PARASHAT WAJIKRÁ

En Hij riep (Leviticus 1:1 – 5:26) 

De joodse gedachtenwereld en literatuur neemt een ambivalente houding aan tegenover de offercultus. Deze ambivalentie is aanwezig vanaf de oude profeten van vóór de ballingschap, in het boek van de Psalmen, bij de rabbijnen van Talmoed en Midrash, bij de grote middeleeuwse filosofen, tot bij de hedendaagse religieuze denkers. Deze ambivalentie liet haar spoor na in de liturgle en was (en is nog steeds, tot op een zekere hoogte) het onderwerp van verhitte diskussies.

Over het algemeen denkt men dat de levende offers de vroegste en meest diepe uitdrukkingen waren van het menselijke verlangen om zo dicht mogelijk de Almachtige te benaderen. Terwijl in het Engels het werkwoord ,to sacrifice” betekent “heiligmaken” (“to make sacred”), is het Hebreeuwse woord voor offer “korban” van dezelfde wortel als ,le-hakriv”, naderbij komen, naderen.

Enerzijds uiten profeten als Samuel (1 Sam. 5, 21-27), Amos (5, 21-27), Hosea (6, 6), jesaja (1, 11-17; 61, 1-2), Micha (6, 6-8), jeremia (6, 20; 7, 21-23) en ook de psalmist (40, 7; 50, 12-13) bezwaren tegen de uitvoering van de offercultus. Leidinggevende rabbijnen uit de talmoedische literatuur van de vroege eeuwen, Malmonides in zijn Mori ha-Nevoekbim (3, 32), waren het eens met hen. Ook sommige andere middeleeuwse joodse filosofen gingen met hen akkoord wanneer ze stelden dat dierenoffers bevolen werden niet omdat ze waarde op zich zouden hebben, maar om de Israëlieten af te houden van afgoderij en mensenoffers.

Anderzijds wijdt de Tora vele hoofdstukken aan de formulering van de wetten op de offers. De oorspronkelijke Hebreeuwse naam voor het derde boek van de Tora (omwille van het eerste woord Wa-jikra genoemd) was Torat kohaniein (de priestercodex, in de septuagint weergegeven als Leviticus), omdat het grootste deel van dit boek handelt over de rol die de leviim en kohanim in de offercultus innamen. Ook Mishna en Talmoed besteden heel wat boekdelen aan het verhelderen van de wetten op de offers. Maimonides zelf in zijn veertiendelige codex veronderstelt hen als een niet te betwisten wet.

Deze kontradiktorische houding ten aanzien van offers wordt zelfs nog meer paradoksaal als we de toekomst in de ogen durven te zien. Zouden joden die niet van ganser harte dierenoffers als vorm van eredienst onderschrijven, gebeden kunnen opzeggen voor het volledige herstel van de dierenoffers die toch een centrale plaats innemen in het traditionele joodse gebedenboek?

Offers vormen inderdaad een estetisch en soms een moreel probleem voor vele moderne joden die niet in staat zijn om zichzelf spiritueel opgeheven te voelen bij het zien van geslachte dieren, vergoten bloed en verbrande as. Maar bij al deze terughoudende bemerkingen hebben profeten, rabbijnen en filosofen steeds duidelijk gezegd dat offers ontegensprekelijk een integraal deel vormen van de Tora-wetgeving en van de joodse geschiedenis in de eerste en tweede tempelperiode, en dat ze deel uitmaken van de joodse verlangens naar de derde tempel voor wiens spoedige herstel volgens het traditionele gebedenboek dagelijks wordt gebeden.

Sommige leidende moderne joodse denkers, waaronder Rav Kook en Franz Rosenzweig, hebben geargumenteerd dat we niet te haastig moeten willen begrijpen en het mysterie van de offers trachten te ontsluieren, omdat ze zichzelf ééns weer kunnen voordoen als deel van een nieuwe eindtijdelijke werkelijkheid. Deze werkelijkheid zou wel eens sommige van de heersende gevoeligheden kunnen doen veranderen of zogenaamde nieuwe inzichten als oud ontmaskeren.

Uit de hoofdstukken over de offers in Tora is een les voor vandaag te trekken en ieder kan deze les leren volgens zijn eigen niveau van verstaan. Er is inderdaad heel wat te leren als men de eerste hoofdstukken van Leviticus leest, welke vooruitgrijpen op de hoofdstukken over onze bekwaamheid en onze verplichting om een leven van heiligheid te leven.

