PARASHAT WE’ERÁ

Ik ben verschenen (Exodus 6:2 – 9:35)

Toen G’D Mozes tot Zijn boodschapper maakte, openbaarde Hij aan hem dat er diverse niveaus van heiligheid in de Celestische sferen zijn, één boven de ander, en dat Hij in Zijn hoedanigheid van de Onuitspreekbare Naam, veranderingen in de natuur kan bewerkstelligen en evenzo, als dat nodig is, het hele planetaire systeem kan herordenen. Hij openbaarde aan Mozes de extensie over al het gebeuren in onze wereld waarover Hij supervisie uitoefent.
Hij stelde Mozes in kennis van alle aspecten van Zijn vermogens welke boven alle andere “zogenaamde krachten”, uitreiken.
Dit alles ligt besloten in de verzen 9:14 en 9:29, aan het einde van onze parasha, namelijk: “………ba awoer teeda kie een kamonie bechol ha arets”, “opdat u zult weten dat er niemand op de gehele aarde is als Ik”; “……..lema an teeda kie lejoet keef wav keef ha arets”, “opdat u zult weten dat de aarde aan de Eeuwige behoort.”
De Thora waarschuwt ons dat we al deze dingen heel goed moeten beseffen, het is absoluut niet toereikend om het als een traditionele visie te zien. Dit wordt zeer duidelijk benadrukt in Deuteronomium 4:39: “wejadata`hajom wahasheewotaa el-wawecha kie joet keef wav keef hoe ha elokiem mima al we al ha erets mitachat een od”, “Daarom moet je heden tot de erkenning komen en het je ter harte nemen dat de Eeuwige de G’D is in de hemel daar boven, zowel als op aarde hier beneden, niemand anders. De uitdrukking “wahasheewotaa el-wawecha”, “je tot de erkenning komen en het je ter harte nemen”, is een verwijzing naar het begrip teshoewa, berouw, in de zin van terugkeren.
Het hebben van de kennis, over het vermogen van G’D, tentoongespreid ten behoeve van Israël, vormt en grondvest een hechte verbinding met de individuele Jood en zijn G’D, en fungeert als een sterke stimulans naar het doen van teshoewa.
In Psalm 91,14 vermeldt Mozes, dat toen G’D hem als boodschapper zond, om de Israëlieten verlossing te brengen, dat dit een blijk van Zijn genegenheid voor hem was. Aanleiding van deze genegenheid van G’D voor Mozes is het citaat “kie jada shmie”, “omdat hij Mijn naam kende.”
De zondaar doet precies het tegenovergestelde; hij verwijdert zichzelf van G’D.
Ons wordt gezegd in Jesaja 59,2: “Want je onrechtvaardigheid heeft een separatie teweeg gebracht tussen Mij en jou.”
Als iemand een verwijdering teweeg heeft gebracht tussen zichzelf en G’D en opnieuw toenadering wenst tot Hem, moet hij teshoewa doen. Teshoewa is een handeling van inkeer, teruggaan en zijn band met G’D hernieuwen.
Deze terugkeer heeft zijn origine in het hart, daarom gebruikt de Thora in Deuteronomium 4,39 de uitdrukking ”wahasheewotaa el-wawecha,” “je tot de erkenning komen en het je ter harte nemen.”
Deze concepten worden aangegeven in onze parasha, namelijk, dat de zware arbeid en foltering die het Joodse Volk moest doorstaan in Egypte (zoals wordt beschreven in de vorige parasha), het externe ondergaan is van teshoewa. In onze parasha ligt de benadrukking op het innerlijke ondergaan van teshoewa, welke voortvloeit, uit een oprecht hart.

G’D spreekt in 7,2, over het verharden van Farao’s hart “zodat Ik mijn tekenen en wonderen in Egypte zal moeten vermeerderen,” iets waar vroegere commentatoren veel moeite mee hadden. Zij konden niet begrijpen waarom G’D de keuzevrijheid van Farao ontnam en hem op het zelfde moment strafte voor het niet hebben van berouw. We weten dat G’D eerlijk en rechtvaardig is, daarom lijkt het incompatibel met G’D’s eerder verklaarde eigenschappen dat Hij zou kunnen continueren op zo’n dergelijke wijze.
Laat ons kijken naar de benadering van Rashi, wiens woorden zijn gebaseerd op onze geleerden.
De tekst in Rashi luidt als volgt: “Gezien het feit dat Farao tegen Mij zondigt en rebelleert en Mij realiserend, dat de naties van de wereld geen serieuze intenties hebben om tot Mij terug te keren in penitentie, wil Ik dat zijn hart zich verhardt opdat Ik Mijn mirakelen in een verhoogde mate tegen hem kan uitvoeren, zodat jullie allen Mijn machtige daden zullen erkennen…….
Ondanks dit vinden wij nergens dat G’D interfereert met Farao’s hart gedurende de eerste vijf plagen.
Het zegt alleen: “Farao’s hart bleef hard” (8,15).

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie