PARSHAT SHEMINI

Achtste (Leviticus 9:1 – 11:47)

Op niet toegestaan voedsel rust de geest van onzuivere externe krachten, en iedereen die het eet neemt deze onzuivere spiritualiteit in zich op, wat een schadelijk effect op zijn ziel heeft. Echter, het consumeren van zuiver, toegestaan voedsel, schenkt de etende persoon op een speciale manier iets van reinheid en heiligheid die op dit voedsel rust.
Dit wordt bedoeld met het vers “De rechtvaardige eet tot voldoening van zijn ziel” (Spreuken 13:2).
Talmoed Chagiga 27 leert ons dat zo lang als de Tempel stond, de offers, die op het altaar werden gebracht, instrumenten waren om vergoeding te bewerkstelligen voor het Joodse Volk.

Heden ten dage, omdat we geen Tempel en altaar meer hebben, dient onze tafel als een instrument om vergoeding te verkrijgen. De auteur van Emek Ha-Beracha verklaart tevens dat een hemelse heiligheid rust op toegestaan puur voedsel, omdat dit direct wordt aangeduid in Leviticus 11, “Dit zijn de dieren die jullie mogen eten…maar deze mogen jullie niet eten”.

Onze wijzen zeggen dat Mozes deze paragraaf moeilijk kon begrijpen en dat G’D hem liet zien hoe de verschillende diersoorten eruit zagen (choelin 42).
Het is moeilijk te begrijpen wat Mozes’ probleem was. We konden zijn probleem indenken als het hoofdstuk dieren noemden, die hij nog nooit had gezien. Echter, de Talmoed meent dat Mozes problemen had met de reden van deze wetgeving. Hij wilde weten waarom bepaalde soorten van dieren waren toegestaan en anderen niet.

G’D liet hem de positieve spirituele impact zien wanneer mensen bepaalde dieren zouden consumeren en de negatieve spirituele uitwerking bij andere dieren. Hij toonde hem de respectievelijke invloed van deze dieren in de hogere regionen. Pas toen begreep Mozes waarom sommige diersoorten werden omschreven als “rein, en anderen als “onrein”. Dit is de esoterische dimensie van het vers “Je zult eten vóór de Eeuwige, je G’D” (Deuteronomium 14:23): dit is een verwijzing naar de “Tafel”, m.a.w een verwijzing naar het godsdienstige element van de handeling van eten.

De verzen “Prijs de Eeuwige, mijn ziel”(Psalm 104:1) en “Nadat zij de G’ddelijke verschijning waargenomen hadden, aten en dronken zij” zijn een aanmaning naar de gevolgen welke het te consumeren voedsel heeft op onze spirituele vermogens. Dit betekent, ondanks het feit dat de Israëliet voedsel consumeert wat niet eerst nadrukkelijk is gewijd als een offer, zo een maaltijd als zinvolle spirituele handeling wordt beschouwd. Daarentegen is de activiteit van het eten voor veel niet joden een totaal profane aangelegenheid.

Bij beëindiging van dit hoofdstuk (Leviticus 11), verklaart de Thora: “Om onderscheid te maken tussen het onreine en het reine…”. Wanneer we de havdala zegen uitspreken, aan het einde van de Shabbat, is de formulering: “…Die een onderscheid maakt tussen gewijd en ongewijd, licht en duisternis, tussen Jisraël en de volken…”. Dit betekent dat er (zelfs) een vitaal verschil is tussen gewone, niet priesterlijke Israëlieten en leden van de niet-joodse naties.
Het is in deze gedachte welke Vajjikra Rabba noteert, in naam van Rabbi Shimon ben Lakish, dat hij in de woorden van leviticus 11:9 een waarschuwing zag aan het Joodse Volk dat “als je het verdient, zul je de niet-joodse naties consumeren, en zo niet, zal je geconsumeerd worden door hen.”

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie