POERIEM 5762 – 2002

Er is iets vreemds aan de naam Poerim. Ten eerste, het is een Perzische naam ( betekenent “Loten” de loting die besliste wanneer Haman zijn decreet zou uitvaardigen tegen de Joden ). En ten tweede, refereert het eerder aan het gevaar waarmee de Joden geconfronteerd werden, dan naar hun eventuele redding. Bovendien is de Megilla, het boek Ester, uniek onder de boeken van Tenach door op geen enkele manier de naam van G’D te noemen. Al dit suggereert dat Poerim een symbool is van “versluiering” of “verhulling” van het gezicht van G’D. De naam “Ester” zelf gerelateerd aan het Hebreeuwse woord “Ik zal verhullen” wat voorkomt in Devariem waar G’D zegt “Ik zal Mijn gezicht zeker verhullen.” En toch is Poeriem een viering van een mirakel, een openbaring van Goddelijke voorzienigheid. De verhandeling, met het oplossen van deze ogenschijnlijke contradictie, onderzoekt het idee van een mirakel en hetzij een natuurlijke of een onnatuurlijke gebeurtenis. De onderliggende vraag van het modern denken in het bijzonder is ; betekent de verdwijning van de bovennatuurlijke openbaring dat het tijdperk van mirakels voorbij is?

1. POERIEM EN HET HEDEN

“Als iemand de Megilla leest in de verkeerde volgorde ( letterlijk, van achter naar voren ), heeft hij zijn verplichting niet vervuld.”( Mishna Megilla, beg. Hfst.2 )

De Baal Shem Tov (gequoteerd in Divrei Shalom, Parashat Bo ) legt uit dat dit refereert aan een persoon die de Megilla leest maar gelooft dat wat het verhaal zegt alleen een gebeurtenis van het verleden is ( dat wordt bedoeld met van achter naar voren, als een retrospectieve beschrijving ) en dat het mirakel van Poeriem niet het heden verdraagt.

Zo een persoon heeft zijn verplichting niet vervuld, want het doel van het lezen van de Magills is, hoe een Jood moet leren zich te gedragen in het heden.

Als dit van toepassing zou zijn op elk vers van de Megilla en de Megilla als geheel, richt het zich niettemin toch meer tot het vers welk verklaart hoe het Poeriemfeest zijn naam heeft verworven.

Want een naam voor iets is een essentieel teken van zijn karakter.

En de innerlijke betekenis van het lezen het vers, welk ons verteld van Poeriem alsof het zich alleen richt op het verleden, mist zijn eeuwig zijnde boodschap aan Israël en de Jood.

 

2. DE NAAM VAN POERIEM

Het vers ( Ester 9, 26 ) zegt: Daarom noemen zij de dagen Poeriem ( loten )de loting die besliste wanneer Haman zijn decreet zou uitvaardigen om de Joden te vernietigen.

Het woord “Poer” is geen Hebreeuws maar Perzisch ( Ibn Ezra op Ester 3, 7 . Dus de Tenach, wanneer zij het aanhaalt, vertaalt in het Hebreeuws: “Poer: dat is, de Goral (lot)”. ( Ester 9, 24 ) Waarom dan wordt het feest genoemd bij de Perzische naam, Poeriem, in plaats van de Hebreeuwse equivalent, Goralot? Alle andere feesten, inclusief Chanoeka ( de andere die geïnstitueerd door Rabbijnen ) hebben Hebreeuwse namen.

Er is nog een ander enigma. De andere feesten herinneren aan mirakels van verlossing en noemen de feiten bij hun namen. Poeriem, in plaats dat het genoemd wordt naar de verlossing van Haman’s decreet, is daarentegen genoemd naar het gevaar zelf. De loterij waarbij Haman de dag vaststelde met de intentie “om hen te verteren en te vernietigen,” G’D verbiedt.

 

3. DE NAAM VAN G’D

Een ander bijzonder kenmerk in de Megilla, het boek van Ester is, dat de naam van G’D er niet in wordt genoemd. Alle andere boeken van Tenach bevatten vele malen de naam van G’D. Deze zeer opmerkelijke omissie is suggestief voor een extreme verhulling.

Iedere Jood, zelfs wanneer hij spreekt over seculaire aangelegenheden zou als een vertrouwd iets de “de naam van G’D op zijn lippen ” moeten hebben. Zeker wanneer hij schrijft, ook over seculaire zaken, is het een universeel gebruik ( en een Joods gebruik als deel van de Thora ) met de afgekorte letters van de woorden “Met G’D’s zegen,” “Met Hemelse hulp”, of zoiets dergelijks te beginnen ( zie geheel bovenaan ). Het is daarom zeer opmerkelijk dat de naam van G’D in èèn van de boeken van de Tenach geheel verstoken is.

 

4. VERHULLING EN OPENBARING

Zoals reeds boven is aangehaald is de diepere betekenis van iets een aanduiding voor zijn naam. De naam Ester suggereert de verhulling die we aantreffen in de Megilla. “Ester” komt van de zelfde stam als “Hester”, (verbergen). En inderdaad zinspeelt het op een dubbele verberging, aangegeven in de Thora? In het vers ( Devariem 31, 18 ) Ik zal verbergen, ja verbergen Mijn gezicht. ” Maar zo is ook openbaring impliciet in de naam Megilla Ester, want Megilla betekent “openbaring”.( Thora Or, 119a, citerend Pri Etz Chayim )

Zoals we in de titel van het boek twee contradicties kunnen onderscheiden, verhulling ( Ester ) en openbaring ( Megilla ), kunnen we dat ook in het feest zelf. Aan de ene kant ligt het idee van verhulling achter de naam van Poeriem, een Perzisch woord, en een met de link naar het decreet tegen de Joden. En van de andere kant is het een feest welke in zijn wijze van viering alle andere te boven gaat en zelfs zover dat men dronken moet worden tot aan “men niet meer het verschil kan onderscheiden tussen “Gezegend zij Mordechai en “Vervloekt zij Haman” ( Megilla 7b ), een viering zonder limiet.

 

5. DE HANDELINGEN VAN ESTER EN MORDECHAI

Om deze ogenschijnlijke contradicties te begrijpen moet men een zeer speciaal karakter in acht nemen.

In de tijd van Haman’s decreet, had het Joodse volk hooggeëerde vertegenwoordigers aan het koninklijke hof. Mordechai was gewoon te “zitten aan de poort van de Koning”,( Ester 2,19 ) en onze geleerden vertellen ons, “en werd geconsulteerd door Achasferos om advies”. ( Megilla, 13a ) Bovendien had hij het leven van de Koning gered. ( Ester 2, 21:23 ) Ester was koningin en vond “gunst en genegenheid in zijn aanblik “, ( Ibid 2,17 ) Vanuit dit gezichtspunt, toen de Joden hoorden van het decreet, zou men veronderstellen dat zij als allereerste gebruik zouden maken van deze vertegenwoordigers om te proberen invloed uit te oefenen op Achasferos om het teniet te doen. Maar we zien in de Megilla dat Mordechai’s eerste handeling was dat hij “zichzelf hulde in zak en as en naar het midden van de stad ging”( Ibid 4,1 ). Hij bekeerde zich tot berouw, en verzocht bij de overige Joden dit eveneens te doen. ( Ibid 4,3 ) Daarnaar pas zond hij Ester “naar de Koning om bij hem voor haar volk te smeken en te pleiten.”( Ibid 4,8 )

Ester gedroeg zich op de zelfde wijze. Toen het nodig werd voor haar om naar de Koning te gaan, verzocht zij Mordechai als eerste “Ga en verzamel alle Joden ……en zij zullen voor mij vasten , noch eten noch drinken voor drie dagen en nachten.” ( Ibid 4, 18 ) Ester voegde hier aan toe, mijzelf inbegrepen: “Ik zal eveneens vasten.”

Het schijnt voor haar essentieel om gunst te vinden in de ogen van Achasferos. Haar binnenkomen in het hof van de Koning was “niet volgens de wet.” ( Ibid 4,18 ) Het houdt een dodelijk risico in:” iedereen…die zal komen in het binnenhof van De Koning en niet is geroepen, zal ter dood staan door wet,” ( Ibid 4, 11 ) Ester kon niet geheel zeken zijn van koninklijke gunst : ” Ik ben niet ontboden….de laatste dertig dagen”.( Ibid 4,11 ) Als dat zo is, hoe komt zij te overwegen om drie achtereenvolgende dagen te vasten, een handeling die normaal zou resulteren in het afnemen van haar schoonheid?

 

6. OORZAAK EN WERKING

De reden is dat Mordechai en Ester absoluut zeker waren dat Haman’s decreet niet een historisch accident was, maar een falend gevolg binnen het Joodse volk. (Ram Bam, Hilchot Taaniot 1,2-3.) Aangezien men niet geheel een effect ( decreet ) kan verwijderen zonder de oorzaak te vernietigen, daarom was hun eerste handeling het bijeen roepen van het Joodse volk voor berouw en vasten. Het was niet een ongedefinieerde oproep: het articuleerde naar een specifieke zonde die moest worden gerectificeerd.

De Midrash ( Jalkoet Shimoni, Ester,begin hfst.5 ) becommentarieert Ester’s woorden “en zij zullen vasten voor mij en noch eten en drinken,”met “jullie vasten omdat jullie aten en dronken aan het feest van Achasferos.”

Zij wendde zich toen tot Achasferos met het verzoek om annulatie van het decreet, omdat dat G’D er naar verlangt de mens te zegenen “door alles wat je doet ” op een natuurlijke wijze. Het gaan naar Achasferos was een wijze ( en niet meer dan dat ) om een Goddelijke voorzienigheid mogelijk te maken via de natuurlijke kanalen. De ware reden van de verlossing lag niet in de beslissing van de Koning, in vasten en berouw van de Joden. Dus ondanks dat Mordechai en Ester natuurlijke betekenissen gebruikten, lag de nadruk van hun bezorgdheid in de onderliggende spirituele oorzaken.

 

7. NATUURLIJKE EN BOVENNATUURLIJKE ZEGENINGEN

De achterliggende moraal is duidelijk. In een periode van tegenspoed zijn er, die geloven dat de eerste en cruciale stap om te proberen de situatie bestrijden, op een natuurlijke wijze moet zijn. De Megilla leert het tegengestelde : dat de beginhandeling van iemand moet zijn het versterken van de band met G’D, door leren het van Thora en het in acht nemen van de Mitswot. Alleen dan pas moet men zoeken naar fysieke kanalen door welk de verlossing kan vloeien. Als men op deze wijze handelt, zal iemands verlossing bovennatuurlijk zijn, in welk natuurlijke uiterlijk manifestatie dan ook.

Dit geldt voor beide, de individueel en de gemeenschap. De Jood is overtuigd van het besef dat hij is verbonden met G’D en dat G’D niet gebonden is aan de natuurlijke grenzen, zelfs als Hij Zijn zegeningen zend in de vorm van natuurlijke gebeurtenissen. De Mens moet dit kanaal voorbereiden “door alles wat je doet. ” Maar aangezien dit niet meer dan een kanaal is, moet zijn voornaamste streven van voorbereiding, om de Goddelijke zegen te ontvangen, zijn, het leren en het vervullen van de Thora.

De inspanning door de natuurlijke betekenis is analogisch aan het uitschrijven van een cheque, die geen enkele waarde heeft als hij niet is gedekt door geld op de bank De spirituele handelingen is het “geld.”

Mogelijkerwijs denkt men dat dit alleen van toepassing was op de periode van tijd dat G’D’s aanwezigheid zich manifesteerde: m.a.w. nu dat het Joodse volk in verbanning is ( de Babylonische ), in een staat van extreme duisternis, in plaats van openbaring, zou men wellicht denken dat G’D zijn voorzienigheid zou hebben toevertrouwd aan het domein van de natuurwetten.

 

Poeriem weerlegt deze twijfel.

Want het mirakel van Poeriem vond plaats toen de Joden in verbanning waren, “verstrooid onder de volkeren” ( Ester 3,8 ). Evenmin beëindigde het achteraf de verbanning. Maar de verlossing kwam, niet door natuurlijke oorzaken, maar doordat de Joden drie dagen vasten.

Dit verklaard waarom Poerim in zijn Perzische naam verhulling suggereert, genoemd na verwezenlijking van het decreet van Haman en in de Megilla te zijn verstoken van G’D’s naam. Het is het thuis brengen van de waarheid dat de Jood niet is gebonden aan de natuurlijke wetten, niet alleen in zijn spirituele leven en niet in zijn omgang met zijn mede Joden, maar zelfs ook in zijn relatie met de seculaire wereld: Wanneer hij is gedwongen een andere taal te spreken, wanneer decreten uitgevaardigd zijn tegen hem, wanneer hij bang is om G’D’s te schrijven, in zaken dat het ontwijdend is. ( Shoelchan Aroech, Orach Chaim, hfst.156. In de diepste verhulling, vindt men openbaring. In de Naam Megilla Ester, naast Ester ( verhulling ) is Megilla ( openbaring ) In de loting ( Poeriem ) vindt men het symbool van het onvoorstelbare, het bovennatuurlijke. Wanneer G’D zegt, “Ik zal verhullen, ja Ik zal Mijn gezicht verhullen,” zegt Hij ” Ondanks dat mijn gezicht is verborgen, kan je de “Ik” bereiken, Ik als Ik ben boven alle namen”. ( Likkoetei Thora Pinchas, 80b ) En zoals de laatste verlossing kracht geeft voor de volgende verlossing, zo zal vanuit Poeriem de Messiaanse tijd vloeien,

Wanneer verhulling zal worden gekeerd door openbaring, en “nacht zal schitteren als de dag” ( Psalmen 139, 12. ).

Geef een reactie