PARASHAT WAJERÁ

Rabbijn Juda Groenteman geeft 5 en 12 november een aantal lezingen in Antwerpen, informatie via:

http://www.elcker-ik.be/InformCMS/preview/index.php?pag_id=550288&cty_id=1730

 

En Hij verscheen (Genesis 18:1 – 22:24)

Rebbeinoe Bachya

“Een engel van de Eeuwige riep hem vanuit de hemel toe en zei: “Awraham, Awraham.” En hij zei: “Hier ben ik.” En hij zei: “Strek je hand niet uit naar de jongen en doe hem niets, want nu weet Ik dat je Godvrezend bent en dat je Mij je zoon, je enige, niet hebt onthouden.” [Genesis. 22:11-12]

Het ogenschijnlijk vreemde fenomeen in deze paragraaf, dat G’D degene is die Abraham onderwerpt aan een beproeving, en die engel voorkomt dat hij daarin verder gaat, moet als volgt worden opgevat: De “engel” is niet van de categorie van “nifradiem” [spiritueel creatuur, gescheiden van het lichaam], maar van wat bekend staat als de “netiyot” [de emanaties van G’D”, een G’ddelijke stem veel dichter tot G’D’s Essentie dan “louter”engelen].

Had de engel, welke Abraham riep en hem instrueerde te stoppen, behoord tot de categorie bekend als “nifradiem”, zou Abraham hem hebben genegeerd, en zou zichzelf niet toestaan, als ondergeschikte van degene die hem in eerste instantie heeft opgedragen, om te annuleren. Bovendien, is het verreweg ondenkbaar dat een engel van de “lagere”categorie van “nifradiem” zou zijn toegestaan om tegen Abraham te zeggen, “Je hebt je zoon niet aan Mij onthouden”; hij zou gezegd hebben “van Hem”. Dit maakt duidelijk dat de stem welke de Thora beschrijft als, voortkomend uit een “engel van G’D”, van een superieur G’ddelijk niveau was.

Deze “engel”, bekend onder de naam “groot engel”, manifesteert zichzelf in Exodus 14:9, als de Thora hem beschrijft als “De engel van G’D, die het kamp van Israël voorgaat” [en daarbij allerlei mirakels volbrengt]. Bij het gebruiken van de woorden “malach ha Elo-hiem” bedoelt de Thora niet “engel van G’d”, want het woord “malach” [gewoonlijk vertaald als “engel”] is niet een bezittelijk voornaamwoord, de engel is slechts een eigenschap van G’D. Het woord ”Elo-hiem” in dit vers, moet worden opgevat als, uitleg van het woord “malach”. Wanneer de Thora deze G’ddelijke voortbrenging beschrijft als “malach” betekent dit dat G’D inhoudelijke aanwezig is in deze G’ddelijk voortbrenging.

We komen iets dergelijks tegen in Exodus 23:21, waar G’D aan Mozes uitlegt dat de engel/malach, die het Joodse Volk zal begeleiden, met het allergrootste respect gerelateerd moet worden aan “Mijn naam in hem”.

Het woord is klaarblijkelijk in plaats gesteld voor de eigenschap van G’D, wat we noemen “de vrees van Izaak”, een eigenschap welke op geen enkele wijze tegenspraak duldt.

Wanneer we lezen in Genesis 48:16, als Jacob voor zijn dood zegent, “ De engel die mij verloste……is in het midden van de aardse wereld,” welke een verwijzing is naar de eigenschap van “meesterschap” [“adnoet”] welke deze “engel” representeert. Hij heeft de autoriteit binnen het gehele aardse universum.

Rebbeinoe Bachya, Rabbi Bachya ben Asher [1255-1340] van Saragosa Spanje, was een uitzonderlijke leerling van Rabbi Shlomo ben Aderet ( de “Rashba”), de voornaamste leerling van Rabbi Moshe ben Nachman (de “Ramban”). Verscheidene boeken zijn geschreven op de Kabballa baserende Thoragedeelten van R. Bachya’s commentaren.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie