PARSHAT WAJERA

En Hij verscheen — Genesis 18:1 – 22:24

Een van de geheimen van de kracht van het bijbelse verhaal ligt in de scherpe overgangen van een situatie naar een andere, van het idyllische en het rustige naar het tragische en het stormachtige; van het persoonlijke en intieme naar het universele en kosmische.

Aanvankelijk ( Gen.18, 1 ) worden we gebracht naar de eik van Mamre, waar een idyllische scene wordt geschilderd. Avraham zit bij de ingang van zijn tent op het heetst van de dag. Hij kijkt op, ziet drie manen die naderbij komen, en haast zich om hen welkom te heten in een authentiek oosterse stijl. ” Mijnheer, als ik u een dienst mag vragen: Alstublieft , ga uw dienaar niet voorbij.”

De thoraafdeling van deze week eindigt op een geheel verschillende toon met het tragische verhaal van het binden van Izaak om te worden geslachtofferd op het altaar. Deze gebeurtenis werd steeds met vrees en beven gelezen en herlezen en het kreeg een bijzondere betekenis in het moderne Israël dat helaas al te vaak zijn geliefde zonen als slachtoffer gebonden zag.

We beginnen met de gebeurtenis die het fijn-menselijke in Avraham in de verf zet en dat in de joodse traditie ( alhoewel niet uitsluitend daar ) Avraham gemaakt heeft tot de voorbeeldige beoefenaar van de deugd van haknasat orchiem, het verlenen van gastvrijheid aan vreemden en reizigers.

Het beeld van Avraham in deze specifieke rol werd door de rabbijnen in de Midrash uitgewerkt, waardoor veel kleur en leven aan de gebeurtenis werden toegevoegd. De gebeurtenis werd echter niet enkel overgeleverd van generatie tot generatie. Het werd ook in het dagelijks leven nagevolgd door talloze joodse families, of ze nu rijk waren of arm.

De Midrash vraagt wat Avraham deed ” bij de ingang van zijn tent op het heetst van de dag “. Een goede vraag. Het antwoord: hij had net — zoals we uit het vorige parasha weten– de operatie van de besnijdenis ondergaan en ging nu voor de eerste keer naar buiten om van de genezende energie van de ultra-violette zonnestralen te genieten.

Een tweede reden dat hij zich buiten zijn tent begaf–een nog belangrijker reden– was deze: door de ongewone hittegolf en de extra zonnestralen die de Almachtige voor Avrahams spoedige herstel op die dag had gestuurd, zagen mensen ervan af om zich op weg te begeven, zodat Avraham zonder bezoek bleef. Dit maakt de oude man zo ellendig dat hij, toen hij het niet langer kon uithouden, zich naar buiten begaf om uit te kijken naar een toevallige voorbijganger teneinde hem gastvrij in zijn huis te onthalen.

Er wordt ons verteld dat Avraham bij ” de ingang van te tent ” zat. Maar wat was zo bijzonder aan die ingang dat die bijzondere vermelding verdient? Weer een goede vraag. Het antwoord: de ingang tot de tent van Avraham waarover wij spreken was een van de vier ingangen die Avraham aan zijn tent had gemaakt. Er was namelijk een ingang aan elke zijde om er zeker van te zijn als er een vreemdeling uit het oosten kwam dat hij niet rond de tent zou moest stappen om bijvoorbeeld bij het westen de tent binnen te gaan. Avraham maakte de ingangen van zijn tent op zulke manier dat om het even van welke zijde iemand kwam, hij recht kon binnenstappen.

De plaats waar eens Avrahams tent moet gestaan hebben, de eiken van Mamre, gelegen dicht bij de stad Chalchoel op de weg van Jeruzalem naar Chevron, is op een hoogte die de verbinding vormde van alle oude wegen leidend van het oosten ( de Jordaan ) naar het westen ( de Middellandse zee ), en van het noorden ( Tyrus en Mesopotamië ) naar het zuiden ( Egypte ). Vier ingangen voor een tent op deze plaats voor alle vier de hoofdrichtingen waren wel zeer op hun plaats !

