PESACH

AHAVAT JISRAËL

EIGENBELANG OF GEMEENSCHAPPELIJKBELANG

Het onderwerp van deze sicha van de Rebbe, Rabbi Menachem M. Scheerson, bediscussieert de verantwoordelijkheid van elke Jood voor het fysieke en spirituele welzijn van anderen, zowel individueel als gemeenschappelijk. Het paradigma, het supreme voorbeeld van actieve verantwoordelijkheid en ware leiderschap, is onze grote leider Mozes, door het volgen van G’D’s directieven in het leiden van het Joodse Volk van slavernij naar vrijheid en in het dienst doen aan G’D.

“GA NAAR JULLIE VERANTWOORDELIJKHEDEN”

De Thora vertelt ons dat, toen in G’D’s opdracht Mozes en Aaron tegen de farao kwamen vragen om het Joodse Volk vrij te laten, “de Koning van Egypte hen antwoordde, ‘Mozes en Aaron, waarom verstoren jullie de natie? Ga naar jullie verantwoordelijkheden!’”

Bij de term ” jullie verantwoordelijkheden! ” bedoelde de Farao, hun persoonlijke inspanningen, niet het zwoegen en slaven van het Joodse Volk in het algemeen. Dit geeft aan dat de gehele stam Levie, de stam van Mozes en Aaron, was vrijgesteld van slavenarbeid die aan de rest van het Joodse Volk verplicht was opgelegd.

Nachmanides verklaart “dat het voor elke natie gebruikelijk was om Wijzen te hebben die anderen onderwezen in hun [inheemse] leerstellingen.” Ad loc.

Aan de stam van Levie was deze bijzondere status gegeven, en vrijstelling van werk omdat zij dienden als de “Wijzen en Oudsten” van het Joodse Volk. Toen de farao tegen Mozes en Aaron zei: “Ga naar jullie verantwoordelijkheden!,” bedoelde hij, naar hun rol als leraren van het Joodse Volk. De woorden van de farao impliceerden ook het argument dat Mozes en Aaron tevreden moesten zijn met hun eigen persoonlijke vrijheid en niet het volk moesten aanmoedigen om de wetten van het land te overtreden en te stoppen met hun werk. Het feit dat Mozes en Aaron te allen tijde vrij waren om het Joodse Volk te onderwijzen in de Thoratraditie, zou genoeg moeten zijn om hen tevreden te stellen.

De Zohar verklaart dat “de wijsheid van Egypte alle andere naties overtreft ( in die periode ).” Bovendien was de Farao zelf, een groot geleerde. ( Zohar Chadash II 52b )

Er ligt dus een belangrijke betekenis in de woorden van de farao. En inderdaad vertellen onze Wijzen ons dat de slavernij van Egypte zo zwaar was dat het “onmogelijk was voor een slaaf om te vluchten uit Egypte.” ( Mechilta, Exodus 18:11 )

Aangezien, volgens het Hemelse decreet, de tijdsduur van de verbanning in Egypte voor een periode van vierhonderd jaar zou zijn,( Genesis 15:13 ) dienden waarschijnlijk deze zware omstandigheden in Egypte als bestemming en volbrenging van dit decreet. Met als gevolg dat de Farao argumenteerde dat er geen enkele poging ten aanzien van de tijdslengte van de G’ddelijke verkondiging zou moeten worden gedaan. De slavernij was zo bepaald en moest continueren; Mozes en Aaron moesten zich bezighouden met aan hun toevertrouwde Thorastudie en onderwijzen.

DE ARGUMENTATIE VAN EEN VIJAND

Ondanks het feit dat dit een redelijk standpunt lijkt te zijn, moeten wij niettemin bewust zijn dat dit een argument van de Farao is, onze vijand. Had men zijn woorden geaccepteerd, dan was de mogelijkheid van vrijheid en verlossing van Egypte compleet verloren gegaan.

Want, zoals de grote mystieke leraar de Arizal het stelt, het was nodig dat de verlossing van het Joodse Volk in grote haast plaatsvond. Waren zij langer gebleven, zelfs maar voor een korte tijd, zouden zij totaal geabsorbeerd zijn geworden door het kwaad in Egypte en de mogelijkheid van vrijheid hebben verloren.

Ondanks dat de argumenten van de Farao logische lijken, zijn zij niet overweegbaar voor het Joodse Volk, met zijn mogelijkheid om de beperkingen van het menselijk intellect en de natuurlijke orde van dingen te boven te gaan. Ondanks het aanvankelijke decreet van slavernij voor vierhonderd jaar, besloot G’D de gang van de historische gebeurtenissen te versnellen door een verspringing teweeg te brengen om de verbanning te beëindigen. De bittere ervaring van slavernij, bij G’ddelijk decreet, eindigde sneller dan de Farao had aangenomen.

Deze gebeurtenis in onze historie heeft diepgaande implicaties voor elk persoon. Geen enkele Jood zou moet zwichten voor de veronderstelling dat iemand alleen maar bezorgd moet zijn voor zijn eigen welzijn en zekerheid en mag denken ” Ik heb mijn eigen ziel gered”. Noch moet hij zich overgeven aan het aannemelijk maken dat lesgeven van tijd tot tijd van Thora, de adequate betrokkenheid is met de spirituele noden van anderen. Waarom zou hij zich moeten bekommeren over de omvang van inachtneming van mitswa’s van andere Joden? Waarom zou hij proberen vast testellen of een Jood toegewijd is aan het dienen van G’D ofwel onderdanig is aan de autoriteit van een kwade Farao? Dit was namelijk de werkelijke argumentatie van de Egyptische Farao, welke radicaal door Mozes en Aaron werd verworpen.

HET UITBREKEN VAN EEN BRAND

We moeten de situatie vergelijken met het uitbreken van een brand in een huis. Niemand haalt het in zijn hoofd om te denken of hij hier wel of niet in betrokken zou willen worden. Ieder normaal mens zou proberen zo snel mogelijk te handelen in de vereiste hulpverlening om mensenlevens te redden. Als dit van toepassing is op fysieke veiligstelling, dan is het des te meer relevant dat beide, het fysieke en het spiritueel, veilig worden gesteld. Snelheid is essentieel, levens moeten gered worden.

Er is een diepzinnige schakel die alle Joden verbindt. Betreffende de aard van deze verwantschap, relayeert de zesde Lubavitcher Rebbe, Rabbi Josef Jitzchak, in naam van de Baal Shem Tov: De verplichting van liefde voor een mede- Jood is niet alleen relevant voor familieleden, vrienden en bekenden, maar strekt zich zelfs uit naar een Jood waar ook ter wereld, op een van wijze “zoals je je zelf lief hebt.” Juist zoals eigenliefde geen grenzen kent, zo moet een Jood onbegrensd betrokken zijn met zijn mede-Jood.

Rabbi Josef Jitzchak zei, dat het de fervente wens van de Mezritcher Maggid was dat hij een Sefer Thora zou willen kussen met het zelfde intense gevoel en liefde die zijn leraar, Rabbi Israel Baal Shem Tov, had voor zijn mede-Jood. Alhoewel de mitswa van Ahavat Jisraël [liefde voor een mede-Jood] een zware verplichting oplegt aan elke Jood, is ons niettegenstaande gezegd dat ” G’D Zijn schepping niet zal overbelasten.” ( Avodah Zara 3a )

Dus kunnen we er zeker van zijn dat G’D ons heeft begiftigd met de spirituele capaciteit om deze verantwoordelijkheid uit te voeren.

Maar het is noodzakelijk dat we zeer snel handelen, zelfs zonder enig uitstel. Juist zoals het in Egypte het geval was, blijft het Joodse Volk in verbanning, of verdient zij verlossing.

De verplichting van liefde en verantwoording voor iedere Jood heeft zeer diepgaande gevolgen, zelfs voor iemand wiens primaire bezigheid Thorastudie is, inbegrepen jesjiewastudenten en toegewijde leraren en geleerden. Men mag niet zelfingenomen zijn over persoonlijk prestatie en bekwaamheid, ten koste van anderen door onachtzaamheid. Aangezien alle Joden komah sheleimah zijn, één collectieve ziel, is een tekortschieting van een andere Jood, een vlek op de identiteit van de Thorageleerde. Zelfs een eminent persoon is geëffectueerd door tekortkomingen van personen die van een lager niveau zijn.

De Thora verklaart, ” Jullie staat vandaag allen voor de Eeuwige, jullie G’D: jullie aanvoerders, jullie stamhoofden, jullie oudsten en jullie rechtsbeambten, alle mannen van Jisraël, jullie kinderen, jullie vrouwen, de vreemdeling bij jou die zich in je legerkamp bev
indt, zowel houthakker als waterschepper.” ( Deuteronomium 29,9-10 )

We moeten zeer bewust zijn van het feit dat we gezamenlijk voortdurend in de aanwezigheid van G’D staan.

De “houthakker en waterschepper” kunnen niet enkel en uitsluitend voor hun mogelijke tekortkomingen verantwoordelijk worden gesteld. Integendeel, de primaire verantwoordelijkheid ligt bij de “hoofden der stammen.”

Hun argument, dat hun eigen zelfverbetering hun meest primaire belang is, is totaal onaanvaardbaar in Hemelse ogen.

Wanneer we geheel bewust en doordrongen zijn van onze “komah sheleimah,” één verenigde spirituele identiteit, zal ons dat motiveren om dienovereenkomstig te handelen, en van allen “één [perfecte] eenheid te maakt.”

We zullen dan de verdienste verwerkelijken “van het doen van UW ( G’D’s) Wil met heel het hart.”

In die tijd zal er de vervulling zijn van de Messiaanse openbaring van G’ddelijkheid: “op die dag is de Eeuwige EEN en ZIJN NAAM is EEN.” ( Zecharia 14,9 )

Likkutei Sichot, Vol. 16, pp. 29-32

Chag Sameach ve Shabbat Shalom Chol Hamoëd  Pesach 

Geef een reactie