegenover de kinderen van uw volk, maar uw naaste liefhebben als uzelf: Ik ben de Heer. (vert. NBG)

De basisgedachte van deze verzen, en van heel Lev. 19, is dat het volk heilig moet zijn, omdat de Heer heilig is. Deze aansporing tot navolging van de eigenschappen van God, de zgn. ‘Imitatio Dei’, vormt de basis van Maimonides’ uitwerking van het halachische aspect van het gedrag. Dat blijkt te meer uit het feit dat de eerste twee Geboden van de elf die hij hier opsomt ook de Imitatio Dei leren:

Dat men op God rnoet gelijken in Zijn wegen. Dat men moet aanhangen hen die Hem kennen.

De sterling dat God zich in Zijn eigenschappen aan Israel heeft laten kennen om hen te leren hoe zij zich dienen te gedragen, wordt door de rabbijnen duidelijk onder woorden gebracht15 en Maimonides verwijst daar expliciet naar:

Zo heeft men ons uitdrukkelijk dit Gebod geleerd: Zoals Hij genadig wordt genoemd, weest ook gij genadig; zoals Hij barmhartig wordt genoemd, weest ook gij barmhartig; zoals Hij heilig wordt genoemd, weest ook gij heilig. (I, 6)

Op God gelijken en Hem aanhangen betekent: Zijn weg te volgen door heilig te zijn zoals God heilig is. Het zijn vooral de wijzen die hierin het voorbeeld kunnen geven, en de praktijk van de Imitatio Dei is dan ook dat men zich aansluit bij degenen die Hem kennen. Het doel van het juiste gedrag is dat het niet alleen de mens in staat stelt om zo op de beste wijze de Geboden te vervullen, maar ook om zich te disponeren voor het hoogste doel in het mensenleven, voor zover dat voor hem bereikbaar is: de waarachtige kennis van God. Het valt Maimonides niet moeilijk de genoemde bijbelse Geboden uit te werken in aansluiting aan wat de rabbijnen leerden over het menselijke gedrag, want de rabbijnse literatuur als geheel heeft een sterk ethische strekking. Het duidelijkst zien we dat in de laatste drie hoofdstukken van ons tractaat, die het concrete gedrag voorschrijven, zoals het vermijden van roddel en achterklap en het bestrijden van wantrouwen. Sterk op de voorgrond treedt in dergelijke passages het Mishnatractaat Avot, dat dan ook herhaaldelijk expliciet door Maimonides wordt geciteerd. Deze verzameling wijsheidsspreuken van de vroege generaties van rabbijnen is binnen de rabbijnse literatuur een belangrijke tekst, die zelfs in de liturgie is opgenomen.

Het is begrijpelijk dat Maimonides een dergelijke bekende tekst graag voorzijn doel gebruikt.

Ook voor het juiste begrip van de wat problematische titel van ons tractaat, Hilchot De’ot, hebben we een passage uit Avot nodig. De’ot (meervoud van de’a) betekent letterlijk ‘meningen’, ‘kennis’, maar in Avot V, 1 1 wordt de term in een speciale betekenis gebruikt:

Er zijn vier typen (middot) van de’ot:

Wie gemakkelijk boos wordt en zich gemakkelijk laat sussen – die heeft evenveel gewonnen als verloren.

Wie moeilijk boos wordt en zich moeilijk laat sussen – die heeft evenveel verloren als gewonnen.

Wie moeilijk boos wordt en zich gemakkelijk laat sussen die is een vrome (chasid).

Wie gemakkelijk boos wordt en zich moeilijk laat sussen die is een zondaar (rasha’).

In deze context slaat de’ot duidelijk niet op kennis, maar duidt het de karaktereigenschappen aan die het gedrag van een mens bepalen. In die zin is de term door Maimonides gebruikt om er het ethische deel van de halacha mee aan te duiden. Om de juiste betekenis te vatten moeten we het dan ook soms met ‘eigenschappen’, maar meestal met gedrag’ vertalen. Toch blijft de oorspronkelijke betekenis van het woord de’ot, ‘kennis’, in dit geheel een rol spelen. Maimonides kan deze door de bronnen geautoriseerde term zo goed gebruiken, omdat de basisbetekenis ervan strookt met zijn filosofische kijk op het onderwerp. Ook al ademen Maimonides’ Regels van het Gedrag onmiskenbaar de geest van de rabbijnse ethiek, het uitgangspunt van waaruit Maimonides zijn betoog opzet, is een geheel ander. We raken hier aan de filosofische component van Maimonides’ ethiek.

Direct al in het eerste hoofdstuk zet hij ons uiteen, dat de rechte weg die de mens dient te bewandelen, de weg van het midden is en dat men gedrag dat afwijkt van dat midden dient te corrigeren. Zoals men een kwaal met medicijnen en een juiste leefwijze kan genezen, zo corrigeert men verkeerd gedrag door middel van de juiste inzichten op grond waarvan men andere gewoonten kan aanleren. Omdat de mens verplicht is zijn karaktereigenschappen (de’ot) vorm te geven overeenkomstig zijn inzichten (de’ot) aangaande wat goed en behoorlijk is, zijn deze het die zijn gedrag (de’ot) bepalen.

Dit nu is in een zeer doorzichtig gewaad en in tamelijk vereenvoudigde vorm de aristotelische Leer van het Midden, die in de zgn. Ethica Niconlacheia door de grote wijsgeer was uitgewerkt. Maiinonides kende deze leer via Arabische vertalingen en in de voringeving van Arabische filosofen. Het was met name een geschrift van de beroemde aristotelicus Abu Nasr Mohammed al-Farabi (ca. 870-ca. 950), getiteld ‘Spreuken van de Staatsman’ (Fusul al-Madani), dat Maimonides’ weergave beinvloedde. Aldus heeft Maimonides voor Zijn Regels van het Gedrag de aristotelische Leer van het Midden tot uitgangspunt gekozen en daarmee in ons tractaat een van de duidelijkste voorbeelden van de rol van de filosofie in zijn werk gegeven, waarbij het opmerkelijk is dat hij in onze tekst nergens gewag rnaakt van de externe herkomst van de leer.

De Regels van het Gedrag zijn overigens niet de enige tekst waarin Maimonides de Leer van het Midden tot uitgangspunt van zijn ethiek heeft genomen. Een andere, nogal uitvoerige tekst over dit onderwerp zijn de zgn. ‘Acht Hoofdstukken’ (Samanat al-Fusul), een van de uitweidingen in het Mishnacommentaar, waarin Maimonides in acht hoofdstukken zijn ethiek uiteenzette. We vinden daar, in de vorm van een inleiding op het tractaat Avot, in uitvoeriger en meer betogende trant dezelfde opvattingen als in de Regels van het Gedrag, hoewel het halachische aspect, dat in de Mishne Tora sterk benadrukt is, er een geringere rol speelt. In deze tekst is Maimonides duidelijker over de herkomst van de Leer van het Midden en vermeldt hij aan het begin het feit dat hij zijn gedachten ook ontleende aan de filosofen der volkeren, oude zowel als nieuwere. De Acht Hoofdstukken laten zich uitstekend als apart tractaat lezen. Ze hebben in Hebreeuwse vertaling, onder de titel Shemona Perakim, dan ook grote verspreiding gevonden.

Wat moeten we denken van het feit dat Maimonides zonder nadere verklaring of rechtvaardiging de halacha behandelde op basis van een onversneden aristotelische leer? De traditionele commentatoren op de Mishne Tora hebben pogingen gedaan om de Leer van het Midden terug te vinden in de rabbijnse bronnen, een mogelijkheid waarvan ook Maimonides zelf gewag maakt (1, 4). Maar deze pogingen kan men niet geslaagd noemen. Doorslaggevend is echter, dat Maimonides bij dit uitgangspunt niet blijft staan. De Leer van het Midden van Aristoteles lijkt op het eerste gezicht wel zeer helder en overtuigend, maar er schuilt daar toch een probleem. Aristoteles geeft namelijk toe dat de middenweg tussen twee extreme karaktertrekken en het gematigde gedrag dat men daarop moet baseren, niet een rekenkundig en exact becijferbaar midden kan zijn. Het juiste midden moet worden bepaald en afgestemd op de persoon om wie het gaat. Voor iemand die van nature lui is, ligt de middenweg van gepaste ijver dichter bij de pool van de rusteloosheid dan voor iemand die van nature al onrustig en energiek is. Moed als juiste midden tussen lafheid en roekeloosheid ligt voor de krijger ergens anders dan voor de staatsman. Deze erkenning van het individuele karakter van de deugden verleent Aristoteles’ deugdenleer iets zeer betrekkelijks. Wie bepaalt dat juiste midden en welke criteria legt men daarvoor aan? En wanneer men tekort schiet, hoe geraakt men op de goede weg? Aristoteles verwijst voor goede raad naar de wijze en verstandige, net zoals men bij ziekte de hulp inroept van een dokter. De wijze weet op grond van zijn inzicht en ervaring wel wat goed is. Ook Maimonides gaat ervan uit dat mensen heel verschillend zijn en dat voor een ieder het juiste midden naar zijn aard en zijn omstandigheden bepaald moet worden. Net zoals er ziekten van het lichaam zijn, zijn er ziekten van de geest en die moeten genezen worden. ‘Wat kan dan dienen tot herstel van deze ziekten van de geest? Men gaat daarvoor naar de wijzen, want zij zijn de geneesheren van de ziel’ (II, 1). Nu is de wijze juist degene, die Gods Geboden kent en die op Zijn wegen gaat (Hfdst. V en VI), zodat er geen onduidelijkheid over de normen hoeft te bestaan:

[10] Wij nu zijn geboden om de middenweg te bewandelen, de goede en rechte weg, waarvan er geschreven staat: ‘En in Zijn wegen zult gij gaan’ (Dent. 28, 9).

[12] En omdat de benamingen die aan de Schepper worden gegeven, aanduidingen zijn van de middenweg die wij dienen te gaan, heet deze weg dan ook de Weg des Heren. Dat is de weg die onze vader Abraham aan zijn kinderen onderwees, zoals er geschreven staat: ‘Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zou gebieden en zij de weg des Heren zouden onderhouden’ (Gen. 18, 19). En hij die deze weg bewandelt, brengt voorspoed en zegen over zichzelf, zoals er geschreven staat: ‘Opdat de Heer over Abraham brenge al wat Hij over hem gesproken heeft’ (Ibid.). (11, 5, 7)

Het is de weg van de ‘Imitatio Dei’ waarvan boven al sprake was:

Zoals Hij genadig wordt genoemd, weest ook gij genadig; zoals Hij barmhartig wordt genoemd, weest ook gij barmhar tig; zoals Hij heilig wordt genoemd, weest ook gij heilig. … Zo hebben [de profetenj laten weten, dat dit de goede en rechte wegen zijn en dat de mens verplicht is zich deze, zoveel hij kan, eigen te maken. (1, 6)

Maimonides gaat in zijn vrije opstelling tegenover de Leer van het Midden, die hij zo duidelijk verbindt aan de normen van de Tora, nog een stap verder, wanneer hij ook aan de chasid, de toegewijde vrome, in zijn deugdenleer een plaats geeft:

5. Degene die erg precies is op zijn gedrag en toch een beetje naar deze of gene zijde van het gemiddelde afwijkt, die wordt een vrome (chasid) genoemd.

[9] Hoe is dat? Hij die zich verre houdt van hoogmoed en daarbij in de richting van het andere uiterste neigt en zeer nederig wordt, die heet een vrome en dat is de eigenschap der vroomheid (middat chasidut). Maar wie zich slechts tot het midden daarvan verwijdert en bescheiden wordt, die wordt een wijze genoemd en hij houdt zich aan de eigenschap der wijsheid. En zo zit het ook met de andere gedragingen. Vroegere vromen waren gewoon hun gedrag van de middenweg te doen afwijken in de richting van een van beide uitersten. De ene keer week hun gedrag af in de richting van het ene uiterste en de andere keer in de richting van het andere, en dat heet ‘over de grenzen van het recht’. (1, 5)

3.[6] Er zijn vormen van gedrag waarin het een mens verboden is zich gematigd te gedragen en waarin men zich tot het uiterste van het ene einde dient te verwijderen. Dat is met name de hoogmoed. Want de goede weg is niet dat een mens gewoon bescheiden is, maar men dient nederig te zijn en ten zeerste onderworpen. Daarom staat er van onze leermeester Mozes ‘zeer bescheiden’ (Num. 12, 3) en niet gewoon bescheiden (anaw). Daarom ook hebben de Wijzen bevolen: Wees zeer, zeer nederig, en hebben zij gezegd dat hij die hoogmoedig is, een godloochenaar is, omdat er geschreven staat: ‘(Neem u in acht … ), dat uw hart zich niet verheffe en gij de Heer uw God zult vergeten’ (Deut. 8, 14). Verder hebben zij gezegd: De ban over een (geleerde) in wie hoovaardigheid (schuilt), al is het slechts gedeeltelijk. (11, 3)

Zowel de Imitatio Dei als de Middat Chasidut vullen de Leer van het Midden aan en laten zien dat Maimonides zich hier uiteindelijk door bijbelse tradities in hun rabbijnse uitwerking laat leiden. De Regels van het Gedrag zijn dan ook een bijzonder fraai voorbeeld van de manier waarop Maimonides ‘Jerusalem’ en ‘Athene’ bij elkaar brengt.

Geef een reactie