PARASHAT WAJIGASH

En hij naderde – Genesis 44:18-47:27

Stap na stap ontwikkelt het drama zich met steigende spanning. In wat beschreven is als een van de mooiste verhalen in de wereldliteratuur, maakt Josef zich aan zijn broers bekend.

Het bijbelse verhaal (Gen.45, 1-2) leest als volgt: ,,Nu kon Josef zich voor de overeige omstanders niet langer meer goed houden en riep uit: Stuur iedereen weg! Zo was er niemand meer bij, toen Josef zich aan zijn broers bekend maakte en hij barstte uit in tranen’’.

Toen het moment van de waarheid was aangebroken, toen Josef zich niet langer meer goed kon houden en toen het ogenblik rijp was om de rekening met zijn broers te vereffenen, gaf josef het bevel dat iedereen zou worden weggestuurd. Het was een van die ogenblikken waarop een buitenstaander niet aanwezig hoeft te zijn. Het ogenblik waarop diepe gevoelens beperkt moeten blijven tot de intieme kring van de nabije familie. Slechts daar kan iemand de greiven ter sprake brengen die om uitdrukking vragen. Er hunnen beschuldigingen weerklinken en oude veten kunnen herinnerd worden. Maar dit alles mag de buitenwereld niet horen.

Niet alleen zou een buitenstaander niet helemaal begrijpen wat er gaande is. Hij zou er ook boosaardige voldoening in hunnen vinden of de zwakke punten eruit pkken die tijdens de konfrontatie naar voren worden gebracht. Josef begreep doed dat niemand aanwezig moest zijn toen hij zijn broers ontomoette.

Een gelijkaardige trek komt naar voren in het leven van een andere bijbelse figuur die bestemd was om leider van zijn volk te worden. Toen Mozes in eem mand van papyrusriet op de rivier werd gezet, vond de dochter van Farao het weigje tussen het riet op de oever van de Rietzee (niet de Rode Zee zoals men later verkeerd overleverde). Toen ze het wiegje opende ,,zag ze het kind – het waseen jongen – wenen’’ (Ex. 2, 6). ,,Ze kreeg medelijden met hem en zei: Het is een van de hebreeuwse jongens’’ (Ex.2, 7).

Als het jongetje dat ze vond weende, zo vraagt een van de rebbijnen, waarom wordt er dan verteld dat ze het jogetje ,,zag’’ wenen en niet, zoals het zou moeten zijn, dat ze hem ,,hoorder’’ wenen?

En daarenboven, wat deed haar ertoe besluiten dat de vondeling ,,een van de Hebreeuwse kinderen’’ was?

Het antwoord luidt als volgt. Toen de dochter van Farao zag dat het kind met zulke zelfkontrole weende dat zij zelfs niets kon horen, besloot ze dat dit ,,een van de Hebreeuwse kinderen’’ moest zijn. Alleen zo’n kind was in staat om inwending te wenen zonder dat men hem naar buiten toe kon horen. Een kind van de Hebreeen wist, zoals Josef jaren voorheen, dat het moet wenen binnen de eigen kring om zo een front te vormen tegen de buitenwereld.

De rabbinjnen in de Midrash diskussieren verder over josefs wijsheid wanneer hij, op het moment dat de ontmoeting met zijn broers zou plaats vinden, iedereen beveelt dat ze zich zouden terugtrekken. Moest hij niet bevreesd zijn dat zijn broers hem in hun woede zouden kunnen doden? Zij wisten immers niet dat hij hun verloren broer Josef was en de lijfwachten van Josef hadden zich teruggetrokken.

Een rabbijn zegt dat Josef voor zijn daat moet befritiseerd worden. Josef zou niet wijs gehandeld hebben en onnodige risiko’s hebben genomen. Een andere rabbijn beweert echter dat Josef voor zijn aktie moet geprezen worden omdat hij moedig handelde in zijn verlangen om zijn broers niet in verlegenheid te brengen ten overstaan van vreemden. Hierbij – aldus deze rabbijn – ging hij zelfs zo ver dat hiij zijn eigen leven in de waagschaat stelde. Een derde rabbijn tenslotte zegt dat Josef wijs genoed was om de situatie juist te beoordelen en tot het besluit te komen dat er geen werkelijke risiko’s verbonden waren aan de daat die hij stelde.

Weliswaar kenden de broers op dat ogenblik niets Josefs ware identiteit, maar Josef wist wie zij waren. Hij was ervan overtuigd dat zij een ongewapend man niet laffelijk zouden ombrengen. Hij vertrouwde dus op de fundamentele integriteit van zujn broers waarin hij bleef geloven ondanks de bittere ervaring die hij met hen had opgedaan.

Ne de emotioneel geladen ontomoeting zegt Josef zijn broers vaarwel. Ze keren terug naar Kanaan om Jakob het goede nieuws te vertellen en om met hun vader naar Egypte terug te keren. Josef waarschuwt zijn broers met een zin: ,,Maak geen ruzie onderweg’’ (Gen.45, 24).

Uit de kontekst is duidelijk dat Josef vreesde dat ze elkaar verwijten zouden gaan maken over wat gebeurd was. Hiertegen waarschuwde hij hen. Sommige uitleggers van de Tora echter lezen in deze zin dat Josef zijn broers waarschuwt om geen ruzie te maken met anderen die ze op hun weg zouden hunnen ontmoeten.

Nu ze naar Kanaan terugkeerden als de broers van Josef, de machtige heerser van Egypte, was Josef beangstign dat ze zich superieur zouden voelen en ook superieur zouden handelen tegenover anderen die ze op hun weg zouden tegenkomen. Hij vond het daarom noodzakelijk om hen te waarschuwen dat ze niet vanuit hun nieuw verworven gevoel van macht zichzelf in moeilijkheden zouden brengen.

De rabbijnen in de Talmoed bieden nog een andere interpretatie. Binnen de zin: ,,Maak geen ruzie onerweg’’ benadrukken zij het tweede deel van de zin ,,op de weg’’, en ze begrijpen de weg als de halackha of de jodse religieuze levensweg. Josef zou zijn broers gewaarschuwd hebben om geen halakhische diskussie aan te gaan.

Waarom een dergelijke waarschuwing op dit moment? Misschien vreesde josef dat zijn broers door middel van halakhische diskussiemethoden zichzelf zouden willen rechtvaardigen. Hij vreesde dat ze ,,op de weg’’ tot het besluit zouden komen dat wat ze hem hadden aangedaan eigenlijk juist was ,,volgens de halkha’’. Hij wou dat ze hun boosheid toen ze hem verkochten recht in de ogen zouden zien en dat ze hieruit de nodige morele lessen zouden trekken. Lijden en vernedering kunnen niet steeds goedgepraat worden met het argument ,,maar dit is de halakha!’’.

De rabbijnen waren zich altijd bewust van het gevaar dat de formele wet of het spreken in naam van de halacka een…,,schurkenhemel’’ zou kunnen worden. Zij eisen dat we verder gaan dan de letter van de wet en herinneren er ons aan dat de wet geen doel op zichzelf is maar veeleer een middel om aan te komen bij het hogere doel: ,,Jullie zullen heilig zijn’’.

Geef een reactie