DEEL 2. MISHNE THORA (I)

Aanbevolen wordt om ook, parallel aan deze verhandeling, “De Introductie tot de Talmoed” hoofdstukken 1,2,3 en 4 (volgt zeer binnen kort) te lezen op onze website onder de studie Introductie tot de Talmoed en het Archief.

2. De Mishne Tora

Met de Mishne Tora voltooide Maimonides (in 1177) het ambitieuze project dat hij met het schrijven van zijn commentaar op de Mishna was aangevangen en met het Boek der Geboden – ook al weten we niet wanneer hij dat voltooide – had voortgezet: een weloverwogen, wetenschappelijke samenvatting en ordening van de Wet.

De naam Mishne Tora betekent ‘Herhaling van de Wet’. In de bijbel wordt de term gebruikt voor een duplicaat of afschrift van de Wet van Mozes, dat de koning en het volk ter beschikking moet staan (Dent. 17, 18; Joz. 8, 32). De traditie gebruikt de term ook wel als aanduiding voor het boek Deuteronomium. Mozes Maimonides laat er in zijn woord vooraf geen onduidelijkheid over bestaan wat hij met de titel Mishne Tora voorheeft. Nadat hij daar uitvoerig uiteen heeft gezet hoe de mondelinge tradities, die Mozes tegelijk met de geschreven Tora uit de mond van de Almachtige op de berg Sinai had ontvangen, door vele generaties van geleerde rabbijnen was doorgegeven en op schrift gesteld, verkondigt hij dat het huidige tijdsgewricht een nieuw en gedurfd initiatief eist. Net als in de dagen van rabbi Jehuda ha-Nasi, die de mondelinge tradities in de Mishna op schrift had laten stellen, bestaat nu weer het gevaar dat de traditie zal uitsterven. De omvang ervan is bijna onbeheersbaar geworden, terwijl de rust en de voorspoed, die nodig zijn voor studie, zeldzaam geworden zijn. Hij zegt:

 

Dit is een tijd van grote problemen, die ons allen zeer onder druk zetten. Want de wijsheid van onze wijzen gaat teloor en het inzicht van onze verstandigen verduistert (vgl. Jes. 29, 14). Daardoor ziin de uitleggingen, compilaties en brieven die de Geonim (de geleerden van na de Talmud) hebben samengesteld en die ze voor volstrekt duidelijk hielden, tegenwoordig te moeilijk geworden, zodat slechts zeer weinigen die onderwerpen voldoende beheersen, laat staan de Talmud zelf, zowel de Babylonische als de Palestijnse, of de (Midrashverzamelingen) Sifra, Sifre en de Tosefta, die allemaal een brede kennis, een open geest en veel tijd vergen voordat men de juiste toegang heeft gevonden tot dat wat verboden is en wat is toegestaan en het hoe en waarom van de overige wetten van de Tora.

Daarom heb ik, Mozes ben Maimon de Spanjaard, mijn lendenen omgord en mij verlaten op de Rots, die gezegend zij, en mij in al die boeken verdiept. Ik besloot de zaken die zich uit al de genoemde werken laten verduidelijken, bijeen te zetten, het verbodene en het toegestane, het onreine en het reine, en alle andere wetten van de Tora, alles in duidelijke bondige taal, zodat de gehele mondelinge Tora voor iedereen geordend zou zijn, zonder tegenwerpingen en replieken waarbij de een dit zegt en de ander dat. Nee, duidelijke, bevattelijke en precieze woorden, in overeenstemming met de regels die zich laten afleiden uit al die werken en commentaren die vanaf onze heilige Rabbi (Jehuda ha-Nasi) tot nu toe tot stand zijn gebracht. Zo zullen alle wetten voor groot en klein open liggen, de bijbelse geboden evenzeer als de dingen die wijzen en profeten later hebben ingesteld. Kortom, men heeft voor de wetten van Israel geen ander boek ter wereld meer nodig dan dit onderhavige werk, een reservoir van de gehele mondelinge Tora, inclusief alle instellingen, gebruiken en decreten die zich vanaf de dagen van onze leermeester Mozes tot de voltooiing van de Talmud hebben voorgedaan en die de Geonim ons in al hun werken van na de Talmud hebben verklaard. Daarom noem ik dit boek Mishne Tora, de Herhaling der Wet. Zo kan degene die eerst in de schriftelijke Tora leest en dan hierin kijkt, de gehele mondelinge Tora te weten komen zonder daarbij in een ander boek te hoeven Iezen.

Deze opzet om de Wet in nieuwe, duidelijke bewoordingen compleet en geordend samen te vatten, was in twee opzichten revolutionair.

Ten eerste wordt de gehele voorafgaande halachische literatuur gekenmerkt door dialoog en discussie. Dat is al het geval in de Mishna, en ook in de Talmudim met hun commentaren en samenvattingen, waar tegenwerpingen en argumenten de middelen bij uitstek zijn om het proces van de vaststelling van de halacha in banen te leiden Maimonides’ beslissing om zelf het woord te nemen en niet met andere meningen te argumenteren was een duidelijke en opzettelijke breuk met de gewoonte. Minder revolutionair, maar wel strakker doorgevoerd dan ooit tevoren, was Maimonides’ poging tot systematische ordening. Zo vervolgt hij zijn woord vooraf..

 

Ik heb besloten dit werk voor ieder onderwerp in aparte tractaten (halachot) te verdelen en dat specifieke onderwerp dan weer te verdelen in hoofdstukken en de hoofdstukken in losse regels (halachot ketannot), om zo een ordening aan te brengen die mondeling geleerd kan worden.

De opzet doet denken aan die van de Mishna, maar de Mishne Tora is veel konsekwenter ingedeeld en wordt daarenboven nog bijeengehouden door een vaste greep op het geheel. Wij komen op dat laatste nog terug.

Een andere opvallende trek van de Mishne Tora is Maimonides’ wens om de hele mondelinge Tora te behandelen en niet alleen die zaken die van praktisch nut zijn. Hij nam zijn uitgangspunt in de 613 expliciete Geboden van de Tora en verdeelde dat materiaal over veertien boeken. De Mishna kent een vergelijkbare hoofdindeling, maar dan een in zes boeken. De beide Talmudim werkten niet meer dan ongeveer de helft daarvan nader uit. Hoewel sinds de verwoesting van de Tempel de halacha die met het heiligdom te maken had, niet meer toepasbaar was en ook de vele regelingen met betrekking tot de landbouw gebonden waren aan het Heilige Land, besloot Maimonides deze vaak zeer gecompliceerde onderwerpen toch op te nemen en met dezelfde aandacht en precisie uit te werken. Een overzicht van de 14 boeken laat dat zien; tegelijk krijgen we een indruk hoe breed het gebied is dat door de halacha wordt bestreken.

I. Sefer ha-Maddal (Boek der Kennis)

Samenvatting van de essentiële begrippen en structuren van de joodse godsdienst .

II. Sefer ha-Ahava (Liefde, in de zin van godsvrucht)

De geboden die de mens tot bewustheid van God brengen, met name die van het gebed.

III. Sefer ha-Zemannim (Tijden)

Geboden die gebonden zijn aan vaste en periodieke tijdstippen, zoals die met betrekking tot de feestdagen.

IV. Sefer ha-Nashim (Vrouwen)

Wetten rondom huwlijk en echtscheiding.

V. Sefer ha-Kedusha (Heiligheid)

Voorschriften die de heiligheid van het volk Israel garanderen, zoals de spijswetten en het verbod op bepaalde sexuele relaties.

VI. Sefer ha-Hafla’a (Verklaring)

Regels betreffende het afleggen van eden, doen van geloften, toezeggingen, etc.

VII. Sefer ha-Zera’im (Zaden)

Voorschriften betreffende de producten van de landbouw:tienden, eerstelingen, priestergaven, etc.

