DEEL 10. DE’OT HICHOT (V)

Aanbevolen wordt om ook, parallel aan deze verhandeling, “De Introductie tot de Talmoed” hoofdstukken 1.2.3.4 en Deel 1.2.3.4.5.6.7.8.9 van VAN MAIMONIDES, RABBI MOZES ben MAIMON te lezen op onze website www.bethhamidrash.org onder studies en Archief.

TRACTAAT HICHOT DE’OT

DE REGELS VAN HET GEDRAG

KORTE INHOUD:

VI: Gedrag is een product van navolging en daarom moet men goed gezelschap zoeken. Het gedrag van rechtvaardigen en wijzen diene als voorbeeld, m.n. voor de omgang met de medemens en de afwikkeling van conflicten, onderling vermaan, beschaming, de houding tegenover weduwen en wezen.

VII: Kwaadspreken en wraakzucht zijn de oorzaak van veel kwaad.

‘Dit is het juiste gedrag, dat een beschaafde samenleving en de omgang van mensen onder elkaar mogelijk maakt.’

 

Hoofdstuk VI

1.De mens is zo geschapen dat hij in zijn eigenschappen en daden wordt beïnvloed door zijn vrienden en medemensen, en dat hij zich gedraagt overeenkomstig de gewoonten van zijn landgenoten. Daarom moet een mens zich aansluiten bij de rechtvaardigen en altijd verkeren in het gezelschap van wijze mensen, opdat hij van hun daden kan leren. Hij moet zich verre houden van zondaren die in duisternis wandelen, opdat hij van hun daden niet lere. Dat is wat Salomo zei: ‘Hij die met wijzen wandelt zal wijs worden, maar wie met dwazen verkeert wordt slecht’ (Spr. 13, 20). En er staat: ‘Welgelukzalig de man (die niet wandelt in der bozen raad, op de weg der zondaren niet staat … )’ (Ps. 1, 1).

[2] Zo is het ook wanneer men in een land leeft met slechte gewoonten en waar de inwoners niet de rechte weg bewandelen. Dan moet men naar een plaats gaan waar de mensen wel rechtvaardig zijn en ze zich wel op een goede manier gedragen. Als alle landen die men kent of waarvan men gehoord heeft, deze onjuiste weg volgen, zoals tegenwoordig, of wanneer men vanwege oorlogsdreiging of ziekte niet in staat is naar een land te gaan dat goede gebruiken kent, dan moet men zich voor hen afsluiten, zoals er geschreven staat: ‘Die zal alleen zitten en zwijgen’ (Klaagl. 3, 28). Als er slechte en zondige mensen zijn die niet toelaten dat men in hun land woont zonder zich bij hen aan te sluiten en hun slechte gewoonten te volgen, dan moet men uitwijken naar de spelonken en de doornige woestijnen en zich niet voegen naar de weg der zondaars, zoals er geschreven staat: ‘Wie geve mij in de woestijn een nachtverblijf voor reizigers’ (Jer. 9, 1; vert. 2).

2.[3] Het is een van de Geboden van de Thora dat men zich aansluit bij de Wijzen om van hun daden te leren, want er staat geschreven: ‘En Hem zult gij aanhangen’ (Deut. 10, 20). Is het dan mogelijk dat een mens de goddelijke Tegenwoordigheid aanhangt? Nee, maar de Wijzen hebben ter verduidelijking van dit Gebod gezegd: Hang de Wijzen en hun leerlingen aan.52 Daarom moet de mens zich erop’ toeleggen een dochter van een geleerde te huwen en zijn eigen dochters aan geleerden uit te huwelijken, om met geleerden te eten en te drinken, met hen zaken te doen en zich op allerlei mogelijke wijzen bij hen aan te sluiten, want er staat immers geschreven: ‘En om Hem aan te hangen’ (Deut. 11, 22), en zo hebben de Wijzen bevolen: Laat u bestuiven met het stof van hun voeten en drink hun woorden dorstig in.53

3.[4] leder mens is geboden het hele volk Israël lief te hebben als zijn eigen lichaam, want er staat geschreven: ‘En gij zult uw naaste liefhebben als u zelf’ (Lev. 19, 18). Daarom moet men hen in prijzende zin vermelden en hun geld ontzien, zoals men ook zijn eigen bezit ontziet en men op zijn eigen reputatie bedacht is. Hij die zichzelf in de lucht steekt ten koste van zijn naaste, heeft geen aandeel aan de Toekomende Wereld.54

