PESACH 5771

REVELERENDE HANDELINGEN VAN ONZE KANT GENEREREN REVELERENDE REACTIES VAN DE SCHEPPER


Rabbi Shimon bar Jochai

De volgende sectie van de Zohar verklaart de geboden die de Israëlieten kregen opgelegd in de aanloop naar de laatste definitieve plaag, die van de dood van de mannelijke Egyptische eerstgeborenen. De Joodse mannen werd opgedragen om zichzelf te besnijden en om het Pesachlam te offeren en iets van het bloed op hun deurposten en dorpels boven de deur te smeren.

Als G’D dan Egypte doortrekt om het te treffen en het bloed aan de bovendorpel en aan de twee deurposten ziet, dan zal G’D voorbijgaan en destructieve krachten geen gelegenheid geven in jullie huizen te komen en toe te slaan. (Exodus. 12:23)

We hebben geleerd dat Rabbi Jose heeft gezegd: Dit vers levert een probleem op. Kon het zijn dat alleen wanneer Hij het bloed zag, Hij het huis zou overslaan? Moeten wij daaruit opmaken dat een teken nodig was voor G’D?

Ongetwijfeld zou G’D weten welk huis een Israëlitisch huis was en welk een Egyptisch huis zonder bloed besmeurd op de deurposten.

 

En als je antwoordt dat dit noodzakelijk was in termen van het gebod van het bloed, waarom dan moest het bloed aan de buitenkant worden aangebracht in plaats van in het huis?

 

Aangezien de Israëlieten in hun verbanning al waren gezonken tot de negenenveertigste poort van spirituele onzuiverheid ( zie Ohr Hachaim, Shemot 3:7), was er zeer weinig verschil tussen hen en de Egyptenaren. Overeenkomstig gaf G’D hen twee geboden, het bloed van het Pesachlam en het bloed van de besnijdenis (Shemot Rabba.17:3), zoals het vers in Ezekiel. 16:6 stelt: “Ik sloeg je over (Pesach) en zag jullie baden in je bloed en zei tot jullie,’In jullie ´bloed’ zullen jullie leven, en in jullie ‘bloed’ zullen jullie leven,’”. Merk op dat het woord “bloed”in dit vers in het Hebreeuws in het meervoud staat, verwijzend naar het bloed van het Pesachlam en het bloed van de besnijdenis en daarom continueert het vers tweemaal met de uitspraak, “in jullie bloed zullen jullie leven”.

Zij hebben hun leven gered door het vervullen van deze twee geboden.

 

Of het bloed op de deurposten en de bovendorpels aan de buitenzijde of binnenzijde van het huis werd gesmeerd is een onderwerp van meningsverschil onder de Geleerden van de Midrash (Mechilta. Bo 6) . Dit kan eveneens geassocieerd worden met het meningsverschil over de vraag of de uitspraak in de Pesach Haggadah gelezen zou moet worden als: “Iemand is verplicht om zichzelf te zien alsof hij net Egypte heeft verlaten” (Pesach 116b) of als “Iemand  is verplicht om zichzelf te tonen alsof hij net Egypte heeft verlaten” (Rambam, Jad Chametz u’Matzah). Volgens de eerste opvatting, bevond het bloed zich aan de binnenzijde (“zichzelf zien”), maar volgens de laatstgenoemde, bevond het zich aan de buitenzijde (“tonen zichzelf”). Het schijnt echter dat de Zohar hier de mening volgt dat het bloed aan de buitenkant van de deurposten was gesmeerd.

 

Bovendien, waarom werd hen opgedragen om het bloed op drie plaatsen van de ingang aan te brengen?

“Zij zullen het bloed nemen, het aanbrengen aan beide deurposten en aan de bovendorpel van de huizen.(Exodus. 12:7)

Jullie moeten een bundeltje hysop nemen en het in het bloed dat in de schaal is dopen; dan moeten jullie iets van het bloed dat in de schaal is in aanraking brengen met de bovendorpel en met de twee deurposten en, wat jullie zelf betreft, geen mens gaat de deur van zijn huis uit tot de morgen.” (Exodus. 12:22)

Als G’D dan Egypte doortrekt om hen te treffen en het bloed aan de bovendorpel en aan de twee deurposten ziet, dan zal G’D voorbijgaan en destructieve krachten geen gelegenheid geven in jullie huizen te komen en toe te slaan. (Exodus. 12:23)

Er is geschreven, ´ Hij reveleert de diepste geheimen en mysteries. Hij weet wat in duisternis is en licht verblijft in Hem” (Daniël. 2:22). Wat is dan de reden dat Hij verlangde dat het zichtbaar zou worden aan de bovendorpel en aan de twee deurposten?

Er is echter geschreven, “G’D zal zien en worden uitgedaagd [door hun overtredingen]….(Deuteronomium. 32:19) en G’D zag dat het kwade in de mens groot was op aarde (Genesis. 6:5)  [ en besloot om de mens weg te vagen van de aardbodem]. Van deze verzen leren we dat G’ddelijke Voorzienigheid niet Boven wordt gemanifesteerd totdat een handeling Beneden is verricht. Maar wanneer eenmaal een daad of een handeling heeft plaatsgevonden, wordt de [overeenkomstige] G’ddelijke Voorzienigheid opgewekt. Dienovereenkomstig alles, of het nu goed of slecht is, hangt af van daad en handeling.

Daar alles afhangt van de daden en handelingen van degenen Beneden, hadden zij gehandeld in het verborgene, zou de G’ddelijke Voorzienigheid eveneens zich hebben gemanifesteerd op een verborgen wijze. Nu kunnen we begrijpen waarom het bloed aan de buitenkant van de huizen moest worden aangebracht. Volgens deze mening in de Zohar, leidde het gebod om [de mitzwa] in een visuele en openbarende wijze uit te voeren, tot een G’ddelijke interventie die eveneens werd gemanifesteerd op een geopenbaarde wijze.

 

PESACH SAMÉACH

 

 

Geef een reactie