PARASHAT WAJECHI

En hij leefde (Genesis 47:28-50:26)

“Jakob leefde nog zeventien jaar in Egypte… En het ogenblik dat Israel zou sterven naderde” (Gen. 47, 28-29). In een adem wordt de aartsvader genoemd “Jacob” en “Israel”. Deze verandering is net zoals alle andere veranderingen in de bijbelse tekst niet zonder reden. Eerder in zijn carriere, wanneer Jacob op het punt staat het beloofde land binnen te treden, zegt de engel van de Almachtige hem op het einde van een verwoed gevecht: ,Voortaan zult ge geen Jakob meer heten maar Israel, want ge hebt met de Almachtige gestreden en met mensen en ge hebt overwonnen” (Gen. 32, 29). Deze heroische periode in het leven van de aartsvader eindigt wanneer hij het land verlaat en afdaalt naar Egypte (Gen. 46, 2). ,En de Almachtige sprak tot Israel in een nachtelijk visioen: Jacob, Jacob! Met het in balling-schap gaan naar Egypte komt ook de regressie en wordt Israel weer Jacob.

Gedurende de zeventien jaren dat Jacob in Egypte leefde, moet hij genoten hebben van de komfortabele levensomstandigheden in dat deel van Egypte dat hem door Farao werd gegeven. Hij moet ook genoten hebben van de aanwezigheld van zijn kinderen en kleinkinderen die dicht bij hem woonden. Ook genoot hij zeker van zijn sociale status. Hij kon zich terecht beroemen op de verwezenlijkingen van ,,mijn zoon de topambtenaar van het land”. Niettemin was hij met dit alles slechts Jacob. Hij was niet meer Israel: niet meer de heroische worstelaar met de Almachtige en met de mensen.

Het naderende einde van zijn leven brengt hem uit zijn genoeglijke zelfvoldaanheid. ,En het ogenblik dat Israel zou sterven, naderde”. Wanneer vervolgens Jacob terugdenkt aan zijn eigen leven en zijn eigen land, wordt hij plotseling opnieuw Israel.

Na zeventien jaar als Jacob is hij weer Israel wanneer hij zijn zoon Josef smeekt: ,lk bid je, begraaf mij niet in Egypte!”

Hij doet Josef zelfs een eed afleggen en hem beloven dat hij zijn laatste wil zal uitvoeren. Hij laat zijn dierbare zoon Josef niet toe de droom van Israel in Egypte te begraven. Jacobs dood mag niet het einde zijn van het verbond met Avraham, van de bereidheid van Izaak om geofferd te worden, van het gevecht met de Almachtige en met de mensen, van Jacob die Israel werd. ,Ik bid je, begraaf met niet in Egypte!”

Volgens de rabbijnen in de Midrash wenste Jacob ook niet voorlopig in Egypte begraven te worden omdat hij voor tweeerlei zaken bevreesd was. Vooreerst was hij bevreesd dat de Egyptenaren hem een koninklijke begrafenis zouden bezorgen en hem zouden begraven in de koningsgraven. En vervolgens vreesde hij dat ze zijn graf tot een heilige schrijn zouden maken. Voor beide mogelijkheden was Jakob zeer bevreesd.

Hij was er zich van bewust hoeveel goeds en hoeveel roem zijn nakomelingen aan de grote Egyptische beschaving zouden kunnen brengen. Het vooruitzicht van begraven te worden met de koningen was er een bewijs van hoezeer zijn familie reeds had bijgedragen en in de toekomst nog meer zou kunnen bijdragen aan het politieke systeem van het land. En als dit nog niet voldoende zou zijn om hem ervan te overtuigen dat hun plaats in Egypte was, was er nog dat andere vooruitzicht dat zijn graf een heilige schrijn zou worden. Denk eens even aan de waardevolle religieuze en morele bijdrage die Jakob en zijn familie zouden kunnen leveren aan de Egyptische gemeenschap!

