DEEL 11. HICHOT TESJOEWA (I)

Aanbevolen wordt om ook, parallel aan deze verhandeling, “De Introductie tot de Talmoed” hoofdstukken 1 t/m 4 en Deel 1 t/m 9 van VAN MAIMONIDES, RABBI MOZES ben MAIMON te lezen op onze website www.bethhamidrash.org onder Studies en Archief.

TRACTAAT HICHOT TESJOEWA

REGELS VAN BOETE EN BEROUW

Korte inhoud:

I. Het is ons geboden belijdenis van schuld af te leggen voor begane zonden. Boete en berouw (tesjoewa) spelen een belangrijke rol ter verkrijging van verzoening van schuld.

II. Oprechtheid van berouw impliceert de noodzaak het begane kwaad metterdaad goed te maken. Nieuwjaar en Verzoendag zijn bij uitstek tijdstippen voor inkeer.

 

CORRECTIE EN VERDUIDELIJKING DOOR BETH HAMIDRASH AAN DE TEKST OVER HET BEGRIP TESJOEWA

Tesjoewa wordt doorgaans vertaald met berouw. Dat is geen tesjoewa, omdat berouw in het Hebreeuws charata is. Niet alleen zijn deze twee termen niet synoniem, ze zijn elkaars tegengestelde. Charata houdt in: wroeging of een schuldgevoel over het verleden en de intentie om zich in de toekomst anders te gaan gedragen. De persoon wenst of beslist een herboren of een nieuw mens te zijn.

Tesjoewa betekent terugkeren naar het oude, naar de natuurlijke origine van iemand. Grondprincipe van het concept tesjoewa is: het feit dat elk mens in essentie goed is. Begeertes, verlangens en verleidingen kunnen hem tijdelijk afbuigen van zijn eigen wezen. Maar zijn essentie blijft waarheidsgetrouw. Het slechte wat hij doet is niet een deel van hem of doet niet af aan zijn zuivere natuur. Tesjoewa is terugkeren naar jezelf, terwijl berouw inhoudt het verleden verdringen en opnieuw starten.

Tesjoewa betekent teruggaan naar je Goddelijke oorsprong, je innerlijke oorsprong die Goddelijk is en te beseffen je ware ik. Bijvoorbeeld een Tsaddiek, een totaal rechtvaardig mens, die geen strijd meer in zichzelf hoeft te voeren, die een en al goed is, die alleen maar in dienst staat van G.d en medemens, zo’n mens heeft geen reden tot berouw. En een zondaar die niet in staat is om berouw te hebben, maar beiden kunnen tesjoewa doen. De zondaar om terug te keren en de tsaddik om meer goed te doen. De rechtvaardige, ofschoon hij geen zonden doet, streeft constant naar zijn innerlijk, naar G.d. En de zondaar, hoe ver dan ook verwijderd van G.d, kan altijd terug keren, omdat tesjoewa is niet iets nieuws creëren, alleen opnieuw ontdekken het goede dat altijd al aanwezig was in jezelf.

De Regels van Boete en Berouw ( TESJOEWA )

Hieronder valt één gebod, namelijk dat de zondaar terugkere van zijn zonde voor het aangezicht van de Heer en belijdenis doe.1 En de uitleg van dit Gebod en de geloofsprincipes 2 die ermee samenhangen zijn in deze hoofdstukken vervat.

HOOFDSTUK I

1. Indien iemand een van de Geboden van de Thora heeft overtreden, of het nu een gebod of een verbod is, hetzij met opzet of per ongeluk, dan moet hij, wanneer hij tot inkeer komt en terugkeert van zijn zonde, deze belijden tegenover God, want er staat geschreven: ‘Wanneer een man of een vrouw enige zonde begaat… dan moeten zij de zonde die zij begaan hebben belijden’ (Num. 5, 6-7); dit is de uitgesproken belijdenis van schuld. Deze belijdenis is een van de Geboden.

[2] Hoe doet men schuldbelijdenis? Men zegt: Och Here, ik heb gezondigd, ik heb kwaad gedaan, ik ben weerspannig geweest tegenover Uw aangezicht en aldus gedaan. Maar zie, ik heb spijt en ik schaam mij over mijn daden en nooit zal ik dit weer doen. Dit is de kern van de schuldbelijdenis, maar ieder die uitvoeriger en langduriger schuld belijdt, is des te meer te prijzen.

[3] Eveneens werd al, degenen die zond- en schuldoffers moesten brengen, bij hun offers voor de per ongeluk of met opzet begane zonden pas verzoening geschonken, wanneer zij eerst tot inkeer kwamen en hun schuldbelijdenis hardop uitspraken, want er staat geschreven: ‘En hij zal belijdenis doen van hetgeen hij heeft misdaan’ (Lev. 5,5).

[4] Zo wordt niemand die de dood schuldig is of die gegeseld moet worden, bij zijn dood of gelijk met de straf verzoening geschonken, tenzij hij tot inkeer is gekomen en belijdenis heeft gedaan. Iemand die zijn naaste heeft benadeeld en hem geldelijk verlies heeft toegebracht, wordt geen verzoening vergund wanneer hij slechts heeft terugbetaald wat hij schuldig is, maar pas wanneer hij belijdenis heeft gedaan en zich omkeert om nooit meer iets dergelijks te doen, zoals er geschreven staat: ‘Van alle zonden die een mens doet’ (Num. 5, 6).

2. [5] Omdat de zondebok verzoening bracht over heel Israël,3 zei de hogepriester daarover de belijdenis in naam van het volk, zoals er staat geschreven: ‘En hij zal over hem al de overtredingen van de kinderen Israëls belijden’ (Lev. 16, 21).

[6] De zondebok verzoende al de overtredingen die in de Thora staan, zowel de lichte als de zware, of men die met opzet dan wel per ongeluk begaan heeft; zowel de bewuste als de onbewuste zonden werden door de zondebok verzoend. Dat wil zeggen: wanneer men tot inkeer kwam. Maar wanneer men niet tot inkeer kwam, verzoende de bok slechts de lichte zonden.

[7] Welke zijn dan de lichte en welke de zware zonden? De zware zonden zijn die waarvoor men de doodstraf4 of de voortijdige dood5 verdient. Hoewel op een lichtzinnige of leugenachtige eed niet de straf van de voortijdige dood staat, is ook dat een van de zware zonden. Alle andere geboden en verboden waar niet de straf van de vroege dood op staat, zijn lichte zonden.

3. [8] Sinds de tijd dat de tempel niet meer bestaat en het altaar der verzoening er niet meer is, resten ons slechts boete en berouw.6 Boete en berouw doen verzoening voor alle zonden. Zelfs iemand die zijn hele leven een slecht mens is geweest maar op het laatst tot inkeer komt, wordt niet meer aan zijn zondige verleden herinnerd, want er staat geschreven: ‘De zondaar zal niet meer door zijn zondigheid ten val gebracht worden ten dage dat hij terugkeert van zijn zonde’ (Ezech. 33,12). Het is de Grote Verzoendag zelf die verzoening brengt over hen die tot inkeer komen, zoals er geschreven staat: ‘Want op die dag zal Hij verzoening over hen doen’ (Lev. 16, 30).

4. [9] Alhoewel boete en berouw voor alles verzoening brengen en de Grote Verzoendag de verzoening effectueert, zijn er overtredingen die meteen verzoend kunnen worden, naast andere die pas na enige tijd verzoend worden.

Hoe gaat dat in zijn werk?7 Iemand overtreedt een gebod waarop niet de straf van een voortijdige dood staat, en komt tot inkeer. Nog voordat hij een stap gedaan heeft, wordt het hem onmiddellijk vergeven. Over deze dingen staat geschreven: ‘Komt tot inkeer weerspannige kinderen en Ik zal uw afvalligheden genezen’ (Jer. 3, 22).

[10] Wanneer iemand echter een verbod overtreedt waarop niet de straf van een voortijdige dood en ook niet de doodstraf van het gerecht staat, en hij doet daarna boete, dan schort de boete de straf op en de Grote Verzoendag brengt pas de verzoening. Hierover staat geschreven: ‘Op die dag zal Hij verzoening over U doen’ (Lev. 16, 30). [11] Wanneer iemand een overtreding begaat met betrekking tot zaken die bestraft worden met een voortijdige dood of met de doodstraf, maar hij komt tot inkeer, dan schorten de inkeer en de Grote Verzoendag de straf op, maar pas het lijden dat hem overkomt zal de verzoening volbrengen. Nooit zal een volledige verzoening tot stand komen als hij niet door lijden wordt bezocht. Hierover staat geschreven: ‘Ik zal hun overtreding met de roede bezoeken en hun zonde met plagen’ (Ps. 89, 33).

