PARASHAT WAJISHLACH

En hij zond – Genesis 32:4-36:

“Wie wenst te weten welke tactiek hij moet gebruiken wanneer hij te maken heeft met een niet joodse koning of heerser,” zegt Rabbi Jonatan, een rabbi die in het door de Romeinen bezette Palestina van de derde eeuw leefde, “moet de Bijbelsectie nader bestuderen welke handelt over de ontmoeting van Jacob en Ezau” ( Midrash ).

Inderdaad bieden de gedetailleerde voorbereidingen van deze ontmoeting, de nauwgezette planning van elke stap die daartoe leidde en tenslotte de diplomatieke uitspraken van Jacobs boodschappens uitvoerig materiaal voor elke les in strategische planning ter voorbereiding van een riskante ontmoeting met een eventuele vijand.

De geringste beweging tijdens een dergelijke confrontatie kan leiden tot blijvende vrede of tot totale oorlog en moet derhalve voorzichtig afgewogen worden.

Soms is de enigste weg om vrede te bekomen: tonen dat men bereid is om oorlog te voeren. Maar hoe is men er zeker van dat men alles onder controle heeft? Als men probeert tot vrede te komen, moet men extra vriendelijk zijn bij het benaderen van de vijand en bereid zijn om concessies te doen van allerlei aard.

Maar hoe kan men er zeker van zijn dat deze houding niet geïnterpreteerd wordt als een teken van zwakheid, waardoor de positie van de potentiele vijand alleen maar wordt versterkt?

Velen generatie die vaak te maken hadden met vijandelijke heersers, poogden antwoorden te bieden op deze en andere vragen in het verhaal van Jacob wanneer hij zich op weg begeeft naar zijn van hem vervreemde broer Ezau.

Ze lazen de hoofdstukken 32-33 in Genesis, en poogden richtlijnen te vinden voor de eigen netelige positie waarin men met de Ezaus van alle tijden te maken had. Ze geloofden in het gezegde “de daden van de ouders zijn een teken voor hun kinderen”, en bekeken elk woord in de Bijbel van dichtbij.

Niettemin kopieerden ze het voorbeeld van Jacob niet blindelings, zonder zich vragen de stellen. Vaak vermaten ze zich om het niet eens te zijn met hem en bekritiseerden zelfs openlijk zijn daden, wanneer deze niet in overeenstemming schenen met hun eigen temperament en de gegeven historische situatie.

Zo lezen we in Midrash Rabba ( 75, 11 ): ” Op het ogenblik dat Jacob zich tot Ezau richtte als ‘ mijn heer’, zij de Heilige gezegend zij Hij: ge verlaagt u acht keren [Gen.32,5.6.19;33,8.13.14. en 15] door Ezau aan te speken als ‘mijn heer’, daarom zult ge verlaagd worden doordat er acht Koningen in Edom zullen zijn vóór elke koning in Israel [ zie Gen. 36, 31 ].”

De rabbijnen bekritiseerden Jacob niet alleen omdat hij Ezau vleiend benaderde door zich zelf voor te stellen als “uw dienaar” en hem kwistig gaven te schenken, maar ook omdat Jacob om Ezau’s toestemming vroeg teneinde zich in het land te vestigen waaruit hij eerden gedwongen was te vluchten. Terwijl sommige rabbijnen uiting gaven aan hun mening dat Jacob niemand’s toestemming nodig had om naar huis terug te keren, stellen anderen dat wij van Jacob kunnen leren hoe men moet leven met politieken realiteiten zoals ze zijn.

Klaarblijkelijk is het zo dat, in tijden van moeilijkheden en spanning tussen de Romeinse overheersers van het land Israël en de Joodse inwoners, men bij de discussie over Jacob de eigen existentiele problemen bediscussieerde.

Een ons bewaarde dialoog tussen de Rabbi Jehoeda de Prins ( ong. 200 van de gangbare gewone jaartelling ) en zijn schrijver Rabbi Appas laat ons de sfeer van die dagen proeven. Rabbi Appas kreeg het verzoek van Rabbi Jehoeda om voor hem een brief samen te stellen gericht aan keizer Antoninus

Wanneer Rabbi Jehoeda ziet dat Rabbi Appas de brief begint met de zin: ” Van Jehoeda de Prins aan zijn heer Koning Antoninus “, verscheurt hij de brief en dicteert een andere: ” Van uw dienaar Jehoeda aan onze heer Antoninus.”

Rabbi Appas protesteerde: ” Waarom behandelt gij uw eer geringschattend?”, waarop Rabbi Jehoeda antwoordde: ” Ben ik beter dan mijn grootvader Jacob? Zei hij niet [ tot Ezau ]: zo zegt uw dienaar Jacob”.

“Nu zond Jacob boodschappers voor zich uit naar Ezau, zijn broer” ( Gen.32,2 ).

Snel keerden de vredesboodschappers terug naar Jacob en zeiden: ” Wij zijn bij uw broer Ezau geweest. Hij is nu al met vierhonderd man naar u onderweg” ( vers 7 ). Het verhaal zoals het wordt weergegeven in de Bijbel bevat een lichte wijziging in de formulering die er ons onmiddellijk op wijst dat de vredeszending faalde. Jacob immers zendt boodschappers naar ” Ezau zijn broer”. Met deze woorden zinspeelt hij er op dat Ezau de broer in hem zou laten spreken. De boodschapper echter zeggen bij hun terugkeer dat ze niet ” Ezau [die] zijn broer [is]” ontmoet hebben, maar ” zijn broer [die] Ezau [is en verkiest Ezau te blijven]”.

Hierdoor wordt duidelijk dat Ezau niet de broer in zich laat spreken, maar verkiest om Ezau te blijven. De omkering van de woorden doet ons ook vermoeden wat Ezau in de zin heeft als hij met vierhonderd man Jacob Tegemoet trekt. “Jacob was zeer bevreesd en beangstigd”. Waarom deze dubbele nadruk, “bevreesd” en “beangstigd”? In het hierna volgende geven we een aantal verklaringen van Jacobs tweevoudige reactie van “vrees” en “angst”.

“Vrees”, aldus sommige commentaren, duidt paniek aan welke veroorzaakt wordt door iets van buiten uit, terwijl angst veroorzaakt wordt door iets inwendigs dat een persoon overmeestert. Jacob was “bevreesd” dat hij gedood zou worden in de confrontatie met Ezau, maar tegelijk was hij “beangstigd” dat hij zijn antagonist zou doden. Beide mogelijkheden vormen goede redenen voor Jacobs alarmerende toestand. Iets van Jacobs gevoelens werd duizenden jaren later weerspiegeld in de woorden van Golda Meir die zou hebben gezegd dat “wij verbolgen zijn over onze vijanden niet enkel omdat ze onze zonen doden, maar ook omdat ze onze zonen doen doden”.

Een andere uitleg ziet Jacobs “vrees” als de oorzaak voor zijn “angst”. De Almachtig zelfe beloofde Jacob dat Hij over hem zou waken ( Gen. 28,15 ). Hij zegde tot Jacob uitdrukkelijk: “Vrees niet ” ( Gen. 46,3 ) Toch kon Jacob niet anders dan bevreesd zijn, en hij realiseerde zich dat er niet mèèr te vrezen is dan de vrees zelf. Hij was beangstigd omdat hij zijn vrees niet kon overwinnen.

Nog een andere uitleg tenslotte stelt dat Jacob “bevreesd” was voor zijn eigen leven en “beangstigd” voor wat zijn familie zou kunnen overkomen. Het vervolg van het verhaal vertelt ons dat van beide gevoelens de laatste het sterkst was.

Geef een reactie