DEEL 12. HICHOT TESJOEWA (II)

Aanbevolen wordt om ook, parallel aan deze verhandeling, “De Introductie tot de Talmoed” hoofdstukken 1 t/m 4 en Deel 1 t/m 10 van VAN MAIMONIDES, RABBI MOZES ben MAIMON te lezen op onze website www.bethhamidrash.org onder studies en Archief.

TRACTAAT HICHOT TESJOEWA

REGELS VAN BOETE EN BEROUW

Korte inhoud:

Ill. Berouw staat open voor iedereen, zelfs voor de 24 soorten zondaars die geen aandeel hebben aan de Toekomende Wereld.

CORRECTIE EN VERDUIDELIJKING DOOR BETH HAMIDRASH AAN DE TEKST OVER HET BEGRIP TESJOEWA

Tesjoewa wordt doorgaans vertaald met berouw. Dat is geen tesjoewa, omdat berouw in het Hebreeuws charata is. Niet alleen zijn deze twee termen niet synoniem, ze zijn elkaars tegengestelde. Charata houdt in: wroeging of een schuldgevoel over het verleden en de intentie om zich in de toekomst anders te gaan gedragen. De persoon wenst of beslist een herboren of een nieuw mens te zijn.

Tesjoewa betekent terugkeren naar het oude, naar de natuurlijke origine van iemand. Grondprincipe van het concept tesjoewa is: het feit dat elk mens in essentie goed is. Begeertes, verlangens en verleidingen kunnen hem tijdelijk afbuigen van zijn eigen wezen. Maar zijn essentie blijft waarheidsgetrouw. Het slechte wat hij doet is niet een deel van hem of doet niet af aan zijn zuivere natuur. Tesjoewa is terugkeren naar jezelf, terwijl berouw inhoudt het verleden verdringen en opnieuw starten.

Tesjoewa betekent teruggaan naar je Goddelijke oorsprong, je innerlijke oorsprong die Goddelijk is en te beseffen je ware ik. Bijvoorbeeld een Tsaddiek, een totaal rechtvaardig mens, die geen strijd meer in zichzelf hoeft te voeren, die een en al goed is, die alleen maar in dienst staat van G.d en medemens, zo’n mens heeft geen reden tot berouw. En een zondaar die niet in staat is om berouw te hebben, maar beiden kunnen tesjoewa doen. De zondaar om terug te keren en de tsaddik om meer goed te doen. De rechtvaardige, ofschoon hij geen zonden doet, streeft constant naar zijn innerlijk, naar G.d. En de zondaar, hoe ver dan ook verwijderd van G.d, kan altijd terug keren, omdat tesjoewa is niet iets nieuws creëren, alleen opnieuw ontdekken het goede dat altijd al aanwezig was in jezelf.

Hoofdstuk III

1. Ieder mensenkind heeft zowel verdiensten als zonden op zijn naam staan. Hij wiens verdiensten in meerderheid zijn ten opzichte van zijn zonden heet een rechtvaardige (tsaddik), en hij wiens zonden in meerderheid zijn ten opzichte van zijn verdiensten heet een boosaardige (rasha’). Is het half om half dan is men een middelmatige (benoni).

[2] Dat geldt ook voor landen en staten: Daar waar de verdiensten van de inwoners talrijker zijn dan hun zonden, is het land rechtvaardig, maar indien de zonden in meerderheid zijn dan heet het kwaadaardig. En zo is het ook met de hele wereld.

2. [3] Wanneer iemands zonden talrijker zijn dan zijn goede daden, sterft hij terstond in zijn boosaardigheid, want er staat geschreven: ‘(Ik heb u geslagen zoals de vijand toeslaat..) wegens de meerderheid van uw zonden’ (Jer. 30,14-15). Ook wanneer een land overwegend slecht is, gaat het te gronde, zoals er geschreven staat: ‘Omdat het geschrei over Sodom en Gomorra groot is’ (Gen. 18, 20), en eveneens worden de mensen zonder meer te gronde gericht wanneer de zonden van de gehele wereld te talrijk zijn geworden, zoals er geschreven staat: ‘Toen God zag dat het kwaad van de mensen groot was geworden, …, (Gen. 6, 5).

[4] De afweging hiervan geschiedt niet op grond van het aantal goede of slechte daden, maar veeleer op grond van de zwaarte ervan. De ene goede daad kan opwegen tegen een aantal zonden, zoals er geschreven staat: ‘Omdat in hem iets goeds gevonden werd (… in het huis van Jerobeam)’ (1 Kon. 14, 13). Ook kan een zonde opwegen tegen een aantal goede daden, zoals er geschreven staat: ‘Eén zondaar kan veel goeds te niet doen’ (Pred. 9, 18). Dit afwegen geschiedt alleen in het weten van de God der kennis en Hij alleen weet hoe de verdiensten ten opzichte van de zonden worden afgemeten.

3. [5] Ieder die er spijt van heeft dat hij de geboden heeft gehouden en die zich afvraagt of zijn goede daden wel zin hebben gehad en bij zichzelf zegt: Wat voor nut heb ik ervan ondervonden? Misschien had ik ze even goed niet kunnen doen? Zie deze vergooit ze allemaal en hem wordt geen enkele goede daad meer toegerekend, zoals er geschreven staat: ‘De rechtvaardigheid van de rechtvaardige zal hem niet redden op de dag van zijn boosaardigheid’ (Ezech. 32, 12); dat slaat alleen op degene die twijfelt aan zijn vroegere daden. [6] Evenals de zonden van de mens worden afgewogen tegen zijn goede daden op het uur van zijn dood, zo worden ook ieder jaar opnieuw de zonden van al degenen die de wereld bewonen afgewogen tegen hun zonden op de dag van het nieuwe jaar (Rosh ha-Shana). Wie dan rechtvaardig wordt bevonden, wordt ten leven beschikt en wie een zondaar wordt bevonden, wordt ten dode beschikt. Over degene die daar tussen in zit wordt het oordeel opgeschort tot de Grote Verzoendag. Indien hij tot inkeer komt, wordt hij ten leven beschikt, indien niet, dan wordt hij ten dode beschikt.

4. [7] Alhoewel het blazen van de ramshoorn (Shofar) op Nieuwjaarsdag door de Schrift is geboden,17 bevat het nog een extra aanduiding, en wel: Waakt op, waakt op uit uw slaap gij slapenden, wordt wakker gij sluimerenden uit uw sluimering en onderzoekt uw daden, keert om in boete en berouw en gedenkt uw Schepper. Gij die de waarheid zijt vergeten door tijdelijke ijdelheden, die het hele jaar ijdel en ledig hebt gedoold, nutteloos en zonder uitredding, ziet uzelf aan; aanschouwt uw wegen en daden. Laat ieder van u zijn kwade weg verlaten en de gedachten die niet goed zijn prijsgeven.

[8] Daarom moet iedereen zichzelf het hele jaar door beschouwen als iemand die voor de helft verdienstelijk en voor de helft schuldig is, en ook de hele wereld beschouwe men als half verdienstelijk en half schuldig. Begaat men een zonde, dan slaat de weegschaal zowel in persoonlijk opzicht als ten aanzien van de wereld als geheel door naar de kant van de schuld en is men de oorzaak van verderf. Vervult men een gebod, dan slaat de weegschaal zowel in persoonlijk opzicht als ten aanzien van de hele wereld door ten goede en is men de oorzaak van heil en redding. Dat is wat er geschreven staat: ‘De rechtvaardige is de grondslag van de wereld’ (Spr. 10, 25). Hij die zich als een rechtvaardige gedraagt, houdt de wereld in evenwicht en brengt redding.

[9] Het is vanwege deze zaak dat geheel Israël gewoon is rechtvaardigheid te betrachten en veel goede daden te doen en om zich vanaf Nieuwjaar tot aan de Verzoendag nog meer bezig te houden met de Geboden dan alle andere dagen van het jaar. Zij allen hebben de gewoonte om gedurende die tien dagen ’s nachts op te staan en om in hun synagogen smeekgebeden en woorden van onderwerping te zeggen tot de dag aanbreekt.

5.[10] Op het moment dat ’s mensen zonden worden afgewogen tegen zijn verdiensten, rekent men hem een eerste zonde niet aan, en ook een tweede niet, maar wel een derde en wat er meer volgt. Wanneer zijn zonden vanaf de derde talrijker blijken te zijn dan zijn verdiensten, worden die eerste twee weer erbij getrokken en wordt hij over het geheel beoordeeld.

[11] Indien de verdiensten het overwicht op de zonden blijken te hebben, van de derde zonde af, worden ze allen één voor één vergeven: de derde geldt daarbij als eerste, want de eerste twee zijn al vergeven, en de vierde wordt de eerste wanneer de derde vergeven is, en zo door tot het einde.