VIII.Sefer ha-Avoda (Tempeldienst)

Voorschriften betreffende de heiligheid van de vroegere tempel te Jerusalem, priesters en levieten, de officidle offercultus.

IX. Sefer ha-Korbanot (Offergaven)

Voorschriften betreffende individuele offers en rituelen.

X. Sefer ha-Tohara (Reinheid)

Het uitgebreide complex van de regels van rein en onrein.

XI. Sefer ha-Nezikin (Toebrenging van schade)

Regeling van de gevolgen van conflicten: diefstal, verwonding, doodslag, etc.

XII. Sefer ha-Kinjan (Verwerving)

Regels voor de verwerving van eigendom, bezit, overdracht,etc.

XIII. Sefer ha-Mishpatim (Burgerlijk recht)

Regels voor overeenkomsten en transacties tussen personen: leningen, schulden, erfenis, etc.

XIV. Sefer ha-Shoftim (Rechters)

Rechtsprocedures, bewijsvoering, getuigenis, eigenschappen van de rechter, de koning.

Deze opbouw heeft onmiskenbaar een inhoudelijke structuur. De Mishne Tora begint bij de meest persoonlijke overtuigingen die de mens moet hebben om zich aan de halacha te kunnen onderwerpen, en vervolgens worden steeds bredere kringen van betrokkenheid getrokken.

Na de boeken VII tot X, die de niet-actuele halacha behandelen, staan aan het slot de wetten voor de samenleving, eindigend bij de koning. Hoewel de joden heden ten dage geen koning hebben, verwachten zij wel een koning in de persoon van de Messias, aan wie Maimonides de laatste hoofdstukken van de Mishne Tora wijdt. En dan, wanneer weer een rechtvaardige koning over Israel zal heersen, zal de ballingschap een einde nemen, de Tempel herbouwd worden en de gehele halacha weer actueel zijn. Zo onthult zich op de laatste bladzijden van de Mishne Tora de diepere zin van Maimonides’ beslissing om de volledige halacha te behandelen.

Maar ook op kleinere schaal is de volgorde van de behandelde onderwerpen en de daarmee corresponderende bijbelse Geboden van structureel belang. Het eerste boek van de Mishne Tora, het Sefer ha-Madda’, is, zoals we zagen, gewijd aan de basisbegrippen van de joodse godsdienst. Het bevat de tractaten die handelen over de volgende onderwerpen:

 

1. HilchotJesode ha-Tora

De halacha over ‘de grondslagen van de Tora’, met name het geloof in één Eeuwige en Almachtige God.

2. Hilchot De’ot

De halacha met betrekking tot de mentale instelling die het juiste gedrag garandeert.

3. Hilchot Talmud Tora

De verplichting tot Torastudie.

 

4. Hilchot Avoda Zara we-Chukkot ha-Gojim

Het verbod op afgodendienst.

 

5. Hilchot Teshuva

De halacha die verplicht tot de belijdenis van bedreven zonden.

Het is deze rangorde van onderwerpen die dicteert welke Geboden behandeld zullen worden. In het eerste tractaat zijn dat de Geboden met betrekking tot de kennis van Gods wezen. In de aanhef worden de volgende tien gespecificeerd:

Te weten dat er een God is.

Niet te denken dat er een godheid is behalve Hij.

Zijn eenheid te erkennen.Hem lief te hebben.

Hem te vrezen.

Zijn naam te heiligen.

Zijn naam niet te ontwijden.

Geen dingen teloor doen gaan waarover Zijn naam is uitgesproken

Te luisteren naar de profeet die in Zijn naarn spreekt.

Hem niet te verzoeken.

Na deze opening begint de eigenlijke tekst van de Mishne Tora met de volgende lapidair gestelde behandeling van het monotheisme (hier verkort weergegeven), die wordt afgesloten met het Gebod dat aan deze theologie ten grondslag ligt:

1.Het fundament der fundamenten en de pilaar van alle wijsheid is het, te weten dat er één eerste Wezen is, dat al wat bestaat tot aanzijn heeft gebracht. Alles wat in hemel en op aarde en daar tussen bestaat, bestaat alleen uit de waarheid van Zijn bestaan…

Al het bestaande heeft Hem nodig, maar Hij, die gezegend zij, heeft zelf niets van al wat bestaat van node.

2. Daarom is Zijn waarheid niet gelijk aan de waarheid van enig ander ding.

3.Dit Wezen is de God der wereld en de Heer van heel de aarde. Hij bestuurt de sferen met een kracht die geen einde of beperking heeft. …

5.Deze Godheid is één … met een eenheid die niet gelijkt op de eenheden die op de wereld zijn. …

6. Het weten van deze zaak is een expliciet gebod, zoals er geschreven staat: ‘lk ben de Heer, uw God’ (Ex. 20, 2; Deut. 5, 6).

Het is opmerkelijk dat Maimonides hier nadrukkelijk niet het geloof in God als het eerste Gebod aandient, maar het weten dat er een God is, een Gebod dat naar een Talmudische traditie (Makkot 23a-24a) verwoord is in de aanhef van de Tien Geboden: ‘lk ben de Heer uw God’. Het tweede Gebod is het weten dat God één is, op basis van Deut. 6, 4. in die lijn voortgaand kan hij in het vervolg dan ook op logische gronden aantonen dat de lichamelijke beelden waarin bijbel over God spreekt, niet letterlijk bedoeld zijn maar juist Zijn unieke eenheid en onlichamelijkheid bevestigen.6

Aldus laat Maimonides de eerste drie Geboden uit zijn betoog naar voren komen: God kennen, weten dat Hij één is, geen andere goden erkennen. De volgende twee Geboden, Hem lief te hebben en Hem te vrezen, komen voort uit de hierop volgende behandeling van het wereld- en mensbeeld dat in Maimonides’ tijd opgeld deed en dat we bij Aristoteles al vinden: de aarde, bestaande uit een materie die is samengesteld uit de vier elementen, en die is omringd door de sferen waarin de hemellichamen staan (Hfdst 111); de mens, een samengaan van geest en materie en begiftigd met het vermogen tot kennis van het hogere (IV). Het is deze prachtig geordende werkelijkheid, hier in termen van de Griekse wetenschap beschreven, die de mens ertoe aanzet de Oorzaak van dit alles met groot ontzag lief te hebben en ernaar te streven Hem, voor zover dat mogelijk is, te kennen.

Voor zover dat mogelijk is! Kennis en geleerdheid als basis van de godsvrucht lijken een aantrekkelijke levensvervulling, maar de mogelijkheden ertoe zijn beperkt. Reeds de rabbijnse wijzen wisten dat kennis van God en van Zijn schepping niet zo gemakkelijk te verkiijgen is en zij hebben de bestudering van deze zaken, die zij Ma’ase Bereshit en Ma’ase Merkava noemden, aan beperkingen moeten onderwerpen.7 Maimonides vermeldt deze noodzakelijke beperking met instenuning (11, 1 1; iv, 1 0) en verbindt daaraan de volgende conclusie:


Zelfs de grootste wijzen van Israel hadden niet allemaal het vermogen om deze dingen ten volle te begrijpen. En ik zeg dat men alleen diegene aan deze hogere wetenschap (Pardes) mag blootstellen, die zijn buik met brood en vlees heeft gevuld. Brood en vlees wil zeggen de kennis van de verklaring van wat verboden is en wat toegestaan is en de rest van de Geboden. En ook al hebben de Wijzen die concrete zaken het kleinere genoemd,…,8 toch moet men die dingen voor laten gaan. Daar komt bij dat deze dingen het grote goed vertegenwoordigen dat de Heilige voor de beschaving van de wereld en ter verwerving van de Toekomende Wereld heeft gegeven. Iedereen kan ze kennen, iong en oud, man en vrouw, intelligent en beperkt. (IV, 13)

Kortom, de concrete halacha is een eenvoudig, bijna nederig iets, maar, omdat ze voor iedereen toegankelijk is, onmisbaar voor het welzijn in deze en de Toekomende Wereld. De hogere dingen, hoe fundamenteel ze ook zijn, ontgaan de meeste mensen.

Even voor de geciteerde passage, waar Maimonides het rabbijnse verbod op ongelimiteerde verspreiding van hogere kennis aanhaalde (11, 1 1), had hij de dingen die hij in de eerste twee hoofdstukken had uiteengezet over het wezen Gods genoemd ‘een druppel uit de zee vergeleken bij wat men er eigenlijk over moet verklaren’. ‘Deze dingen zijn buitengewoon diepzinnigedingen, die niet ieder verstand verdragen kan’ (11, 12).

Hierrnee raken we aan een fundamenteel onderscheid tussen de Mishne Tora en de Gids der Verdoolden: Onmiskenbaar is het dat Maimonides zijn compilatie van de halacha een wetenschappelijke, ‘filosofische’ structuur heeft gegeven. Maar van die filosofische kern geeft hij maar een klein gedeelte bloot en ook dat nog zeer voorzichtig, omdat de kennis van Ma’ase Bereshit en Ma’ase Merkava, zoals hij dat met de rabbijnse termen aanduidt, niet voor iedereen open staat. Als zelfs de grootste wijzen al in begrip te kort schoten, hoeveel te meer degenen die ‘hun buik niet met brood en vlees hebben kunnen vullen’ en ook niet kunnen beschikken over de overige kennis die

nodig is voor het begrip van fysica en metafysica – om de corresponderende aristotelische termen te gebruiken. De Mishne Tora is immers een boek voor ieder die wil weten hoe de halacha volgens de Mondelinge Tora is, zonder dat hij enig ander boek ter wereld nodig heeft. Tot een heel ander publiek richtte Maimonides zich met de Gids der Verdoolden, wat hij in zijn Inleiding tot dit werk ook heel duidelijk maakte.9

Het was in Maimonides’ dagen heel gebruikelijk om onderscheid te maken tussen een intellectuele elite en de rest. Het is noodzakelijk te beseffen dat de Mishne Tora, hoezeer ook geschraagd door een fllosofisch fundament, voor deze rest bestemd was.

Na deze beschrijving van de, beperkte, rol van de filosofie in de Mishne Tora is het noodzakelijk nog een enkel verklarend woord te wijden aan het reeds veel genoemde begrip halacha.

Er is weinig op tegen om de term ‘halacha’ weer te geven met ‘joodse wet’, zolang men maar in het oog houdt dat het woord wet hier in een zeer specifieke zin wordt gebruikt. Halacha is geopenbaarde wet. De kern van de leef- en gedragsregels van de halacha zijn de door God aan Mozes op schrift gegeven Geboden. Die Geboden, door de traditie gesteld op het bekende aantal van 613, vormen niet het geheel van de halacha. De rabbijnen hebben in hun discussies daar nog zeer veel aan toegevoegd, omdat de bijbelse Geboden bij lange na niet toereikend zijn voor een uitvoerbaar geheel van voorschriften. Toch gelden deze rabbijnse uitbreidingen ook als geopenbaarde wet omdat, naar de joodse traditie leert, de rabbijnen niets anders deden dan expliciet maken wat impliciet in de geschreven Tora al is aangeduid en wat God als toelichting aan Mozes reeds mondeling had geopenbaard. De halacha ligt dus vast in zowel de schriftelijke als de mondelinge Tora; maar ze heeft een open einde. Maimonides brengt deze situatie aan het begin van zijn voorwoord tot de Mishne Tora als volgt onder woorden:

Alle Geboden die aan Mozes op Sinai werden gegeven, werden met hun uitleg gegeven, zoals er geschreven staat: ‘En Ik zal u de stenen tafelen geven, zowel de Tora als de Geboden’ (Ex. 24, 12); ‘de Tora’ dat is de geschreven Tora, ‘de Geboden’ dat is de uitleg ervan.10 Ons is dus bevolen de Tora te doen in overeenstemming met het Gebod en dat Gebod wordt ook Mondelinge Tora genoemd.

