PARASHAT WAJIGÁSH

En hij naderde (Genesis 44:18 – 47:27)

Deze Thoralezing vertelt ons over hoe Jaákov en zijn familie de tocht van het Heilige Land Israël naar Egypte maakte, om Josef te ontmoeten. Jaákov aarzelde om het Heilige Land te verlaten en hij besliste daarom niet eerder tot dat hij een verzekerde belofte ontving van G’D. Waarom aarzelde hij? Het is voor de hand liggend.

Eretz Jisraël is een Heilig Land, “het land waar G’D’s ogen zich het hele jaar op concentreren.” En het is daarom ook vanzelfsprekend dat Jaákov, onze Patriarch, daar zijn laatste dagen zou willen doorbrengen.

Waarom dan ging hij naar Egypte? Onze geleerden antwoorden dat het was voorbestemd. Jaákov zou hoe dan ook, desnoods in boeien, gegaan zijn. Maar als gunst bepaalde G’D dat Jaákov”s zoon onderkoning werd, zodat Jaákov zijn reis kon ondernemen op koninklijke invitatie. Dat leidt onmiddellijk tot de volgende vraag: Jaákov ging naar Egypte omdat G’D het wilde. Maar waarom wilde G’D dat hij ging? En waarom verlangt hij van ons, de nakomelingen van Jaákov, om in de verschillende Egypten van onze wijdverspreide Diaspora te leven? Het Joodse volk is geschapen en gevormd voor een specifieke taak: om deze wereld tot een verblijfplaats te maken voor G’D. Dat houdt niet alleen het Land Israël in. Integendeel, aangezien Eretz Jisraël een eigen dimensie van heiligheid bezit, is de essentie van die taak gericht op gebieden over haar grenzen.

Elke materiële substantie van deze wereld bevat vonken van G’ddelijkheid. Al het voedsel dat we eten, elke persoon die we ontmoeten of elke situatie die we ervaren wordt gesteund door het G’ddelijke. Onze taak is om deze energie te onttrekken en deze te gebruiken voor positieve doeleinden. Bijvoorbeeld, wanneer we een zegen reciteren vóór of na het eten en de vitaliteit die het voedsel voortbrengt gebruiken voor G’ddelijke bedoelingen, vervullen wij G’D’s doelstelling in het scheppen van dat voedsel. Het is zoals fruit met een schil. Fruit is analoog aan de G’ddelijke vonk, de primaire importantie, maar om dit fruit te laten existeren in deze materiële wereld, moet het allereerst worden ontdaan van haar schil, de materiële substantie van onze wereld.

Dit is het feitelijke oogmerk van het Joodse Volk in de wereld, om de wereld te zuiveren door haar existentie te kenmerken met deze spirituele dimensie en om ons en anderen te laten zien dat er fruit is onder de schil. Om deze redenen zwierven Joden van continent naar continent, van land naar land, met als streven de G’ddelijke levenskracht te reveleren die verborgen is in deze plaatsen.

Dit proces begon met Jaákov’s nakomelingen naar Egypte.

Toen G’D Avraham vertelde dat zijn nakomelingen slaven zouden zijn in Egypte, zei Hij hem eveneens “Naderhand zullen zij in grote rijkdom vertrekken.” Waarom was Avraham geïnteresseerd in de kennis dat zijn nakomelingen rijkdom zouden ontvangen? Met klaarblijkelijke oprechtheid zou hij hebben gewild dat zij eerder konden vertrekken, zelfs als zij geen rijkdom hadden verworven.

De rijkdom die Avraham was beloofd was de verheffing van de G’ddelijke vonken die in de Egyptische rijkdom waren opgesloten.

Dit is het spirituele motief van Josef’s vergaring voor alle Egyptische rijkdom tijdens de hongersnood, zodat naderhand, door zwoegend Joodse arbeid, zij deze G’ddelijke vonken konden verheffen en zwaar beladen met goud en zilver konden vertrekken uit Egypte. Het proces werd voltooid doordat zij het goud en zilver gebruikten om in de woestijn het draagbare Heiligdom (tabernakel) te bouwen, ze bewerkstelligden daarmee een verblijfplaats voor G’D in deze wereld.

Geef een reactie