[12] Wat tot nu toe gezegd is slaat op de enkeling alleen, want er staat geschreven: ‘Zie dit alles zal God twee, driemaal doen met een man’ (Job 33, 29). Maar over een gemeenschap worden de eerste drie zonden altijd opgeschort, want er staat geschreven: ‘Over drie zonden van Israël; maar over vier zal Ik het niet terughouden’ (Amos 2, 6). En wanneer het op deze wijze wordt toegerekend, wordt ook gerekend vanaf de vierde.

13] Wanneer bij het geheel van de zonden die door een middelmatig iemand zijn begaan, zich de zonde bevindt dat men nooit gebedsriemen heeft aangelegd, dan wordt men in overeenstemming met zijn zonden geoordeeld, maar men heeft wel een aandeel aan de Toekomende Wereld. Zo worden ook de zondaren die meer overtredingen hebben dan verdiensten, geoordeeld naar hun zondige daden, maar zij hebben wel een aandeel aan de Toekomende Wereld. Heel Israël heeft immers een aandeel aan de Toekomende Wereld, ook al hebben zij gezondigd, want er staat geschreven: ‘En uw volk, zij zijn allen rechtvaardigen; voor eeuwig zullen zij het land beërven’ (Jes. 60, 21). Land is hier beeldspraak en slaat op het land der levenden en dat is de Toekomende Wereld. Zo hebben ook de vrouwen en de volkeren der wereld een aandeel aan de Toekomende Wereld.

6.[14] Dit zijn degenen die geen aandeel hebben aan de Toekomende Wereld, 18 maar die worden uitgeroeid, vernietigd en veroordeeld wegens de grootte van hun boosheid en zondigheid tot in alle eeuwigheden: De ketters; de apikorsim;19 zij die de Thora loochenen; zij die de opstanding der doden loochenen; die de komst van de Verlosser loochenen; de afvalligen; zij die het volk tot zonde brengen; zij die afwijken van de wegen der gemeenschap; hij die opzettelijk in het openbaar overtredingen begaat, zoals Jehojakim deed (Jer. 36); de verraders; zij die de gemeenschap vrees aanjagen met onoprechte bedoelingen;20 zij die bloed vergieten; de kwaadsprekers; en hij die het teken van zijn besnijdenis verbergt.21

7. [15] Er zijn vijf categorieën ketters: Hij die zegt dat er geen God is en dat de wereld geen Bestierder heeft; hij die niet ontkent dat er een Bestierder is, maar dat er twee zijn of meer; hij die zegt dat er één Heer is, maar dat Hij lichamelijk is en afgebeeld kan worden; ook hij die zegt dat niet Hij alleen de Eerste en de Rots van allen is; en hij die een godheid buiten Hem vereert, opdat deze voor hem een voorspraak bij de Heer der werelden kan zijn. leder van deze vijf is een ketter.

8.[16] Er zijn drie categorieën apikorsim: hij die zegt dat er in het geheel geen profetie is en dat er geen vorm van kennis is die vanwege de Schepper het hart der mensen bereikt; hij die het profeetschap van onze leermeester Mozes ontkent; en hij die zegt dat de Schepper de daden der mensen niet kent. Elk van deze drie is een apikoros.

[17] Er zijn drie die de Thora loochenen: hij die zegt dat de Thora niet vanwege de Heer is. Zelfs indien het om één vers of één woord gaat waarvan hij zegt dat Mozes het uit zichzelf heeft gezegd, dan is zo iemand een loochenaar van de Thora; ook hij die de uitleg van de Thora, de Mondelinge Leer, loochent; en hij die het gezag van hen die de Thora overdragen in twijfel trekt, zoals Zadok en Boëthius deden22 hij die zegt dat de Schepper het ene gebod voor een ander vervangen heeft en dat deze Thora is afgeschaft, hoewel ze vanwege de Heer was, zoals de Christenen en de Moslims doen. leder van deze drie is een loochenaar van de Thora.23

9.[18] Er zijn twee categorieën afvalligen: hij die afvallig wordt naar aanleiding van één overtreding en hij die afvallig wordt met betrekking tot de hele Thora. Hij die afvallig wordt op één overtreding, is iemand die zich vermeten heeft deze overtreding opzettelijk te begaan, die het algemeen bekend laat worden en het zich tot gewoonte maakt, zelfs indien het van de lichtere overtredingen is. Bijvoorbeeld iemand heeft de gewoonte aangenomen om altijd linnen en wol tegelijk te dragen24 of de rand van zijn haar te scheren.25 Hij wekt zo de indruk alsof dit gebod voor hem is afgeschaft. Zie, zo iemand is op dit punt een afvallige, omdat hij het doet om weerstand op te roepen.

Een afvallige met betrekking tot de hele Thora is bijvoorbeeld iemand die tot een van de godsdiensten der volkeren overgaat op het moment dat er een vervolging wordt afgekondigd, en deze dan blijft aanhangen, omdat hij denkt dat het hem geen gewin oplevert om bij het geplaagde en vervolgde volk Israël te behoren en dat het voor hem beter is om te horen bij degenen die de macht in handen hebben. Zo iemand is afvallig van de hele Thora.

10.[19] Wie zijn degenen die het volk tot zonde brengen? Het maakt niet uit of iemand voorgaat in een grote zonde, zoals Jerobeam, Zadok of Boëthius,26 of dat hij de toon aangeeft in een lichtere zonde, al was het slechts het afschaffen van iets dat de Thora geboden heeft, of dat hij anderen tot zonde dwingt, zoals Manasse, die net zolang Israëlieten ter dood bracht tot ze afgodendienst bedreven,27 of anderen misleidt en ze op het verkeerde spoor brengt, zoals Jezus deed.28

11.[20] Ook al begaat degene die zich afzondert van de wegen van de gemeenschap geen enkele overtreding – hij houdt zich alleen maar afzijdig van de gemeente Israëls, vervult niet de gemeenschappelijk te volbrengen geboden, bemoeit zich niet met hun problemen en doet niet mee wanneer er gevast wordt; hij gaat zijn eigen gang als een willekeurige burger die nergens bij hoort – toch heeft zo iemand geen aandeel aan de Toekomende Wereld.

[21 ] Hij die opzettelijk overtredingen begaat, zoals Jehojakim, of het nu lichte of zware zijn, die heeft geen aandeel aan de Toekomende Wereld. Hij wordt genoemd iemand die de Thora naar willekeur uitlegt,29 omdat hij een brutaal gezicht zet en zich schaamteloos niets aantrekt van de woorden van de Thora.

12.[22] Er zijn twee categorieën verraders: hij die zijn medemens uitlevert in de handen van niet-joden om hem te laten doden of te laten mishandelen, en hij die het geld van zijn medemens uitlevert aan niet-joden, of aan een afperser – wat op hetzelfde neer komt. Beiden hebben geen aandeel aan de Toekomende Wereld.

13. [23] Zij die de gemeenschap vrees aanjagen met onoprechte bedoelingen, regeren met straffe hand en worden door velen gevreesd en geschuwd. Zij hebben enkel hun eigen aanzien op het oog en niets van wat zij nastreven is gericht op de eer van God, zoals ook het geval is bij de koningen der volkeren.

14. [24] Zelfs indien al deze vierentwintig personen die wij hebben opgesomd tot het volk Israël behoren, geen van allen hebben zij een aandeel aan de Toekomende Wereld. Hoewel de Wijzen ook nog van lichtere vergrijpen dan deze gezegd hebben dat hij die daar een gewoonte van maakt geen aandeel aan de Toekomende Wereld heeft hebben zij dat slechts gezegd met het doel dat men zich daarvan verre houdt en zich ervoor in acht neemt.30

[25] Het gaat om de volgende: Hij die voor zijn medemens bijnamen gebruikt, hij die zijn medemens in het openbaar beschaamd maakt, hij die zichzelf in de lucht steekt ten koste van zijn medemens, hij die de leerlingen der Wijzen minacht, hij die de feestdagen veracht en het heilige ontwijdt.

[26] AI deze dingen hebben slechts betrekking op ieder die een van deze dingen doet zonder voor zijn dood tot inkeer te komen en die daardoor geen aandeel heeft aan de Toekomende Wereld. Maar wie terugkeert van zijn boosheid en als berouwvolle zondaar sterft, die behoort tot de Toekomende Wereld, want tegen berouw is niets bestand. Zelfs iemand die zijn hele leven een godloochenaar is geweest maar op het laatst tot inkeer komt, heeft een aandeel aan de Toekomende Wereld, want er staat geschreven: ‘Vrede, vrede voor hem die ver is en die nabij is, zegt de Heer, en Ik zal hem genezen’ (Jes. 57, 19). Alle zondaren, boosaardigen, afvalligen en anderen die boete hebben gedaan – of het nu in het openbaar was of dat ze in het verborgene tot inkeer kwamen – worden aangenomen, want er staat geschreven: ‘Keert om, weerspannige kinderen’ (Jer. 3, 22): ook al zijn ze weerspannig en slechts in het verborgene teruggekeerd en niet in het openbaar, hun boetvaardigheid wordt aanvaard.