[12] Wat tot dusver gezegd is gaat alleen op wanneer de zondaar bij zijn overtreding niet de naam van God heeft ontwijd. Want wie de Naam ontwijdt, ontvangt pas en volledige verzoening wanneer hij sterft, ook al is hij tot inkeer gekomen en heeft hij de Grote Verzoendag in boete en berouw doorgebracht en is hem allerlei lijden toegevallen. In dat geval schorten de inkeer, de Grote Verzoendag en het lijden alle drie de straf op, maar pas de dood brengt verzoening, zoals er geschreven staat: ‘De Heer der legermachten heeft Zich in mijn oren geopenbaard: Zou de zonde voor u verzoend worden, voordat gij sterft?’ (Jes. 22, 14).

HOOFDSTUK II

1. Wat is een oprecht berouw? Dat is wanneer iemand in de gelegenheid is om een zonde to begaan die hij ook al eerder heeft begaan, maar hij houdt zich in en doet het niet weer, omdat hij tot inkeer is gekomen en niet uit bangheid of omdat zijn krachten niet meer toereikend zijn.

Hoe is dat? lemand heeft bijvoorbeeld zondige omgang gehad met een vrouw. Een tijd later treft hij haar opnieuw, hij heeft haar nog steeds lief, zijn lichaam verlangt krachtig en het voorval vindt plaats in dezelfde omgeving waar hij de vorige overtreding heeft begaan. Maar hij houdt zich in en zondigt niet. Zo iemand is een oprechte boeteling. Dat is wat Salomo zei: ‘Gedenk uw Schepper in uw jongelingsjaren’ (Pred. 12, 1).

[2] Maar indien men pas in zijn ouderdom tot inkeer komt, in een tijd dat het niet meer mogelijk is te doen wat men placht te doen, zulk een inkeer is weliswaar niet voortreffelijk, maar toch nuttig en ook dan is men een boeteling. Zelfs iemand die heel zijn leven in zonde heeft geleefd maar tot inkeer komt op de dag van zijn dood, al diens zonden zijn vergeven, zoals er geschreven staat: ‘Voordat de zon verduistert’ (Pred. 12, 2), dat slaat op de dag van de dood.8 Dit houdt in dat degene die zijn Schepper gedenkt en omkeert voordat hij sterft, vergiffenis wordt geschonken.

2. [3] En wat is die omkeer? Dat is wanneer een zondaar zijn zonde achter zich laat en deze uit zijn gedachten bant en zich vast voorneemt om het niet meer te doen, zoals er geschreven staat: ‘De kwaadwillige moge zijn weg verlaten en de man van onrecht zijn gedachten’ (Jes. 55, 7). Ook moet het hem berouwen dat hij een overtreding heeft begaan, zoals er geschreven staat: ‘Want na mijn omkeer heb ik berouw gehad en nadat ik mij er bewust van ben geworden heb ik mij op de dij geslagen’ (Jer. 31, 18; vert. 19). En hij moet getuigen bij Hem die het verborgene kent dat hij nooit weer tot die zonde terug zal keren, zoals er geschreven staat: ‘En wij zullen niet meer zeggen tot het maaksel van onze handen: onze God; want slechts door U zal de wees barmhartigheid ervaren’ (Hosea 14, 4). Men moet dus met de mond schuld belijden en de dingen die men zich heeft voorgenomen metterdaad uitspreken.

3. [4] leder die met woorden belijdenis doet maar zich niet voorneemt de zonde na te laten, is gelijk iemand die zich onderdompelt voor een reiniging met een onrein gedierte in zijn hand. Zo’n reiniging heeft pas effect wanneer hij het beest van zich werpt. Zo staat er ook geschreven: ‘Wie belijdt en nalaat, ervaart barmhartigheid’ (Spr. 28,13). En men moet de zonde bij de naam noemen, zoals er geschreven staat: ‘Welaan, dit volk heeft een grote zonde begaan: zij hebben zich goden van goud gemaakt’ (Ex. 32, 31).

4. [5] Het behoort tot de wegen van boete en berouw dat de boeteling gedurig tot de Heer roept in smeking en geween en dat hij liefdadigheid beoefent naar zijn vermogen. Hij houdt zich zeer ver van de zaak waarin hij heeft gezondigd en verandert zijn naam, als het ware om te zeggen: Ik ben een ander, ik ben niet meer de man die die daden heeft verricht. Hij verandert al zijn daden ten goede en houdt zich aan de rechte weg. Hij trekt weg uit zijn woonplaats, omdat zwerven als een balling verzoening brengt voor de zonde en het een mens deemoedig maakt en zorgt dat men nederig en onderworpen is.

5. [6] Het is zeer prijzenswaardig wanneer de boeteling in het openbaar schuld belijdt en aan een ieder te kennen geeft waarin hij gezondigd heeft. Hij maakt de overtredingen die hij ten opzichte van zijn medemensen heeft begaan openbaar en zegt: Zeker, ik heb tegen Die-en-die gezondigd en zo-en-zo heb ik gedaan. Maar zie, vandaag ben ik tot inkeer gekomen en ik heb er spijt van. Ieder die zich daar te goed voor acht en zijn zonden niet prijsgeeft maar ze liever verborgen houdt, diens berouw is niet volledig, zoals er geschreven staat: ‘Wie zijn zonden bedekt zal niet slagen’ (Spr. 28, 13).

[7] Waarop slaat het gesprokene? Op de zonden die begaan zijn tegenover een medemens. Maar zonden tegen de Allerhoogste hoeft men niet wereldkundig te maken en het getuigt van botheid indien men die wel openbaar maakt. Men komt voor God tot inkeer, somt voor Zijn aangezicht zijn zonden op en belijdt daarover in het openbaar zijn schuld zonder nadere aanduiding. Het is een weldaad wanneer zo’n zonde niet openbaar wordt, want er staat geschreven: ‘Gelukzalig hij wiens overtreding vergeven is, wiens zonden zijn bedekt’ (Ps. 32, 1).

6.[8] Alhoewel boete en luidkeels berouw altijd goed zijn, is het tijdens de tien dagen tussen Nieuwjaar en Grote Verzoendag bij uitstek gepast. Dan wordt het ook onmiddellijk verhoord, zoals er geschreven staat: ‘Zoekt de Heer wanneer Hij zich laat vinden, roept Hem aan wanneer Hij nabij is’ (Jes. 55, 6). Op wie is dit van toepassing? Op de enkeling. Maar de gemeenschap wordt altijd verhoord wanneer ze oprecht en luidkeels boete doet, zoals er geschreven staat: ‘(… zo nabij) als de Heer, onze God, steeds wanneer wij tot Hem roepen’ (Dt. 4, 7).

7. [9] De Grote Verzoendag is de tijd van boete voor allen, zowel voor de enkeling als voor de gemeenschap, en het is de termijn van vergeving voor Israël. Daarom moeten allen boete doen en schuld belijden op de Grote Verzoendag. Geboden is dat men het belijden van schuld op de Grote Verzoendag de dag te voren begint, voordat men gegeten heeft, zodat men belijdenis van schuld heeft gedaan indien men zich bij de maaltijd dodelijk zou verslikken.9 En alhoewel men voor de maaltijd schuld beleden heeft, doet men het opnieuw in het avondgebed van de nacht van Grote Verzoendag en weer opnieuw bij het ochtendgebed, bij het toegevoegde gebed, bij het middag gebed en bij het avondgebed. Op welk moment valt de schuldbelijdenis? Voor de enkeling valt het na het Achttiengebed, maar de voorganger zegt het in het midden van het gebed in de vierde bede.

8. [10] De schuldbelijdenis die heel Israël pleegt te zeggen is: Maar wij hebben gezondigd…. etc.10 en dat is de kern van de schuldbelijdenis. De zonden die men op de ene Verzoendag heeft beleden, belijdt men opnieuw op de volgende Verzoendag, want er staat geschreven: ‘Want mijn overtredingen ken ik en mijn zonden staan mij altijd voor ogen’ (Ps. 51, 5).

9. [11] Door het doen van boete en [het beleven van] de Verzoendag zelf worden alleen de zonden tegenover de Allerhoogste verzoend,11 zoals het eten van verboden voedsel of het aangaan van een verboden geslachtsgemeenschap en dergelijke dingen. Maar zonden tegen de medemens, zoals het toebrengen van schade, iemand vervloeken of diefstal en dergelijke, worden pas vergeven, nadat men teruggegeven heeft wat men de naaste schuldig is en vrede met hem heeft gesloten.

[12] Ook al heeft men geld teruggegeven dat men schuldig is, toch moet men vrede sluiten en vragen of de ander het wil vergeven. Zelfs als men de naaste alleen maar met woorden heeft lastig gevallen, moet men het met hem bijleggen en er net zolang bij hem op aandringen, totdat hij het vergeeft.

[13] Wanneer deze hem niet wil vergeven, brengt men een groep van drie mannen mee die bekenden van hem zijn en die sterke druk op hem kunnen uitoefenen. Als hij zich door hen niet laat vermurwen, brengt men nog een tweede en een derde groep. Als hij dan nog niet wil, laat men het erbij zitten en ga men zijns weegs; dan is degene die niet heeft willen vergeven de zondaar. Maar als deze uw leermeester is, dan moet men wel duizend keer om vergeving komen vragen.12

10. [14] Omdat het een mens dus verboden is hardvochtig en onverzoenlijk te zijn, maar men zich gemakkelijk moet laten verbidden en zich moeilijk kwaad mag laten maken,13 daarom moet men, wanneer de zondaar om vergeving komt vragen, van harte en vol bereidwilligheid vergeving schenken. Zelfs wanneer hij leed berokkend heeft en veel heeft misdaan, dient men niet wraakgierig te zijn en geen wrok te koesteren.14 Dat is de manier van doen van het zaad Israëls met hun goede inborst. Maar de volkeren die onbesneden zijn van hart, zijn niet zo; ‘Hun gramschap wordt immer gekoesterd’ (vgl. Amos 1, 1 1). Zo staat er ook van de Gibeonieten, die niet wilden toegeven en het niet wilden bijleggen, ‘De Gibeonieten waren niet van de kinderen Israëls’ (11 Sam. 21, 2).

11. [15] Wanneer een medemens, tegenover wie men gezondigd heeft, sterft, voordat men vergiffenis heeft kunnen vragen, brengt men tien mannen bijeen rondom zijn graf en zegt ten overstaan van hen: Ik heb gezondigd tegen de Heer de God van Israël en tegenover deze Die-en-die, want ik heb hem dat-en-dat aangedaan.15 Indien hij hem geld schuldig was, geeft hij dat aan de erfgenamen terug. Is er geen erfgenaam bekend, dan deponeert hij het bij het gerechtshof en belijdt hij zijn schuld.10

 

Noten:

1. Niet de omkeer in berouw is het eigenlijke bijbelse Gebod, maar de belijdenis van schuld, zoals beneden in I, 1 wordt afgeleid uit Num. 5, 6-

2. Iqqarim, ook de naam die Maimonides gaf aan de grondslagen van het joodse geloof in zijn inleidende beschouwingen in het Mishnacommentaar op Sanhedrin X; zie beneden IV, 6 e.v., en Inleiding, pp. 36-37.

3. Bij het ritueel van de Grote Verzoendag.

4. Mitat Bet Din; zie Inleiding, p. 44.

5. Karet; zie beneden VIH, 1 [2] en Inleiding, p. 44.

6. Teshuva; voor de verschillende betekenis nuances zie Inleiding, p. 35.

7. De rest van dit Hoofdstuk, over de zgn. Vier Wijzen van Verzoening (Arba’a chaluke kappara) is ontleend aan Tosefta Kippurim IV, 6-8; ioma 86a, beneden; etc.

8. Zie Shabbat 151b.

9. Zie Joma 87b.

10. In de gebedenboeken staat de schuldbelijdenis van de Grote Verzoendag steeds na het Achttiengebed. De tekst van Maimonides vertoont enige verschillen met de gangbare; zie zijn versie van de liturgie opgenomen aan het eind van Boek 11 (Ahava) van de Mishne Thora.

11. Joma VIII, 7.

12. Vgl. voor dit alles Joma 87a.

13. Vgl. Avot V, 1 1.

14. Vgl. Lev. 19, 18; en boven Regels van Gedrag VII, 7-8.

15. Joma 87a.

 

Geef een reactie