Alhoewel de Tora handelt over de priesterlijke wetgeving keert ze zich vooreerst niet tot de Levieten en priesters, maar tot het hele volk.

,,Zeg aan de kinderen van Israël: wanneer iemand van u de Almachtige een gave wil aanbieden, kan hij daarvoor een rund of een stuk kleinvee kiezen” (Lev. 1, 2). Zo staat het in heel wat vertalingen. Wanneer we echter terugkeren naar het Hebreeuwse origineel dan Iezen we: ,. . . en zeg hen: wanneer iemand van uzelf de Almachtige een gave wil aanbieden . . . “. Niet “iemand van u” maar “iemand van uzelf”. Deze wat moeilijke zinswending heeft aanleiding gegeven tot tal van interpretaties die allen als grootste gemene deler hebben dat de Tora hier vraagt dat het offer deel van jullie zelf moet zijn. De Almachtige wil niet een offer dat niet tot jou persoonlijk behoort of dat ie niet beschouwt alsof jijzelf plaatsvervangend op het altaar geofferd wordt.

Als door Gods genade iemand het offer van zichzelf te vervangen heeft door het offer van een dier (zoals gebeurde bij Isaak die het prototype bleef van alle offers), dan moet men het brengen van zijn eigen runderen of kleinvee. Als men een offer brengt, moet men niet iets brengen dat niet werkelijk eigendom is, of een stuk wild, of iets dat men toch te veel heeft, maar een stier of een geit welke afkomstig is uit de eigen kudde. De rijkdom van een persoon werd gemeten aan de omvang van zijn kudde. Schapen en vee waren wat geld voor ons is. Als iemand een offer brengt moet hij zichzelf voorhouden dat hij weg moet geven wat hij voor zichzelf nodig heeft, niet enkel dat wat kan genomen worden als aftrekbaar voor de belastingen.

Toen we kinderen waren werd ons het volgende verhaal verteld. Een rijke man stierf en liet aan zijn drie zonen drie kostbare gaven na. De eerste zoon ontving een verrekijker waardoor hij van het ene eind van de wereld tot het andere kon zien. De tweede ontving een tovertapijt dat zijn passagiers in een ogenblik tot het einde van de wereld kon dragen. En de derde zoon ontving een appel. Als men daarvan at, kon men om het even welke wens uiten en deze zou worden vervuld.

Op een dag keek de zoon met zijn verrekijker naar buiten en zag dat ergens in een heel ver land een mooie prinses leefde, de enige dochter van een groot koning. Deze prinses was ernstig ziek. Geen enkele dokter kon haar genezen en de koning verklaarde dat eenieder die de gezondheid kon terugbrengen aan zijn geliefde dochter, haar ook ten huwelijk zou krijgen, om mettertijd ook koning te worden. Toen hij dit zag, riep hij zijn broers bijeen en alle drie stegen ze op het tovertapijt van de tweede zoon. In een oogwenk kwamen ze aan in het afgelegen land. De prinses at van de betoverde appel van de derde zoon, wenste dat ze weer gezond zou worden en was op hetzelfde ogenblik weer gezond.

Nu kwam elk van de drie zonen naar de koning en ieder van hen beweerde verdiend te hebben met de dochter van de koning te huwen. De eerste zei: “Had ik mijn verrekijker niet gebruikt, dan waren we nooit te weten gekomen dat de prinses ziek was en dan waren we nooit gekomen om haar te genezen. Daarom verdien ik het om met de prinses te trouwen”.

De tweede zoon echter zei: “Hadden we mijn tovertapijt niet gehad, dan waren we hier nooit op tijd gekomen om het leven van de prinses te redden. De verrekijker en de appel zouden tot niets gediend hebben zonder mijn tovertapijt”. En tenslotte zei de derde zoon: “Noch de verrekijker noch het tovertapijt zouden geholpen hebben, ware het niet dat ik de appel had gegeven waardoor de prinses in een oogwenk werd genezen”.

De koning zag uiteraard dat elk van de drie zonen goede argumenten had om aan te tonen dat hij de uitverkorene was. Hij echter had te beslissen wie van de drie zijn enige dochter zou huwen. Wat besliste hij en waarom?

Als kinderen werden we gevraagd hoe het dilemma van de koning op te lossen en hoe tot een juiste beslissing te komen. Een moeilijke zaak. En de sleutel tot het juiste antwoord kan men vinden in de afdeling van de Tora die handelt over de offers.

Geef een reactie