Jakob liet zich evenwel niet beinvloeden door deze bekoringen. Hij had slechts een verzoek: ,lk bid je, begraaf me niet in Egypte!” Hij wil naar huis gebracht worden, zodat zijn kinderen zullen weten waar ze thuishoren. Zo wordt hij op het eind van zijn dagen weer Israel. Hij verkiest een te verwaarlozen graf in Chevron dat van hem is boven een roemvolle piramide bij de Nijl, voor hem door anderen gebouwd.

Josef belooft, legt zelfs een eed af, dat hij de wil van zijn vader zal volbrengen. ,En hij zei, ik zal doen wat ge hebt gezegd” (vers 30).

Sommige commentatoren (Kli Yaqar, Shelah) leggen de woorden van Josef als volgt uit: ,En hij zei: Ik (net zoals jij) zal doen (wanneer mijn tijd gekomen is om te sterven) zoals gij gezegd hebt (vragen om begraven te worden in het land van Israel)”. Wat hij ook werkelijk deed (zie het eind van Genesis, Gen. 50, 25).

De laatste daad die Jakob verrichtte was zijn kleinkinderen Efraim en Menashe ontmoeten, de kinderen van Josef en zijn Egyptische vrouw Asnat die geboren en getogen waren als Egyptische prinsen. Wanneer hij hen voor het laatst ontmoet, zegt hij: Jouw beide zonen die in Egypte geboren zijn, voordat ik in Egypte bij je kwam, zijn mijn zonen” (Gen. 48, 5). Om er zeker van te zijn dat de droom van Israel niet in Egypte zal begraven worden, wendt Jakob zich tot de jongere generatie. ,De engel die mij verlost heeft uit alle kwaad, moge hij de jongens zegenen en moge in hen mijn naam en de naam van mijn vaderen Avraham en Izaak voortleven” (Gen. 48, 15-16). Hij maakt zich geen zorgen om zijn eigen kinderen, de eerste generatie van emigranten die nog steeds het land Israel indachtig zijn evenals het traditionele huis van Jakob waarin ze opgroeiden. Om te verzekeren dat de keten van de traditie verder wordt voortgezet, poogt hij in contakt te treden met de derde generatie, zijn kleinkinderen.

Weliswaar zijn er dieren en vogels welke met hun jongeren in contakt treden, maar naar mijn weten zijn het enkel menselijke wezens welke met hun kleinkinderen communiceren. Opdat deze relatie betekenisvol zou zijn, moet men in staat zijn om aan de kleinkinderen de traditie door te geven die men van de grootouders ontvangen heeft.

Jakob wist zich verantwoordelijk voor het lot van zijn kleinkinderen. Indien hij de zegeningen van zijn traditie niet aan hen had doorgegeven, dan zou iemand anders op een veel later tijdstip hen hieraan kunnen herinneren op de meest gruwelijke manier. Zo schrijft de filosoof Emil Fackenheim in zijn baanbrekend werk over de holocaust: ,Een miljoen joodsc kinderen, die vermoord werden in de nazi holocaust, stierven niet omwille van hun geloof en ook niet ondanks hun geloof. Ze werden vermoord omwille van het geloof van hun overgrootouders. Indien deze overgrootouders hun joods geloof hadden opgegeven en indien ze zouden gefaald hebben om joodse kinderen groot te brengen, dan zouden hun vierde generatie afstammelingen onder de nazi-uitvoerders geweest kunnen zijn en niet onder hun Joodse slachtoffers.”

Jakob was er zich van bewust dat grootouders, niet minder dan ouders (die toekomstige grootouders zijn), verantwoordelijkheid dragen voor het lot en het geloof van hun kleinkinderen.

Wie is Jood? Niet iemand die zich kan beroemen op zijn Joodse grootouders (en wie van ons kan zich niet op zijn minst beroemen op een grote rabbijn in de familie?), maar iemand die met vertrouwen kan spreken over zijn Joodse kleinkinderen. Deze persoon kan de voetstappen drukken van Jakob die tot Josef zei: ,Ik bid je, laat ze tot mij komen” (Gen. 48, 9).

Geef een reactie