PARASHAT WAJIKRÁ

En Hij riep                      Leviticus. 1:1 – 5:26Rabbi Jitzchak LuriaSha’ar HaMitzwot en Ta’amei HaMitzwotHet Offeren van de Dierlijke Ziel

“En elk meeloffer van jou moet je met zout bestrooien; bij al je offers moet je zout brengen.”

Wanneer het vertroebelende deel van de Dierlijke Ziel in de mens opstijgt naar de ziel van Asiya om er voeding van te verkrijgen, brengt het hem tot negatief gedrag.

Onopzettelijk negatief gedrag wordt goedgemaakt door offers Wat veroorzaakt bij een persoon negatief gedrag? Wanneer iemand zich met opzet negatief gedraagt, kunnen we dit toeschrijven aan een zekere” tijdelijke vorm van waanzin “, met andere worden, het feit dat hij wordt bedrogen (door zichzelf of door iemand anders), door te denken dat negatief gedrag geen kwaad zal veroorzaken of in feite een voordeel is voor zijn G’ddelijk bewustzijn. Maar wanneer het brein er niet bewust bij betrokken is, waarom zou iemand dan zondigen? En bovendien, als zijn negatief gedrag onopzettelijk was, waarom zou hij dan naar verzoening moeten streven?

De Arizal verklaart hier dat onopzettelijk negatief gedrag een uitvloeisel is wanneer het dierlijke in een persoon de overhand heeft over zijn G’ddelijke wezen. De “vertroebeling” van het dierlijke perspectief, de tendens om te relateren tot de wereld in termen van “natuur” eerder dan in termen van zijn G’ddelijke origine, maakt de persoon ongevoelig voor G’ddelijkheid.

Het deel van de ziel dat het bewustzijn vormt van de mens, is altijd verbonden met de delen van de ziel die boven dat bewustzijn uitreiken, met andere worden, de oorsprong van de ziel in de hogere werelden. Wanneer iemand een dierlijk bewustzijn cultiveert (opzettelijk of onopzettelijk), beïnvloedt dit perspectief de lagere niveaus van zijn zielsoorsprong in de hogere werelden; deze onvolkomenheid in zijn zielsoorsprong heeft nawerking in zijn onderbewustzijn, waar uit vervolgens onopzettelijk negatief gedrag resulteert.

Maar wat is de oorzaak van de vertroebeling [van de dierlijke oriëntatie] in de eerste plaats? Is het de Dierlijke Ziel van de mens, die extern is [aan de G’ddelijke Ziel]?

Door zijn dierlijke natuur en behoeften te overvloedig tevreden te stellen, desensibiliseert de persoon zichzelf ten aanzien van G’ddelijke aangelegenheden, zoals we al zeiden. Het is om die reden dat onopzettelijk gedrag verzoening vereist: zij is een barometer van het individuele niveau van G’ddelijk bewustzijn. Wanneer iemand een onopzettelijk gedrag vertoont, betekent dit dat ergens in zijn psyche zijn dierlijke natuur de overhand krijgt.

Daarom, wanneer een mens zich negatief heeft gedragen, [is zijn restitutie] het offeren van een Dierlijke Ziel van een dier, want zij was de oorzaak van het negatieve gedrag. Dan daalt er vuur neerwaarts van uit de Hemel en verbrandt dit negatieve gedrag. De oorsprong van de Dierlijke Ziel in de mens is dan gereinigd en gezuiverd en ermee verzoend, want al deze zijn gehouwen vanuit de zelfde bron. Het begrijpen van het brengen van de offers is een zeer diepe spirituele aangelegenheid.

De purificatie van de Dierlijke Ziel komt tot stand door G’D’s vertering van een realistische manifestatie van de Dierlijke Ziel, een dier. Want de intelligentie van een dier is praktisch geheel gericht op het bevredigen en zorgen voor zijn dierlijke noden en instincten. Door zichzelf aan G’D te vertegenwoordigen [een persoon] in de vorm van een dier, erkent de persoon die het offer brengt, tot op zekere hoogte, dat hij dierlijk “werd”.

Hier zien we opnieuw dat de Kabbalistische definitie van kwaad ( die eenvoudig de Joodse definitie van kwaad verwoord in de context van mystieke kosmologie) in het geheel niet de stigma’s van kwaadaardigheid draagt die het woord suggereert in de westerse cultuur. Kwaad is gewoonweg datgene dat niet G’ddelijk bewustzijn bevordert, het is ten aanzien er van antagonistisch. Ja, kwaad is slecht en schadelijk, maar alleen omdat het G’ddelijk denken belemmert, niet omdat er zoiets is als intrinsiek slecht.
Dus het beeld dat gebruikt wordt om kwaad aan te duiden in Kabbala “kelipa”, is de ” schil” die de toegang tot het binnenste van het fruit belemmert.

Dus in deze passage zien we dat de morele neutrale fysieke wereld wordt omschreven als “kwaad”, dit omdat het dient om G’ddelijke te verhullen van ons bewustzijn. Het erkennen en accepteren van G’ddelijkheid aanwezigheid in de Schepping breekt de schil open. Maar zoals een omhulsel of schil van fruit of noten, dient kwaad ook een constructief doel; het beschermt en koestert het fruit er in tot het rijp is. Zo ook wanneer een kind bijvoorbeeld zich ontwikkelt, moet hij eerst zijn eigen zelf, zijn ego waarnemen en vestigen. Alleen later kan hij zichzelf opnieuw definiëren in termen van een breder maatschappelijk bewustzijn en uiteindelijk G’ddelijkheid.

Daarom, toen de Tempel bestond, brachten de offers teweeg dat de vonken opstegen. In onze dagen nemen de gebeden de plaats in van de offers. Daarom bestaan de gebeden uit twee delen: actie en spraak, zoals is verklaard in Sefer HaKawanot, Sha’ ar HaTeffilla.

De liturgie evenaart het omhoog stijgen van de ziel door de vier werelden, net zoals het offer. De ochtendzegeningen en gebeden tot aan Baroech She’ amar (Gezegend zij Hij die sprak…”) beschrijft de Tempeldienst en is dus parallel aan de wereld van Asiya. De “Verzen om G’D’s lof te bezingen” (Pesoeke Dezimra, van Baroech She’ amar tot Jishtabach) stuurt de emoties en is daarom dus parallel aan de van wereld van Yetzira. Het reciteren van het Shema en de zegeningen er voor en er na richten zich naar het intellect en zijn daarom parallel aan de wereld van Beriya. Het staande gebed (Shemone Esre) geeft de vereniging met G’D weer en is parallel aan de wereld van Atziloet.
Gebed is hoofdzakelijk en vooral een zaak van spraak, het articuleren van woorden. Maar aan het begin van elke stijging naar een hogere wereld, is een begeleidende handeling. Voor het binnengaan de wereld van Asiya, wast iemand zijn handen voor het zeggen van de eerste zegen, ” …. Die ons heeft opgedragen de handen te verheffen.” Bij het binnengaan van de wereld van Yetzira, neemt de persoon de twee voorste tzitziet in zijn linkerhand en zegt tijdens het vasthouden Baroech She’ amar. Bij het binnengaan van de wereld van Beriya, raakt de persoon zijn Tefillien aan als hij de zegen ” …die licht heeft gevormd en duisternis heeft gecreëerd….” (Pri Chaim, Keriat Shema 1, Zohar III:120b)

De articulatie van de woorden van het gebed drukken onze emoties uit (Yetzira), onze intellectuele meditaties over de begrippen in de liturgie (Beriyai) en onze transcendente vereniging met G’D (Atziloet). Door het opnemen van actie (Asiya) in de gebeden, kan dit niveau ook opstijgen.

SHABBAT SHALOM

Één reactie op “PARASHAT WAJIKRÁ

  1. Het offeren is een zeer diepe spirituele aangelegenheid, zo diep dat u het nog niet geheel begrepen heeft. Het gaat om het innerlijke gevoel wat dierlijk is op het altaar te leggen. het heeft niets van doen met het dier offeren, dat is een zeer onlogische verklaring. Binnen in ons het leven in eigenbelang (ego) moet geofferd worden, we moeten het loslaten. Loslaten en vergeven heeft dezelfde betekenis in het Hebreeuws.

Geef een reactie