DEEL 13. HICHOT TESJOEWA (III)

Aanbevolen wordt om ook, parallel aan deze verhandeling, “De Introductie tot de Talmoed” hoofdstukken 1 t/m 4 en Deel 1 t/m 12 van VAN MAIMONIDES, RABBI MOZES ben MAIMON te lezen op onze website www.bethhamidrash.org onder studies en Archief.

MISHNÉ THORA: TRACTAAT HICHOT TESJOEWA

REGELS VAN BOETE EN BEROUW

Korte inhoud:

IV. Zo zijn ook de 24 zaken die toegang tot berouw bemoeilijken, geen absolute hindernissen.

V. Want de mens is ten allen tijde vrij om voor het goede te kiezen en het kwaad na te laten, ook al lijkt dat in tegenspraak met Gods almacht en alwetendheid. Wij weten niet hoe almacht en vrije wil te verenigen zijn, maar wij weten wel dat men loon of straf op grond van eigen keuze verdient.

CORRECTIE EN VERDUIDELIJKING DOOR BETH HAMIDRASH AAN DE TEKST OVER HET BEGRIP TESJOEWA

Tesjoewa wordt doorgaans vertaald met berouw. Dat is geen tesjoewa, omdat berouw in het Hebreeuws charata is. Niet alleen zijn deze twee termen niet synoniem, ze zijn elkaars tegengestelde. Charata houdt in: wroeging of een schuldgevoel over het verleden en de intentie om zich in de toekomst anders te gaan gedragen. De persoon wenst of beslist een herboren of een nieuw mens te zijn.

Tesjoewa betekent terugkeren naar het oude, naar de natuurlijke origine van iemand. Grondprincipe van het concept tesjoewa is: het feit dat elk mens in essentie goed is. Begeertes, verlangens en verleidingen kunnen hem tijdelijk afbuigen van zijn eigen wezen. Maar zijn essentie blijft waarheidsgetrouw. Het slechte wat hij doet is niet een deel van hem of doet niet af aan zijn zuivere natuur. Tesjoewa is terugkeren naar jezelf, terwijl berouw inhoudt het verleden verdringen en opnieuw starten.

Tesjoewa betekent teruggaan naar je Goddelijke oorsprong, je innerlijke oorsprong die Goddelijk is en te beseffen je ware ik. Bijvoorbeeld een Tsaddiek, een totaal rechtvaardig mens, die geen strijd meer in zichzelf hoeft te voeren, die een en al goed is, die alleen maar in dienst staat van G.d en medemens, zo’n mens heeft geen reden tot berouw. En een zondaar die niet in staat is om berouw te hebben, maar beiden kunnen tesjoewa doen. De zondaar om terug te keren en de tsaddik om meer goed te doen. De rechtvaardige, ofschoon hij geen zonden doet, streeft constant naar zijn innerlijk, naar G.d. En de zondaar, hoe ver dan ook verwijderd van G.d, kan altijd terug keren, omdat tesjoewa is niet iets nieuws creëren, alleen opnieuw ontdekken het goede dat altijd al aanwezig was in jezelf.

Hoofdstuk IV

1.Er zijn vierentwintig zaken die boetvaardigheid tegenhouden. Vier daarvan zijn grote zonden. Wanneer men een van die vier begaat, heeft men zo zwaar gezondigd dat de Heilige geen gelegenheid meer geeft om boete te doen. Dit zijn ze: 1. Het tot zonde verleiden van de gemeenschap, waaronder ook valt het weerhouden van de gemeenschap om een gebod uit te voeren. 2. De naaste doen afdwalen van de goede naar de kwade weg, het werk van aanstichters en verleiders. 3. Zien dat een zoon het verkeerde pad op gaat en hem niet tegenhouden; over een zoon heeft men immers gezag en indien men hem zou tegenhouden zou hij ermee ophouden; daarom is dit net zo erg als het verleiden tot zonde; onder deze zonde vallen ook al die gelegenheden dat men anderen – of het nu enkelingen of groepen zijn – van zonden kan afhouden, maar het niet doet, zodat men hen hun ondergang tegemoet laat gaan. 4. Zeggen: ik ga zondigen en weer tot inkeer komen; hieronder valt ook het zeggen: ik ga zondigen en de Grote Verzoendag zal wel verzoening brengen.

2. Dan zijn er nog vijf zaken die voor de bedrijvers daarvan de weg tot berouw versperren. Dit zijn ze: 1. Zich afzijdig houden van de gemeenschap, omdat men er dan niet bij is wanneer zij boete doen en men niet kan delen in de verdiensten die hun worden toegekend. 2. Afwijken van de woorden der Wijzen; want het verschil van mening is de aanleiding tot afzijdigheid en onbekendheid met de wegen van boete en berouw. 3. Het bespottelijk maken van de Geboden; want wanneer men deze minacht, spant men zich niet in om ze te doen en als men ze niet doet, hoe zou men genade vinden? 4. Het tonen van minachting voor zijn leermeesters; want dat leidt ertoe dat zij u afweren en het u moeilijk maken, zoals bij Jezus en Gehazi gebeurde, en zolang men in moeilijkheden zit, kan men geen leermeester vinden die de weg der waarheid onderwijst. 5. Het afkeer hebben van vermaning; want dan ontzegt men zich de toegang tot de weg van boete en berouw, omdat vermaan tot boete leidt. Wanneer men een mens zijn zonden aanzegt en hem beschaamd maakt, komt hij tot inkeer, zoals in de Thora geschreven staat: ‘Denk eraan en vergeet het niet … weerspannig waart gij’ (Deut. 9, 7), ‘De Heer heeft u geen hart gegeven (om te verstaan of ogen om te zien … )’ (Deut. 29, 3; vert. 4). En ook Jesaja wees Israël terecht en zei: ‘Wee u, zondig volk’ (1, 4), ‘De os kent zijn meester ( … maar Israël heeft geen begrip)’ (1, 3), ‘Omdat ik weet dat gij hard zijt, uw nek een ijzeren stang en uw voorhoofd van koper’ (48, 4). Evenzo heeft God hem bevolen om zondaars te vermanen, want er staat geschreven: ‘Roep luidkeels, spaar niet…’ (58, 1). Aldus hebben alle profeten Israël vermaand, zodat ze boete gingen doen. Daarom moet er ook bij iedere gemeente van Israël een zeer wijze oude man zijn, die godvrezend is geweest vanaf zijn jeugd en die hen liefheeft, opdat hij de mensen kan vermanen en hen tot inkeer kan brengen. Maar wie een afkeer heeft van vermaan, komt niet bij de vermaner en luistert niet naar zijn woorden en volhardt daarom in zonden die in zijn eigen ogen goede daden zijn.

3. Dan zijn er nog vijf zaken waarvoor men niet volledig boete kan doen, omdat het zonden betreft die tegenover medemensen zijn begaan die niet kunnen weten dat men tegen hen heeft gezondigd, zodat men het dus niet goed kan maken en niet om vergeving kan vragen. Dit zijn ze: 1. Het vervloeken van de gemeenschap, waarbij men niet een speciale persoon vervloekt die men om verzoening kan vragen. 2. Het delen in gestolen goed met een dief die goederen komt brengen die van verschillende mensen gestolen zijn; men weet dan niet van wie datgene wat men aanneemt geweest is en tegelijkertijd stijft men de dief in zijn daden en geeft men hem gelegenheid tot zondigen. 3. Het vinden van verloren goed zonder te proberen het aan de oorspronkelijke eigenaar terug te bezorgen; wanneer men dan na verloop van tijd berouw krijgt, weet men niet meer naar wie het terug moet. 4. Het eten van wat armen, weduwen en wezen is afgeperst; dat zijn mensen in ellendige omstandigheden, die onbekend en onaanzienlijk zijn, die van stad tot stad zwerven en die niemand kent, zodat men er nooit meer achter kan komen van wie het afgeperste afkomstig is en men het dus niet terug kan geven. 5. Het ontvangen van steekpenningen om het recht te beïnvloede; men kan dan niet weten hoe groot die beïnvloeding is en in welke mate men het weer moet rechtzetten, want zoiets heeft grote consequenties;31 daar komt bij dat men de bedrijver stijft in zijn kwaad en men hem gelegenheid geeft tot zondigen.

4. Ook zijn er vijf dingen die het de bedrijver heel moeilijk maken zich te bekeren, omdat het in de ogen van de meeste mensen om kleinigheden gaat. Als men daarin zondigt, kan men zich voorspiegelen dat het geen zonden zijn. En dit zijn ze: 1. Het meeëten aan een maaltijd die voor de gastheer zelf niet toereikend is; dit is een soort kruimeldiefstal die nauwelijks een zonde lijkt en waarvan men kan zeggen: Ik heb toch alleen maar met zijn instemming meegegeten?

2. Gebruik maken van wat door een arme verpand is; het pand van een arme kan immers alleen maar zijn houweel of zijn ploeg zijn waarvan men bij zichzelf kan zeggen: Dat mist hij toch niet, het is geen diefstal.

3. Het kijken naar onzedigheid; men kan zich wel voorhouden dat dat niets om het lijf heeft, omdat men denkt: Ik heb toch geen omgang gehad en nergens aan gezeten? maar men is zich er dan niet van bewust dat het kijken met de ogen een grote zonde kan zijn die tot daadwerkelijke onkuisheid leidt, want er staat geschreven: ‘Gij zult niet achter uw hart en achter uw ogen aangaan’ (Num. 15, 39).

4. Het zichzelf in de lucht steken ten koste van zijn medemens; men zegt bij zichzelf dat men niet zondigt, omdat de betrokkene er niet bij staat; hij behoeft zich dus niet te schamen en men heeft hem ook niet beschaamd gemaakt, maar alleen zijn eigen goede daden of wijsheid afgezet tegen de daden of wijsheid van de ander, zodat uit dat geheel zou blijken dat men zelf respectabel is en de naaste minderwaardig.

5. Het verdacht maken van onberispelijke lieden; men zegt bij zichzelf dat men niet zondigt, omdat men zegt: Wat heb ik hem aangedaan, er is alleen maar een zekere verdenking of hij iets gedaan heeft of niet; men realiseert zich niet dat dit een zonde is, want men stelt zich een onberispelijk mens in gedachten voor als iemand die overtredingen begaat.

5. Vijf zaken zijn er nog, waar men altijd naar zal blijven haken en waarvan men moeilijk afstand kan nemen; om er niet aan vast te blijven zitten, moet men zich er dus zeer voor in acht nemen. Het zijn allemaal zeer slechte eigenschappen en dit zijn ze: roddel, kwaadsprekerij, drift, kwaaddenkendheid, het zoeken van slecht gezelschap dat men gaat nadoen en waar men door beïnvloed raakt. Dat is wat Salomo zei: ‘Wie met dwazen omgaat, wordt slecht’ (Spr. 14, 20). In de Regels voor het Gedrag hebben wij reeds uiteengezet hoe ieder mens zich behoort te gedragen, des te meer geldt dit de boetvaardige.

6. Alhoewel al deze en dergelijke zaken de boetedoening in de weg staan, verhinderen ze die niet. leder mens die voor deze zonden boete doet, is een boeteling. Hij heeft een aandeel aan de Toekomende Wereld.

Hoofdstuk V

1.Aan ieder mens is vrijheid van handelen gegeven. Indien hij zich op de goede weg wil begeven en een rechtvaardige wil zijn, dan heeft hij daartoe de vrijheid. Indien hij zich op de kwade weg wil begeven en een zondaar wil zijn, dan heeft hij ook daartoe de vrijheid. Dat is hetgeen in de Thora geschreven staat: ‘Zie de mens is geworden als één buiten Ons, kennende goed en kwaad’ (Gen. 3, 22), dat wil zeggen: Zie de mens is enig in zijn soort op aarde en er is geen tweede soort die in dit opzicht op hem lijkt en die uit zichzelf door eigen kennis en nadenken weet wat goed en wat kwaad is en alles doet wat hij begeert, zonder dat er iemand is die hem verhindert het goede of het kwade te doen. En omdat dit zo is, ‘laat hij zijn hand niet uitstrekken’ (Gen. 3, 22).

