PARASHOT BEHAR -BECHOEKOTAI

Op de berg / In Mijn inzettingen (Leviticus 25:1 – 26:2 / 26:3 – 27:34)

In een dubbele Thoralezing, worden de twee met elkaar verbonden aan het begin van de 4e aliya ( van de zeven gedeelten van de wekelijkse lezing ) wanneer de verzen worden gelezen van het einde van de eerste parasha en het begin van de tweede, zonder enige interruptie. De Lubavitcher Rebbe legt uit, dat we de boodschap van elk afzonderlijk en hun gezamenlijke betekenis. ook zo moeten zien.
Ten eerste, Behar, letterlijk “Op de berg”, vertelt ons, boven de inspanningen van deze wereld uit te reiken. Ondanks het feit dat wij “minder talrijk zijn onder de volkeren”(Deuteronomium. 7:7), verheft de Thora ons, wij moeten daarom niet toelaten dat de wereld een affect heeft op ons.

Parashat Bechoekotai opent met het vers”Wanneer jullie je levenswandel richt naar Mijn wetten en jullie je stipt houden aan Mijn geboden door die in praktijk te brengen” (Leviticus 26:3) wat een verwijzing is naar alle Thorageboden. Waarom dan, tot nu toe, gebruikt de Thora het specifieke woord “choekiem” voor geboden en niet de algemeen gebruikte term “mitzwa”?
“Choekiem” verwijst gewoonlijk naar de geboden die niet logisch of ogenschijnlijk te beredeneren vallen, zoals b.v kashroet (voedselwetten), of het niet dragen van kleding die is geweven uit een combinatie van wol en linnen.
Juist zoals we deze geboden in acht nemen alleen omdat G’D ze ons heeft opgelegd, zonder hun reden te begrijpen, zo ook moeten we alle geboden in acht nemen, zelfs degenen die ogenschijnlijk rationeel zijn, enkel en alleen omdat G’D ze gebiedt.

Ten tweede, moeten we ons zelf niet bedriegen door te geloven dat wij eerst elk detail in Judaïsme moeten begrijpen om volgens Thoranormen te kunnen leven. Integendeel, we moeten de geboden vervullen op een wijze van “eerst doen en dan begrijpen.” Door volharding, zullen wij uiteindelijke de level bereiken waar het aspect van Behar is gedaan op de manier van Bechoekotai, de uitdagingen van de wereld te boven komen omdat G’D het gebiedt; en Bechoekotai op de manier is uitgevoerd van Behar, alle geboden van G’D met vertrouwen en naar vermogen uitvoeren.

“Wanneer jullie je levenswandel richt naar Mijn wetten en jullie je stipt houden aan Mijn geboden door die in praktijk te brengen, dan geef Ik op de juiste tijd de regen die jullie nodig hebben zodat het land zijn opbrengst geeft en de bomen van het veld hun vruchten dragen.” ( Leviticus. 26:3-4 )
Waarom benadrukt de Thora deze fysieke beloningen? Zou het niet beter zijn om zich te richten op de spirituele beloningen in het hiernamaals? Rebbe Michal van Zlotshuv is zelfs meer verbaasd over het feit dat G’D ons überhaupt iets belooft. Is het bovendien niet zo dat wij de Almachtige moeten dienen zonder enige verwachting van tegen-beloning ( zie Spreuken de Vaderen, 1:3 )? Als we G’D dienen zonder enige beloning, doet het er niet toe wat er wordt beloofd, het dienen moet oprecht zijn en alleen worden gedaan voor Zijn belang.
Beloften verwarren alleen maar de situatie. Misschien is het beter om helemaal geen belofte in het vooruitzicht te stellen, daarmee worden waarschuwingen overbodig om G’D alleen maar te dienen met de intentie van beloning.
Zegeningen komen vanzelf voor diegenen die ze verdienen.
Als iemand ook maar iets van eigenbelang in gedachten heeft, zal hij of zij geen enkele vorm van beloning ontvangen, omdat hij of zij alleen maar het eigenbelang dient. Dit is de betekenis van de woorden: “Wanneer jullie je levenswandel richt naar Mijn wetten en jullie je stipt houden aan Mijn geboden.” Als je G’D dient op de juiste wijze, zal dat resulteren in een teken, een indicatie, dat de regen zal vallen op de juiste tijd en de aarde vruchten zal dragen. Je zult zien dat de zegeningen komen als resultaat van het doen van de geboden op de juiste manier, m.a. w alleen in het belang van de Hemel. Zoals een jonge vrouw in mijn studiegroep zei, “het is belangrijk te weten dat G’D luistert.”

Deze week was Lag B’Omer, de dag viert het einde van de plaag die de studenten van Rabbi Akiva overviel, wegens gebrek aan liefde en respect voor hun mede-Joden. Rebbe Shmuel Shmelke van Nicholsberg legt uit hoe men van een medepersoon kan houden die je kwaad heeft aangedaan. Wij allen zijn één integrale entiteit, omdat we allen een klein deel zijn van de organieke ziel van Adam, de eerste mens.
We kunnen vergeleken worden met delen van één lichaam. Één is een deel van de hand , en één van de neus,etc. Soms doet iemand iets zonder bedoeling, iets morsen op zijn voet of in een plas water lopen. Als we dan een stok nemen om wraakzuchtig het zondige lichaamsdeel te slaan, zouden we echt in pijn hebben. Zo is het ook met iemand die je kwaad heeft aangedaan. Het is alleen omdat er een gebrekkig begrip is, hoe wij allen met elkaar zijn verbonden.
Als we zouden reageren op de zelfde wijze, doen wij onszelf meer schade aan.
Eerder moeten wij ons zelf er aan herinneren dat we verdienen wat wij krijgen en de Almachtige heeft vele boodschappers.
En als dit niet toereikend is, moeten wij proberen te mediteren over het idee dat de ziel van de andere persoon, letterlijk een deel van G’D, zo diep is gezonken in het doen van onplezierige dingen, dat wij barmhartigheid zouden moeten tonen voor Zijn heilige vonk.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie