PARASHAT WEZOT HABERACHA

En dit is de zegen (Deuteronomium 33:1 – 34:12)

De laatste daad van Mozes vóór zijn dood is de zegening van het volk.

“En dit is de zegening waarmee Mozes, de man van G’D de kinderen van Israël vóór zijn dood zegende” (Deut. 33, 1). Daarop volgt een poëtische toespraak waarin Mozes zich richt tot de Israëlieten als geheel en tot elke stam in het bijzonder.

Vele epitheta en titels werden aan Mozes toegekend in de loop van zijn lange carrière. Nu, kort vóór zijn dood, wordt hij voor de laatste keer betiteld als 'Ish Ha-'Elokim, man van God. Ik geloof dat hij zo werd genoemd, niet zozeer om uitdrukking te geven aan zijn relatie met de Almachtige, maar veeleer om te onderlijnen dat hij, ook nu, “mens” (ish) bleef. Dichter bij de Almachtige dan ooit tevoren en op het punt om deze aardse wereld te verlaten en de eeuwige te omhelzen, concentreerde Mozes zich niet op zichzelf, zijn leven in overweging nemend in voorbereiding op de ontmoeting met zijn Maker. Ook op dit ogenblik gaat zijn aandacht uit naar de kinderen van Israël, die hij zegent. Van goddelijkheid doordrongen, blijft hij niettemin tot zijn laatste ademtocht een mens onder mensen, een menselijk wezen met de kostbare kwaliteit die het Jiddisch op onvertaalbare wijze weergeeft als a mentsch.

In zijn zegening neemt Mozes (net zoals zijn voorvader Jakob vóór zijn dood) niet allen tezamen. De zegeningen zijn integendeel afgestemd op ieder van de stammen afzonderlijk en hebben betrekking op hun particuliere geschiedenis en karakteristieken.

Wanneer hij de zegening beëindigt, gaat Mozes naar de top van de berg Nevo om een laatste blik te werpen op het land waaraan hij zijn leven had gewijd. Naar dit land had hij zijn volk geleid. Hijzelf zou het niet kunnen betreden. Thora vertelt ons niet wat Mozes' reactie was toen hij het Land van verre zag. Hield hij van wat hij zag? Was hij tevreden over deze blik op het Land in vogelvlucht? Was hij bitter gestemd omdat hij er zelf niet heen kon gaan? Hieromtrent vernemen we geen woord, zodat we het antwoord op al deze vragen nooit te weten zullen komen. Blijkbaar bleef Mozes sprakeloos, opgeslorpt door het zicht van het Land. Alles wat we weten is dat de Almachtige, die hem als “gids” diende op dat moment, geen deel selecteerde om interessante plaatsen te laten zien. Hij toonde Mozes het hele land: ,,Gil'ad tot Dan en heel Naftali en het gebied van Ephräim en Menashe, het gebied van Jehoeda tot de zee in het westen, de Negev, de jordaanstreek, de vallei van Jericho, de palmenstad, tot Tso'ar toe” (Deut. 34, 1-3). Welk een intensieve uitstap! Nu het hele land onuitwisbaar in Mozes' geest gegriefd was, kon hij in vrede sterven.

“En Mozes, de dienaar van de Almachtige, stierf daar in het land van Mo'av, volgens het woord (al pi', letterlijk door de mond) van de Almachtige” (vers 5). De rabbijnen verklaarden (met Rashi) dat Mozes stierf door de goddelijke zoen, mtat neshika. De goddelijke zoen die Mozes' dood pijnloos en vredevol maakte, was het zicht van Éréts Jisraeel welke op dat ogenblik voor zijn ogen zweefde.

Mozes was niet de enige joodse leider die naar zijn eeuwige rust ging met de herinnering aan en de aanwezigheid van het Heilige Land. Er is een oud gebruik dat door vele joden in choets la-aréts, buiten Israël, gevolgd wordt om een zakje aarde uit het Heilige Land klaar te hebben, dat over de ogen kan gespreid worden onmiddellijk nadat de laatste adem naar de Maker is teruggekeerd.

