POERIM

PERZISCHE NAMEN

Waar wordt Esther aangehaald in de Thora? “Ik [G’D] zal Mijn gezicht verbergen [in het Hebreeuws, ‘astir‘,]” betrekking hebbend op de naam ‘Esther.” (Deuteronomium. 31:18)

Waar wordt Mordechai aangehaald in de Thora? Als wordt vermeld, ‘….Puur mirre'(Exodus. 30:23), wat wordt vertaald [ook in het Aramees] met ‘mara dachhia’ [de medeklinkers welke samen ‘Mordechai’ spellen]. (Sefer HaKana,Sod Sheloach HaKan“)

“Esther” en “Mordechai” zijn Perzische namen, weerspiegelend de tijd waarin zij leefden. Zij waren beiden zonder moeder en vader, afstammend van Koning Saul en alleen in de Perzische verbanning. Hij was haar neef, het hoofd van het Sanhedrin, de Thoraleider van de generatie, die de verantwoording nam om haar groot te brengen vanaf haar jeugd; Hij bleef haar adviseren zelfs nadat zij was gekroond tot koningin van Perzië.

De Midrash zegt dat de Joden hun eerste verlossing van Egypte verdienden, ondanks het feit dat zij zich niet hielden aan de opdrachten van de Thora en in bepaalde mate afgoderij praktiseerden net als de Egyptenaren, door hun kenmerkende namen, wijze van kleding, en taal.

Waarom zijn dan onze Poerim helden uitdrukkelijk bekend onder hun Perzische namen? Esther ’s Hebreeuwse naam, “Hadassa”, wordt in de Megilla maar een keer genoemd en die van Mordechai geheel niet. De klassieke commentator, de Maharsha vraag zich af, hoe het dan mogelijk is dat zij redding verdienden, vooral in een periode van G’ddelijke verhulling, buiten het Land Israël en in een tijdsperiode dat de Heilige Tempel, de zetel van de G’ddelijke Aanwezigheid in deze Wereld, zelfs niet meer stond?

Om die reden vond Sefer HaKana bronnen voor deze namen in de Thora om de integrale heiligheid van de namen aan te tonen, evenzeer om wat zij ons te zeggen hebben over de hoofdkenmerken van elk persoon afzonderlijk. Esther karakteristiek was haar geslotenheid, evenzo als de verborgen hand die de gebeurtenissen in haar leven stuurde, zoals beschreven in het vers in het Boek Deuteronomium welke duidt op haar naam, indicerend dat na de verwoesting van de Eerste Tempel, G’D Zijn betrokkenheid met de existentie zal verbergen en de inwerking met de wereld op een verborgen wijze zal laten plaatsvinden. Mordechai ’s karakteristiek was zijn aard van rechtschapenheid en leiderschap zoals aangegeven door “mara dachya“, wat de geur van muskus betekent, zoals Rashi verklaart: “De pure mirre wordt bedoeld in dit vers als ‘hoofd van alle kruiden’; de rechtvaardige Mannen van de Grote Vergadering worden vergeleken met aromatische kruiden, en hun leider in deze periode was Mordechai.”

De deugd van zwijgzaamheid

Eenmaal genesteld in het paleis, bleef Esther zwijgzaam over haar familiale afkomst, zoals haar bescheiden voorvader Saul in eerste instantie verzweeg te zijn gekroond als de eerste Joodse koning. Zij wordt door de Wijzen met de Morgenster (“ayelet hashachar” geheten, zie Psalm 22) vergeleken, welke langzaam stijgt in het donkerste van de nacht, voor het dagen van het eerste licht. Zo ook, manifesteerde zich het Poerim wonder langzaam en vondplaats in de diepte van de verbanning.

Echter, Esther was niet zwijgzaam in gebed:

“Mijn G’D, mijn G’D waarom heeft U mij verlaten? Mijn heer [ in staat tot zulke wonderen zoals] bij [de splijting] van de zee, mijn Heer op de Sinaï, waarom heeft U mij verlaten? Waarom heeft de orde van de wereld zicht ten aanzien van mij gewijzigd? De schikking van de moeders? Met betrekking tot onze moeder Sara, zij werd een nacht gevangen gehouden door Pharao en hij en zijn hele huisgezin werden getroffen door een plaag….Maar ik ben al deze jaren geplaatst in de boezem van deze slechte man, voor mij doet U geen wonderen? Mijn G’D, mijn G’D, waarom heeft U mij verlaten?” (Midrash Tehiliem Buber, 22:16)

Ofschoon Esther G’D absoluut niet kon zien, was Hij ongetwijfeld de hele tijd met haar, zoals specifiek wordt aangegeven in haar naam.

Een beroep doen op de koning:

Mordechai overtuigde haar dat het haar missie was om een appel op de koning te doen het kwade decreet ongedaan te maken en zij verzocht 3 dagen Mordechai te vasten:

“[Esther zei,] En vast voor mij voor drie dagen, de 13e, 14e, en de 15e dag van Nissan. ‘Mordechai zei tot haar, ‘Maar de derde dag is Pesach!’ Zij zei tot hem, ‘Heilige man van Israël, als er geen Israël is, waarom hebben we dan Pesach nodig? …En Mordechai ging en schafte [alleen voor dat jaar] de eerste dag van Pesach af en veranderde het in een vastedag.” (otzar Midrashiem Eisenstein,pagina 51)

Vervolgens kleedde Eshter zich met een roeach van profetie, als voorbereiding voor het benaderen van de koning. Echter, de enige doorgang die leidde naar de troonzaal werd gesierd, van begin tot het eind, met afgoden en daardoor voelde zij dat de Roeach HaKodesh haar zou verlaten. Zij schreeuwde toen uit: “Mijn G’D! Mijn G’D! Waarom hebt U mij verlaten?”

Toen zijn voor Koning Achashwerosh verscheen, richtte zij in werkelijkheid haar gebeden tot G’D “nachach hamelech” wat letterlijk “tegenover de koning” betekent, maar ook tegenover de [plaats van de] Heilige Tempel. (Zohar)

[De Tikoenei Zohar verklaart dat de term “Jom Hakippoer” de Dag van Verzoening, letterlijk “een dag zoals Poerim”betekent, en brengt de opvallende gelijkenissen naar voren tussen Esther’s nadering tot Achashwerosh en de dienst van de Hoge Priester in de Tempel op Jom Kippoer: het vasten van Koningin Esther, het aandoen van speciale kledingstukken, het binnengaan in de privévertrekken van de Koning met risico voor eigen leven om redding te brengen aan het Joodse Volk, in vergelijking met het vasten van de Hoge Priester, gekleed in witte gewaden, het binnengaan van het normaal verboden terrein van het innerlijke Heilige der Heilige van de Tempel met risico voor zijn eigen leven, om verzoening en vergiffenis te bewerkstelligen voor het Volk. (Tikoen 21)

Redding

Door de deugd van haar onbaatzuchtigheid en diepgaande toewijding aan G’D, vond zij gunst in de ogen van de Almachtige en werd redding voor haar zelf en voor het gehele Joodse Volk gegeven, zelfs in de donkerheid van verbanning en met geen ander verdienste voor het volk dan hun vasthoudendheid aan de Joodse Godsdienst. Het mirakel van Poerim was een natuurlijk bedekt mirakel, waarbij de betrokkenheid van G’D niet duidelijk was en dit schijnt ook de draad en het thema te zijn door Eshter ’s persoonlijk leven, zoals aangeduid wordt door haar werkelijke naam.

Koning Cyrus had de bouw van de Heilige tempel jaren voor het Poerim verhaal toegestaan. Maar het edict werd herroepen vanwege het klagen van de Samaritanen.

Volgens sommige bronnen, ofschoon Esther bevreesd was om een zoon te hebben van Achashwerosh en alles deed om dit te voorkomen, had zij door G’ddelijke voorzienigheid een zoon Darius genaamd, de koning die uiteindelijk de Joden zou toestaan om te beginnen met de bouw van de Tweede tempel in Jeruzalem na jaren later te zijn gekroond.

Een vreugdevol Poerim

Geef een reactie