4.[5] Met de liefde voor de vreemdeling die is gekomen om te schuilen onder de vleugels van de goddelijke Tegenwoordigheid, zijn twee Geboden verbonden, één omdat hij behoort tot de categorie der vrienden en één omdat hij een vreemdeling is van wie de Thora heeft gezegd: ‘De vreemdeling zult gij liefhebben’ (Deut. 10, 19). Op dezelfde wijze als Hij de liefde tot Zijn naam heeft geboden, zo heeft Hij ook de liefde tot de vreemdeling geboden, wanneer er staat geschreven: ‘En gij zult de Heer uw God liefhebben’ (Deut. 1 1, 1). En de Heilige heeft zelf de vreemdelingen lief, zoals er geschreven staat: ‘Die de vreemdeling liefheeft’ (Deut. 10, 18).

5.[6] leder die iemand uit het volk Israël in zijn hart haat, overtreedt een verbod, want er staat geschreven: ‘Gij zult uw broeder in uw hart niet haten’ (Lev. 19, 17), maar er wordt [op de overtreding van] dit verbod geen straf toegepast, omdat het niet met daden gepaard gaat. De Thora verbiedt alleen de haat die in het hart is. Maar hij die zijn naaste slaat of hem beschimpt, ook al is dat geenszins geoorloofd, overtreedt daarmee niet dit verbod om te haten.

6. [7] Wanneer de ene mens tegen de ander zondigt, mag deze hem niet gaan haten en toch blijven zwijgen, zoals er geschreven staat aangaande de zondaren: ‘En niet sprak Absalom met Amnon, ten kwade noch ten goede, want Absalom haatte Amnon’ (11 Sam. 13,22). Maar het is een Gebod voor hem om het hem te laten weten en te zeggen: Waarom heb je mij dat-en-dat aangedaan en waarom heb je tegen mij gezondigd met betrekking tot die-en-die zaak? Want er staat geschreven: ‘Gij zult uw volksgenoot zeker vermanen, zodat gij door hem geen zonde zult dragen’ (Lev. 19, 17). En als hij erop terugkomt en vraagt of hij het hem wil vergeven, dan moet men hem ook vergeven, want degene die kan vergeven mag niet wreedaardig zijn, zoals er geschreven staat: ‘En Abraham bad tot God, (zodat God Abimelech genas … )’ (Gen. 20, 17).55

7. [8] Wie zijn medemens ziet zondigen of ziet dat hij zich in iets begeeft dat niet goed is, is geboden hem ten goede te doen terugkeren en om hem te laten weten dat hij tegenover zichzelf een zonde begaat met zijn boze daden, want er staat geschreven: ‘Gij zult uw volksgenoot zeker vermanen’ (Lev. 19, 17).

[9] Wie zijn medemens vermaant, hetzij met betrekking tot iets dat zich onderling afspeelt, hetzij met betrekking tot iets tussen God en mens, moet hem onder vier ogen terechtwijzen en hem rustig en in gematigde bewoordingen toespreken. Hij moet hem laten weten dat hij het hem alleen maar voor zijn eigen bestwil zegt en om hem voor de Toekomende Wereld te behouden. Als die persoon het van hem aanneemt is het goed, maar als hij dat niet doet moet hij hem nog een tweede en een derde maal terechtwijzen. En men blijft net zolang verplicht tot vermaning, tot de zondaar begint te slaan en zegt: Ik luister niet. 56 En als men hem niet met al het mogelijke tracht tegen te houden, zal men zelf verstrikt raken in de zonden van al degenen die men had kunnen weerhouden.

8.[10] Wie begint zijn medemens terecht te wijzen, moet niet zo streng tegen hem zijn dat hij zich gaat schamen, want er staat geschreven: ‘Gij zult door hem geen zonde dragen’ (Lev. 19, 17). Zo hebben de Wijzen gezegd: Kunt gij hem zo streng terechtwijzen dat zijn gezicht ervan verschiet? Neen, er staat geschreven: ‘Gij zult door hem geen zonde dragen’.57 Daarom is het verboden een Israëliet tot schaamte te brengen, en al helemaal in het openbaar.

[11] Alhoewel degene die zijn medemens tot schaamte brengt niet gestraft wordt, is het een grote zonde. Zo hebben de Wijzen gezegd: Hij die het gezicht van zijn medemens van schaamte bleek laat worden, heeft geen aandeel aan de Toekomende Wereld.58 Daarom moet een mens hiervoor gewaarschuwd zijn, zodat hij zijn medemens niet in het openbaar beschaamd maakt, of hij nu klein is of groot, en hem niet een benaming geven waarvoor hij zich moet schamen, of iets in zijn aanwezigheid ter sprake brengen waarover hij zich schaamt.

[12] Waarover spreken wij? Over dingen die plaats vinden tussen de, mens en zijn naaste. Maar over dingen die de hemel aangaan mag men iemand wel beschaamd maken, zolang hij niet in stilte op zijn schreden is teruggekeerd. Men vertelt zijn zonde aan iedereen, beschimpt hem waar hij bij staat en vervloekt hem, tot hij zich ten goede omkeert, net zoals alle profeten met het volk van Israël deden.

9. [13] Wanneer iemand in het geval dat zijn medemens tegen hem gezondigd heeft, deze niet wil terechtwijzen en niets tegen hem wil zeggen, omdat degene die de misstap begaan heeft bijzonder onwetend of niet goed bij zinnen is, zodat hij hem in zijn hart al vergeven heeft en geen wrok tegen hem koestert en hij hem niet terechtwijst, dan is dat de eigenschap der vroomheid (chasidut). De Thora is echter heel duidelijk over de echte wrok.

10.[14] De mens is verplicht de weduwen en wezen te ontzien, omdat zij een zeer moeilijk leven hebben en hun geest temeer geslagen is, zelfs wanneer ze geld bezitten. Zelfs de weduwe van een koning en wezen van een koning vallen voor ons onder dit gebod, want er staat geschreven: ‘Geen enkele weduwe en wees zult gij verdrukken’ (Ex. 22, 21; vert. 22).

[15] Hoe dient men met hen om te gaan? Men zegt alleen maar vriendelijke dingen tegen hen en gaat met respect met hen om. Men pijnigt hun lichaam niet met werk en hun hart niet met woorden, terwijl men hun bezit nog meer ontziet dan het eigene.

[16] leder die hen boos of wrevelig maakt, hun hart verdriet doet, heerszuchtig tegen hen optreedt of hun geld verloren doet gaan, zo iemand overtreedt een goddelijk Gebod, hoeveel te meer niet degene die hen slaat of vervloekt. Ook al past men op [het overtreden van] dit gebod geen straffen toe, toch staat de straf ervoor in de Thora erbij vermeld: ‘(lndien gij dezen toch verdrukt … ), dan zal Mijn toorn ontbranden en Ik u met het zwaard doden’ (Ex. 22, (22)-23; vert. (23)-24). Hij Die door Zijn woord de wereld schiep, heeft een verbond met hen gesloten dat zij verhoord zullen worden telkenmale wanneer zij wegens gewelddaden [tot Hem] roepen, want er staat geschreven: ‘Wanneer hij tot Mij roept, zal Ik voorzeker naar zijn geroep luisteren’ (Ex. 22, 22; vert. 23).

[17] Dit gaat alleen op wanneer iemand de wees ter wille van eigen voordeel onderdrukt. Maar wanneer een rabbijn hem onder druk zet om hem Thora of een ambacht te laten leren of om hem op de juiste wijze terecht te wijzen, dan is dat geoorloofd. Toch moet hij hem niet behandelen zoals hij iedereen behandelt, maar hij moet onderscheid maken en hem kalm en met groot mededogen en respect bij de hand nemen, want de Heer zal hun geding voeren. Voor de wees zonder vader geldt hetzelfde als voor de wees zonder moeder. Tot welke leeftijd gelden zij als wezen? Totdat ze geen volwassenen meer ter ondersteuning nodig hebben voor hun opvoeding en verzorging, maar al het nodige zelf kunnen verrichten, zoals alle andere volwassenen.

Hoofdstuk VII

1. Wie praatjes over zijn medemens rondstrooit, overtreedt een Gebod, want er staat geschreven: ‘Gij zult onder uw volksgenoten niet kwaadsprekend rondgaan’ (Lev. 19, 16) en alhoewel er op [de overtreding van] dit verbod geen straf wordt toegepast, is het toch een groot vergrijp, dat de dood van vele zielen in Israël heeft veroorzaakt. Daarom vervolgt het vers: ‘Gij zult niet staan op het bloed van uw naaste’. Ga maar na wat er gebeurde met de Edomiet Doëg.59

2. Wie is zo’n praatjesverkoper? Hij die dingen beweert en van de een naar de ander gaat en zegt: Die-en-die heeft dat-en-dat gezegd, dat-en-dat heb ik over je-weet-wel gehoord. Ook al spreekt hij de waarheid, zo iemand richt de wereld te gronde.

[3] Een nog veel grotere zonde valt ook onder dit gebod, en dat is de kwaadsprekerij, wanneer men dingen ten nadele van zijn medemens vertelt, ook al zijn ze waar. Maar hij die leugens vertelt wordt genoemd ‘iemand die een kwade roep over zijn naaste verspreidt’.60 Wie deze vorm van kwaadsprekerij bedrijft, gaat zitten en zegt: Dat en-dat heeft Die-en-die mij aangedaan, zus-en-zo heb ik over hem gehoord. En dan zegt hij lasterlijke dingen. Over zo iemand zegt de Schrift: ‘De Heer zal uitrukken alle gladde lippen, de tong die gewichtigheden spreekt’ (Ps. 12, 4).

3.[4] De Wijzen hebben gezegd: Voor drie overtredingen wordt de mens in deze wereld gestraft en verliest hij zijn aandeel aan de Toekomende Wereld: afgodendienst, onkuisheid en bloedvergieten; maar kwaadsprekerij overtreft deze allen.61

[5] Ook zeiden de Wijzen: leder die kwaadspreekt geldt als iemand die Gods bestaan heeft geloochend, want er staat geschreven: ‘Die zeggen: onze tong zullen wij sterk maken, onze lippen zijn met ons. Wie is heer over ons?’ (Ps. 12, 5).62

Ook zeiden de Wijzen: Kwaadsprekerij veroorzaakt de dood van drie personen: van hem die spreekt, van hem die het aanneemt en van de besprokene; maar groter gevaar loopt hij die het aanneemt dan hij die het uitspreekt.63

4.[6] Er zijn ook dingen die men insinuaties noemt.64 Hoe? Bijvoorbeeld: Wie zou gedacht hebben dat het met die-en-die zo zou aflopen! Of. Hou maar op, wat Die-en-die is overkomen en waarom, dat zal ik maar niet vertellen! En dergelijke dingen meer. Ook degene die ten goede van zijn medemens spreekt in het bijzijn van diens vijanden, die doet aan insinuaties want hij is er de oorzaak van dat zij hem te schande gaan maken. Hierover heeft Salomo gezegd: ‘Wie zijn naaste vroeg in de morgen met luide stem zegent, het wordt hem als een vervloeking aangerekend’ (Spr. 27, 14), want van goed komt dan kwaad.

[7] Ook van hem die aan kwaadsprekerij doet op luchtige, spottende wijze, alsof het niet haatdragend bedoeld is, heeft Salomo gezegd: ‘Als een dolle, die dodelijke schichten en pijlen afschiet (zo is hij die zijn naaste bedriegt) en zegt: Ik maak toch maar een grapje’ (Spr. 26, 18-19). Zo kan men ook bedriegelijk kwaadspreken, wanneer men zich van de domme houdt, alsof men niet weet dat datgene wat men zegt kwaadsprekerij is en men zich verweert met de woorden: ik wist niet dat Die-en-die zoiets gedaan heeft en dat het kwaadsprekerij zou zijn.

5.[8] Het komt op hetzelfde neer of men kwaadspreekt in aanwezigheid van het slachtoffer of dat men dingen zegt die, wanneer ze van de een naar de ander worden doorgegeven, hem schade toebrengen aan lichaam of bezit; zelfs wanneer het gesprokene hem alleen maar in het nauw brengt of bang maakt, dan is dat kwaadsprekerij.

Wanneer het in aanwezigheid van drie personen gezegd wordt, dan wordt ernaar geluisterd en dan is het een bekende zaak geworden. Indien een van deze drie het daarna verder vertelt, is het geen kwaadsprekerij meer, omdat men dan niet meer de bedoeling kan hebben een gerucht door te geven en openbaar te maken.

6. [9] AI deze personen zijn kwaadsprekers en het is verboden zelfs in hun nabijheid te wonen, laat staan om bij hen te gaan zitten en naar hun woorden te luisteren. De enige reden waarom het oordeel over onze vaderen in de woestijn werd geveld was hun kwaadsprekerij.65

7.[10] Wie wraak neemt op zijn medemens, overtreedt een verbod, want er staat geschreven: ‘Gij zult niet wreken’ (Lev. 19, 18). En ook al staat er geen straf op, het is een zeer slechte eigenschap. Het is veeleer gepast dat een mens alle dingen van de wereld aan zich voorbij laat gaan,66 want voor hen die inzicht hebben is het allemaal ijdelheid en nietigheid en niet de moeite waard om zich ervoor te wreken.

