PARASHAT WAJISHLÁCH

En hij zond (Genesis 42:4 – 36:43)

TWEE BROERS

De chassidische Rabbi Schneur Zalman van Liadi interpreteert de diepere betekenis van Jaákov’s confrontatie met Esau, weergeven in het drieëndertigste hoofdstuk van Genesis, als volgt:

Twintig jaar eerder had Jaákov moeten vluchten naar Charan omdat zijn broer Esau het verlangen had om hem te doden. Nu gelooft hij dat Esau bereid is tot verzoening. Maar de boodschappers die hij naar zijn broer zend, rapporteren dat Esau nog steeds haat en moorddadige gevoelens koestert. Jaákov past een driedelige strategie van handelen toe: gebed, verzoening, oorlog. Eerst bidt hij om G’D’s bescherming en hulp. Dan zendt hij een enorme hoge gift naar Esau om hem gunstig te stemmen. Ten slotte bereidt hij zich voor op een eventueel gevecht.

Wanneer de twee broers elkaar ontmoeten, toont Esau zijn hart.

Hij omarmt Jaákov en nodigt hem uit om met hem samen te verblijven in zijn koninkrijk Se’ír. Jaákov’s antwoord is misschien wel het meest gecompliceerde aspect van het gehele gebeuren: hij maakt het excuus dat, ” de kinderen zwak zijn en dat ik voor het zogende klein en rundvee moet zorgen; zou men ze één dag opjagen dan gaat al het vee dood. Alstublieft, laat mijn heer toch voor zijn dienaar uitgaan….” Dan belooft hij, “terwijl ik langzaam- aan wil voorttrekken, aangepast aan het vee dat vóór mij is en aangepast aan de kinderen, totdat ik naar mijn heer, naar Se’ír kom.” Nochtans vinden we deze belofte van Jaákov nergens terug.

Hij vestigt zich in Hebron en meer dan dertig jaar laten verplaatst hij zich naar Egypte waar hij de laatste zeventien jaar van zijn leven doorbrengt. Onze geleerden leggen uit dat Jaákov refereert aan de Messiaanse tijd, wanneer de uiteindelijke ontmoeting tussen Israël en Se’ír zal plaats vinden. (Rashi, Genesis 33:14)

Jaákov, verklaart Rabbi Schneur Zalman, de “geestelijk gezonde, op zichzelf staande mens” en ” een ingetogen mens, een tentbewoner,” (Genesis 25:27) representeert het correctief van Tikkoen. Esau, de schalkse materialist, “een man van het veld” en “een kundig jager”, (Ibid) verpersoonlijkt de wereld van chaos Tohoe, een grove inferieure en onbestendige wereld, met de oneindige potentie van goedheid in zich. De wereld van Tohoe leidt naar destructie, de wereld van Tikkoen leidt naar het ordelijke en het constructieve, aar benodigdt het enorme energieke vermogen van Tohoe. Tikkoen en Tohoe de twee niveaus van realiteit.

Het uiteindelijke doel van de mens is het beste te verkrijgen van beide, het immense vermogen van Tohoe transformeren naar Tikkoen tot een coherent constructief vermogen.

Jaákov’s levenstaak was om constructief het potentiële vermogen van zijn broer te ontketenen, dit was voor hem de sleutel voor de uiteindelijke verlossing, de uiteindelijke fusie van Tohoe en Tikkoen. Daarom geloofde Jaákov dat Esau bereid was zijn “immens licht” om te buigen naar de ” beheerste houder” die het samen zal laten komen en verder zal dirigeren, hij voelde dat de tijd van de uiteindelijke reis naar Se’ir was aangebroken.

Toen Jaákov zich realiseerde dat Esau nog steeds zijn vijand was, begon hij met de drie handels-wijzen die we moeten volgen in de realiteit en omgang met deze materiële wereld, gebed, verzoening, eventueel gevecht. We moeten ons realiseren dat wij dit niet op eigen kracht kunnen doen, een beroep op de Almachtige voor leiding en vastberadenheid is nodig. Tegelijkertijd moeten we omgaan met de wereldse condities en bereid zijn onze tijd, energie en hulpmiddelen aan te wenden om te trachten deze wereld te verbeteren en te verheffen. En we moeten onophoudelijk waakzaam zijn en bereid te gevecht tegen zijn negatieve invloeden.

Jaákov’s inspanning wierp vruchten af. Esau’s vijandigheid was getemperd, een begin van een relatie tussen de broers was bewerkstelligd. Maar deze ontmoeting met Esau liet zien dat deze oerpuin van de wereld van chaos nog een lange tijd heeft te gaan.

“De kinderen zijn zwak”, het project zal niet in de tijd van Jaákov’s leven gecomplimenteerd worden. Het volk Israël, “zal langzaam aan voorttrekken, volgens de tred van het werk”, eeuwen van werk rest voor ontwikkeling en zuivering van de materiële existentie om zijn glorieuze potentie te verlichten.

Één van de meest opmerkelijke dingen van Rabbi Schneur Zalman’s uitleg van de Jaákov-Esau ontmoeting is het feit dat toen Jaákov aanvoelde dat Esau rijp was voor verlossing, hij geloofde dat de uiteindelijke verlossing nu verwezenlijkt zou kunnen worden.

Dat de historische cyclus kon worden afgesloten en een nieuwe dageraad van harmonie en perfectie zou aanbreken.

Maar wat over de rest van de wereld? Zag Jaákov niet de oorlogen, het barbarisme, de jaloezie en hebzucht waar de mensheid nog steeds van doordrongen was? Hoe kon hij geloven dat de Messiaanse tijd imminent was?

Daarin ligt één van de eeuwigdurende lessen van het Jaákov-Esau verhaal in opgesloten. Elk van ons heeft zijn”aandeel in de wereld”, het afzonderlijke individuele segment van de samenleving en fysieke grond die hem is toegewezen als centrum van zijn levenswerk. De lokatie in welke wij ons bevinden, de gemeenschap waarvan wij deel uit maken, onze talenten en begaafdheden die onze pogingen leiden zijn niet toevallig of stom geluk. Zij vertegenwoordigen de specifieke sector van G’D’s schepping dat aan ons is toegewezen om te ontwikkelen en te perfectioneren.

Jaákov’s taak in het leven was om Esau’s chaotisch potentieel te zuiveren en te ontwikkelen. Zou dit inderdaad zijn verwezenlijkt, was de complete en uiteindelijke verlossing gerealiseerd.

Dit is Jaákov’s boodschap aan elk van ons: wat buiten je controle gebeurt is niet je belang. Het kwaad wat je ziet in de wereld moet je niet ontmoedigen, het is maar oppervlakkige vervorming van de werkelijkheid. Onder dit vernis ligt de ware wereld: een goede en perfecte wereld die de goedheid en perfectie van zijn Schepper weerspiegelt, een wereld gereed om tot licht te komen bij de geringste aansporing. Je belang is je “aandeel in de wereld” daarin ligt de plicht om je invloed uit te oefenen. Één enkele positieve handeling van jouw aandeel kan het potentieel voor perfectie in elke schepping ten gevolge hebben en brengt historie tot zijn goddelijk geordende climax.

In de woorden van Maimonides: “De mens moet zichzelf als een gelijke balans zien: half goed en half kwaad; zo zou hij ook de wereld moeten zien…..zodat door één enkele goede daad de weegschaal voor hemzelf, en voor de hele wereld, overhelt naar de kant van het goede.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie