PARASHOT TAZRIA – METSORA

Zij geeft zaad – Melaatse   Leviticus. 12:1 – 13:59, 14:1 – 15:33.

 

 De Heilige Melaatse.

 

 De Lubavitcher Rebbe.

 

De Thora begint het bespreken van de symptomen en voorschriften van de metzora [“melaatsheid”] met de woorden:

 

Als een persoon [in het Hebreeuws, adam] op zijn huid, ergens op zijn lichaam een  witte vlek krijgt ……..” (Leviticus. 13:2).

 

Waar naar gerefereerd wordt in de Thora als “tzara’at” is niet melaatsheid in de zin zoals het in onze tijd medisch wordt geïnterpreteerd of enige andere fysieke ziekte. Het is een miraculeuze fysieke manifestatie van een spirituele aandoening die optreedt als een witte vlek op de huid (of kleding, of muren van een huis).

 

Het Thora gebruik van het woord “adam” in verband met de metzora, is een indicatie dat deze persoon op een subliem spiritueel niveau is.

 

De “adam-persoon” is een volmaakt iemand. Zoals de Zohar het zegt, “shlimoe d’koela, “de perfectie van alles”. Hij is opgebouwd uit alle attributen: chesed, gevoera, rachamiem en alle karakteristieken en gedragsvormen van iemand die een heerser in deze wereld is. Daarentegen wordt iemand die verbonden is met alleen een of twee specifieke eigenschappen niet een “adam” genoemd, maar, zoals Mozes, “Ish”. Ofschoon Mozes op een subliem niveau is, is desondanks het niveau van “adam” daarboven, zoals wordt beschreven in de Zohar, Tazria 48a: “De plaatsen zijn zelf van een sublieme oorsprong….. Want “adam” is iemand die alle eigenschappen bezit en daarom in staat is uit te stijgen boven zijn aangelegenheden en daden. Hij is ook in staat om zichzelf neerwaarts te verlagen. Inderdaad is de hele wereld van hem afhankelijk. (Zie ook Zohar Mishpatiem 94b)

 

Een man heeft vier benamingen in de Thora en wel in de volgende dalende volgorde:

Adam”, “Ish”, “Gever”, en “Enosh”.

 

Deze “adam” nu, die al zijn “gevestigde aangelegenheden en daden en niveaus daarboven” heeft geperfectioneerd, kan toch iets van “residu” bevatten” dat raffinage verlangt. Maar deze “residu” is alleen in het vlees van zijn huid, met andere woorden, het uiterste en meest externe aspect van zijn zelf.

 

Zijn spirituele smet veroorzaakt een miraculeuze fysieke reactie in de vorm van tzara’at. Tegenwoordig vertonen we deze symptomen niet, aangezien ze alleen relevant zijn bij iemand die bijna geheel is gepurificeerd, er is alleen een gering vleugje van ongezuiverd “residu” aan het “einde van zijn kleding”.

 

In feite zijn de vlekken zelf van sublieme oorsprong. Ze zijn dus niet object van onreinheid, totdat de priester er als zodanig over oordeelt. Tot dan zijn ze niet onrein; integendeel, ze zijn manifestaties van subliem licht, ze zijn harde oordelen uit de van sfeer van heiligheid, zoals is geschreven in Etz Chaim (Sha’ar Leah v’Rachel 7)…. verheven verwezenlijkingen van hemels oordeel….die uiteindelijk belanden in een staat van onreinheid….

 

Rabbi Mozes Cordovero schrijft in zijn Pardes (zie ook Zohar I:26, beginnend aan kant b, et al) “Naga”, letterlijk “aandoening”, (het woord dat door de Thora wordt gebruikt om de tzara’at te beschrijven), is het tegenovergestelde van “oneg”, betekenend, “verrukking”, een sublieme spirituele staat geassocieerd met het hoogste niveau, de innerlijke dimensie van keter. De Hebreeuwse letters van het woord “nega”, noen, gimel, ayin, wanneer her schikt, vormen het woord “oneg”, ayin, noen, gimel.

 

Hierover is gezegd: “Er is niets boven Oneg en niets beneden Nega.” Want ook hierin creëerde G’D het een tegenover het ander.

 

Al het heilige heeft zijn tegenhanger in het onreine zodat er uitdaging en vrijheid van keuze wordt verschaft. Het onreine equivalent wordt verondersteld de neerkomend negatieve vorm te zijn van zijn heilige tegenhanger.

 

De metzora wordt daarom voor Aaron de Priester gebracht, die de belichaming van de hemelse chesed is en die in staat is om dit licht te verheffen en het oordeel te verzachten, verzoeten door de tzara’at puur te verklaren.

 

Er zijn eigenlijk twee typen van symptomen. Een type wordt direct puur verklaard door de priester. In dit geval dient de priester om deze tzara’at “ te verzachten, verzoeten”, ofschoon dit oordeel belichaamt, toch in de sfeer van heiligheid en puurheid is.

 

Het tweede type wordt door de priester onrein verklaard. Het zijn lichten die ontstaan als verheven belichamingen van hemels oordeel, maar die uiteindelijk uitmonden in een staat van onreinheid. (Likoetei Sichot 37:35)

 

Dus, zoals eerder gezegd, treedt tzara’at vandaag de dag niet op, aangezien het een symptoom is van een feitelijk compleet raffinement van het kwaad van het innerlijke van lichaam en ziel. Heden ten dage existeert geen persoon die zo is, aangezien zelfs een zeer godsdienstig en goed iemand toch een kleine hoeveelheid van kwaad innerlijk bezit. Dit zal voldoende zijn voor hij die begrijpt. (Zie Tanya hfd.10) Gevoera….is een influx van buitengewone intensiteit die meer is dan de ontvanger kan hanteren….

 

In het algemeen is gevoera eigenlijk in zijn essentie het tegenovergestelde van terughouden. Inderdaad gevoera heeft ook de connotatie van intensiteit, zoals in “gevoerot geshamiem“, “intense [met andere woorden, overvloedige] regen” (aan het begin van Mishna Ta’aniet). Zijn essentie is een influx van buitengewone intensiteit die meer is dan de ontvanger kan hanteren. Daarom baart het uiteindelijk aan gevoera de zin van terughoudende goedheid.

 

Zo ook, is tzara’at in zijn oorspronkelijke vorm de belichaming van een intensiteit van heiligheid. Vanuit deze intensiteit wordt streng oordeel geboren zoals ze existeert in de sfeer van heiligheid, die uiteindelijk onreine symptomen baart.

 

In de menselijke dienst aan G’D, is het concept van tzara’at een heilige intensiteit die alle grenzen en beperkingen te boven gaat. Het is “voortbewegen” [ratzo” in het Hebreeuws] zonder “terugkeren” [“shov”] (Zie Ezekiel 1:14, een hunkering en ontvallen naar spirituele vervoering die niet gevolgd wordt door een terugkeer naar de fysieke wereld en de verwerkelijking van het mandaat om de fysieke wereld tot een verblijfplaats te maken voor het G’ddelijke (zie Tanchoema Naso).

 

Bijvoorbeeld, als na intens en fervent gebed, de godsdienstige er niet in slaagt om zich bezig te houden met Thorastudie, kan deze vurigheid zich verheffen tot “ strengheid” in de vorm van woede, die omslaat naar het creëren van ego en arrogantie. Thora studie, wat tiferet is (Berachot58a:” Tiferet, is het geven van de Thora”) vormt het evenwicht tussen chesed en  gevoera, ratzo en shov (Sefer Hasichot 5751, citerend Likoetei Thorta).

 

De grote kabbalist Rabbi Levi Jizchak Sneerson brengt naar voren dat het woord “hametzora” (“de metzora”) numeriek equivalent is aan “Tohoe”, de wereld van Wanorde, waar de sefirot egocentrisch en onmatig zijn. Intellect moet voorafgaan en heersen over emoties in de voor-messiaanse wereld.

 

Dus de Talmoed, in Sanhedrin 98b citeert Isaiah 53:4, die Mashiach een “metzora” noemt, want, in de Messiaanse era zal de wereld van Tohoe worden gezuiverd [door de verheffing van zijn versplinterde vonken die waren verspreid door heel de fysieke sfeer] en intensiteit en gevoera zullen suprême regeren.

 

Het uiteindelijke doel van de Schepping is de integratie van Tohoe en Tikoen, waar het intense licht van Tohoe zal worden vastgehouden in de gestructureerde vaten van Tikoen. Terwijl we momenteel onszelf gedragen op de wijze van Tikoen, zullen we de gewoonte regel van Tohoe in de Messiaanse era volgen.

 

Bijvoorbeeld, het geldende recht in joods-wettelijke zin nu, volgt de opinie van de Mishna Wijze Hillel, wiens oorsprong chesed is (Tikoen). In de Messiaanse tijd, zal het joods recht Shammai volgen, wiens oorsprong gevoera is (Tohoe).

 

Zo ook, moet intellect voorafgaan en heersen over emoties in de voor-messiaanse wereld. Dit omdat emoties heftig, buitensporig zijn en moeten worden gecontroleerd door het intellect. In de Messiaanse tijd echter, wanneer de intensiteit van emotie alleen leidt tot goede dingen, zal emotie suprême regeren vanwege zijn grotere intensiteit.

 

Vandaar dat we zien dat Jacob en Ezau van elkaar verschillen in hun opstelling van mannen en vrouwen. In Jacobs kamp gaan de mannen de vrouwen vooraf; in Ezaus kamp gaan de vrouwen voor de mannen. Want Jacob en Ezau zijn respectievelijk  Tikoen en Tohoe. In Tikoen,de huidige wereld, moeten mannen (“intellect”) vrouwen (“emoties”) voorafgaan. In de Messiaanse tijd, de wereld van Tohoe, zullen de vrouwen de mannen voorafgaan.

 

In de Tijd van Verlossing, zullen we de uittocht van alle grenzen en limitatie ervaren, een revelatie van G’ddelijkheid die alle beperkingen te boven gaat.

 

De Maharal stelt evenzo dat Mashiach een “metzora” wordt genoemd, omdat juist zoals tzara’at een bovenaards fenomeen is, zo ook Mashiach en de Messiaanse realiteit de natuurlijke en tijdelijke orde overtreft. En juist zoals de metzora is “gesepareerd” van het kampement, zo ook is Mashiach “gesepareerd” van het aardse.

 

De kabbalist Rabbi Chaim ibn Attar in zijn Ohr Hachaim  wijst eveneens op een connectie tussen de metzora en de Messiaanse era, stellend, dat de twee vogels die de metzora gebruikt in zijn purificatie proces, corresponderen met de twee Mashiachs: Mashiach, zoon van Josef en Mashiach zoon van David.

 

Mogen we inderdaad de verwerkelijking verdienen van de profetie dat “jullie Meester zal niet langer verhuld zijn en jullie ogen zullen je Meester zien” (Isaih 30:20) door ware en complete verlossing.

 

SHABBAT SHALOM    

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

Geef een reactie