[11] Wat is wraak? Iemand zegt tegen een ander: Mag ik je houweel lenen? en die ander zegt: Die leen ik jou niet uit. Wanneer die laatste de volgende dag iets van hem moet lenen en vraagt: Mag ik je houweel lenen? en die ander zegt: Die leen ik jou niet uit, net zoals je hem aan mij niet wilde uitlenen toen ik het je vroeg, dan is dat een wraakneming. Maar wanneer hij komt lenen, geef hem grootmoedig en vergeld hem niet wat hij deed. Zo is het ook met vergelijkbare dingen. En zo zei ook David met zijn goede eigenschappen: ‘Indien ik zou vergelden die mij met kwaad betaalden!’ (Ps. 7, 5). 8. [12] Evenzo overtreedt ieder die wrok koestert tegen iemand uit het volk Israël, een goddelijk verbod, want er staat geschreven: ‘Gij zult geen wrok koesteren tegen de zonen van uw volk’ (Lev. 19, 18). Hoe is dat? Ruben zegt tegen Simon: Verhuur mij dit huis, of. leen mij deze os uit, maar Simon wil het niet. Wanneer Simon later van Ruben iets te leen of te huur moet hebben en Ruben dan zegt: Vooruit, ik geef het je te leen want ik ben niet zoals jij en zet het je niet betaald – wie zo doet, overtreedt het verbod van wrok. Veeleer moet men het uit zijn hart wissen en geen wrok koesteren, want zolang men de zaak blijft koesteren en het zich blijft herinneren, kan men tot wraakneming vervallen. Daarom is de Thora stipt op het punt van de wrok en eist ze dat men de zonde uit het hart wist en er niet meer aan denkt. Dat is het juiste gedrag, dat een beschaafde samenleving en de omgang van mensen met elkaar mogelijk maakt.

EINDE TRACTAAT HICHOT DE’OT, DE REGELS VAN HET GEDRAG.

NOTEN:

52. Sifre, Ekev par. 49 (p. 1 1 4-115) en vgl. bv. Ketubbot 1 1 1 b; Pesachim 49a.

53. Avot I, 4.

54. Zie ook Boete en Berouw Ill, 14 [25]; IV, 4.

55. Zie ook Boete en Berouw II, 9 [13], e.v.

56. Arachin 16b: ‘Hoever gaat het vermaan? Rav zegt: tot slaan; Shemuel tot vervloeking; rabbi Jochanan zegt: tot afsnauwen…’ Maimonides heeft hier gekozen voor de mening die het verst gaat.

57. Arachin 16b.

58. Avot Ill, 11 (14).

59. 1 Sam. 22: Doëg maakte de priesters van Nob bij Saul verdacht en doodde hen daarna eigenhandig.

60. Bv. Sanhedrin 1, 1 en Makkot 4b. Merk op dat Maimonides een nauwkeuriger onderscheid tussen de verschillende vormen van kwaadsprekerij maakt dan zijn bronnen.

61. Tosefta Pe’a I, 2 (in iets andere bewoordingen) en vgl. Arachin 15b en PT Pe’a I, 1; 15d, beneden.

62. Arachin 15b, bovenaan.

63. Arachin 15b, beneden; het laatste deel van deze uitspraak is niet overgeleverd. Maimonides denkt misschien bij degene die kwaadsprekerij aanneemt aan het lot van Saul, die Doëgs verhalen geloofde. Ook is mogelijk dat hij denkt aan het bericht van Ziba over Mefiboseth (][I Sam. 9), dat in de Talmud (Shabbat 56a-b) als kwaadsprekerij wordt opgevat en als de oorzaak van de scheuring van het rijk van David.

64. Avak leshon ha-ra, letterlijk: stof van kwaadsprekerij.

65. De Israëlieten die geloof hadden gehecht aan de slechte berichten van de verspieders, werd de toegang tot het beloofde land ontzegd.

66. De gangbare teksten lezen hier: ‘… dat een mens bij alle dingen ter wereld zijn eigenschappen verloochent’ (ma’avir + al middotaw).

Geef een reactie