Hoe blij gestemd was Avraham toen hij zag dat er drie manen naderden. Hij wachtte niet tot zij naar hem kwamen, maar haastte zich naar hen toe komen om hen te begroeten. Hij boog zich tot op de grond en verzocht hen vriendelijk om hem te bezoeken. Avraham had er evenwel niet het flauwste benul van dat de vreemdelingen die hij begroette belangrijke personages waren, engelen, uit de hemel gezonden. Volgens de Midrash, aangehaald in de commentaar van Rashi, had Avraham goede reden om aan te nemen dat zijn gasten nomadische Arabieren waren. Hij ontving hen niet met voorzichtige achterdocht, maar behandelde hen met het vereiste respect en met sympathie.

Een chassidisch verhaal vertelt over een groot rabbijn, die arm en onbekend als hij was, vaak naar een bepaalde stad reisde waar slechts een persoon bereid was om hem logies aan te bieden. Deze persoon was een arme jood die leefde in het arme deel van de stad. Jaren gingen voorbij en de rabbi wist zich faam en fortuin te verwerven. Toe kwam hij weer op bezoek in de zelfde stad. Ditmaal echter zond de vermogende leider van de gemeenschap boden om de grote rabbijn te verwelkomen en hij nodigde hem uit om in zijn vorstelijke huis zijn intrek te nemen. De rabbi aanvaarde dankbaar de uitnodiging, maar stuurde zijn paarden naar het huis van de rijke, terwijl hij zelf onmiddellijk naar het arme huis van zijn vroegere gastheer stapte.

Toen de rijke man aan kwam lopen om aan zijn verbazing uiting te geven, legde de rabbi uit: toen ik vroeger te voet deze stad placht aan te doen, dacht uw er niet aan om me in uw huis uit te nodigen. Nu echter, nu ik met stijl in de stad aankom, in een prachtige koets getrokken door vier paarden, hebt uw me uitgenodigd. Klaarblijkelijk zijn de eerbetuigingen niet voor mij bestemd maar voor de paarden. Daarom heb ik de paarden naar uw huis gestuurd om ontvangen te worden als ” eregasten “.

Avraham had er geen idee van dat hij ” belangrijke ” gasten ontving. Voor hem was elk persoon belangrijk genoeg om alles wat hij opdat moment aan het doen was, achter te laten en te zogen voor een passende verwelkoming.

En wat deed hij op dat moment? Weer een goede vraag. Het eerste vers gebeuren geeft het antwoord : ” En de Almachtige verscheen aan hem “. Avraham was middenin een bijeenkomst met de Almachtige zelf die hem een ziekenbezoek bracht. Van het ogenblik echter dat hij de drie vreemdelingen opmerkte, liet hij de Almachtige wachten en liep hen tegenmoet.

Hieruit trekt de Talmoed ( Shabbat 127a ) een gedurfde les: ” Gastvrijheid betonen voor een gast is hoger in waarde dan het ontvangen van de Shachina (aanwezigheid van de Almachtige ).” De Almachtige geeft er blijkbaar niet om ” even in de wachtkamer te blijven ” ter wille van een reizende vreemdeling die immers, hongerig of dorstig, misschien niet kan wachten.

Twee gegevens vallen op in de wijze waarop Avraham zijn gasten ontvangt. Vooreerst deed hij zelf alles wat hem te doen stond zonder ook maar iets te delegeren aan zijn staf of zijn helpers. En ten tweede, alles wat Avraham voor zijn gasten deed, werd niet langzaam gedaan, maar haastig ( vergelijk 18, 2.6.7.) zoals het hoort bij iemand die niet enkel handelt uit plicht maar die graag doet wat hij doet.

Avraham blijft tot op de van vandaag het grote voorbeeld van haknasat orchiem ( gastvrijheid voor vreemdelingen ). Een feestelijke maaltijd in een joods huis is niet volledig als er geen gast aan het maal deelneemt.

De Talmoed ( Taanit 20b ) vertelt ons dat het de gewoonte was van Hamnoema ( een wijze uit de derde eeuw ) om niet enkel op de avond van Pesach maar ook op elke dag van het jaar, telkens wanneer hij brood brak, de deur van het huis wijd open te zetten en te verklaren: Een ieder die het nodig heeft, laat hem komen en aanzitten.

Van Avraham leren we dat zelfs wanneer we doen wat goed is, het er zeker ook op aankomt hoe we het doen. Een glimlach, het juiste gebaar, het tempo waarin de daad wordt uitgevoerd, dat alles is belangrijk in de behandeling van de vreemde, even belangrijk als de daad zelf.

Geef een reactie