Deze mondelinge Tora is neergelegd in de Mishna, de Talmud en de overige rabbijnse bronnen, maar wordt tot op de huidige dag verder ontwikkeld. Voor zover onderdeel van de Tora, schriftelijk zowel als mondeling, heeft de halacha de status van openbaring, woord van God. Maar omdat de halacha steeds tot verdere ontplooiing wordt gebracht in de concrete discussies en verordeningen van de rabbijnen, heeft ze ook die mate van de betrekkelijkheid die kleeft aan alles wat door menselijk handelen tot stand komt. Halacha is strikt en absoluut, maar kan op plooibare en soepele wijze worden toegepast. Ze is fundamenteel en diepzinnig, maar ook alledaags, uiterst prozaïsch en gedetailleerd.

Dat brengt ons op een ander punt. Halacha betekent wet in een zeer brede zin van het woord. De opsomming van de inhoud van de Mishne Tora die boven is gegeven laat dat al zien. De theologische vraagstukken uit het Sefer ha-Madda’ zijn van een geheel andere orde dan de regels voor het gebed van de enkeling of de gemeenschap (Sefer haA hava) of de gebruiken voor de verschillende feesten van het liturgische jaar (Sefer ha-Zemannim). De uitgebreide riten van de Tempelcultus (b.v. in Sefer ha-Avoda) behoren evenzeer tot de halacha als de regels voor verwerving van eigendom, koop en verkoop (Sefer haKinjan). Zo zullen we ook zien dat bij de Regels voor het Gedrag en die voor Boete en Berouw dingen aan de orde komen die volgens onze huidige maatstaven eerder tot de beschaafde omgangsvormen of de voedingsleer dan tot de sfeer van de wet behoren. Het begrip halacha echter dekt dit brede scala geheel.

Hoewel halacha en ethiek veel met elkaar gemeen hebben, kunnen we ze niet aan elkaar gelijk stellen. Ook in dit opzicht is halacha een veel breder begrip. Toch is Maimonides wel geneigd de ethische strekking van de halacha te benadrukken. De Geboden hebben tot doel die deugden te bevorderen, die leiden tot de ware kennis van God. In de hier vertaalde tractaten is die tendens zeer duidelijk, maar ook voor de hele Mishne Tora geldt, dat Maimonides geneigd is ethische strekking toe te kennen aan halachische regels. 11

Aldus is de halacha in zijn volle breedte veruit het belangrijkste element van de joodse traditie en tevens het belangrijkste voertuig ervan. De halacha beschikt sinds de dagen van de Mishna en de Talmud over een eigen specifieke terminologie, die is gebaseerd op het Hebreeuws van de Tora, maar die in de rabbijnse tijd sterk werd uitgebreid. Ook de Mishne Tora behoort tot de halachische literatuur en draagt daar met zijn standaardterminologie alle sporen van, al moet gezegd dat Maimonides bewust heeft gekozen voor duidelijke, exclusief Hebreeuwse stijl zonder de Aramese bijmengingen die zo kenmerkend zijn voor de latere rabbijnse literatuur.

Noten:

 

5. Karet;

zie beneden VIII, 1 [21 en Inleiding, p. 44.

6. Teshuva; voor de verschillende betekenisnuances zie Inleiding, p. 35.

7. De rest van dit Hoofdstuk, over de zgn. Vier Wijzen van Verzoening (Arba’a chaluke kappara) is ontleend aan Tosefta Kippurim IV, 6-8; Joma 86a, beneden; etc.

8. Zie Shabbat 151b.

9. Zie Joma 87b.

10. In de gebedenboeken staat de schuldbelijdenis van de Grote Verzoendag steeds na het Achttiengebed. De tekst van Maimonides vertoont enige verschillen met de gangbare; zie zijn versie van de liturgie opgenomen aan het eind van Boek 11 (Ahava) van de Mishne Tora.

11. Joma VIII, 7

VOLGENDE AFLEVERING: MISHNE TORA (II)

Geef een reactie