 

NOTEN:

17. Zoals geïmpliceerd in Lev. 23, 24; dit alleen al is voldoende reden voor het blazen ervan.

18. De volgende paragrafen zijn uitgewerkt naar het voorbeeld van de bekende passage uit de Mishna, Sanhedrin X, 1: ‘Heel Israël heeft een aandeel aan de Toekomende Wereld, …; en dit zijn degenen die geen aandeel aan de Toekomende Wereld hebben: Hij die zegt dat er in de Thora niet over de opstanding der doden wordt gesproken, dat de Thora niet van de hemel is, en de Apikoros… 2. Drie koningen en vier gewone mensen hebben geen aandeel aan de Toekomende Wereld: Jerobeam, Achab en Menasse … Bileam, Doëg, Achitofel en Gehazi. 3. De generatie van de zondvloed heeft geen aandeel aan de Toekomende Wereld … De mensen van Sodom … De verspieders … De generatie van de woestijn… 4. De burgers van een stad die aan afgoderij doet hebben geen aandeel aan de Toekomende Wereld.’ Het was deze passage die Maimonides in zijn commentaar op de Mishna aanleiding gaf tot het formuleren van zijn beroemde Dertien Geloofsprincipes van het Jodendom. Zie ook boven, noot 2, en Inleiding, p. 36-37.

19. Een term afgeleid van de naam van de griekse wijsgeer Epicurus; een in de Rabbijnse bronnen veel gebruikte aanduiding voor iemand met ketterse opvattingen over Gods voorzienigheid.

20. Letterlijk: niet ter wille van de Hemel (shello le-shem shamajim).

21. Moshech et orlato, letterlijk: die zijn voorhuid uitrekt, namelijk om te voorkomen dat men kan zien dat hij besneden is.

22. Zadok en Boëthius waren leerlingen van Antigonos van Socho (vroeg 2de eeuw voor de jaartelling) die golden als de stichters van de richting der Sadduceeën. Dezen loochenden o.a. het gezag van de Mondelinge Leer; vgl. bv. Avot de-Rabbi Nathan A, 5.

23. De formulering van deze passage lijkt te suggereren dat er niet drie maar vier categorieën Thora loochenaars zijn. De uitleggers houden het erop dat voor Maimonides het geloof in de Mondelinge Leer en in de gezaghebbendheid van hen die de Thora overdragen een en hetzelfde is.

24. Het zgn. Sha’atnez, vgl. Lev. 19, 19; Deut. 22, 1 1.

25. Vgl. Lev. 19, 27.

<26. Zie I Kon. 12, 25-32; 14, 16; etc., en boven par. 8 (noot 22).<

27. Zie 11 Kon. 21, m.n. vs. 16., en Sanhedrin 103b.

28. De gangbare edities hebben, waarschijnlijk ten gevolge van censuur, de woorden ‘zoals Jezus’ niet. Structuur en inhoud van deze paragraaf pleiten ervoor Qafih’s Iezing te volgen. Hij citeert een passage uit Sota 47a, die in de gangbare Talmudedities ook niet voorkomt: ‘Jezus toverde, hitste op, misleidde en deed Israël zondigen’ (Haggahot ha-Talmud, Constantinopel 151 1, t.p.). Voor de context zie J. Maier, Jesus von Nazareth in der talmudischen Ueberlieferung (Darmstadt 1978), p. 1 10, spec. noot 241.

29. Megalle panim ba-Tora, vgl. bv. Avot Ill, 1 1. Maimonides volgt hier een interpretatie van deze wat problematische term die verband legt met de uitdrukking azzutpanim – brutaliteit.

30. Het is kenmerkend voor Maimonides’ harmonisatietechniek dat hij de vele andere zondaars aan wie in de Rabbijnse bronnen de toegang tot de Toekomende Wereld wordt ontzegd, op deze wijze van ondergeschikte betekenis verklaart. Dergelijke ondeugden noemt hij bijv. ook in de Regels van het Gedrag VI, 3, 8-9.

Geef een reactie