Het zicht en de landschappen van 'Erets Yisraeel vergezelden joden tijdens hun leven en in hun dood, zelfs wanneer ze buiten het Land waren. Het landschap van het Heilige Land in de vorm van een schilderij of borduursel was in het joodse huis steeds een gewenste versiering. Sommigen laten zelfs een lege plek op de muur als voortdurende herinnering aan Jeruzalem, dat pijnlijk gemist en met liefde herinnerd wordt.

Avraham Moshe Luntz, een van de deskundigen in de moderne studie van Israël uit de vorige eeuw, was gespecialiseerd in de geschiedenis en de aardrijkskunde van het Land, in het bijzonder van Jeruzalem. Hij was een vermaard geleerde en gaf bijna vijftig boeken uit over dit onderwerp waarvan de meeste nu honderd jaar later nog steeds waarde hebben. Luntz was ook gids voor belangrijke gasten in Jeruzalem, en deelde blij met hen de rijke schatten van zijn kennis en zijn liefde voor de stad. Toen hij vijfentwintig jaar oud werd, kreeg Luntz van de dokters te horen dat hij een ernstige oogziekte had opgedaan die in Jeruzalem in die tijd veel voorkwam.

Zijn gezichtsvermogen zou hij op korte termijn verliezen. De dokters adviseerden Luntz om voor een chirurgische ingreep naar het buitenland te gaan teneinde zijn gezichtsvermogen te redden. Vóór hij zich op reis begaf naar Wenen om geopereerd te worden, bracht Luntz tien dagen door op de daken van Jeruzalem. Hij nam in zich de gezichten van de stad op welke hij zo goed kende en zo innig liefhad. Zes maanden later keerde hij uit Wenen terug. De operatie was niet succesvol verlopen en Luntz was thans volkomen blind. De volgende vijftig jaren wijdde hij aan het schrijven van zijn boeken en het leiden van bezoekers door de stad. Hij, de blinde man, toonde hen elke straat en steeg en elke hoek, en verstrekte hen uitleg. Hij zag dit alles niet met materiële ogen, maar met het geestesoog. Men verwonderde zich over deze John Milton” van Jeruzalem, die het “paradijs” met zich ronddroeg dat hij nooit verloor, zelfs niet nadat hij niet meer kon zien. Slechts toen verstonden ze het Hebreeuws-Aramese eufemisme voor de blinde, “sagi nahor”, wat betekent “vol licht”.

Na dertig dagen rouw (Deut. 34, 8) (dit is de bron van shloshiem, dertig dagen van rouwen in de joodse traditie) wordt Jehoshoe'a de Ieider, die de grote opdrachten zal uitvoeren welke thans voor het volk liggen: het veroveren en beërven van het Land.

Thora getuigt dat de nieuwe leider “Jehoshoe'a, de zoon van Noen, vol was met de geest van wijsheid” (vers 9) en bereid om de verantwoordelijke taak op zich te nemen. Zijn wijsheid kwam wellicht voornamelijk tot uitdrukking in de volgende constatering: “en er stond in Israël geen profeet meer op als Mozes”. Jehoshoe'a realiseerde zich in zijn wijsheid dat, al nam hij de taak van Mozes over, hij nooit zoals hem zou zijn.

Een groot wonder was dat “de kinderen van Israël luisterden” naar Jehoshoe'a. Er waren er die klaagden en Jehoshoe'a minder belangrijk achtten dan Mozes. Bij vergelijking leek de een op de zon, de ander op de maan. Niettemin “luisterden de kinderen van Israël”. Zij begrepen dat Mozes niet langer meer bij hen was en dat het niet fair en niet realistisch is om de hedendaagse leiders te vergelijken met de reuzen van het verleden.

Jehoshoe'a moest er ook aan herinnerd worden dat hij niet moest zijn zoals Mozes: hij moest enkel zichzelf zijn. Daarom begint zijn eigen boek in de Bijbel met de Almachtige die zich tot Jehoshoe'a richt met de woorden: “Mijn dienaar Mozes is dood” (Jeh. 1, 2). Wist Jehoshoe'a dit niet? Natuurlijk wist hij dat, maar hij moest zich bewust worden van het feit dat men niet kan teruggaan naar het verleden en dat men niet moet terug verlangen naar het leiderschap van Mozes. Mozes is dood en “nu is het aan u om de Jordaan over te steken, gij en heel dit volk, naar het Land dat Ik aan hen, de kinderen Israël, geef”.

Geef een reactie