2. Laat het niet bij u opkomen dat wat de dwazen der volkeren en de meerderheid van de onnozelen van Israël zeggen, namelijk dat de Heilige over de mens vóór zijn geboorte beslist of hij rechtvaardig of zondig zal zijn. Zo is het niet. Veeleer heeft ieder mens van zichzelf het vermogen om even rechtvaardig te zijn als onze leermeester Mozes, of zo zondig als Jerobeam, of wijs of dwaas, barmhartig of wreed, gierig of verkwistend, en voorts alle andere menselijke eigenschappen. Er is niemand die hem dwingt of over hem beslist of aandrang uitoefent een van beide wegen te gaan, maar de mens zelf slaat uit eigen beweging de weg in die hij wil. Dat is wat Jeremia heeft gesproken: ‘Uit de mond van de Allerhoogste komt het kwade en het goede niet voort’ (Klaagl. 3, 38), dat wil zeggen: Het is niet de Schepper die over de mens beslist, noch dat hij goed zal zijn noch dat hij kwaad zal zijn.

[3] Omdat dat zo is, ondervinden wij dat de zondaar zichzelf tekort doet en daarom past het hem om te wenen en te klagen over wat hij zichzelf heeft aangedaan en over het kwaad dat hij zichzelf heeft berokkend. Dat is wat daarop volgt: ‘Waarom zou een levend mens, een man, klagen? Over zijn zonden’ (Klaagl. 3, 39). Maar dan zegt hij: Aangezien wij vrij zijn en al het kwaad uit eigen beweging hebben gedaan, is het gepast dat wij ons berouwvol omkeren en ons kwaad verlaten, want de vrijheid is nu in onze eigen handen. Dat is wat daarna geschreven staat: ‘Laten wij onze wegen onderzoeken en doorvorsen en terugkeren tot de Heer’ (vs. 40).

3. [4] Dit nu is een zeer belangrijk principe, de grondslag van de Thora en de Geboden, want er staat geschreven: ‘Zie, heden heb ik voor uw aangezicht gelegd het leven en het goede, de dood en het kwaad’ (Deut. 30, 15), en er staat: ‘Zie, ik leg heden voor uw aangezicht zegen en vloek’ (Deut. 1 1, 26). Dat wil zeggen dat de vrijheid aan U is, en al wat de mens wil doen in heel het menselijke bedrijf, doet hij of goed, of slecht. Vanwege dit feit is er gezegd: ‘Och dat hun hart henzelf toebehoorde ( … om Mij te vrezen en mijn geboden te onderhouden)’ (Deut. 5, 26; vert. 29); dat wil zeggen dat de Schepper de mensen niet dwingt en dat niet Hij over hen beslist of ze het goede of het kwade doen, maar dat hun eigen hart hun zelf is toevertrouwd.

4. [5] Indien God zou beslissen of een mens rechtvaardig of zondig zou zijn of indien er iets bestond dat de mens in het diepst van zijn wezen tot een bepaalde weg, een bepaalde mening of een bepaald gedrag of handeling zou noodzaken, zoals sommige dwaze sterrenwichelaars zich verbeelden, hoe zou Hij ons dan door de profeten kunnen gebieden: doe dit, doe dat niet, verbeter uw wegen en ga niet achter uw zondige aard aan, terwijl er al vanaf het begin van ons bestaan over ons beschikt zou zijn of onze natuur ons tot iets zou aanzetten waaraan we niet zouden kunnen ontkomen? Wat zou de Thora voor zin hebben en met welk recht zou een zondaar bestraft kunnen worden of zou de rechtvaardige loon gegeven kunnen worden? ‘Zou de Rechter van heel de aarde geen recht doen?’ (Gen. 18, 25).

[6] Maar wees hier niet verbaasd over en zeg niet: Hoe zou de mens alles kunnen doen wat hij wil en hoe zou hij zijn daden in eigen hand kunnen hebben? Gebeurt er dan iets in de wereld zonder de toestemming en de wil van Hem die haar geschapen heeft? De Schrift zegt toch: ‘AI wat de Heer behaagt doet Hij, zowel in de hemel als op aarde’ (Ps. 135, 6). Weet dus dat alles door Zijn wil wordt gedaan, terwijl wij toch onze daden in eigen hand hebben.

[7] Hoe is dat? Op dezelfde wijze als de Schepper gewild heeft dat vuur en lucht opstijgen en water en aarde neerdalen, de hemelsferen in een cirkel rondwentelen en voorts de overige schepselen zich gedragen naar de aard die Hij gewenst heeft, zo heeft Hij ook gewild dat de mens over vrijheid beschikt, dat hij al zijn daden in eigen hand heeft en dat er geen dwang of aandrang is, maar dat hij’ Ult zichzelf met de kennis die God hem heeft gegeven, alles doet wat een mens kan doen.

[8] Daarom wordt de mens op grond van zijn daden geoordeeld. Als hij goed gedaan heeft, wordt hem goed gedaan, en als hij kwaad heeft gedaan, wordt hem kwaad gedaan. Dat is wat de profeet zegt: ‘Uit uw eigen hand is dit u toegekomen’ (vgl. Mal. 1, 9), ‘Zij hebben hun eigen wegen gekozen’ (Jes. 66, 3). En hierover zei Salomo: ‘Verheug u, jongeling, in uw jeugd … maar weet dat God u voor dit alles in het gericht zal brengen’ (Pred. 11, 9), dat wil zeggen: Weet dat ge beschikt over het vermogen tot handelen en dat gij daarover rekenschap zult afleggen.

5.[9] Misschien wilt ge zeggen: Maar de Heilige weet toch alles wat zal zijn, voordat het er is? Weet Hij of iemand rechtvaardig is of zondig, of weet Hij het niet? Als Hij weet dat hij rechtvaardig zal zijn, dan is het niet mogelijk dat deze het niet zal zijn. Maar indien ge zegt, dat God wel weet dat iemand rechtvaardig zal zijn, maar dat het toch mogelijk is dat hij zondig zal worden, welaan dan wist Hij de zaak niet ten volle.

[10] Weet dan dat het antwoord op deze vraag ‘hoger is dan de maat der aarde en breder dan de zee’ (vgl. Job 11, 9) en ettelijke grondbeginselen, als bergen zo hoog, zijn ervan afhankelijk. Maar ge behoeft hiervan slechts te weten en te begrijpen wat ik u zal zeggen.

[11] Wij hebben reeds uiteengezet in het tweede hoofdstuk van de Regels over de Grondslagen van de Thora32 dat de Heilige niet kent met een kennis die buiten Hemzelf staat, zoals dat bij mensen het geval is, van wie geldt dat zij zelf en hun kennis twee heel verschillende dingen zijn. Maar Hij, wiens naam gezegend zij, is één met Zijn kennis. Menselijke kennis kan een zaak als deze ten diepste niet bevatten en zoals de mens niet over het vermogen beschikt om tot het begrip van de waarheid omtrent de Schepper te geraken – zoals er geschreven staat: ‘Want niet zal een mens Mij zien en leven’ (Ex. 33, 20) – zo heeft de mens ook niet het vermogen om tot begrip van de kennis van de Schepper te geraken. Dat is wat de profeet heeft gezegd: ‘Want niet zijn Mijn gedachten uw gedachten, noch uw wegen Mijn wegen’ (Jes. 55, 8). En aangezien dit zo is, is er geen kracht in ons om te weten op welke wijze de Heilige al de schepselen en hun daden kent.

[12] Maar wij weten wel, en zonder twijfel, dat het handelen van de mens in zijn eigen hand is en dat de Heilige geen aandrang op hem uitoefent of over hem beslissingen neemt, noch om het ene te doen, noch om het andere te laten. Dit weten wij niet slechts op grond van de godsdienstige traditie, maar ook op grond van aperte bewijzen uit de filosofie.33

Daarom hebben de profeten gezegd dat de mens op grond van al zijn daden wordt geoordeeld, al naar gelang zijn daden goed of slecht zijn geweest. En op dit principe berusten alle woorden van de profetie.

NOTEN

31. Het is nl. zeer ondermijnend voor het rechtsgevoel als een rechter op eerder gedane beslissingen moet terugkomen.

32. Hilchot Jesode ha-Thora 11, 1 0, e.v., en boven Inleiding, pp. 41-42.

33. Lett.: uit de woorden der wijsheid.

Geef een reactie