PARASHOT ACHARÉ MOT- KEDOSHIEM

Na de dood- Heilig.  Leviticus. 16:1 – 18:30, 19:1 – 20:27


De spirituele oorsprong van de offers van Cain en Hewel (Abel) verduidelijken de esoterische waarheid van verboden vermenging.


Geschriften van Rabbi Jitzchak Luria

Het Thora gedeelte van deze week bevat de mitzwa betreffende het verbod op het vermengen van wol en linnen, bekend als “shaátnez

Het verbod op “shaátnez” wordt uitgelegd in de context van de esoterische dimensie van de overtreding van Cain en Hewel. In deze context wordt de mystieke essentie van wol en linnen en hun plaats in de spirituele hiërarchie ook verklaard.

Cain en Hewel waren zonen van Adam en Chava (Eva). Na de verdrijving uit de Tuin van Eden, werkte Cain als landbouwer en Hewel als herder. Cain bracht G’D een offer van zijn gewassen en Hewel een offer van zijn kudde, maar G’D accepteerde het alleen het offer Hewel. Er zijn een aantal verklaringen waarom dit zo was, maar hier richt zich de uitleg op het feit dat Cain’s offer van linnen was.

Het is bekend dat onze geleerden hebben gezegd dat als iemand zijn veld verpacht aan een ander persoon voor zeven jaren [of minder], de laatstgenoemde het niet mag zaaien met vlaszaad (Bava Metzia 109a). De reden hiervoor, verklaart de Talmoed, is dat vlas de energie van de aarde uitput en dat het zeven jaar duurt voordat het zich heeft hersteld.

Onze Wijzen noemen de vlasplant bovendien een “boom” type, omdat er is geschreven “….en verborg zich te midden van het vlasbos” (Joshoea. 2:6)

Esoterisch refereert de bovenstaande uitspraak, de energie van de aarde, aan het innerlijke vermogen van de sefira van Malchoet, zoals is geschreven, “….een offer aan G’D van de vruchten van de aarde” (Genesis. 4:3).

Een van de benamingen van Malchoet is “aarde”, aangezien Malchoet de laagste sefira is en dus het “grond” niveau is van elke wereld. Bovendien, de G’ddelijke energie van de hogere sefirot is “gezaaid” in de “grond” van Malchoet, voortbrengend en vruchtgevend in de daarop volgende wereld.

Weet dat alle vegetatie en bomen manifestaties zijn van Malchoet van Yetzira.

De vier werelden (Atziloet, Beria, Yetzira en Asiya) correleren respectievelijk met de vier “koninkrijken” van het geschapene: mens, dier, vegetatie en mineraal. Dus het vegetatieve koninkrijk is geworteld in de wereld van Yetzira. Thematisch is dit zo omdat Yetzira de wereld van emoties is, die “groeit”en “tot rijpheid” komt door deugdzaamheid van het licht van het intellect dat op hen, de emoties schijnt.

Omdat het vegetatieve koninkrijk allegorisch de wereld van Yetzira is, is de grond waarin het plantenleven groeit, allegorisch de Malchoet van Yetzira.

De energie van de aarde is de spirituele kracht die Tiferet in haar achterliet toen hij haar als eerste tot een houder, een vat maakte. (Zohar II:101b)

De Wijzen zeggen dat “een vrouw alleen een overeenkomst aangaat met iemand die haar tot een houder, een vat maakt”(Talmoed, Sanhedrin 22b), met andere woorden, met haar eerste echtgenoot die haar heeft ontmaagd en haar tot een ontvanger van zijn zaad heeft gemaakt. De wijzen zinspelen hier op een psychologische transformatie die plaats vindt in de vrouw als zij voor de eerste keer een huwelijkse relatie ervaart, die gedeeltelijk zal worden verhelderd in deze passage, waarin deze spirituele kracht wordt geïdentificeerd als Daát.

Tiferet refereert hier aan Zeir Anpin in het algemeen en Malchoet aan Noekva.

Meer gedetailleerd, het is de Naam Ban, [de Naam Havayah letter voor letter gespeld hebbend de numerieke waarde van 52], en het is in haar Yesod. Om deze reden wordt het een “boom”genoemd.

De innerlijke energie van Noekva wordt gerepresenteerd door de Naam Ban.

Cain nu, verhief de letters die gebruikt worden om deze letter voor letter gespelde Naam Ban aanwezig in Malchoet tot aan Tiferet, als “feminiene waters”. De overtreding was dat deze Naam altijd in Malchoet moet blijven om “feminiene waters” te verheffen, zodat [Malchoet] het Hemelse Licht kan ontvangen als “masculiene waters”, beide blijven in haar.

“Masculiene waters” en “feminiene waters” zijn in Kabbalistische begrippen voor respectievelijk “opwekken van Boven” en “opwekken van Beneden”. Zoals we eerder hebben gezien, verlangt het ingeboren vrouwelijk principe naar vereniging met het mannelijke principe, om de vrouwelijke drang tot concretisering van G’ddelijk bewustzijn te verbinden met de mannelijke drang in de wereld tot steeds meer abstracte en verheven niveaus van G’ddelijke bewustzijn. Zonder verjonging door het mannelijke, verliest het vrouwelijke de inspiratie en bezwijkt aan de “gravitatie” invloed van de fysieke realiteit die zij aanvankelijk streeft te overwinnen.

Doch Cain was niet enkel van plan om de “feminiene waters” te verheffen, maar eerder in zijn geheel te verwijderen van Noekva, helemaal teruggeven aan hun oorsprong in Zeir Anpin zelf.

Cain trachtte het vrouwelijke, bij wijze van spreken, te transformeren naar het mannelijke, daarbij zijn G’ddelijke missie en bestemming opgevend, als aandrijving tot concretisering van G’ddelijk bewustzijn in de wereld, en daardoor blijvend in de abstracte sfeer van Zeir Anpin, de emoties per se.

Dit is de esoterische en mystieke analogie van vlaszaad die de energie van de aarde uitput voor zeven jaren. De “energie van de aarde” is de Naam Ban, die de innerlijke G’ddelijke kracht van Malchoet is. Vlaszaad haalt alle energie uit de zeven lagere sefirot die in haar schuilt en verwijst hier naar zeven jaren.

Shabbat Shalom             

Geef een reactie