PARASHAT WAJEESHE

En hij zette zich (Genesis 37:1 – 40:23)

Het gemeenschappelijk kenmerk van deze en de twee volgende Parashot zijn de vooringenomenheid met de relatie tussen Joséf en zijn broers.

 

Gezien het feit dat het feest van Chanoeka in de komende weken plaats vindt en gezien Koning Solomon’s zeer bekende zin in Prediker: dat er een plaats en tijd voor alles is, zullen we zien dat de timing van de verschillende feestdagen, verordent door de Rabbijnen en zelfs de vastendagen die door hen zijn opgelegd, zinspelen op de onderwerpen en handelingen van de Thoralezing gedurende die respectievelijke week van het jaar. “Adonai echat weshemo echat” de Eeuwige is EEN en Zijn Naam is EEN. Het mysterie van G’D’s Eenheid en de Eenheid van Zijn Naam, wordt in het boek Sefer Yetzirah en in alle andere Kabbalistische teksten vergeleken met de verwantschap tussen een vlam en een gloeiende houtskool. Dezelfde relatie bestaat tussen Ja’akov en Joséf, Ja’akov is de gloeiende houtskool, het vuur verbonden aan de houtskool, terwijl Joséf de vlam is. Schriftelijk bewijs voor deze gedachte wordt gevonden in Ovadiah 1,8, waar de profeet schrijft, “Het huis van Ja, akov is als vuur en het huis van Joséf als een vlam.” De letters van het woord éésh (vuur) zijn respectievelijk de eerste letters van èmet (waarheid, oprechtheid) en shalom (vrede), welke de eigenschappen zijn van respectievelijk Ja’akov en Joséf.

 

Esav echter was exact het tegenovergestelde. Hij representeerde kin’a (jaloersheid), en sin’a (haat). Jaloersheid is precies het tegenovergestelde van oprechtheid. De eigenschap van oprechtheid is te definiëren als een bereidheid om te erkennen dat iets objectief is, zonder het te ontkennen of anders weer te geven ( zelfs als men daarbij in een slecht daglicht komt te staan). Toen de profeet Ovadiah in het aangehaalde vers beschrijft hoe het huis Esav werd als kash (stro), waren dat respectievelijk de eerste letters van kin’a (jaloersheid), en sin’a (haat). Hoewel er een verband is tussen het aansteken van de Chanoeka menora (kandelaar) en het aansteken van de menora in de Heilige Tempel, zijn er enige wezenlijke verschillen. De menora in de Tempel werd aangestoken binnen, in het gebouw, het aantal lichtvlammetjes elke dag was constant en zij werden aangestoken gedurende de dag. Ook gedurende de tijd van Mozes en later die van Koning Solomon, toen het Joodse Volk materieel welvarend en veilig was. In tegenstelling tot nu, de huidige era, ontsteken we de Chanoeka menora bij het vallen van de avond en voegen we elke avond een nieuw vlammetje toe aan de Chanoeka menora, bovendien zijn de lichten geplaatst om de buitenwereld te verlichten. In de tijd van Chanoeka waren de Joden onder de tirannieke Syrisch – Griekse heerschappij. Het Joodse leger was klein en op spiritueel niveau en er was aanvankelijk geen zuivere olie [voor het aansteken van de menora in de Tempel] beschikbaar, zelfs niet voor één nacht.

 

Het bovenstaande impliceert dat er in tijden van materiele overvloed, spirituele taken makkelijker worden gedaan. De noodzaak voor bijzondere inspanningen en zelfopoffering zijn veel minder, dus het aansteken van een constant aantal lichtvlammen elke dag is voldoende. Echter, wanneer spirituele duisternis over de Joodse gemeenschappen valt, zoals in onze dagen, is er een andere wijze van praktiseren nodig. We steken de lichten aan bij het vallen van de duisternis en richten en sturen het licht naar de buitenwereld en verhogen constant het aantal vlammetjes, daarmee geven we uitdrukking aan het feit dat we ons niet staande kunnen houden op één constant niveau, maar moeten vooruitgaan en omhooggaan tot we het moment bereiken dat we de menora kunnen aansteken in de herbouwde Heilige Tempel.

 

SHABBAT SHALOM

 

 

 

Geef een reactie